In
die tijd
zei Jezus tot de hogepriesters en oudsten van het volk:
“Luistert
naar een andere gelijkenis:
Er was een mens, een landheer, die een
wijngaard aanplantte,
er een omheining omheen zette,
er een
wijnkuip in uitgroef,
een toren bouwde, hem aan wijnbouwers
verpachtte
en naar het buitenland vertrok.
Toen de tijd gekomen
was om de vruchten te oogsten,
zond hij zijn dienaren naar de
wijnbouwers
om zijn vruchten in ontvangst te nemen.
Maar de
wijnbouwers grepen zijn dienaren,
de een mishandelden zij, de
ander doodden zij,
nog een ander stenigden zij.
Daarop zond hij
andere dienaren, talrijker dan de eersten;
maar zij deden met hen
evenzo.
Uiteindelijk zond hij zijn zoon naar hen toe,
zeggend:
‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’
Maar
toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden ze onder elkaar:
‘Dit
is de erfgenaam;
komt, laten we hem doden, en ons zijn erfenis
toe-eigenen.’
En zij grepen hem,
wierpen hem buiten de
wijngaard en doodden hem.
Wanneer nu de heer van de wijngaard
komt,
wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?”
Ze zeiden
Hem:
“Ellendelingen zal hij op ellendige wijze te gronde
richten
en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers,
die
hem de vruchten op hun tijd zullen afdragen.”
Toen zei Jezus
hun:
“Hebt gij nooit in de Schriften gelezen:
‘De steen die
de bouwers hebben afgekeurd,
die is tot hoeksteen geworden;
door
de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen’?
Daarom
zeg Ik u
dat het Koninkrijk Gods u ontnomen zal worden
en
gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt.”
Beste
vrienden
De
laatste tijd ben ik meer aan het lezen over de soms moeilijke
verhouding tussen christendom en jodendom en dan vooral de soms
kwalijke rol die onze eigen Kerk daarin gespeeld heeft. Omdat er
zoveel veranderd is in de kerk denken we daar niet meer dagelijks aan
terug. Maar we zien nog wel de sporen ervan, ook in ons eigen
kerkgebouw, ook in de lezingen die we deze zondag meekrijgen.
Sommigen
onder u weten misschien nog hoe de kerk eruitzag voor de vernieuwing
van de liturgie. Hier boven het priesterkoor hing een zogenaamde
triomfbalk. De oudere generatie heeft daar misschien nog beeld bij.
De beelden die bij die triomfbalk hoorden staan nu op het
priesterkoor, u heeft ze misschien wel eens gezien, al staan ze niet
meer zo in het zicht.
Wilt
u zich even omdraaien en kijken naar de koorzolder. Achter u,
bovenin.
onderbreking
De
twee buitenste beelden. Geheel rechts, geheel links. Daar gaat het
om. Dat zijn geen heiligen maar symbolische beelden. Rechts ziet u de
Kerk, met een kruis en een kelk en een kroon. Links ziet u een andere
figuur. Kromgebogen, geblinddoekt, steunend op een gebroken stok. Dat
is de Synagoge. Beeld voor het Jodendom.
De
triomfbalk, die overigens pas rond 1920, na de Eerste Wereldoorlog
hier een plek gekregen heeft maakt duidelijk wie er volgens het
katholieke denken van voor het Tweede Vaticaans Concilie triomfeert:
namelijk, de Kerk. En ook waarover wordt getriomfeerd. Het Jodendom.
Niet dat er toen Joden woonden op de Leur, althans niet dat mij
bekend is. In Etten woonde de familie Levie, van de marktkoopman
Samuël Levie, zijn kinderen gingen rond die tijd hier op de Leur
naar de openbare school. Maar de balk ging niet over de familie
Levie, maar over een theologisch idee: namelijk dat de Kerk in de
plaats van het Jodendom was gekomen. En dat is gelijk het probleem
met zulk soort ideeën. Het gaat nooit eens over de familie Levie.
Nooit over concrete mensen, die je ontmoeten kan, waar je mee spreken
kan.
Het
gezin Levie heeft het weghalen van de triomfbalk hier niet meer
meegemaakt. Samuël zelf, zijn kinderen en hun gezinnen zijn namelijk
tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter omgebracht.
onderbreking
Het
idee dat de Kerk in de plaats van het Jodendom komt is vele, vele
eeuwen dominant geweest. En de afdrukken van deze overtuiging waren
terug te vinden in de liturgie, de gebeden van de kerk, al vanaf de
eerste eeuwen. In de Bijbelcommentaren, in de preekhandleidingen, in
hoe er daadwerkelijk gepreekt werd. In het bijzonder over hoe deze
tekst die wij vandaag hebben gehoord verkondigd werd. De wijngaard,
die weggenomen wordt van haar leiders – en aan een nieuw volk zal
worden gegeven. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog werd dat gelezen
als een bewijstekst dat het Joodse volk vervloekt was, afgewezen,
bestraft om de Godsmoord op de Heer.
En
die verkondiging, die uitleg, dat was niet zomaar een interpretatie
van een paar boekenwurmen die het zicht op de alledaagse realiteit
waren kwijtgeraakt. Verdwaald als ze waren in het Grieks, het Latijn
en de Patristiek. Die uitleg werd als volstrekt vanzelfsprekend
gezien, dat dat zo was. En zoals wij katholieken naar de Bijbel
kijken is dat voor ons een zwaar besef. De tekst bestaat niet buiten
de lezer, dat wil zeggen de lezende gemeenschap van de Kerk om. Als
katholieken zijn wij erfgenaam van een eeuwenoude leeswijze die niet
onschuldig is, en die veel kwaad heeft aangericht en desondanks
volledig tot onze traditie behoort. We kunnen niet zomaar zeggen “we
doen het nu anders, slaan de bladzij om, en hebben het er niet meer
over”. Dat is in onze kerk geen optie.
Toch
doen we het nu anders en dat is echt zo, het Concilie is geen
cosmetische operatie, waarin je een facelift aangemeten krijgt en je
er nu fit en nieuw uitziet – terwijl alles eigenlijk hetzelfde is
gebleven. Dus wat kunnen we halen uit deze moeilijke tekst, die zo
verdrietig, zo gewelddadig begrepen is?
We
lezen over de wijngaard, over de leiders van het volk. Ze doen niet
wat goed is, en willen de oogst voor zichzelf houden. Je kan zelfs
zeggen ze zijn bevangen door waanzin. Ze zijn pachters, de grond is
niet van hen. Die is van de Heer. De wijngaard staat voor het volk,
voor het koninkrijk van God. Per definitie is die niet van jou. Je
mag er in werken, je mag er van leven, je kan er goed leven, je hoeft
niks tekort te komen. Maar je moet wel weten in wiens dienst je
staat. De Heer stuurt zijn dienaren, de profeten, om je daarop te
wijzen. Keer op keer worden de profeten vervolgd door de macht. En
daar zit iets in hen, een vanzelfsprekendheid. Ze kunnen alleen
denken in termen van macht en onderwerping. Je ligt bovenop óf je
wordt vertrapt. Dat wereldbeeld is verbazend actueel.
Of
liever: het is nooit ver weg. Het is namelijk moeilijk om je iets
anders voor te stellen: dat als je wordt uitgedaagd, je terug moet
slaan. Je met geweld de macht moet handhaven voordat iemand anders
van je afneemt wat je hebt. We hoeven het nieuws maar aan te zetten
om te zien wat er gebeurt als je niet meer op je hoede bent.
Dat
kan zelfs je Godsbeeld raken. Als Jezus de leiders het verhaal van de
wijngaard vertelt, spreken ze uit dát wereldbeeld. Het uitstel, de
steeds nieuwe dienaren, uiteindelijk het zenden van de zoon zelf
worden niet verstaan als een opening naar een nieuw begin maar als
onverdiend uitstel, een onverdiende genade die de uiteindelijke
bestraffing alleen maar zwaarder zal maken. Een ellendige dood. Zo
voorspellen ze, geheel volgens hun wereldbeeld van dominantie en
onderwerping.
En
dan is het makkelijk om te zeggen: ze veroordelen zichzelf, die boze
leiders, ze verdienen de dood. Ze vervloeken zichzelf. Een nieuw volk
zal het overnemen! Maar is dat niet te snel? Jezus neemt het niet
zomaar over, die woorden. Er houdt wel iets op. Maar er begint ook
iets nieuws. Die oude leiders, die gaan niet meer mee.
De
leiders denken enkel aan zichzelf, en daarmee verwerpen ze de
toekomst. En de prijs voor het verwerpen van de toekomst is dat je er
geen deel van kan uitmaken. Jezus zegt: het zal u leiders, worden
ontnomen. De wijngaard, het koninkrijk, komt een nieuw volk toe. Er
wordt iets vernieuwd. Met Jezus als hoeksteen. De wijngaard die voor
een volk is. Voor alle mensen die zich daar thuis willen voelen. Die
willen samenwerken. Elkaar willen ontmoeten. Mensen die weten dat
niet alles om henzelf draait. Mensen die de visie van harmonie en
verzoening voor zich zien. Mensen die wegstappen van fantasieën over
hoe zij triomferen over de ander. Hoe zij kunnen domineren om de
ander te onderwerpen. Die hoe moeilijk de tijden ook zijn, het niet
opgeven om de ander te willen ontmoeten, van elkaar te leren, en naar
elkaar te luisteren. De wijngaard is dan ook een frustrerende plek,
want naar elkaar luisteren is moeilijk. Het is makkelijker om de
boodschapper in de sloot te duwen, maar dat gaat van kwaad tot erger,
dat hebben we van de leiders in de tijd van Jezus geleerd. Hoewel de
kerk in het Midden-Oosten klein is kan zij bijdragen, zo hoop ik, aan
die ontmoeting, en aan uiteindelijke verzoening, hoe ver voorbij de
horizon die verwachting ook ligt. Hoe onrealistisch het ook voelt. De
visie van dominantie en onderwerping moet elke keer opnieuw worden
uitgedaagd.
Misschien
moeten we na tweeduizend jaar christendom nog steeds, of liever:
steeds weer, leren wat het is om samen Wijngaard te zijn. Hoe dat
moet kunnen we alleen leren in de praktijk, maar we kunnen ons laten
leiden door het voorbeeld van de Heer. Hij klampte zich niet vast aan
zijn gelijkheid met God, hij zocht geen dominantie om de ander te
onderwerpen. Hij hoeft de leiders niet met een machtswoord omver te
werpen, want in de Bijbel zetten de machthebbers uiteindelijk
zichzelf klem. Het goede nieuws is dat ze niet het laatste woord
hebben. Hoe verschrikkelijk mensen ook kunnen lijden onder wandaden
van de mensen die boven hen gesteld zijn, de leiders hebben niet het
laatste woord. God geeft zijn volk nooit op. God geeft het Joodse
volk nooit op.
We
hoeven ons als kerk dus ook niet beter te voelen dan anderen. Voor
zover wij iets zijn, zijn wij geënt op de olijfboom van het joodse
volk. Dat zou ons eerder nederigheid moeten leren dan iets anders. En
elke keer als we in het evangelie lezen dat de apostelen zichzelf
verhieven of probeerden de grootste te zijn, weet je zeker dat er
iemand heel binnenkort over een bananenschil uitglijdt.
In
de Wijngaard is geen plaats voor antisemitisme, onder welke
religieuze of politieke vermomming dan ook. Wij moeten daar streng op
zijn. De wijngaard verdraagt geen triomfbalken. De kerk is er niet om
te heersen, maar om te dienen. En de God die we dienen is de God van
Israël, de God van Abraham, Isaäk en Jakob. De kerk staat dus niet
ten dienste van geweld en onderwerping, maar is er voor alle mensen,
opdat zij in vrede en waardigheid mogen leven. In de woorden van de
Bijbel ieder mens vredig onder zijn of haar wijnstok en vijgeboom
zitten mag. Mogen we dan op de plek waar we zijn, God ontmoeten voor
wie Hij is.
Amen.