Thursday, 3 April 2025

Vijfde Zondag Vasten C

 

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerste een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
” Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”

Beste vrienden,

Misschien heeft u wel eens een gesprek gehad die niet uit was op een dialoog. Hij (of, minder vaak, zij) wil alleen maar het eigen gelijk te berde brengen en als er naar je geluisterd wordt, dan is dat alleen maar om je ergens mee te kunnen vangen.

Dat is al vervelend, maar het gaat ook nog eens van kwaad tot erger. Anderen worden er ook bijgehaald. Niet als mensen om respectvol mee, of over te spreken, maar als een paspop, marionet, boksbal of offerdier.

Dat gebeurt vaker dan je denkt. Online of daarbuiten. Je denkt eerst: oh deze persoon is gewoon wat gepassioneerd over zijn onderwerp, en een kwartier later klotst de haat – tegen wat een beetje anders is, of wie je net te pakken kan krijgen, tegen de plinten.

Het gaat helemaal niet om de waarheid.

We zijn met Jezus in de Tempel, waarschijnlijk één van de voorhoven en hij onderwijst de mensen die om hem heen staan, we kunnen ons voorstellen dat dat allerlei mensen uit alle standen zijn, inclusief die mensen waar anderen niks mee te maken willen hebben. Zondaars, tollenaars.

Dan marcheren de farizeeën binnen met een vrouw die ze hebben betrapt op overspel. "Op heterdaad!" zeggen ze er triomfantelijk bij. Dat betekent: er kan geen misverstand zijn, en geen verzachtende omstandigheden, onder de Wet. Het is bewezen! Daarop staat de doodstraf! Nou Jezus, zeg het maar! Wat ga je doen? Stem je in met het oordeel?

Nu is dat een beetje het vreemde – de lat ligt nogal hoog in de joodse wet waar het gaat om aanklachten van overspel. Dit om te voorkomen dat vrouwen al te lichtzinnig beschuldigd konden worden. Je hebt er echt op moeten staan kijken om een aanklacht in te dienen. Zo nabij zelfs dat een redelijke vraag zou zijn: wat deed je daar eigenlijk?

Dit Evangelie heeft een beetje een weerklank van het verhaal van Susanna en de ouderlingen. De ouderlingen beschuldigen Susanna van overspel, maar dat kan eigenlijk alleen als ze haar continu in haar privé-domein stiekem hebben zitten beloeren.

Nu is deze Susanna misschien niet geheel en al onschuldig, maar het is wel weer tekenend dat de man in dit verhaal volledig ontbreekt. Je zou denken dat als je iemand in flagrante in overspel betrapt dat je dan twee mensen naar Jezus brengt om te veroordelen. Maar nee.

Volgens de Joodse Wet ben je allebei schuldig als overspeligen, man én vrouw (Leviticus 20:10) maar nu? Alleen de vrouw staat daar, met een roedel boze mannen er omheen.

En de schuldige man? Die valt op door zijn afwezigheid! Dat kan twee dingen betekenen. Hij is helemaal niet aanwezig, omdat de Farizeeën niet in het delict geïnteresseerd zijn anders dan als een handige manier om zwakkere of lastige mensen te pakken te krijgen. Maar er nog een andere optie. Misschien staat hij wel tussen de aanklagers.

Als je mensen heel hard beschuldigt van de meest verschrikkelijke dingen wordt je namelijk afgeleid van alle duisternis in je eigen hart. Dan denken mensen niet na over hoe slécht jij zou kunnen zijn. De aanklager plaatst zichzelf altijd boven degene waar naar gewezen wordt! Wanneer jij met je vinger wijst, let niemand op jou!

Tenslotte is het opvallend dat, als ze écht zo geschokt waren door wat er gebeurd was, ze de vrouw (en de man) wel naar de politie hadden gebracht. In plaats daarvan brengen ze (enkel) haar naar Jezus.

Nee. Het is de Farizeeën natuurlijk niet echt te doen om de zonde, of om de heiligheid van het huwelijk, of de theologie van het lichaam. Jezus wordt – denken ze – klem gezet door deze ‘truc’.

We hebben vorige week gehoord wat de klacht tegen Jezus was: hij praat met zondaars, gaat met ze om, en eet met ze, alsof het mensen zijn. Bah! Daar gaan we eens wat op verzinnen!

Aha, ik weet het. We beschuldigen haar, jeweetwelwie, (knipoog, knipoog), en brengen haar bij Jezus! Als Jezus haar niet veroordeelt, dan is hij niet zozeer een vriend van de zondaars, maar een vriend van de zonde! Dan laat Hij zien dat de Wet en de Profeten en alle geboden van het geweten voor hem niks waard zijn! Dan laat iedereen Jezus vallen. Dat is niet erg.

Als Hij haar veroordeelt, nou dan is het ook duidelijk: Jezus is helemaal geen vriend van de zondaars, hij is precies zoals de farizeeërs, en daar hebben ze geen problemen mee! Elke slechterik vind het maar wat fijn als jij afdaalt naar  hun niveau.

Een gemene val! Het gaat ze niet om de vrouw, of om de Wet, of om de moraal. De wet en moraal, dat is hier een wapen geworden om iemand de nek om te draaien. De Wet is nu is geen richtingwijzer van God meer, maar een dik boek met spelregels voor een machtspel. Degene die de regeltjes best uit zijn hoofd kent en te pas en te onpas kan gebruiken en misbruiken, die wint! Wat een cynisme!

En wat doet Jezus? Hij schrijft in het zand. Wat gebeurt daar?Het is het enige moment in alle Evangelies dat we lezen dat Jezus iets schrijft. En wat het ook is, de een na de ander druipt af, nadat hij tweemaal op de grond geschreven heeft zijn ze verdwenen. Er komen geen welles-nietes discussies waar Farizeeërs zo gek op zijn. Nee: Jezus schrijft in het zand, en de aanklager druipt af.

Eén uitleg is dat Jezus niet hardop zegt wat de farizeeërs op hun geweten hebben maar het ze zichtbaar maakt , in woorden die niet beklijven, woorden die zo door de wind weggevaagd zullen worden.

Hij zegt niet hardop: jij of jij ik weet wat jij de afgelopen zomer gedaan hebt, en ik zal het hier eens hardop zeggen. Hij schrijft in het zand, met verdwijnende woorden. Ook de farizeeën zijn mensen met een recht op omkeer.

Waar jij een ander van beschuldigt zegt de vinger in het zand -  dat leeft ook in jouw hart – weet je zeker dat je dit wilt doen? Als je een oordeel uitspreekt, veroordeel je ook jezelf.  

Dat is wat de welsprekende vinger zegt. Je kan zelfs zeggen, hier zien we de liefde van Jezus voor alle mensen doorbreken, niet alleen voor de gebroken buitenbeentjes, maar ook voor de opgefokte mannen die met tromgeroffel, slogans, driedelige pakken, statige mantels, wapperende vaandels en stapels zwartboeken en de mond vol laster naar de rechtszaal trekken.

Als de mannen (altijd mannen) zijn afgedropen, hun vaandel troosteloos op de grond achtergebleven, dan spreekt Jezus tot de vrouw. Ben je veroordeeld, nee. Dan doe ik dat ook niet, ga heen, zondig niet meer.

De valse beschuldiging – want zelfs als hij waar is was hij vals - maakt niet goed wat er gebeurd is. Maar de aanklacht ging ook niet om wat er gebeurd is. Die was slechts een middel tot een ander doel. Het bevredigen van machtswellust, of andere lage driften.

Jezus koppelt de mogelijkheid om te oordelen aan de gesteldheid van de persoon. Zoals Hij elders zegt, met de maat waarmee je oordeelt zal je geoordeeld worden, zo ook hier, wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Dat is een uitgebreide manier om te zeggen dat alleen God het definitieve oordeel toekomt, niet de mensen. Zeker niet mensen die zelf zo beperkt en beschadigd zijn. En zich belachelijk, met hun woorden en hun manteltjes.

Enfin, wanneer we klaar zijn met het hebben van grote woorden mogen we kijken naar onze eigen tekortkomingen, onze fouten en die  uittekenen in het zand.

Daarna waaien die beelden en woorden ook weer weg. Ze definiëren ons niet, maken ons niet tot wie we zijn. Ze worden niet op ons voorhoofd getatoeëerd.

Jezus veroordeelt de vrouw niet, hij veroordeelt zelfs de farizeeërs niet. Nu ze met hun fouten geconfronteerd zijn mogen ze verder. De toekomst is in hun eigen hand. Mensen mogen hun eigen keuzes maken, en met vallen en opstaan verder geen op hun weg  

Jezus Christus maakt ons vrij van wat er achter ons ligt en opent de deur naar de toekomst. We mogen andere wegen en nieuwe paden gaan. Dit ontmoeting maakt ons vrij, en verandert ons in getuigen.  We proberen Zijn wil te doen.

Elke ervaring van vergeving, elke ervaring van vernieuwing mag dan ook een ervaring van bekering worden: een oproep om ons leven te veranderen, ons geloof te verdiepen en geen kwaad te doen.

Om het in de woorden van Paulus uit de Filippenzenbrief te zeggen,  die we vandaag ook gelezen hebben:  

ik vergeet wat achter me ligt
ik reik naar wat voor me ligt
ik storm af op het doel:
de prijs van Gods heerlijke roeping.

Amen.

 

Saturday, 29 March 2025

Vierde zondag Vastentijd C

 

In die tijd
kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van het land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en teruggevonden.”

 

Beste vrienden,

Geen enkel verhaal, hoe goed het ook is, staat alleen maar op zichzelf. Elke keer als we iemand een verhaal vertellen, of het nu echt is of verzonnen, dan hebben we daar een reden voor. We willen niet zomaar wat vertellen: we willen ook iets laten zien. Iets van onszelf. En we hopen ook dat er iets landt, van dat verhaal. Goede verhalen veranderen de wereld.

Sommige verhalen zijn zo sterk dat ze zich verstrengelen met ons DNA. De beelden van zo`n verhaal zijn zo sterk dat we ze overal herkennen. De jongste zoon die zijn kansen verbrast, de barmhartige vader die de jongste zoon omarmt, het feest met het gemeste kalf, en de knorrige oudste zoon die geen raad weet met de onredelijkheid van de genade.

Maar ook dit verhaal staat niet op zichzelf. Er gebeurt van alles omheen. Daar wil ik het deze keer over hebben. Wat gebeurt er om het verhaal heen, en wat zegt ons dat?

Om te beginnen horen we in de lezing van vandaag horen we niet alles terug wat er gebeurt. Het lijkt alsof Jezus één verhaal vertelt, maar het zijn er eigenlijk drie. Elke keer als er in de Bijbel drie dingen verteld worden, of drie dingen gebeuren moet je extra opletten. Een opsomming van drie is altijd een natuurlijke opbouw van spanning: inleiding, ontwikkeling en hoogtepunt.

En de opsomming begint vanuit intense spanning, wrijving rond Jezus. Er is een ongewilde ontmoeting tussen de zondaars en de rechtvaardigen. Jezus is aanwezig bij de tollenaars en zondaars. Hij is niet aanwezig in de zin dat hij zich enkel maar tot hen richt. Met een wijsvingertje: zo zo zondaartje, weet jij wel wat voor een mislukt mens jij bent? Maar met werkelijke nabijheid. Niet als voorbijganger, niet als beambte. Maar aan-wezig. Zelfs aan tafel. In de tijd van de Bijbel at je enkel met die mensen die je nabij waren of die je als je gelijke zag. Als je jezelf als goed mens zag deed je je best om alleen aan tafel te gaan bij andere “goede mensen”.  Aan tafel gaan bij slechte mensen is als een schuldbekentenis. “Zo één ben ik er ook”.

Dat is waar we beginnen. Bij Jezus’ radicale aan-wezigheid en de wrijving die dat oplevert. Vorige week lazen we over de brandende braamstruik. Het eerste wat God tegen Mozes zegt is: schoenen uit, en niet te dichtbij komen. God is Heilig, Hij is niet van jou om mee te doen wat je wilt. En dat is waar. Soms moet je een afstand benadrukken. Voor een tijd. Om te leren hoe kostbaar nabijheid is moet je eerst afwezigheid leren, ontzag, weten dat God Heilig is, het besef dat God onmetelijk veel meer is dan wij.

Maar God kan en wil niet op onbenaderbare afstand blijven.  

In Jezus wordt God op een nieuwe manier aan-wezig. Niet meer afgescheiden zoals het allerheiligste in de tempel, waar niemand komen mag behalve de Hogepriester, eens per jaar. Maar hier en nu, gast aan tafel. Voor iedereen. Niet alleen voor mensen die “het verdienen”, want God is zo onmetelijk meer dan ons dat niemand dat verdient. En zeker niet de mensen die nog denken in termen van winst- en verliesrekening, verdienste en straf. Die denken God in de redelijkheid te vangen en daarmee hun eigen redelijkheid tot God maken.

Jezus laat zien hoe hijzelf, hoe God aan-wezig willen zijn. Radicaal, omarmend, zonder terughoudendheid, zonder voorwaarden.

Jezus vertelt drie verhalen om dat duidelijk te maken, twee korte, één lange.  

Één: het verloren schaap. Één schaapje zoek? De herder laat de negenennegentig even voor wat ze zijn. Onredelijk? Absoluut onredelijk! Alsof er niet wel eens vaker een bedrijfsongelukje plaatsvond in de schapenbusiness. Er werden echt wel een schaap gegrepen. Vervelend, ja, maar je kan zo`n schaap vast aftrekken van de belastingen. Dat compenseert weer wat. Zomaar op zoek gaan naar die ene? Volstrekt onredelijk. Onverantwoord. Zoveel is dat schaap niet waard!

Dan twee: het verhaal van de verloren munt. Een vrouw heeft tien munten, één ervan is zoek. Ze haalt het huis ondersteboven. Er gaat een schepje bovenop. Wat kwijt is, is écht waardevol. De waarde van de munt is omgerekend een dagloon, een symbolische som – wat het leven van een dag opbrengt. Mensen zijn kostbaar.

Dan pas drie: de verloren zoon. Hier wordt uitgepakt waaruit de onredelijkheid van Jezus, de onredelijkheid van God écht bestaat.

De jongste zoon verdient alles wat hem overkomt. Het hele verhaal is opgebouwd om je elke sympathie voor hem te laten verliezen. Zijn vernedering in het vreemde land is compleet. Met als dieptepunt dat hij niet alleen varkens moet hoeden, nee de bijklank (van ἐκολλήθη ) is echt dat hij zichzelf helemaal uitlevert, zijn waardigheid en autonomie opgeeft. In de vertaling horen we dat niet meer terug, maar in het Grieks druipt de smaad van de zinnen af.  Het is veel sterker dan in dienst gaan bij iemand, je hecht je aan iemand, je geeft je aan iemand over.

Hij geeft alles op aan de zonde, maar het enige resultaat is dat hij op zijn beurt door diezelfde zonde wordt verlaten. Wat je er ook aan opoffert, je krijgt er nooit écht wat voor terug! Dat is de tragiek van slechte keuzes. Het brengt je nooit waar je op hoopt. Je krijgt veel minder dan je verwacht.

En zo komt hij terug. Zonder enorme verwachtingen. Hij kan geen zoon meer zijn. Maar misschien niet doodgaan van de honger. En dan blijkt de vader on-redelijk. De jongste zoon krijgt niet eens de tijd om al te veel uit te leggen en hij wordt al bedolven onder de tekenen van zijn herstelde waardigheid, nieuwe kleren, een ring en een feest. Dat is wie God is, dat is wie Jezus is. Dat is de vreugde van de ommekeer: je krijgt eindeloos meer dan je verwacht.

Maar daar is dus niet iedereen blij mee. Dat zien we bij de oudste zoon. Hij blijft de afstand benadrukken die al lang opgeheven is, omdat hij het niet kan zien. En wat horen we nog meer bij de oudste zoon, een hint van afgunst misschien. Toch ergens jaloers dat zijn jongere broer wèl op avontuur gegaan is wat hij – al zal hij het nooit toegeven – stiekem ook wel had gewild? Er zit iets klem bij hem, dat is zeker.

De oudste zoon is ook niet slecht. In zijn krampachtige, boze hechting aan het correcte zit een pijn die we niet zien, een wonde die evengoed genezen moet worden. De vader, is vader van zowel de oudste als de jongste. Hij houdt van hen allebei. Hij is er voor allebei. Hij heeft geen boodschap aan redelijkheid want de Vader heeft een oneindige liefde. Bij God hoeft niets op de bon.

Zowel de oudste als de jongste mogen worden bevrijd van wat hen dwars zit, of dat nu hun eigen ongeregelde verlangen is, of hun krampachtige conformisme. Beiden hebben zich gehecht, zich overgegeven aan iets dat hen minder authentiek maakt. Minder henzelf. Maar enkel bij de jongste zag je het aan de buitenkant. Dat is de vloek van de oudste zoon. Je wil zo hard geloven dat je op de goede weg bent, maar de werkelijkheid is een andere.

Toch staat de Vader daar, gereed voor een nieuwe bladzijde, een nieuw hoofdstuk in het leven. Door te zijn wie Hij is, door zijn aanwezigheid, nodigt hij ons uit een eerste stap te zetten naar dat nieuwe bestaan.

Amen.

Thursday, 20 March 2025

Derde zondag Veertigdagentijd C

 

Uit het boek Exodus.

In die dagen
hoedde Mozes de kudde van zijn schoonvader Jitro,
de priester van Midjan.
Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn
en kwam hij bij de berg van God, de Horeb.
Toen verscheen hem de engel van de Heer,
in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik.
Mozes keek toe
en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond
en toch niet verbrandde.
Hij dacht:
“Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken.
Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?”
De Heer zag hem naderbij komen om te kijken.
En vanuit de doornstruik riep God hem toe:
“Mozes.”
“Hier ben ik,” antwoordde hij.
Toen sprak de Heer:
“Kom niet dichterbij. Doe uw sandalen uit,
want de plaats waar gij staat is heilige grond.”
En Hij vervolgde: “Ik ben de God van uw vader,
de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jacob.”
Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God
op te zien.
De Heer sprak:
“Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien,
de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord;
ja, Ik ken zijn lijden.
Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte.”
Maar Mozes sprak opnieuw tot God.
“Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg:
De God van uw vaderen zendt mij tot u,
en zij vragen: Hoe is zijn naam?
Wat moet ik dan antwoorden?”
Toen sprak God tot Mozes:
“Ik ben die is.”
En ook: “Dit moet gij de Israëlieten zeggen:
Hij die is, zendt mij tot u.”
Bovendien zei God tot Mozes:
“Dit moet ge de Israëlietenzeggen:
De Heer, de God van uw vaderen,
de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob,
zendt mij tot u.
Dit is mijn Naam voor altijd.
Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door.”

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.

In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen
die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs,
van wie Pilatus het bloed
met dat van hun offerdieren had vermengd.
Daarop zei Jezus:
“Denkt ge, dat onder alle Galileeërs
alleen deze mensen zondaars waren
omdat zij dat lot ondergaan hebben?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij u niet bekeert,
zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.
Of die achttien die gedood werden
doordat de toren bij de Silóam op hen viel:
denkt ge dat die alleen schuldig waren
onder alle mensen die in Jeruzalem woonden?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij niet tot bekering komt,
zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.”
Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis:
“Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond.
Hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets.
Toen zei hij tot de wijngaardenier:
Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken
maar ik vind er geen.
Hak hem om! Waartoe put hij nog de grond uit?
Maar de man gaf hem ten antwoord:
Heer laat hem dit jaar nog staan;
laat mij eerst de grond er omheen omspitten
en er mest op brengen.
Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht;
zo niet, dan kunt ge hem omhakken.”

 

Beste vrienden,

Alweer een aantal jaren geleden schreef een Amerikaanse rabbijn, Harold Kushner een boek met de titel: ‘Why Bad Things Happen to Good People’. 'Waarom het Kwaad Goede Mensen Treft'. Dat boek werd heel goed verkocht. Kennelijk is het dus een rake vraag, of liever: een vraag waar mensen mee zitten. Als er een boek geschreven zou worden met de titel “Waarom er Slechte Dingen Gebeuren met Slechte Mensen”, zou dat een stuk minder prikkelend zijn. Dat ligt namelijk in onze verwachting, net als dat wij vinden dat als je een goed mens bent daar ook in het hier en nu wat van zou moeten merken.

Nu is het zeker zo dat het kwaad slechte mensen treft, en zelfs dat het kwaad zichzelf bestraft. Maar het is niet zo dat dat kwaad netjes binnen de oevers blijft. Integendeel. Er is veel kwaad in de wereld, en voor het uiteindelijk bij slechte mensen komt wordt het eerst over de goeden heengestrooid.

Nee, het kwaad dat goede mensen treft, dat zit ons als een graat in de keel. En dat zal dat blijven doen. Filosofen en theologen hebben daar al duizenden jaren op gezeten. Maar het denken loopt daar stuk.

Mozes in de eerste lezing moet, als hij God ontmoet, niet te dichtbij komen, en zijn schoenen uitdoen. De schoen was een teken van bezit. Als je ergens je schoen opzette was het van jou. God is niet van ons. Er zit altijd een on-grijpbaarheid in God. Er zullen altijd vragen zijn zonder antwoorden.

Dat zeggen is één ding, dat doorvoelen een ander. We willen dat de wereld zich gedraagt, we eisen dat het kwaad ophoudt. We vinden het onverdraaglijk dat het kwaad goede mensen trekt. We willen het opgelost hebben, en als dat niet kan het verklaard zien – want als je iets be-grijpt heb je er minstens een beetje grip op.

Dat zijn de twee reflexen van de mens in confrontatie met het boze: toegrijpen op het kwaad, het proberen op te lossen, met man en macht afdwingen dat de ander zich gedraagt, of be-grijpen – maar dan meestal op een onterechte manier. Ik kom daar zo op terug.

We zien in deze lezingen beide voorbeelden terugkomen door een aantal personen heen. Mozes, die staat daar nu wel een beetje als een sulletje naar een struik te kijken en te mompelen dat hij niet klaar is voor de taak die God hem geeft (woorden die weggelaten zijn door het leesrooster), maar ooit was dat anders. Mozes was een strijder! Een activist! Iemand die opkwam tegen onrecht! (De slogans moet u er zelf bij verzinnen, misschien iets als: Hey! Ho! Pharao! Let the Jewish People Go!)  

En hij heeft het geprobeerd, om een daad te stellen! We zouden tegenwoordig zeggen: hij heeft een aanslag gepleegd! Op iemand die het verdiende, een wrede opzichter! Een slavendrijver! Maar de aanslag lijdt tot niets. Hij heeft moeten vluchten voor zijn leven en staat nu op een zijspoor: al vele jaren lang. Ondergedoken in een onbetekenende streek, terwijl hij genadebrood eet, in ruil voor minderwaardig werk. Zijn zelfvertrouwen geknakt.

En dan, op een moment dat hij niet uitzocht, ontmoet hij God in een brandende braamstruik. De rabbijnen hebben daar altijd veel symboliek in gezien, in die struik: de braamstruik is de laagste, de nederigste plant. Het staat symbool voor het Joodse volk in hun vernedering. Maar door die vernedering heen openbaart zich iets nieuws. Er komt een nieuw perspectief. Nieuwe ruimte. Een nieuw land.

Maar er komt alleen wat nieuws als het oude vastloopt. Dat is het oordeel. Tien plagen die over Egypte regenen. Een tapijtbombardement van ellende. Als je elke keer niet wil doen wat de werkelijkheid van je vraagt dan loopt het leven vast. Dan verandert je welvaart in bloed, het licht in duister en uiteindelijk verdwijnt je toekomst. Want dat is wat de dood van de eerstgeborenen betekent. Er zijn geen toekomstdragers meer die jouw levenswijze zullen voortzetten. Alles gaat kapot! Dat is de uiterste consequentie van kiezen voor het kwaad.

Maar het kwaad is niet zomaar een probleem van Egypte. Een land dat veilig ver weg ligt. Een daar dat je platbombarderen kan, of in bloed kan doen verdrinken. Ten diepste ligt Egypte in ons. Dat zal de les zijn voor het Joodse volk in de woestijn. Ze hebben Egypte verlaten, maar niet achter zich gelaten. Ze nemen in alles Egypte mee, en voelen dan ook de consequenties die eerst de Egyptenaren troffen.

Zoals in Egypte de toekomst dood moest gaan – de eerstgeborenen – zo moet in de Woestijn het verleden afsterven – de generatie die in Egypte was opgegroeid.

In Egypte waren ze alleen maar slachtoffer, de diepste consequenties van wat er gebeurde ging uiteindelijk aan hen voorbij. Maar bevrijding is een tweesnijdend zwaard! Bevrijding die je vrij-maakt, maakt je ook verantwoordelijk. Je moet je nu verantwoorden voor wat je doet. Klassiek gezegd: "de verlossende God is ook de richtende God". 

Bevrijding is dus niet alleen maar vreugdevol maar ook pijnlijk. Wie van ons kent geen moment dat je eens hard wordt geconfronteerd met je eigen falen, je eigen fouten? Die ervaringen kunnen heilzaam zijn, maar alleen als je die pijn aangaat, als mens, als volk. Maar één ding is zeker: er van wegkijken, weigeren de les te leren die in de pijn verscholen zit betekent alleen maar meer pijn, en nog meer pijn, tot je toekomst kapotgeslagen wordt.

Wij kunnen dit niet zomaar. Wij hebben een blinde vlek hebben voor het Egypte in onszelf. Daarom wijzen we naar anderen. Ons licht is duisternis geworden, en zo maken we een slachtoffer tot een dader en laten we zien: het kwaad ligt niet ver buiten ons, zodat wij het dapper kunnen bestrijden. Het kwaad dragen we met ons mee, en voor elke vinger die naar een ander wijst, wijzen er drie terug.

Waar is Jezus nou zo fel op? Hetzelfde waar Hij altijd fel op is. Altijd over waarschuwt. De maat waarmee je anderen meet wordt hoe dan ook jouw maat. De last die je anderen oplegt maar zelf niet wil dragen die gaat tegen je getuigen.

En dat is niet ver weg. Het is overal waar een groot kwaad is. Meestal verstopt in de uitdrukking hadden ze maar. Als u dat hoort? Goed opletten.

Hadden ze maar … zich direct moeten overgeven aan de tiran.  Dan was dit niet gebeurd.

Hadden ze maar … niet moeten zijn waar ze waren. Dan was dit niet gebeurd.

Hadden ze maar … in opstand moeten komen tegen de tiran. Dan was dit niet gebeurd.

En als er niks te vinden is? Dan verzint ons innerlijk Egypte er wel wat bij. Hadden de Galileeërs maar vromer geweest, of hadden de mensen bij de toren van Siloam maar minder zonde gedaan, dan was dit niet gebeurd.

Of alle varianten daarop. U heeft het zelf ook al door: het maakt niet uit wat er achter hadden ze maar komt. Je kan de meest baarlijke nonsens erachter plakken en opeens klinkt het redelijk! Het gaat er ook niet om wat je zegt, het gaat er om dat je jezelf in de oordelende positie plaatst. Dat je  goede mensen slecht noemt, en daarmee slechte mensen vrijpleit. Dat is het, waar Jezus vlekken van krijgt, om het zo te zeggen. Wie dat doet, is als de Farizeeën. Je maakt veel lawaai, het klinkt allemaal erg indrukwekkend maar eigenlijk maak je van licht donker, en je wurgt de toekomst. Je gaat de morele werkelijkheid niet aan, laat alles zo als het is. En uiteindelijk rijd je dwars door de vangrails omdat je de weg niet meer ziet.  

Dan gebruikt Jezus een andere plant als beeld. Niet meer de nederige braamstruik, maar de trotse vijgenboom. Was de braamstruik ooit symbool voor het volk in zijn vernedering, zo staat de kale vijgenboom voor het volk van God in zijn arrogante onmacht. Hij neemt veel plek in, maar levert niks. En dat is precies de reden waarom Jezus altijd zo tegen vingerwijzen is, zo tegen oordelen, tegen het gemoraliseer. Omdat het precies die houding is: je neemt een hoop plek in, je bent erg aanwezig. Maar niemand heeft iets aan jouw aanwezigheid. Je staat alleen maar in de weg. Je biedt geen perspectief, je biedt geen hoop. Maar dit is niet het einde, er is nog tijd. Je krijgt zelfs meer tijd dan je verdient (want drie jaar was echt het maximum voor disfunctionele fruitbomen in de wereld van de eerste eeuw) en alle zorg en voeding die je nodig hebt, alles zodat jij de stap maakt naar de ander. Vrucht gaat dragen, je zelf en anderen heelt. Je bent nodig! En er is nog tijd.

Amen.