Friday, 20 March 2026

Vijfde Zondag Vastentijd A

 In die tijd

was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw, die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zuster van Lazarus stuurde Jezus de boodschap:
“Heer, die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”

Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”
(De leerlingen zeiden:
“Rabbi , nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand ‘s nachts, dan stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”

Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga er heen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden, dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij, dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”)

Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
(Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.)
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik,
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het Leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
(Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden, die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op haar plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de Joden, die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering) en diep ontroerd
sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, Heer.”
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen, overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neem de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet, dat als gij gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij,
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

De Heer zoekt de mensen op die er niet toe doen. De afgelopen weken hebben we bijvoorbeeld gelezen over de Samaritaanse vrouw. Een buitenstaander het Joodse volk. De blindgeborene, een uitgestoten gehandicapte met een te grote mond, en nu Lazarus die overleden is. 

Al deze mensen worden gekenmerkt door machteloosheid, door geen greep te hebben op het leven. Elke zondag wordt de machteloosheid waaruit Jezus redt dieper, onverbiddelijker.

De Samaritaanse vrouw is relatief machteloos. Zij is een vrouw, behoort tot een gehate minderheid en is zelfs binnen die groep uitgestoten. Onder de mensen is zij één van de vele gezichtslozen die op haarzelf teruggeworpen zich een weg door het leven moet banen. Zij moet elke dag opnieuw weer incasseren zonder uitzicht op bevrijding. Tot Jezus komt.

De blindgeborene is er misschien nog slechter aan toe. Hij is gehandicapt, hij kan niet werken. Hij moet bedelen. En tijdens die vernederende activiteit moet hij dan ook nog toehoren over hoe het eigenlijk zijn eigen schuld is dat hij er slecht aan toe is. Want voor de farizeeën is het duidelijk, alle ongeluk in de wereld is een straf van God, dat is een straf voor een of andere zonde. Dat zit zo diep dat als Jezus en zijn leerlingen langs hem lopen de leerlingen niet mét hem praten, maar over hem. “Goh Jezus, vertel ons eens wat voor zonde deze man gedaan heeft”. Alsof hij er niet is. Alsof hij onzichtbaar is. Zijn mens-zijn wordt niet erkend, niet gekend, maar ontkend. 

En dan Lazarus. Lazarus is er nóg slechter aan toe. Want hij is er niet meer. Niemand is zo marginaal als wie overleden is. Je kan niets meer vasthouden in deze wereld, je moet alles loslaten. Hoeveel je nog zou willen doen of betekenen, het kan niet meer. Of je nou ziek was of gezond. Zolang je ín de wereld bent kun je nog een rol spelen in het leven van mensen, al is het maar door mee te leven met wat ze doen. Wie doodgaat moet alles achterlaten. 

Er kan nog aan je gedacht worden, je kan nog herinnerd worden – maar daar ben je zelf niet meer bij. Het is niet eens meer dat de wereld je niet meer ziet, je bent er gewoon niet meer. De dood betekent, absolute machteloosheid.  In de grondleggende tradities van onze cultuur is dit zo begrepen. De joden begrepen het dodenrijk als een domein van stof en as, waar niets van waarde kon worden verricht. 

In de Odyssee, dat grote Griekse epos waarin de held Odysseus door wereld en onderwereld trekt ontmoet hij in het dodenrijk de held Achilles en het is duidelijk dat hij geen dode onder de doden is, hij is geen schim zoals de gewone doden, maar een Heer van de Onderwereld. En toch zegt hij, de trotse Achilles: Ik zou liever de slaaf van een andere man zijn, een landarbeider die zich aftobt op het veld / dan hier te heersen over alle doden”  

Dood zijn is de ultieme machteloosheid. 

Het Joodse volk heeft veel ervaringen van machteloosheid gekend. Als de joden worden weggevoerd naar Babylon lijkt alles voorbij. Ballingschap was het begin van het einde van een volk, je raakte je taal kwijt en je eigenheid, en binnen een paar generaties was je Babyloniër geworden. Zouden alle beloften van God dan teniet worden gedaan? Is alles dan voorbij? 

Dat is de situatie waarover de profeet Ezechiël spreekt. De doden waar het over gaat, dat is in de eerste plaats het joodse volk. Het geloof in het eeuwig leven heeft zich later ontwikkeld. Bij Ezechiël is er al wel de zekerheid dat dít niet het einde is, dat God trouw is aan zijn beloften, dat hij zijn volk niet ten onder laat gaan. Als de joden in Babylon om zich heen kijken zien zij niets meer behalve dode beenderen, de brokstukken van hun volk. Maar God zegt: dit is het einde niet. Het volk zal weer opnieuw tot leven komen en terugkeren naar zijn huis, in het land dat ik hun beloofd heb.

De Wet van Mozes spreekt enkel over het voortbestaan na de dood als lichamelijk voortbestaan, voortbestaan als volk. Voor een mens betekent dat concreet: voortbestaan in je kinderen, in je kleinkinderen.  

Geen kinderen hebben was dan ook een grote beproeving, of zelfs een vloek, dat was een oordeel van God over je leven. Jij zou geen deel meer hebben aan de toekomst van het volk. Als je sterft heb je de uiterste marges van het bestaan bereikt. 

En ik bedacht me dat toen ik het Evangelie nog een keer las, dat er geen kinderen zijn, geen zoons geen dochters. Enkel twee zussen. Het staat er niet  letterlijk in de Bijbel maar er is geen aanwijzing dat hij kinderen had. Dat maakt de situatie nog pregnanter. Niet alleen is Lazarus nu dood, hij laat ook “niets achter”. Er is niemand meer die hem opvolgt. Wat de Wet van Mozes betreft is het verhaal van Lazarus is over en uit. Híj heeft geen toekomst meer.

Maar na de terugkeer uit de ballingschap is ook langzamerhand het geloof in de opstanding van de doden gekomen. Het geloof dat Gods beloften zich niet alleen uitstrekt naar het joodse volk als geheel, maar ook tot iedereen die deel uitmaakt van zijn verbond. Dat ieder mens die zijn hoop stelt op de Heer uit mag kijken naar het eeuwig leven bij God. 

Martha spreekt dat geloof al uit, nog onzeker en zoekend. Maar zij weet dat God meer van plan is. Zij weet dat er een verrijzenis van de doden zal zijn, ergens in de verten van een onbekende toekomst. En zij reikt tastend naar Jezus. Zou Hij het zijn die hier een rol in speelt? Jezus, die al zoveel wonderen gedaan heeft die onmogelijke dingen heeft gedaan. Een blinde zelfs het zicht heeft teruggegeven? 

En Hij doet dat onmogelijke. Hij alleen doet dat.

En als Jezus hem tot leven wekt dan doet hij dat door hem bij zijn naam te noemen. Zijn naam wordt genoemd door zijn vriend Jezus. Hij spreekt niet over hem , hij spreekt niet langs hem heen, hij zegt niet dode, sta op. Maar: Lazarus.. 

 Lazarus.

 Lazarus, sta op. 

 Lazarus, kom naar buiten. 

 Ik ben het. 

 Jezus.

 Jezus wekt Lazarus op, niet door magie of met een techniek maar met zijn roepstem, hij roept Lazarus, zijn goede vriend Lazarus, terug. Door hem te roepen, te noemen met zijn naam. Lazarus wordt niet vergeten, Lazarus wordt niet ontkend. Lazarus wordt erkend, wordt gekend. En zo weer tot leven gebracht. 

Al midden in het leven kunnen we al in de dood zijn. Als we mensen naar de rand duwen, of er zelfs overheen, maken we ze al dood. Als we niet meer mét mensen willen praten, maar alleen over ze, dan nemen we ze al iets van het leven af. Als we gewild blind zijn voor een ander, dan nemen we ze iets van het leven af. Het was geen toeval dat het eerste wat van je afgenomen werd in de concentratiekampen was je naam. Je werd, letterlijk een nummer. Dat nummer werd op je arm getatoeëerd. Als teken van ontkenning, als teken van de dood.

Maar omgekeerd: als we anderen noemen bij hun naam, ze komen opzoeken, naar ze vragen – dan komen ze weer wat tot leven. Dan sijpelt er weer iets van God, de bron van al het leven, door de opgeworpen muren van de dood heen. 

Zo leven we al toe naar de verrijzenis, naar het eeuwig leven dat van God komt. Ons dagelijks leven en het eeuwig leven zijn nauw met elkaar verbonden. Je kan het eeuwig leven niet beërven als je niet instaat voor het leven van de ander, als je anderen niet wil zien, anderen niet wil noemen, anderen niet wil ontmoeten. Omgekeerd geldt ook, wie wil omzien naar zijn naaste, wordt ook gezien door God, en mag uiteindelijk God zelf zien in al zijn majesteit. 

De openingen naar het eeuwig leven zitten in de barsten en gaten van deze wereld, de barsten en gaten waar mensen doorheengevallen zijn. De barsten en gaten zijn voor ons een weg naar dat onzichtbare en ongenoemde leven van anderen - en voeren ons naar het eeuwig leven in het licht van God. 

Amen.

Tuesday, 17 March 2026

Doet Ei, Foetus, Baby aan nepgeschiedenis?

Inleiding 

In haar boek Ei, Foetus, Baby (Atlas/Contact, Amsterdam 2023) verspreidt mw Trudy Dehue het verhaal dat priesters niet alleen keizersneden uitvoerden op dode, maar ook op levende vrouwen. Zij zegt hier voorbeelden van te hebben. (Ei, p. 103). Dat zou een schokkende ontdekking zijn. Priesters verrichtten soms post-mortem keizersneden met het oog op het doopsel uit  in zeer uitzonderlijke en zeldzame omstandigheden, maar er zijn geen gevallen bekend van operaties op levende vrouwen. Dit zou een groot taboe geweest zijn. De post-mortem praktijk was hoe dan ook zeldzaam, we kennen een tiental mogelijk gedocumenteerde gevallen in Nederland tussen 1815-1871, een pluraliteit in Zeeuws-Vlaanderen.

(Vreemd genoeg kende zij de Zeeuws-Vlaamse gevallen niet, vermoedelijk komt dat omdat deze niet in Delpher en Google Books beschreven staan. Primaire en secundaire bronnen hierover zijn niet gedigitaliseerd.)  

Hoe het ook zij, als je probeert het bronnenmateriaal te controleren, blijkt veel van wat zij zegt in Ei ernstig betwijfelbaar. Je stuit al gauw op wezenlijke problemen. 

Ik heb me al eens eerder met dit thema beziggehouden, onder andere in reactie op het artikel in Trouw dat in december verscheen. 

Trouw bracht dit bericht indertijd als groot nieuws. Dehue leverde wel eens vaker spectaculaire 'scoops'. Zo beweerde ze eerder dat koningin Wilhelmina een abortus zou hebben ondergaan. Dit verhaal kreeg indertijd veel media-aandacht. 

Ik heb me in een aantal van deze zaken (dus: post-mortem keizersneden) verdiept in de hoop dat ik hier serieus op in kon gaan. Dit is echter vrijwel onmogelijk omdat een zeer groot deel van bronverwijzingen en voetnoten in Ei buiten-feitelijk zijn. Ze beweert zaken die nergens op gebaseerd lijken (zoals dat de doopformule zou bestaan uit de naam van drie mannen, p. 104), dan wel wat ze beweert niet terug te vinden is in het bronnenmateriaal, dan wel dat de bron geheel iets anders stelt. 

Dit patroon is fundamenteel, omvat zowel details als essentialia en is door heel het boek heen terug te vinden. De structurele misrepresentatie van het bronnenmateriaal omvat zowel medische, juridische, theologische en historische bronnen en is irreparabel. Veel van wat zij beweert bevindt zich hierdoor in een epistemologisch vacuüm. 

Als zij bijvoorbeeld stelt dat een levensvatbaar ongeboren kind de moeder hooguit twintig minuten overleeft (Ei, p. 102) verwijst zij naar een artikel uit 1926 dat dit zou aantonen. Zoals de tekst echter duidelijk laat zien heeft de auteur het over een mogelijke termijn van een uur. Dit is één enkele losse medische bron die ik nagelopen heb. Wat zou er gebeuren als ze allemaal tegen het licht gehouden werden? 

Die twintig minuten zijn belangrijk voor haar, want voor haar argument dat priesters "eigenlijk" opereerden op levenden. Voor haar is het van belang te argumenteren dat het "eigenlijk" niet mogelijk was de dood op die termijn  vast te stellen. Een filosoof zou vlug tot de conclusie komen dat hier twee verschillende uitspraken over "zekerheid" door elkaar worden geroerd om er één enkele propositie van te bakken. (In het kort: hun zekerheid en onze (on)zekerheid over hun zekerheid worden samengebald) Echter: hoewel ambigue formuleringen  het lastiger maken om de ballon door te prikken, maakt het het onderliggende argument natuurlijk niet sterker. Met Popper gezegd: een propositie wordt er niet beter van als zij lastiger te falsifiëren is. 

Hoe het ook zij, die conclusie, dat vrouwen eigenlijk nog leefden,  komt s.w.s. voor haar rekening, Smit spreekt daar überhaupt niet over. Zo wordt er wel meer beweerd in Ei. 

De Omgang met Kerkelijke Bronnen 

Bijzonder hachelijk wordt het als ze beweert dat priesters de keizersnede nog aanleerden "tot in de twintigste eeuw", suggererend dat dit staande praktijk was tot aan het Concilie. Nogmaals: het is zeer ambigu geformuleerd.

In het artikel "Medical Compromise and Its Limits: Religious Concerns and the Postmortem Caesarean Section" (in Nineteenth-Century Belgium. Bulletin of the History of Medicine, 93, 3), van de Brusselse historica Jolien Gijbels wordt duidelijk aangetoond dat de toch al marginale praktijk van de postume keizersnede die door priesters werd verricht (wederom: misschien een tiental enigszins vindbare gevallen in Nederland tussen 1815 en 1871) in 1899 door het Vaticaan verboden werd. Er zijn sterke aanwijzingen dat de praktijk toen al in onbruik was geraakt. Pastorale literatuur uit de jaren '70 toont nogal wat scepsis, en er zijn sowieso geen Nederlandse gevallen meer bekend post 1871. Dehue suggereert hier en daar dat dit komt omdat de Kerk het geheim hield. Het tegendeel is het geval. Bijzondere pastorale handelingen werden doorgaans gedocumenteerd, zoals in correspondentie met de kerkelijke overheid als in pastoriejournaals. Ook kan er e.e.a. te vinden zijn in de archieven van de (Geneeskundige) Provinciale Commissies van Toezicht, waarvan mw. Dehue abusievelijk denkt dat zij toezicht hielden op het dopen van ongeborenen. (Ei, p. 149) Zoals ik inmiddels wel gewend ben van Ei, staat is ook die bewering niet als zulks terug te vinden in de bron die zij aanhaalt. 

Het structurele ontbreken van relevant archiefmateriaal ondermijnt natuurlijk haar standpunten. Dat is onvermijdelijk: je kan niet vinden waar je niet naar zoekt. (En zelfs als je zoekt zal je niet vinden wat er niet is) 

Ik kan wel meer schrijven over hoe deze unieke (en niet oninteressante) praktijk werkelijk functioneerde. Maar ik voel me niet geroepen om mw. Dehue's werk over te doen. 

(Al sluit ik niet uit dat ik ooit nog wat schrijf over pastoor de Maeijer in Hontenisse, van het kleine aantal gevallen van postume keizersneden uitgevoerd door priesters vond een buitenproportioneel deel in Zeeuws-Vlaanderen plaats en als regio- en kerkhistoricus zie ik sterke aanwijzingen dat daar ook een regionale verklaring voor is: 

We hebben het hier over een geïsoleerd gebied dat bekend stond om de vele epidemieën die daar heersten, een waarschijnlijk disfunctionele vroedmeester, een scrupuleuze parochiepriester, hoge spanning tussen kerk en staat (omstreden grensgebied tijdens de Volhardingspolitiek van Willem I, een gebied dat kerkelijk bovendien nog eens deel uit maakt van een "opstandig" Belgisch bisdom) en een lokaal zeer rigoristisch theologisch klimaat, zelfs naar Nederlandse maatstaven van de jaren '30 van de 19e eeuw. Dat is geen 'normale'  situatie. 

Dit verder uitpellen vraagt echter zeer tijdrovend archiefonderzoek - als je het goed wil doen, tenminste.

Terug naar de verklaring van van de Heilige Stoel uit 1899. Niet alleen is het artikel van Gijbels bekend bij Dehue, het is ook opgenomen in haar notenapparaat. Zij citeert zelfs uit de Nederlandse publicatie er van. Daar schrijft zij het volgende over: (p. 161) 

"Zo ook een verhandeling in het Latijn door A.C.M. Schaepman, president van het seminarie Rijsenburg, gepubliceerd in twee nummers van het priestertijdschrift Nederlandse Katholieke Stemmen van 1900, dat stimuleerde de geestelijken eveneens om met regelmaat tot de doop via een keizersnede om te gaan." 

De zin is opvallend ambigu geformuleerd (wie verricht nu de keizersnede?) Maar doet hoe dan ook geen recht aan het document zelf. 

Over dit document schrijft Gijbels: "“In 1899 the Holy See provided a final answer to the question whether clergymen had to perform caesareans on deceased women in the absence of doctors. The new ecclesiastical rule was especially targeted at mission aries in the Chinese province of Sichuan who apparently faced problems in convincing the local population of the value of the postmortem caesarean section. It once again emphasized the call of Christian charity to extract the unborn from the woman’s belly. Clergy were supposed to do everything within their reach to encourage physicians to perform the operation. However, the Holy See warned them against and explicitly forbade them from interfering in the actual operation, let alone doing it themselves.”

Dehue maakt zich boos over het woord liefdadigheid, maar als ze iets van moraaltheologie en bovenal kerkrecht had geweten, had ze kunnen aanvoelen dat alles wat "liefdadigheid" is, geen zaak is van harde, juridische  verplichtingen. Liefde is geen juridisch begrip. (Vgl. hedendaagse discussies over orgaantransplantatie: het oordeel van de kerk is dat orgaandonatie goed is, maar het is een daad van naastenliefde: de overheid - of anderen - mogen je niet verplichten om tot orgaandonatie over te gaan) 

In het eerste deel schrijft zij vaak opvallend ambigu. Dit valt extra op omdat zij juist - als zij wil - heel goed en helder kan schrijven. Losjes geformuleerde zinnen (zoals in de duiding van het Romeinse document uit 1899) maken onduidelijk wie wat doet en waartoe. Dopen, chirurgie, zelf handelen, mensen aanmoedigen om te handelen worden vaker dan niet op één hoop geworpen. Zo wordt alles ongeveer even erg. Dat is retorisch gezien praktisch: zo wordt stevig de suggestie gewekt dat er wel iets aan de hand moet zijn. Dat kan lang goed gaan. Tot de beer geschoten moet worden, natuurlijk.

Zonder enige empirische onderbouwing schrijft Dehue vervolgens dat vrouwen "gedood werden omwille van de doop van hun vrucht". Haar pogingen om hier voorbeelden te vinden zullen - zoals we zien - steeds hachelijker worden. Zij leest regelmatig wat er niet staat. 

Ook met ambigu formuleren kom je hier niet meer uit. Zeker niet als je probeert hard te maken dat priesters daadwerkelijk chirurgische ingrepen uitvoerden op levende vrouwen. (Waarom dit niet goed denkbaar is heb ik eerder al uitgelegd). Dan is het hom of kuit! 

De Omgang met de Juridische Documenten 

Een aantal voorbeelden: 

Als er een priester wordt vervolgd wegens het uitvoeren van een postume keizersnede. Schrijft zij dat hij is vrijgesproken van moord (p. 152). Dit is in het geheel niet het geval. Hij werd vervolgd (en veroordeeld) wegens onbevoegde uitoefening van de geneeskunst, zoals gebruikelijk was. En dat staat ook in de bron die zij aanhaalt. Er was geen aanklacht wegens moord. En dat is weer maar één voorbeeld. Er zijn er eindeloos veel. 

Bij een tweede rechtszaak, ag. de pastoor van Engelen in 1871 (Overigens  het laatste bekende historische voorval in Nederland van een priester die een keizersnede uitvoerde, te Empel NB), suggereert zij dat de pastoor werd vrijgesproken omdat zijn advocaat, Deken en Rijksadvocaat van Noord-Brabant was, en daarmee een "machtige advocaat". De advocaat van de pastoor in kwestie was echter ten tijde van het proces 24 jaar oud en werd pas (wnd.) Rijksadvocaat van Noord-Brabant in 1877. Enz. enz. enz. 

(En machtig ten opzichte van wie? Onder de rechters was Alexander de Savornin Lohman, de latere politicus en minister van Binnenlandse Zaken, alle rechters, officiers en advocaten behoorden tot dezelfde kleine maatschappelijke bovenlaag. Het regent jonkheren in elk negentiende-eeuws juridisch document) 

Zij schrijft, eveneens op pagina 153: "Het verslag van deze rechtszaak bleek nog beschikbaar in het Brabants Historisch Informatiecentrum en daaruit valt verder op te maken dat de officier wel heeft gesuggereerd dat de vrouw schijndood kon zijn geweest". Er ontbreekt echter een bronverwijzing bij deze stelling en ik kom de uitspraak enkel tegen in het krantenverslag. Bossche processen-verbaal uit 1871 zijn sowieso niet bewaard, deze beginnen voor de rechtbank in Den Bosch pas zo'n twintig jaar later. In het vonnis, dat wel degelijk opvraagbaar is bij het BHIC lezen we: "dat ook later gebleken is dat de vrouw werkelijk was overleden" 

Riep kardinaal Sterkx op om moorden te plegen op priesters en anderen? 

De situatie wordt toch wat bizar als ze zelfs probeert moordopdrachten in kerkelijke teksten terug te lezen. Als  kardinaal Sterkx, aartsbisschop van Mechelen, in 1852 in felle bewoordingen vroedmeesters en -vrouwen en anderen op vurige wijze aanraadt om in geval van nood er voor te zorgen dat het ongeboren kind gedoopt wordt, zo schrijft  hij 

"Indien onzen goddelyken Zaligmaker zoo schrikkelyke bedreygingen gedaen heeft aen degenen die aen een kind verergernis geven; indien hy heeft gezeyd dat het beter ware met eenen meulensteen aen den hals in de zee geworpen te worden, dan zich pligtig te maken aen zulke euveldaed; hoe veel te meer moest men dan niet bevreesd zyn voor zyn schroomelyk oordeel , ware 't dat men ooyt vrywillig een kind zonder doopsel liet sterven ? Integendeel hoe voordeelig is het niet de vreugden des hemels aen een kindje tebezorgen ? Wie ziet niet dat wy, met zulks tedoen, eenen trouwen vriend by den Heer krygen , die voor ons geluk gedurig bezorgd zal wezen?"

Dehue schrijft (p. 154): 

"dat was geen geringe dreiging met nu ineens zelfs een aardse straf, want die geestelijken stonden onder voortdurend toezicht van hogergeplaatsten en elkaar" (p. 154). Zij beschrijft de tekst van Sterkx verder in overigens uitgesproken islamofobe bewoordingen, als een fatwa.  Het is nu toch wat alsof je in  discussie moet met de Cheshire Cat. Het voelt allemaal weinig zinvol. 

Het is natuurlijk treurig om dit alles te lezen. Het molensteenvers (Mt. 18:6) is natuurlijk stevige retoriek, maar natuurlijk geen fysieke doodsbedreiging. Dergelijke passages in Ei maken het in het geheel niet duidelijk wat of zelfs iets van wat zij beweert serieus kan worden genomen

Dat de uitgever dit alles heeft laten passeren, en meerdere recensenten, kranten als Trouw en een blad als de Groene Amsterdammer deze weinig overtuigende oordelen in al te goed vertrouwens hebben overgenomen is ontstellend. Ik wil daar niet te lang over nadenken. 

Ook zonder molensteen is dit boek een mer à boire aan misperen. 

Het "Schinveldpamflet" 

We bereiken een zeker dieptepunt als ze probeert toch één "feitelijke" situatie te vinden van een priester die in een levende vrouw snijdt. Zij baseert zich hierop op een satirisch pamflet uit 1870 van Pieter Scherpenseel, de zoon van gewezen wethouder van Schinveld, A. Scherpenseel. De zoon voert de vader op als auteur. Dehue ontkent dat Scherpenseel jr. de echte auteur is maar literair-historische bronnen zijn er duidelijk over. Het past ook in zijn schrijfstijl. Het is lastig vol te houden dat mw. Dehue, die gezien haar vele gebruik van 'Delpher' en 'Google Books', ook de beschikking heeft over een zoekmachine. 

Ondanks dat Dehue er, zoals gezegd, weet van heeft dat de pastoor die hierin (samen met vele andere dorpsgenoten in Schinveld) bespot wordt, een pastoriejournaal heeft bijgehouden - heeft ze het pastoriejournaal zelf niet geraadpleegd, ondanks deze zelfs (foutief en indirect) aanhaalt. - (Ei, p. 156). Dat is jammer. Zo had ze kunnen voorkomen dat ze zich vergistte in de datum die pastoor Joors genoteerd had, waarop hij een postume keizersnede heeft uitgevoerd.

Dit omdat ze een vertaalfout overschrijft uit een - maar liefst - tertiaire bron. (Wanneer kom je een tertiaire bron tegen? Niet dagelijks, kan ik u zeggen). Al moet ik zeggen dat ook toegang tot de oorspronkelijke, of zelfs de secundaire bron haar niet geholpen had. De feiten komen je hier niet redden als je namelijk niet hebt opgelet bij Latijn. "Xbris" is namelijk geen Oktober, maar decem-bris. December. Enfin. 

Uit diezelfde, verkeerd vertaalde, passage concludeert ze vervolgens dat pastoor Joors "terugblikt". Quod non.

Enfin. Zij heeft de archiefstukken niet geraadpleegd. Ik heb dat wel gedaan. 

We kunnen dus ook met zekerheid zeggen dat de in het pamflet zich opstapelende gothic- en slapstick-achtige scenes aan allerlei sterfbedden, zoals dat van Elisabeth Snel, met bloederige messen (een broodmes? een scheermes? een roestig mes?), een kermende vrouw, gesol met de kist, en een stiekeme begrafenis om drie uur 's nachts niet hebben plaatsgevonden. 

Dat is erg vervelend dat dit alles niet is gebeurd. Want mw. Dehue beweert dit alles wel, in Ei, p. 156-157. Zo is er  door heel het boek heen wel meer niet gebeurd. Over het pamflet later eens meer, want het échte verhaal erachter is kostelijk. Ik ben mw. Dehue ondanks alles dankbaar dat zij mij op het spoor heeft gebracht van deze smakelijke bron waar ik nog zeker eens over zal schrijven. 

Zo heeft de pastoor de werkelijke dader van de plaatselijke verkiezingsfraude van 1869 achterhaald. Het was dan ook niet vreemd dat de familie Scherpsenseel - die daar samen met anderen de hand in had - een appeltje met hem te schillen had. 

Het pamflet was een "red herring" met de bedoeling om de aandacht van het werkelijke schandaal af te leiden. Met succes. We zijn immers, dankzij mw. Dehue, nog steeds bezig met de ficties van Pieter Scherpenseel. Het is verleidelijk om ons voor te stellen hoeveel genoegen het hem had gedaan, als hij had kunnen weten dat er meer dan 150 jaar later nog steeds mensen in zijn grap trappen.

Wat Dehue er mee doet, is echter minder grappig: uiteindelijk zegt zij dat de gewezen wethouder, dhr. A. Scherpenseel, als zogenaamde klokkenluider, "zijn laatste vijf jaren in vrees en wrok" [moet] hebben geleefd". Voorbeelden noemt zij niet. Uit het Pastoriejournaal blijkt echter dat hij, als onaantastbare dorpsnotabele, tot 1874 deel uitmaakte van het parochiebestuur voordat hij tenslotte eens werd weggestemd. 

Scherpenseel sr. is dan dus al eerder als wethouder moeten aftreden wegens de genoemde stembusfraude. Maar hij is daar natuurlijk nooit om vervolgd. Dat waren niet de mores in de Vriendenrepubliek van de negentiende eeuw. Als er zogenaamde "angst" voor iets was blijkt dit nergens uit. Uit het feit dat hij rustig is aangebleven als kerkbestuurder blijkt eerder een zekere onbeschaamdheid.

Ik noem dit omdat het relevant is. Deze zogenaamde "angst en wrok" wordt vervolgens namelijk weer gebruikt als premisse om met een knallende non-sequitur het volgende te beweren:

"In het licht hetgeen hem is overkomen [niks, JJvP] wekt het geen verbazing dat verdere verhalen over priesters als seriemoordenaars indertijd alleen in de vorm van fictie zijn gebracht" (p. 158)

We kunnen in ieder geval zeggen dat mw. Dehue deze literaire traditie heeft voortgezet. 

Met geschiedschrijving heeft het echter weinig van doen.  









Saturday, 14 March 2026

Vierde Zondag Vastentijd A

 Beste vrienden,

Lang geleden, u weet misschien dat ik ooit filosofie heb gestudeerd heb, had ik met een medestudent een discussie over kennis. En dan vooral over het probleem dat mensen absoluut blind kunnen zijn voor een waarheid die ze recht in de ogen staart. En die vriend zei toen tegen mij: “iets begrijpen is niet los te zien van iets willen begrijpen”.

Ik denk dat hij gelijk had, want ik heb daar later nog veel voorbeelden van teruggezien, en ook op een ander vlak. Degenen onder u met onderwijservaring zullen ook gemerkt hebben dat als een leerling niet gemotiveerd is om te leren, het veel moeilijker wordt hem iets aan het verstand te brengen.

Dingen leren en begrijpen is een belangrijke taak, zo belangrijk dat we goed moeten opletten of wat we leren over de wereld wel klopt. En wie dat dan bepalen moet. Kranten hebben “feitencheckers” in dienst om te controleren of politici  wel de waarheid spreken. Dat is een belangrijk controlemechanisme. Maar wie controleert de controleurs? Daar gaat dit verhaal over.

Het verhaal begint ermee dat Jezus een blindgeboren man geneest. Iemand die zelf niets kan zien, en iemand naar wie niemand omkijkt. Een nutteloze bedelaar. En ook toen dachten mensen: degenen die het slecht hebben zullen zélf wel schuld zal hebben aan hun trieste bestaan.

De leerlingen vragen aan Jezus – wèlke zonde heeft hij of zijn ouders wel niet begaan dat hij dat verdiend heeft? Ze vragen Jezus níet om hem te genezen.  Dát komt niet in hen op. Ze willen een woord van hem horen dat hun eigen vooroordelen, en de vooroordelen van hun tijd bevestigd te krijgen. Maar dat is niet wat ze krijgen.

Het idee, dat als het slecht met je gaat, je ook wel wat gedaan zal hebben om dat te verdienen, dat zit heel diep. Ook bij ons. We zeggen wel eens, dat is het westerse denken, maar hier lezen we: het zat er al veel vroeger in. We hebben dat niet op school geleerd, maar het is een gedachte die geworteld is in de erfzonde. 

Want als iemand schuld heeft aan zijn eigen ongeluk, dan hoeven wij er ons niet meer druk over te maken. Bedenk daarbij dat de zondige mens een lui wezen is. Als hij een reden kan vinden om iets níet te doen, dan grijpt hij die kans met beide handen aan.  

Maar de enige reden die Jezus geeft, is dat zijn handicap, zijn tekortkomingen, iets zichtbaar gaan maken. De blindheid van de blindgeborene wordt zichtbaar teken van Gods grootheid. De blindheid is de weg waarlangs aan alle mensen wordt onthuld wie Jezus is.

Het wonder is een beetje anders dan andere wonderen. In de meeste wonderverhalen hoeft Jezus alleen maar een machtswoord te spreken en het wonder geschiedt, maar hier gebeurt van alles voordat de blinde weer zien kan. Er moet een papje gemaakt worden van spuug en modder, dat moet in de ogen worden gewreven en daarna uitgewassen in de bron van Siloam.

Het is echter belangrijk dat dat gebeurt. Het gaat hier namelijk niet alleen om Jezus’ macht. Het is die dag óók de Sabbat, een dag waarop je niet mag werken. En dit wonder is hoe dan ook een werk. Je mag geen papjes maken op de sabbat, daar zijn de Farizeeën heel duidelijk in! Maar dat is geen wet van God, het is een wet van mensen. Maar diezelfde mensen die dat verzonnen hebben, hebben ook de macht in handen.

Dit wonder is dus niet alleen maar bedoeld om iemand te helpen, maar ook om een andere groep uit de tent te lokken. De Farizeeën. Zij zijn op de stoel van de profeet Mozes gaan zitten en besluiten nu voor anderen wat ze moeten doen.  Ze zeggen dat ze heel veel weten over God, over de geboden, over de wet en de profeten. De Farizeeën oefenen hierdoor de macht uit in de gemeenschap. Zij hebben daarin niet alleen sociale macht, maar intellectuele macht. Zij bepalen wat waar is, en wat niet! Zij zijn hier wel eens even de feitencheckers die waarheid van leugen gaan onderscheiden. 

Maar Jezus controleert de controleurs. Jezus beproeft ze, als het ware. Ze zeggen van zichzelf dat ze Gods werk als geen ander kennen. Nou. Hier is hun kans!

Én ze zakken vierkant door het ijs. Ze halen alle trucs van stal, steeds meer getuigen oproepen, steeds dezelfde vragen blijven herhalen om maar niet te hoeven aannemen dat Jezus een wonder gedaan heeft. 

En op een gegeven moment is de bedelaar het zat. Hij heeft geen geduld meer met de Farizeeën en hun vrome praatjes. Zijn ogen zijn nog maar nauwelijks geopend en misschien daarom ziet hij het scherpst van allen wie er wel toe doen, en wie niet.  

Hij geeft de Farizeeën een grote mond. U moet goed begrijpen: dat is een ongehoorde brutaliteit. En we zien ook hoe het afloopt met zulke dwarsliggers. Die worden buiten gegooid! In zekere zin kun je zeggen: het zijn de Farizeeën die blind zijn, maar dat is niet het hele verhaal.

Het Evangelie is niet alleen maar historie, alleen maar verhalen over vroeger. Wat de Bijbel zegt over de Farizeeën kan zij ook over ons zeggen als wij onszelf net zo blind maken. En dat heb je zo gedaan! 

Zo gauw je tegen iemand zegt: “ga uit mijn ogen!” heb je al besloten blind te worden voor die persoon. Als je weigert iets goeds te geloven over een persoon, omdat je al besloten hebt dat hij toch een niksnut is, dan heb je je al besloten blind te worden.

En als je jezelf blind maakt voor iemand, maak je je ook blind voor de waarheid, want in elke persoon die wij niet willen zien schuilt ook het gelaat van Jezus. Blind zijn voor de ander, is blind zijn voor Christus. En wat dan begon als een halfbewuste keuze wordt dan ook werkelijkheid. We worden echt blind. 

We kunnen het harde, moeilijke werk van de waarheid aan het licht brengen  dan ook uiteindelijk niet overlaten aan anderen. We kunnen andere mensen om advies vragen en we kunnen gebruik maken van de expertise van derden. Dit moeten we ook doen als we zelf verantwoordelijke keuzes willen maken, maar we kunnen ons niet blind staren op aanzienlijken. Het zijn juist vaak de mensen die er níet toe doen, die ons de waarheid kunnen vertellen. 

Deze dagen legt Jezus ons dus een goede oefening voor. Voor wie ben ik blind? Welk geluid wil ik niet horen? Welke ontwikkelingen verklaar met wat gevatte woorden weg terwijl ik mezelf terugtrek in het bastion van mijn eigen gelijk? 

Wil ik de ánder werkelijk zien? Wil ik hem of haar ontmoeten? 

Laten we ons die vragen stellen, niet bang zijn om ook eens ongelijk te krijgen en op een ander toestappen, hem te ontmoeten voor wie hij is - zodat we samen, gewapend met nieuwe inzichten, de toekomst aan kunnen gaan.

 

Amen.

Saturday, 7 March 2026

Derde Zondag Vastentijd A

 Oude Testament:

In die dagen,
leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst.
Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden:
“Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte
als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?”
Mozes klaagde zijn nood bij de Heer:
“Wat moet ik toch aan met dit volk?
Ze staan op het punt mij te stenigen.”
De Heer gaf Mozes ten antwoord:
“Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit,
neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt
en begeef u op weg.
Ik zal ginds, voor uw ogen,
op een rots staan, op de Horeb.
Sla op die rots:
er zal water uitstromen, zodat de mensen kunnen drinken.”
Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten.
Hij noemde de plaats Massa en Meriba
vanwege de verwijten der Israëlieten
en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd
door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet?

 

Evangelie:

In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd,
dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
Daar bevond zich de bron van Jakob
en vermoeid van de tocht
ging Jezus zo maar bij deze bron zitten.
Het was rond het middaguur.
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten
zei Jezus tot haar:
“Geef Mij te drinken.”
De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.
De Samaritaanse zei tot Hem:
“Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?”
Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen.
Jezus gaf ten antwoord:
“Als ge enig begrip had van de gave Gods
en als ge wist wie het is, die u zegt:
Geef Mij te drinken,
zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd
en Hij zou u levend water hebben gegeven.”
Daarop zei de vrouw tot Hem:
“Heer, Ge hebt niet eens een emmer
en de put is diep:
waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf
en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?”
Jezus antwoordde haar:
“Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst,
maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven,
krijgt in eeuwigheid geen dorst meer;
integendeel, het water dat Ik hem zal geven,
zal in hem een waterbron worden,
opborrelend tot eeuwig leven.”
Hierop zei de vrouw tot Hem:
“Heer, geef mij van dat water,
zodat ik geen dorst meer krijg
en hier niet meer moet komen om te putten.”
(Jezus zei haar:
“Ga uw man roepen en kom dan hier terug.”
“Ik heb geen man”,
antwoordde de vrouw.
Jezus zei haar:
“Dat zegt ge terecht: ik heb geen man;
want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet.
Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken.”
“Heer,” zei de vrouw,)
“ik zie dat Gij een profeet zijt.
Onze vaderen aanbaden op die berg daar,
en gij, Joden, zegt
dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.”
“Geloof Mij, vrouw,”
zei Jezus haar,
“er komt een uur dat gij noch op die berg,
noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
Gij aanbidt wat gij niet kent;
wij aanbidden wat wij kennen,
omdat het heil uit de Joden komt.
Maar er zal een uur komen,
ja, het is er al,
dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden
in geest en waarheid.
De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
God is geest, en wie Hem aanbidden,
moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”
De vrouw zei Hem:
“Ik weet dat de Messias,
dat wil zeggen: de Gezalfde,
komt, en wanneer Die komt,
zal Hij ons alles verkondigen.”
Jezus zei tot haar:
“Dat ben Ik, die met u spreek.”

(Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug
en zij stonden verwonderd,
dat Hij in gesprek was met een vrouw.
Geen van hen echter vroeg:
“Wat wilt Ge van haar?” of “Waarom praat Gij met haar?”

De vrouw liet haar waterkruik in de steek,
liep naar de stad terug en zei tot de mensen:
“Komt eens kijken naar een man,
die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb!
Zou Hij soms de Messias zijn?”
Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden:
“Eet toch iets, Rabbi.”
Maar Hij zei hun:
“Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”
De leerlingen zeiden tot elkaar:
“Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?”
Daarop zei Jezus hun:
“Mijn spijs is,
de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft
en zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst?
Welnu, Ik zeg u:
slaat uw ogen op en kijkt naar de velden;
ze staan wit, rijp voor de oogst.
Reeds krijgt de maaier zijn loon
en verzamelt vrucht tot eeuwig leven,
zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.
Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait.
Ik stuurde u uit
om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd;
anderen hebben gezwoegd
en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.)
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem
(om het woord van de vrouw die getuigde:
“Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.”)
Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren,
verzochten zij Hem bij hen te blijven.
Hij bleef er dan ook twee dagen
en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.
Tot de vrouw zeiden ze:
“Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt,
want wij hebben Hem zelf gehoord
en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.”

 

 

 

Beste vrienden

Je hoeft de krant maar op te slaan of de televisie aan te zetten en je wordt geconfronteerd met onrust en ontevredenheid. De één is bang dat alle veranderingen in de samenlevingen betekenen dat ze kwijtraken wat ze hebben. De ander gaan alle veranderingen niet snel genoeg. De derde maakt het niet uit of er wat verandert of niet, omdat hij weet dat wat er ook gebeurt - zíj er toch geen last van hebben. Dat levert een explosief mengsel op – en dat merk je. Want iedereen die zijn zin niet krijgt wijst naar iemand anders. En als er geen zichtbare verantwoordelijke beschikbaar is, dan vindt men wel een onzichtbare – een mysterieus en geheimzinnig complot dat enkel bestaat om hén dwars te zitten.

Nu is onrust van alle tijden. We lezen er al over in het Oude Testament. We volgen Gods Volk in de woestijn. Ze worden geleid door Mozes die hen naar het Beloofde Land wil leiden. Dat gaat niet zonder slag of staat want elke transformerende reis – of dat nu een persoonlijke of collectieve tocht is – gaat met moeilijkheden gepaard. Het oude moet langzaam maar zeker worden afgelegd terwijl het nieuwe er nog niet is.

Voor je gevoel bevind je je dan in niemandsland en daar worden veel mensen niet blij van. En wat doen mensen die niet blij zijn maar zich ook niet kunnen onttrekken aan de ongewenste situatie? Die gaan morren. En met die activiteit – morren – is iets aan de hand. Dat is niet zomaar één activiteit onder alle anderen.

Morren is iets anders dan klagen. Je kan goede redenen hebben om te klagen. Je hebt een overeenkomst met iemand en die komt zijn afspraken niet na. Dat is een prima reden voor een klacht. Er is een objectieve grond om te klagen. Een klacht gaat over iets concreets, iets wat je kan aanwijzen. Een objectieve buitenstaander kan in principe vaststellen of een klacht terecht is of niet.

Morren is fundamenteel iets anders want morren gaat níet in de eerste plaats over iets concreets wat zich buiten je bevindt. Morren gaat fundamenteel over jezelf tekort gedaan voelen waardoor je alle ruimte geeft aan gevoelens van wrok, woede en angst. Morren kan beginnen met een klacht, maar gaat daarna een eigen leven leiden. Het kan in het begin gaan over iets wat je had moeten krijgen maar neemt dan een afslag. Het gaat steeds minder over de concrete afspraak en steeds meer over jezelf.

Over hoe je tekort gedaan bent. Hoe de ander jou altijd tekort doet. Hoe de ander eropuit is om jou kwaad te berokkenen. Niet incidenteel, maar fundamenteel. Op een negatieve manier zet je jezelf in het centrum van het universum en de hele werkelijkheid, iedereen om je heen en iedereen boven je wordt in die mal geperst. Alles wat een ander dan voor je doet of laat wordt vijandig geïnterpreteerd.

De klacht ik heb dorst en we hadden afgesproken dat we op het zesde uur een glas water zouden krijgen verandert in het morrende jij voert ons mee de woestijn in om ons daar te doen sterven.  

Het volk leeft uit wrok – zelfs het slavenbestaan uit Egypte is volgens hen nog beter dan wat ze nu hebben! Men leeft hun woede uit op Mozes en dit alles draait op angst dat ze zullen omkomen. Er is geen vertrouwen. En al deze emoties draaien in een obsessieve cirkel. Het volk loopt net als hun eigen gedachten in rondjes door de woestijn. Ze kunnen nergens komen.

De Woestijngeneratie zal - o ironie - inderdaad sterven, maar dat komt door hun eigen obsessies en niet door Mozes. Gevangen in de driehoek van zelfobsessie missen ze de openheid om de nieuwe toekomst wérkelijk aan te gaan, ook al vindt het éne na het andere wonder plaats in de woestijn. Het volk wordt continu gered! De Rode Zee splijt, er komt water uit de rots, ze worden wonderlijk behouden tegen hun vijanden. Wonder op wonder! Maar geen enkel wonder kan zo worden ervaren door een volk dat gevangen zit in zichzelf.  

Pas de generatie ná hen, die niet meer in Egypte zijn geboren kunnen de Jordaan over trekken en het Beloofde Land in bezit nemen. Die dragen de geestelijke littekens uit Egypte niet meer mee, ze hebben geen herinnering meer aan het slavenbestaan dat hen opsloot in henzelf en pas als die stap is gezet als die zelfobsessie afgebroken is kan je Gods werk en Gods tekens zien voor wat ze zijn.

In het Evangelie lezen we over Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Sichar. Daar vindt een prachtige ontmoeting plaats. Vinden we in de woestijn wrok, woede en angst zo vinden we bij de bron van Sichar het omgekeerde: acceptatie, liefde en vertrouwen.

Bijzonder is natuurlijk wát Jezus zegt, maar nog veel meer dát Jezus iets zegt tot deze vrouw. In de publieke ruimte een vreemde vrouw aanspreken die ook nog van een andere groep is ligt vér in de taboesfeer. Als hij het nu had gedaan waren er allemaal boze berichten op Facebook en Twitter gekomen over die onbehoorlijke Jezus.

Jezus is hier letterlijk iets aan het door-breken.

Want de twee joodse volken, de Joden en Samaritanen zitten beiden gevangen in die driehoek van wrok, woede en angst. Maar door het gesprek te openen maakt Jezus iets nieuws mogelijk. Wrok, woede en angst mogen plaats maken voor acceptatie, liefde en vertrouwen.

Jezus leert de vrouw het verleden te accepteren. Het is niet zo dat hij goedkeurt wat er allemaal gebeurd is, maar hij leert haar het verleden te accepteren zoals het is gebeurd. Het is dan geen loden last die je voor altijd met je mee moet zeulen en waar je eeuwig op aangesproken wordt. Jezus veroordeelt haar niet, maar vraagt haar zich niet meer vast te klampen aan het disfunctionele verleden[1]. Dat is acceptatie.

Jezus doet dat in liefde, en laat de vrouw die liefde beantwoorden. Hij geeft om haar, hij zou niet met haar spreken als Hij dat niet deed. En alleen al dat feit breekt het ijs van de koude woede die er tussen Joden en Samaritanen leefde. (“Weet je wel wat jullie ons hebben aangedaan!”), nee, er is liefde. Liefde moeten we hier niet verwarren met intimiteit maar betekent hier openheid naar elkaar, de ander niet als vijand, object, marionet of figurant zien, maar erkennen als mens met menselijke waardigheid en om hem of haar geven als mens. Dat is liefde.  

Tenslotte geeft Jezus haar vertrouwen. Tot die tijd was er angst. Angst sluit de toekomst voor je af, je bouwt hoge muren om je heen om de toekomst maar af te weren. Maar dat is een even zinloos en dom project als de toren van Babel ooit was. De toekomst kan je niet vermijden. Je moet haar aangaan. De vrouw krijgt te horen dat er een toekomst is voor iedereen. Er komt een nieuwe bron  waar je uit mag putten, een nieuw levend geloof in geest en waarheid dat niet meer gebonden is aan één stad of één berg of één volk. Daar mag je op vertrouwen.

Samenvattend. Vaker dan niet zitten we klem in de driehoek van wrok, woede en angst. Die drie houdingen houden ons gevangen in ons zelf. Daar vinden we geen geluk. We mogen de tocht aangaan op weg naar een andere driehoek: acceptatie, liefde en vertrouwen.

Wrok houdt je gevangen in het verleden, Acceptatie maakt het verleden lichter zodat je weer kan ademen.

Woede houdt ons gevangen in het heden - wullie tegen hullie! – terwijl enkel liefde het menselijke samenleven mogelijk maakt.

Angst is een loden deur die de toekomst voor ons afsluit. Vertrouwen is de sleutel, die de deur open maakt zodat we een nieuwe toekomst kunnen aangaan.

En in een mooie omkering zien we tenslotte dat de Samaritanen tot geloof komen terwijl de leerlingen  verwonderd zijn – dat betekent dat ze een negatieve houding hebben t.o.v. wat er gebeurt. Hun “verwondering” zit tegen het morren aan. Zij moeten nog lessen leren. Misschien kunnen ze in de leer bij de Samaritaanse vrouw. Die snapt het wèl.

Het Evangelie werkt altijd als een spiegel die ons wordt voorgehouden. Dus voor de komende dagen is het een goed idee om eens in die spiegel te kijken. Zit ik gevangen in een obsessieve driehoek? Voel ik wrok, woede, angst? Zijn er misschien om mij heen, in de krant of op het internet, of op de televisie die mij die gevoelens aanpraten of ze versterken? Draag ik daar zelf aan bij – door bijvoorbeeld de schuld voor alles wat misgaat in het leven toe te schrijven aan anderen, of misschien zelfs aan mysterieuze boze krachten. Machten achter de troon?

Of maak ik ruimte voor acceptatie, liefde en vertrouwen? Voel ik een nieuwe openheid in mij? Misschien wat tastend, altijd onvolledig… Maar toch. In vrijheid naar het verleden kunnen kijken, zowel de goede als de kwade hoofdstukken. In naastenliefde bij je medemens kunnen staan en in vertrouwen werken aan een gemeenschappelijke toekomst. Daar worden we met zijn allen beter van. Dat wens ik ons allen toe

Laten we, naar het voorbeeld van de Samaritaanse vrouw ons vrijmaken en die nieuwe toekomst aangaan. Door Christus onze Heer.

Amen.



[1] Ik ben er niet van overtuigd dat de verwijzing naar de vijf mannen hier in de eerste plaats te maken heeft met enige vorm van seksuele delinquentie. Het kan zeer goed een metaforische verwijzing zijn naar de gemengde achtergrond van het Samaritaanse volk. Dit zou goed passen in de structuur en stijl van het Johannesevangelie.

Thursday, 5 March 2026

De Grenzen van elke Theologisch Systeem (Dehue, III)

 

Dit is het derde deel van een inhoudelijkere repliek op het boek van Trudy Dehue Ei Foetus Baby 

Deel één is hier te vinden. 

Deel twee hier. 

Wanneer we het hebben over bijzondere, en zeldzame fenomenen als de post-mortem keizersnede met het oog op het dopen van het ongeboren kind, is dat fenomeen niet los te zien van twee intellectuele fenomenen uit de Moderniteit: de opkomst van het rationalisme en het humanisme. Hoewel we vaak denken dat de Moderniteit ons het rijk van de vrijheid en het verstand bracht, tegen de duisternis van de Middeleeuwen in, is dit een naïeve kijk op de zaak.

Waar de bonte stoet van middeleeuwse denkers weinig problemen had met eclectisch denken, en de ongekende felheid van de heilsleer van Augustinus – die de verkiezende soevereiniteit van God áls de centraliteit van het doopsacrament – zó uitvergrootte dat er voor ongedoopte kinderen geen sprank hoop was te modereren – verdween werd de theologie als geheel een stuk strenger door twee fenomenen:

1: De humanistische tendens tot ressourcement, dat wil zeggen een terugkeer tot de theologische bronnen, voor de westerse kerk leidde dit tot een nieuwe receptie van de Augustijnse heilsleer. Voor de westerse kerk was de heilsleer immers de centrale theologische vraag waar de kerk mee staat of valt, zoals dat voor de oosterse kerk bijvoorbeeld de rol van de geloofsbelijdenis in de kerk – of de beeldenverering dat was. Het ene is niet per se beter of slechter. De Orthodoxe kerken lijken ontspannener om te gaan met de heilsvraag – maar zij stellen andere zaken even centraal. Je kiest niet voor iets beters, je kiest voor andere blokkades.

2: de rationalistische neiging om tot systeembouw over te gaan. Als we rationeel over God kunnen spreken moeten theologische uitspraken in een helder systeeem samen te vatten zijn – dat is de centrale gedachte voor de mens uit de Moderniteit (16e tm 19e eeuw, ruwweg)

Voor ons is dit echter een paradoxaal gegeven. Wij vinden het vanzelfsprekend dat we over alles rationeel kunnen spreken maar verwerpen “dwingende” systemen. Het systeem dat wij dwingend vinden is ook het systeem dat voortkomt vanuit de overtuiging dat we rationeel over God kunnen spreken. Veel theologische aspecten die wij achterlijk denken zijn in feite modern: het idee dat de Bijbel als feitenrelaas gelezen moet worden, waar je uit zou kunnen afleiden dat de Aarde 6000 jaar oud is bijvoorbeeld. Of dat je een definitieve “harmonie” kan opstellen waarmee je alle “tegenspraken” uit de Bijbel oplost. Uiteindelijk zijn dit doodlopende wegen, en er zijn geen serieuze theologen meer die dit doen – maar dergelijke pogingen om het geloof begrijpelijk te maken horen wel thuis in de intellectuele context van de Moderniteit.

Zo werd ook de heilsleer aan vele pogingen onderworpen om maar een sluitend geheel te krijgen. Elk sluitend systeem krijgt echter ook zijn aporie: een problematische uitkomst waar geen oplossing voor bestaat, een (neven)conclusie die in tegenspraak is met één of meerdere premissen.

Systeem en Aporie 

Als je een sluitend systeem probeert te ontwerpen dat de volgende premissen allemaal moet redden, namelijk:

A: God wil het heil van alle mensen

B God is rechtvaardig

C: Wat God doet is conceptueel begrijpelijk / redelijk benaderbaar

D: Gods heil is een geschenk, en geen loon naar werken.

E: God is souverein, hij is ons niets verschuldigd. (Augustijnse heilsleer)

F: God bemiddelt het heil uitsluitend door middel van de sacramenten

Loopt je theologische machine onherroepelijk vast, zoals elke theoloog tot nu toe zijn tanden hierop stukbeet.

Het lot van ongedoopte kinderen werd zo`n aporie. Welke “oplossing” je ook kiest, je offert hoe dan ook een theologisch fundamentele premisse op.

Waar het Calvinisme A opoffert, en Jansenisten als Pierre Nicole C loslaten (de goedheid van God volgens hen onbegrijpelijk, God is ons volkomen vreemd), kiest de Kerk er sinds de twintigste eeuw voor om minstens F ernstig te relativeren. Dat zijn keuzes.

Alle bovenstaande premissen zijn individueel gezien waar. Maar giet ze in een “sluitend systeem” en je komt altijd uit op aporieën. Wat dat betreft is het niet zo vreemd dat de wat lugubere fenomenen die Dehue beschrijft vooral thuishoren in het tijdvak tussen de zeventiende en negentiende eeuw: het hoogtepunt van de zucht naar theologische systeembouw, harmonisatie en sluitendheid.

We kunnen het bovenstaande echter ook niet omdraaien en zeggen: we halen een premisse weg, we geven wat prijs: en dan ontlopen we per definitie een moreel probleem. Je krijgt er namelijk altijd een ander probleem en soms ander lijden voor terug. En het is nog maar de vraag of het lijden dat je daarmee aanvaardbaar maakt een wezenlijke verbetering oplevert. De ene aporie wordt afgelost door de ander. Ook de keuze om F te relativeren zorgt voor wezenlijke theologische problemen.

Die zijn echter van later zorg en vallen buiten deze overweging.

Het belangrijkste: je kan theologisch niet van twee walletjes eten. Wie het ene prijsgeeft, betaalt de prijs van het andere.

Een voorbeeld: de katholieke doopleer stelt o.a. de zekerheid van het heil van gedoopte, jonge kinderen centraal. Gedoopte jonge kinderen gaan zeker naar de hemel. Hiermee werd – jammerlijk – uitgesloten dat ongedoopte kinderen tot de zaligheid konden komen, niettegenstaande een aantal theologische geitenpaadjes die tot de twintigste eeuw niet verder kwamen dan individuele theologische opinies zonder veel kerkelijk gezag1. Zekerheid voor het een was in dat systeem ook zekerheid van het ander. Een verdrietige opvatting. 

Dan is het verleidelijk om te denken dat je die theologische structuur zo maar kan wegnemen: als we zoals de protestanten de heilzekerheid losmaken van het sacrament van het doopsel, dan vermijden we misschien enig kwaad – zoals mw. Dehue dat beschreven heeft. Zij beschrijft de opvattingen van de calvinisten in positieve zin, maar mist natuurlijk het feit dat hun bezwaren in de eerste plaats theologisch zijn. Dat heeft consequenties. 

Als overtuiging X leidt tot leedwezen Y, dan is het wegnemen van X de oplossing voor, specifiek, Y. Dat wil echter niet zeggen dat je er niet weer andere problemen voor terug krijgt. Dat ziet Dehue niet. De prijs die je betaalt voor het loslaten van bv. de sacramentele heilszekerheid voor kinderen is dat je daarmee de heilsonzekerheid aanvaardt. Dit is wat de Calvinisten doen. De pijn van ouders die hun ongeboren – en ongedoopte – kind verliezen wordt niet weggenomen door de boodschap dat het doopsel hoe dan ook geen zekerheid zou hebben gebracht.

De katholieke kerk heeft met de leer van sacramentele heilszekerheid van jonge kinderen ook een vrijheid die de contemporaine Calvinisten niet hadden. Katholieke ouders wisten zeker dat hun gedoopte kind in de hemel was, waar orthodox gereformeerden maar moesten hopen dat Gods onnavolgbare raadsbesluit niet aan hun deur voorbij was gegaan.

Nu geloof ik er niet in dat je twee leedwezens zomaar met elkaar kan vergelijken, ik ben geen utilist. Desondanks kun je niet denken dat je het eventuele leed, veroorzaakt door de centraliteit van de zekerheid in de katholieke doopleer (nadruk op premissen C en F) wegneemt met de calvinistische nadruk op premissen D en E. Lijden x kun je wegnemen, maar je zal er mee moeten leven dat je er y voor terugkrijgt.

Omdat Dehue niet in staat is om theologische argumenten serieus te nemen ziet ze dus ook niet dat ze met haar lezing – en verwerping van de katholieke theologie van het doopsel – in een valse dichotomie stapt. Het is niet goed genoeg om te zeggen: "de theologische opvatting “A” heeft een nefaste uitwerking op deze specifieke kwestie en “niet-A” is daarmee als vanzelf verkieslijker".

 De onuitgesproken aanname dat elk kwaad verdwijnt als je één aanname schrapt gaat namelijk voorbij aan de onderliggende veelheid van aannames, die allemaal weer vertakt zijn met de wijdere structuur van de christelijke theologie. Wie een steen uit de muur haalt kan zomaar onverwachts een dakpan op zijn hoofd krijgen. 

Wie bijvoorbeeld C schrapt, kan niet meer in redelijkheid over God spreken, of zelfs maar de theologie bekritiseren. Wie A of B schrapt, legt een bom onder Gods goedheid. Als we D en diens verscherping E verwerpen dan God is overbodig, of erger nog: een soort Sinterklaas die iets doet omdat jij wat op je lijstje hebt gezet. F bevraagt wezenlijk de ecclesiologie, de waarheid dat God zich tot jou richt als lid van zijn volk, en niet als een soort gnostisch, individueel wezen dat is losgemaakt van alle natuurlijke en menselijke banden.

Context en pastoraat 

Zolang men in deze intellectuele knoop zat is het echter niet ondenkbaar dat men alles op alles zette om ongeboren kinderen van overleden moeders alsnog te dopen. Dat deze praktijk het meest uitvoerig werd beschreven – en aangeprezen – in de tweede helft van de achttiende eeuw is ook niet uitzonderlijk te noemen. Zoals ik eerder geschreven heb was het niet de bedoeling dat de priester zelf het mes ter hand nam. Dit was enkel denkbaar als er niemand bij de hand was. Gevallen hiervan zijn zeldzaam omdat ze alleen konden voorkomen onder hele specifieke situaties, zoals we zullen zien wanneer we komen te spreken over het enige duidelijke cluster van postmortem keizersneden die door een priester zijn uitgevoerd in Nederland. Een zaak die Dehue – ondanks dat zij pretendeert onderzoek te hebben gedaan – totaal onbekend, terwijl de archiefstukken open en bloot beschikbaar waren bij het NA en al eerder onderwerp van onderzoek zijn geweest. In totaal hebben we het tussen 1815-1871 over 10 à 12 gedocumenteerde gevallen in Nederland. Overwegend in Zeeuws-Vlaanderen. Hier zijn historische gronden voor waar ik later op terugkom.

Hoe dan ook spreken we over een historisch fenomeen. Ik ken geen voorbeelden van een priesterlijke keizersnede in Nederland van na 1871. Dat is niet zo vreemd omdat de specifieke situaties die dergelijk handelen 'nodig' dan wel wenselijk maakten (van zowel juridische, medische als politieke aard) na de jaren '50 en '60 verdwenen. De praktijk dat de priester in het uiterste geval de ingreep uitvoert is kerkelijk verboden in 1901. Vanaf dit moment was het enkel en alleen aan medisch opgeleid personeel. Om één of andere reden is het Mw. Dehue niet gelukt om het document (waar zij wel naar refereert) correct te vertalen. Ook de Franse vertaling van dit document heeft zij jammerlijk gemist. 

Zo zie je maar weer dat een gedegen vorming in oude en moderne talen niet onbelangrijk is.

Resumerend: was de postmortem keizersnede een goede zaak? Die vraag vooronderstelt meerdere onduidelijke aannames. Zo maakt het niet duidelijk welke norm we aannemen. Onze eigen morele oordelen bestaan immers ook niet in een vacuüm. Ik ben blij dat er voortschrijdend inzicht is, en we de geestelijke vrijheid hebben om te zeggen: God wil het heil van alle mensen en we gaan het heil niet nog proberen met een dwingende fysieke ingreep alsnog plaats te laten vinden. Was het in de tijd en de historische context gerechtvaardigd ? (een ander begrip!). Ik vermoed van wel. Ook omdat er goede aanwijzingen zijn dat de priester die in uitzonderlijke gevallen zo optrad hierin ook pastoraal werkte. We moeten niet zomaar aannemen dat het geweten van pastoranten per definitie geweld is aangedaan. Je kan je eigen morele standpunt niet terugprojecteren op de geestelijke behoeften en verlangens van landelijke parochianen uit de jaren dertig of vijftig van de negentiende eeuw. 

De dogmatische ontwikkeling.

Ten slotte een theologische conclusie: Nu we terugkijken kunnen we zeggen dat de Augustijnse leer over de massa damnata ook tot abjecte conclusies heeft geleid. Daarom heeft de kerk uiteindelijk ook andere stappen gezet. En om eerlijk te zijn: deze stappen zijn theologisch radicaler geweest dan je op het seminarie zou leren. Hoewel recensenten nog een beetje tegenstribbelden jegens Kolakowski's conclusie (in God Owes Us Nothing ) dat de Katholiek Kerk vanaf de achttiende eeuw feitelijk breekt met meerdere fundamentele aspecten van de traditionele Augustijnse heilsleer zit hier wel een stevige kern van waarheid in. Misschien moeten we ook anders denken over het semper eadem dat de kerk uitspreekt. De continuïteit is er één van geloof, niet per sé altijd één van theologie.

De dogmatische ontwikkeling van de kerk is geen rustige, vriendelijke, groei zoals een boom zich langzaam verheft uit een eikeltje. Misschien is eerder een vergelijking eerder te maken met het evolutionaire concept van het “gepunctueerd equilibrium”: lange perioden van stilstand worden gevolgd door snelle, radicale veranderingen. Zowel de achttiende als de twintigste eeuw kent hier voorbeelden van een dergelijke “Copernicaanse omwenteling”. De zon komt 's ochtends nog steeds op, maar onze kijk op de relatie tussen zon en aarde is omgedraaid.

Dan kun je je beklagen dat verandering te lang duurt. Dat is niet moeilijk om te doen. Lange perioden van stasis horen echter tot de aard der dingen. Het is natuurlijk makkelijk om in 2026 te zeggen dat men het in 1726 allemaal verkeerd zag. Dat is alleen geen goede historische kijk op de zaak. Liever moeten we proberen te achterhalen hoe gedachten, overtuigingen, ideeën en praktijken in 1726 werden beleefd en toegepast, in plaats van ons over te geven aan gemakzuchtige en zelfingenomen demonologie, waarin wij zélf de engelen van licht zijn, en onze voorgangers baarlijke duivels.

Over tweehonderd jaar kan er namelijk wel eens heel anders over ons gedacht worden.





1Bijvoorbeeld bij Cajetanus, die een variant maakte op het argument van het “doopsel van begeerte”, waarin de hoop werd uitgesproken dat de begeerte van de moeder voor het heil van het kind mogelijk werkzaam zou kunnen zijn.