Saturday, 3 October 2026

27e zondag A

 

In die tijd
zei Jezus tot de hogepriesters en oudsten van het volk:

“Luistert naar een andere gelijkenis:
Er was een mens, een landheer, die een wijngaard aanplantte,
er een omheining omheen zette,
er een wijnkuip in uitgroef,
een toren bouwde, hem aan wijnbouwers verpachtte
en naar het buitenland vertrok.
Toen de tijd gekomen was om de vruchten te oogsten,
zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers
om zijn vruchten in ontvangst te nemen.
Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren,
de een mishandelden zij, de ander doodden zij,
nog een ander stenigden zij.
Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten;
maar zij deden met hen evenzo.
Uiteindelijk zond hij zijn zoon naar hen toe, zeggend:
‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’
Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden ze onder elkaar:
‘Dit is de erfgenaam;
komt, laten we hem doden, en ons zijn erfenis toe-eigenen.’
En zij grepen hem,
wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
Wanneer nu de heer van de wijngaard komt,
wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?”
Ze zeiden Hem:
“Ellendelingen zal hij op ellendige wijze te gronde richten
en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers,
die hem de vruchten op hun tijd zullen afdragen.”
Toen zei Jezus hun:
“Hebt gij nooit in de Schriften gelezen:
‘De steen die de bouwers hebben afgekeurd,
die is tot hoeksteen geworden;
door de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen’?
Daarom zeg Ik u
dat het Koninkrijk Gods u ontnomen zal worden
en gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt.”










Beste vrienden


De laatste tijd ben ik meer aan het lezen over de soms moeilijke verhouding tussen christendom en jodendom en dan vooral de soms kwalijke rol die onze eigen Kerk daarin gespeeld heeft. Omdat er zoveel veranderd is in de kerk denken we daar niet meer dagelijks aan terug. Maar we zien nog wel de sporen ervan, ook in ons eigen kerkgebouw, ook in de lezingen die we deze zondag meekrijgen.


Sommigen onder u weten misschien nog hoe de kerk eruitzag voor de vernieuwing van de liturgie. Hier boven het priesterkoor hing een zogenaamde triomfbalk. De oudere generatie heeft daar misschien nog beeld bij. De beelden die bij die triomfbalk hoorden staan nu op het priesterkoor, u heeft ze misschien wel eens gezien, al staan ze niet meer zo in het zicht.


Wilt u zich even omdraaien en kijken naar de koorzolder. Achter u, bovenin.


onderbreking


De twee buitenste beelden. Geheel rechts, geheel links. Daar gaat het om. Dat zijn geen heiligen maar symbolische beelden. Rechts ziet u de Kerk, met een kruis en een kelk en een kroon. Links ziet u een andere figuur. Kromgebogen, geblinddoekt, steunend op een gebroken stok. Dat is de Synagoge. Beeld voor het Jodendom.


De triomfbalk, die overigens pas rond 1920, na de Eerste Wereldoorlog hier een plek gekregen heeft maakt duidelijk wie er volgens het katholieke denken van voor het Tweede Vaticaans Concilie triomfeert: namelijk, de Kerk. En ook waarover wordt getriomfeerd. Het Jodendom. Niet dat er toen Joden woonden op de Leur, althans niet dat mij bekend is. In Etten woonde de familie Levie, van de marktkoopman Samuël Levie, zijn kinderen gingen rond die tijd hier op de Leur naar de openbare school. Maar de balk ging niet over de familie Levie, maar over een theologisch idee: namelijk dat de Kerk in de plaats van het Jodendom was gekomen. En dat is gelijk het probleem met zulk soort ideeën. Het gaat nooit eens over de familie Levie. Nooit over concrete mensen, die je ontmoeten kan, waar je mee spreken kan.


Het gezin Levie heeft het weghalen van de triomfbalk hier niet meer meegemaakt. Samuël zelf, zijn kinderen en hun gezinnen zijn namelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter omgebracht.


onderbreking


Het idee dat de Kerk in de plaats van het Jodendom komt is vele, vele eeuwen dominant geweest. En de afdrukken van deze overtuiging waren terug te vinden in de liturgie, de gebeden van de kerk, al vanaf de eerste eeuwen. In de Bijbelcommentaren, in de preekhandleidingen, in hoe er daadwerkelijk gepreekt werd. In het bijzonder over hoe deze tekst die wij vandaag hebben gehoord verkondigd werd. De wijngaard, die weggenomen wordt van haar leiders – en aan een nieuw volk zal worden gegeven. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog werd dat gelezen als een bewijstekst dat het Joodse volk vervloekt was, afgewezen, bestraft om de Godsmoord op de Heer.


En die verkondiging, die uitleg, dat was niet zomaar een interpretatie van een paar boekenwurmen die het zicht op de alledaagse realiteit waren kwijtgeraakt. Verdwaald als ze waren in het Grieks, het Latijn en de Patristiek. Die uitleg werd als volstrekt vanzelfsprekend gezien, dat dat zo was. En zoals wij katholieken naar de Bijbel kijken is dat voor ons een zwaar besef. De tekst bestaat niet buiten de lezer, dat wil zeggen de lezende gemeenschap van de Kerk om. Als katholieken zijn wij erfgenaam van een eeuwenoude leeswijze die niet onschuldig is, en die veel kwaad heeft aangericht en desondanks volledig tot onze traditie behoort. We kunnen niet zomaar zeggen “we doen het nu anders, slaan de bladzij om, en hebben het er niet meer over”. Dat is in onze kerk geen optie.


Toch doen we het nu anders en dat is echt zo, het Concilie is geen cosmetische operatie, waarin je een facelift aangemeten krijgt en je er nu fit en nieuw uitziet – terwijl alles eigenlijk hetzelfde is gebleven. Dus wat kunnen we halen uit deze moeilijke tekst, die zo verdrietig, zo gewelddadig begrepen is?


We lezen over de wijngaard, over de leiders van het volk. Ze doen niet wat goed is, en willen de oogst voor zichzelf houden. Je kan zelfs zeggen ze zijn bevangen door waanzin. Ze zijn pachters, de grond is niet van hen. Die is van de Heer. De wijngaard staat voor het volk, voor het koninkrijk van God. Per definitie is die niet van jou. Je mag er in werken, je mag er van leven, je kan er goed leven, je hoeft niks tekort te komen. Maar je moet wel weten in wiens dienst je staat. De Heer stuurt zijn dienaren, de profeten, om je daarop te wijzen. Keer op keer worden de profeten vervolgd door de macht. En daar zit iets in hen, een vanzelfsprekendheid. Ze kunnen alleen denken in termen van macht en onderwerping. Je ligt bovenop óf je wordt vertrapt. Dat wereldbeeld is verbazend actueel.


Of liever: het is nooit ver weg. Het is namelijk moeilijk om je iets anders voor te stellen: dat als je wordt uitgedaagd, je terug moet slaan. Je met geweld de macht moet handhaven voordat iemand anders van je afneemt wat je hebt. We hoeven het nieuws maar aan te zetten om te zien wat er gebeurt als je niet meer op je hoede bent.


Dat kan zelfs je Godsbeeld raken. Als Jezus de leiders het verhaal van de wijngaard vertelt, spreken ze uit dát wereldbeeld. Het uitstel, de steeds nieuwe dienaren, uiteindelijk het zenden van de zoon zelf worden niet verstaan als een opening naar een nieuw begin maar als onverdiend uitstel, een onverdiende genade die de uiteindelijke bestraffing alleen maar zwaarder zal maken. Een ellendige dood. Zo voorspellen ze, geheel volgens hun wereldbeeld van dominantie en onderwerping.


En dan is het makkelijk om te zeggen: ze veroordelen zichzelf, die boze leiders, ze verdienen de dood. Ze vervloeken zichzelf. Een nieuw volk zal het overnemen! Maar is dat niet te snel? Jezus neemt het niet zomaar over, die woorden. Er houdt wel iets op. Maar er begint ook iets nieuws. Die oude leiders, die gaan niet meer mee.


De leiders denken enkel aan zichzelf, en daarmee verwerpen ze de toekomst. En de prijs voor het verwerpen van de toekomst is dat je er geen deel van kan uitmaken. Jezus zegt: het zal u leiders, worden ontnomen. De wijngaard, het koninkrijk, komt een nieuw volk toe. Er wordt iets vernieuwd. Met Jezus als hoeksteen. De wijngaard die voor een volk is. Voor alle mensen die zich daar thuis willen voelen. Die willen samenwerken. Elkaar willen ontmoeten. Mensen die weten dat niet alles om henzelf draait. Mensen die de visie van harmonie en verzoening voor zich zien. Mensen die wegstappen van fantasieën over hoe zij triomferen over de ander. Hoe zij kunnen domineren om de ander te onderwerpen. Die hoe moeilijk de tijden ook zijn, het niet opgeven om de ander te willen ontmoeten, van elkaar te leren, en naar elkaar te luisteren. De wijngaard is dan ook een frustrerende plek, want naar elkaar luisteren is moeilijk. Het is makkelijker om de boodschapper in de sloot te duwen, maar dat gaat van kwaad tot erger, dat hebben we van de leiders in de tijd van Jezus geleerd. Hoewel de kerk in het Midden-Oosten klein is kan zij bijdragen, zo hoop ik, aan die ontmoeting, en aan uiteindelijke verzoening, hoe ver voorbij de horizon die verwachting ook ligt. Hoe onrealistisch het ook voelt. De visie van dominantie en onderwerping moet elke keer opnieuw worden uitgedaagd.


Misschien moeten we na tweeduizend jaar christendom nog steeds, of liever: steeds weer, leren wat het is om samen Wijngaard te zijn. Hoe dat moet kunnen we alleen leren in de praktijk, maar we kunnen ons laten leiden door het voorbeeld van de Heer. Hij klampte zich niet vast aan zijn gelijkheid met God, hij zocht geen dominantie om de ander te onderwerpen. Hij hoeft de leiders niet met een machtswoord omver te werpen, want in de Bijbel zetten de machthebbers uiteindelijk zichzelf klem. Het goede nieuws is dat ze niet het laatste woord hebben. Hoe verschrikkelijk mensen ook kunnen lijden onder wandaden van de mensen die boven hen gesteld zijn, de leiders hebben niet het laatste woord. God geeft zijn volk nooit op. God geeft het Joodse volk nooit op.


We hoeven ons als kerk dus ook niet beter te voelen dan anderen. Voor zover wij iets zijn, zijn wij geënt op de olijfboom van het joodse volk. Dat zou ons eerder nederigheid moeten leren dan iets anders. En elke keer als we in het evangelie lezen dat de apostelen zichzelf verhieven of probeerden de grootste te zijn, weet je zeker dat er iemand heel binnenkort over een bananenschil uitglijdt.


In de Wijngaard is geen plaats voor antisemitisme, onder welke religieuze of politieke vermomming dan ook. Wij moeten daar streng op zijn. De wijngaard verdraagt geen triomfbalken. De kerk is er niet om te heersen, maar om te dienen. En de God die we dienen is de God van Israël, de God van Abraham, Isaäk en Jakob. De kerk staat dus niet ten dienste van geweld en onderwerping, maar is er voor alle mensen, opdat zij in vrede en waardigheid mogen leven. In de woorden van de Bijbel ieder mens vredig onder zijn of haar wijnstok en vijgeboom zitten mag. Mogen we dan op de plek waar we zijn, God ontmoeten voor wie Hij is.

Amen.

Saturday, 19 September 2026

25e zondag door het jaar a

 In die tijd

vertelde Jezus aan zijn leerlingen deze gelijkenis:

“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mens, een landheer,
die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag overeen
en stuurde ze naar zijn wijngaard.
Rond het derde uur ging hij weer uit
en zag anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard en ik zal u geven wat rechtvaardig is.’
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij weer uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij uit,
vond er anderen staan en zei tot hen:
‘Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?’
Ze zeiden hem:
‘Niemand heeft ons gehuurd.’
Hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard.’
Toen het avond werd,
sprak de heer van de wijngaard tot zijn beheerder:
‘Roep de arbeiders en betaal hun het loon,
te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’
Toen die van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie.
Toen de eersten kwamen,
meenden ze dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen elk een denarie.
Ze namen hem aan, maar morden tegen de landheer
en zeiden:
‘Die laatsten hier hebben één uur gewerkt en gij stelt hen gelijk met ons
die de last van de dag en de hitte hebben gedragen.’
Maar hij antwoordde een van hen:
‘Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neem het uwe en ga heen:
ik wil aan die laatste hetzelfde geven als aan u.
Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?
Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten eersten

en de eersten laatsten zijn.”


Beste vrienden,

We stellen ons graag voor als hardwerkende mensen. We staan de hele dag in de wijngaard, voor het overeengekomen loon van het dagelijks brood. Een denarie. Een denarie is het gebruikelijke bedrag daar voor. Wij zouden zeggen: een modaal dagloon. Er zijn zeker mensen die het beter hebben, maar daar vergelijken wij ons niet mee. En er zijn mensen die het minder hebben.

Die komen we misschien nog wel eens tegen. De mensen die het minder goed gedaan hebben dan wij. Die hadden die dag geen werk. Misschien dat we zelfs van onze denarie wat sestertieën, wat centjes, aan die mensen geven. Dan voelen we ons twee keer goed. Eens omdat we een denarie verdiend hebben met ons eigen werk, en de tweede keer omdat we ook nog omzien naar wie minderbedeeld is. “Goed zo, harde werker,” zeg je tegen jezelf terwijl je aan jezelf een schouderklopje uitdeelt.

God is in zijn hemel, en op aarde heeft ieder heeft zijn toegekende plek. En zo lang iedereen zijn plek blijft kennen – dan is het leven goed.

Totdat God besluit niet in de Hemel te blijven maar op aarde te komen wonen. Dan komt opeens van alles van zijn plek. Op zijn beurt maakt dat van alles in de mensen los. En het is niet allemaal even best, wat er loskomt. Wat we te zien krijgen. Leerzaam is het wel, ook voor ons. We gaan eens kijken wat er gebeurt.

De werkers in de wijngaard. Die hebben een afspraak met de Heer. Wij werken, jij betaalt. Een denarie. Het dagloon. Kennelijk is er zoveel werk in de wijngaard dat de Heer de hele dag door achter de werkelozen aanjaagt om ze maar er bij te krijgen. De ene voor een halve dag, de ander voor een kwartdag en dan als hoogtepunt van absurditeit: voor een los uur. De hele dag door komen daar half-werkers, kwart-werkers en minimumwerkers voorbij.

En dan wordt er uitbetaald. Het hoogtepunt van de dag: daar doe je het voor. En dan zie je een mooie omkering. De spanning wordt mooi opgebouwd. Eerst worden de minimumwerkers uitbetaald, die er op het laatst er bij kwamen. En die krijgen een denarie. De dagloners wrijven al in hun handen.

Maar dan de anticlimax.. Ze krijgen evenveel als een ander. En ze zijn het er niet mee eens. Ze morren. Ze zeggen “Gij stelt hen gelijk met ons”. Maar de Heer zegt terecht: je bent toch niks tekort gekomen? “Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?” zegt Hij. “Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?”. En dan is het verhaal uit. Er is geen oplossing. We blijven in die spanning zitten. De dagloners taaien af. Zijn ze overtuigd? Ik denk het niet. De spanning waar het in dit verhaal om gaat zal escaleren. Het gaat in de hoofdstukken die hierna komen van kwaad tot erger.

Maar dat komt dan wel. Één crisis tegelijk.

“Zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?” – dat is een retorische vraag. Die vraag ligt niet open. Het antwoord is duidelik. Ze zijn kwaad. Ze zijn kwaad omdat de Heer goed is. Je bent ziek. God is leven en jij bent ziek.

Maar nu hebben we een probleem. De Heer stelt een diagnose vast. Mensen: je draagt een kwaad in je. Maar welk kwaad? Waar hebben we het over?

Als je bij de dokter komt, beste mensen, en de dokter zegt: “je bent ziek”, en verder niks.... Dan heb je daar niet zoveel aan. Je moet een diagnose krijgen: de aard van de ziekte kennen. Weet je niet wat de ziekte is, dan kun je de ziekte niet behandelen. Dan kan er geen medicijn worden voorgeschreven. De apotheker kan daar niks mee. Dan pak je misschien zelfs het verkeerde flesje. Je zou uit onwetendheid een antiwormenmiddel gebruiken om een besmettelijke longinfectie te behandelen. Dat kan niet. Dan word je dubbel zo ziek als je al was.

Maar wat is de diagnose? Welke ziekte woedt er onder de harde werkers? Vertel het ons, dokter Jezus. En Jezus vertelt het ons ook. Maar je ziet het niet terug in de vertaling. De aard van de ziekte is wegvertaald. We lezen “zijt ge kwaad, omdat ik goed ben”. In de woorden van mijn leermeester in de Bijbel, pastoor Gouw, “dat staat er niet”. Of althans, niet helemaal.

Wat letterlijker staat er: “heb jij soms het boze oog?”. Dat is de diagnose, die dokter Jezus stelt. Het boze oog. We lijden aan een oogziekte. Als we horen van 'het boze oog' denken we misschien aan bijgeloof. Dat de blik van bepaalde mensen anderen ziekmaken kan, of kan vervloeken. Maar ook onder bijgeloof kan een kern van waarheid liggen. Net zoals sprookjes, sagen, volksverhalen, grote literatuur altijd een waarheid spreken over de mens. Ze zijn misschien niet feitelijk, maar wel waar. Zo ook het beeld van het boze oog. Een ernstige kwaal waar iedereen aan lijden kan.

Wat is het boze oog. Wat is die ziekte? Het is de ziekte van de menselijke blik: de afgunst. Als iemand iets moois krijgt en je ziet het niet, dan zou je er niks bij kunnen voelen. Dat is onmogelijk. Je gaat naar huis met je denarie. Je gaat lekker eten met je gezin. 'S avonds kijk je naar de nieuwste serie op Netflix – net als iedereen – en er is niks aan de hand. En je helpt zelfs je werkeloze buurman die nergens goed in is, met een (kansloze) sollicitatiebrief. Je haalt er misschien wel drie taalfouten uit. Het zal niks uitmaken maar je kan je wel goed voelen over jezelf, dat je iets goeds gedaan hebt. God is in de hemel, op aarde heeft iedereen zijn plek – en zolang ieder zijn plek blijft kennen gaat het goed.

Maar God loopt rond op aarde. Hij is de Heer. En als jij een lange dag voor de Heer gewerkt hebt, en je buurman was er ook een uurtje, en die krijgt evenveel.... Dan ga jij als je gegrepen bent door de zonde van afgunst anders naar huis. Je hebt het gezien, en de blik maakt je ziek. En die ziekte vreet zich een weg door je lijf. Van je ogen, naar je hersens, je kan aan niks anders meer denken. Naar je hart, je voelt dat valse, hatelijke vuur, naar je ingewanden. Het rommelt, je hebt er buikpijn van. Het boze-oog-syndroom trekt je lijf door.

En welk instrument brengt die ziekte aan het licht?

De goedheid, de vrijgevigheid, van God. God is niet onrechtvaardig, dat hij je recht afpakt. Hij is veel meer dan rechtvaardig: hij scheldt onmogelijke schulden vrij, en geeft mensen meer waar ze op konden hopen. Maar als we alleen maar denken aan recht, gaat dat misschien minder over de liefde tot gerechtigheid en meer over de vrees dat een ander wel eens onverdiend wat krijgen kan.

Daarom moeten we ook nooit de dingen van God reduceren tot recht doen. Niet omdat het verkeerd is om recht te doen. Maar het recht is te klein om God te vatten. Als we zeggen: God is rechtvaardig dan spreken we geen onwaarheid. Maar toch moeten we zeggen met mijn leermeester pastoor Gouw. “Dat staat er niet”. Als we alleen praten over recht maken we God te klein. Je doet God tekort. Je doet God geen recht. God is goed, en dat wil zeggen vrijgevig. Overdadig. Meer-dan-rechtvaardig. Met andere woorden: genadig.

We denken dat we een rechtvaardige God willen, want dan denken we dat we indruk op Hem kunnen maken met ons harde werken. En het is goed om hard te werken, begrijp me niet verkeerd. Maar als we zo denken doen we God tekort.

We willen een rechtvaardige God – denken we - maar die we krijgen een genadige God.

Dat is veel moeilijker. Veel riskanter. Veel gevaarlijker voor ons leventje.

Een “rechtvaardige God” voelt beheersbaar. Je kan in- en uitklokken, werken naar de Wet, tienden geven van wat je hebt. Goed zijn. Gewoon goed. De morele lat ligt zo laag vandaag de dag dat het je nauwelijks moeite hoeft te kosten om een hele nette reputatie te krijgen. Een betere reputatie dan anderen. En wat is dat comfortabel. Niet gelijkgesteld te zijn aan anderen.

Of althans je denkt dat je goed bent omdat je geen moment

geloofde dat je wat tekort kwam. Tot het moment dat je onverdiende genade zag gebeuren in een ander. Iemand die God krijgt, werkelijk God krijgt, een echt, een levend, en levensveranderend geloof. En dan zonder jouw inzet. Iemand misschien wel beter begrijpt waar het bij God om gaat dan jij, of ik.

Die veilige rustige Regelgod, die blijkt een levensgevaarlijke genadige God te zijn, een onbeheersbare God. Een onbezweerbare God. Levensgevaarlijk: omdat jouw leventje niet kan blijven zoals het is.

Uiteindelijk wordt het nog ingewikkelder. Misschien sla je niet aan op de genade van de ander, maar wordt het spel echt: en ontmoet je zelf de onverdiende genade, en daar moet je dan antwoord op geven. Dan is er geen veilig regelboek meer. Leven volgens de regels, en dan kan alles een beetje hetzelfde blijven. Maar dat kan niet na het ontmoeten van Genade. Dan wordt alles anders. Dan moet je zelf veranderen. Met nieuwe ogen leren kijken. Een nieuw hart krijgen. Andere dingen belangrijk gaan vinden.

Als we zien wat de Heer heeft gedaan kunnen we zeggen het is wonderlijk in onze ogen (Psalm 118:23), en die verwondering is het begin van een nieuw leven. Kijken in blijde verwondering is het tegendeel van de blik met het boze oog. Beide ogen, het zieke en gezonde kijken naar Gods goedheid. Het ene oog wordt boos, afgunstig. Het andere oog verwondert zich in blijdschap om wat God doet. God verandert niet. Het is dezelfde God, waar we met andere ogen naar leren kijken.

Het doel van dat geestelijk leven is is niet alleen maar niet-ziek-zijn. Het is nieuw leven, en dat leven begint met het besef dat we het niet voor onszelf gaan regelen. Een religieuze ziekte als het boze oog houdt ons daarvan weg. Weten dat we ziek kunnen worden, op onze eigen manieren allemaal ziek zijn. Geen inzet van onze kant geneest ons, brengt ons nieuw leven. Dat moet van God komen, en hij is vrijgeviger dan wij ons kunnen of zelfs willen voorstellen.

Maar stel het je voor: vrij zijn in de wereld, gedragen door liefde. Onze inzet hoeft niks meer te fiksen. Het mag een antwoord zijn op die liefde. Vrij om te rouwen met wie verdriet heeft, blij te zijn met wie vreugde voelt. Langzaamaan meer groeien in die levende band met de Heer, de band die ons meer mens maakt. Levend maakt. Een band waar je misschien wel veel voor op moet geven, maar niks om zal verliezen.

Moge dat zo zijn.

Kom Heer Jezus.

Amen.

Sunday, 13 September 2026

Parochiefeest

 

Beste vrienden,

Vanwege alle feestelijkheden is het deze keer maar een kort woordje. Volgende week zal ik weer met alle plezier die ik daarin heb de Bijbelteksten weer voor u uitvouwen.

We vieren ons parochiefeest, en onze parochie is naar Maria genoemd. De moeder van God. En ik zat daar wat over na te denken, wat dat betekent. Moeder van God zijn. Voor Maria, en voor God zelf.

De Duitse denkster Hannah Arendt zag in het moederschap iets heel bijzonders, voor alle mensen. Alle mensen worden namelijk geboren. Ze worden niet ontworpen door een ingenieur, of uitgerekend door een ai, maar geboren uit een moeder. En hoe verbonden ze ook zijn met die moeder, door heel hun leven heen, ze zijn nooit kopieën van hun moeder, of van hun vader.

Bij elk mens begint iets nieuws. Iets radicaal nieuws. Iets wat je niet voorspellen kan.

Dat is wel eens frustrerend nieuws voor ouders. Maar voor de mensheid is het goed nieuws. Wat de situatie ook is, in elk kind begint een nieuwe wereld. En de oude wereld heeft daar maar beperkt macht over. Niemand kan een nieuwe generatie tegenhouden om het anders te gaan doen.

In Maria zien we dat God zelf ook een nieuw begin wil zijn. Hij stort zich niet zomaar uit, of gaat op een wolk zitten om weer een set nieuwe regels te geven. Hij wordt zelf deel van iets nieuws. Een nieuw verhaal, een nieuwe wereld. En wat een hoopvolle boodschap is dat wel niet?

Altijd wanneer je denkt “dit verhaal van ons is voorbij” dan gebeurt er toch weer iets anders, iets wat je niet ziet aankomen. Zo gaat het altijd in de kerk. Niet alles wat we kennen gaat mee de toekomst in, en dat doet pijn. Maar er begint altijd wel weer iets anders.

Net als Maria mogen wij meewerken aan dat nieuwe. Allemaal op onze eigen manier. We vieren vandaag ons parochiefeest en dat motiveert ons. We zetten mensen in het zonnetje en daar verwarmen ook wij ons aan. We bidden, werken en hopen voor de goede nieuwe dingen die God wil doen in onze kerk. Niet alleen maar voor ons zelf, maar om te laten zien dat God bij uitstek die bron van alle leven is waar wij alles van verwachten.

Zo rond ik nu even af. We kijken terug, maar niet in machteloos verlangen. Wij zijn mensen van verwachting. Mensen van de toekomst. Die toekomst is niet van ons. Wij kunnen en moeten daar geen eindeloze greep op willen houden. Maar we verwelkomen de toekomst en zien uit naar de volgende generatie die zich geraakt, gegrepen en vastgehouden weet door die zelfde God die wij hebben willen volgen door de dagen van ons leven.

Amen.

Thursday, 3 September 2026

Drieëntwintigste zondag door het jaar A

 Drieëntwintigste zondag door het jaar A

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wanneer uw broeder gezondigd heeft,
wijs hem dan onder vier ogen terecht.
Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen.
Maar luistert hij niet,
haal er dan nog één of twee personen bij,
opdat alles beruste
op de verklaring van twee of drie getuigen.
Als hij naar hen niet wil luisteren,
leg het dan voor aan de Kerk.
Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren,
beschouw hem dan als een heiden of tollenaar. Voorwaar Ik zeg u:
Wat gij zult binden op aarde
zal ook in de hemel gebonden zijn,
en wat gij zult ontbinden op aarde
zal ook in de hemel ontbonden zijn.
Eveneens zeg Ik u:
Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen
– het moge zijn wat het wil –
zullen zij het verkrijgen
van mijn Vader, die in de hemel is.
Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam,
daar ben Ik in hun midden.”

 

Beste vrienden

Één van de dingen waar ik mee heb moeten leren omgaan toen ik elf jaar geleden gewijd ben en voor de kerk ging werken was dat hoe vaak er wel niet over anderen gepraat wordt. En dan niet in waarderende zin, maar klagend of zelfs aan-klagend. Wat wordt er veel geroddeld in de kerk! (Daarbuiten natuurlijk ook, maar daar gaat het nu even niet om).  

En dan niet alleen in de parochie, in de concrete gemeenschap “op de grond”, maar ook elders. Op het internet vinden we eindeloze discussies over wat die priester zei, of die bisschop vond, of waar die diaken naar toe op vakantie ging. En – vaak anoniem – plaatsen mensen zich in de rol van aanklager. Zogenaamd gaat het dan om de “eer van de kerk”, maar ik vermoed dat het eigenlijk om iets anders gaat.

Nu, in de wereld: als je ruzie hebt over een paar hectare grond, vruchtgebruik van een huis of een al dan niet gevestigd recht van overpad, dan heb je ruzie over iets concreets: iets wat je in theorie  kan vastpakken of aanwijzen. Je kan onder begeleiding van iemand die bijvoorbeeld juridisch geschoold is dan tot afspraken komen. “Jij krijgt dit, en ik krijg in ruil daarvoor dat”, en daarmee is de kous af.

Maar als er ruzie of verdeeldheid is over wat iemand gezegd, gedaan of bedoeld zou hebben dan verdwaal je al gauw in een moeras. Wat jij dacht te horen is immers niet altijd wat iemand dacht te zeggen, en als er geen ruimte is om daar in alle rust met elkaar over te praten wordt er al gauw door oordelend geroddel een nieuwe werkelijkheid geschapen waarin iedereen zich afsluit voor de ander.

En als het dan mis gaat, en er ontstaat ruzie, dan loopt het ook veel sneller uit de hand dan op andere plekken. Ook dat is niet zo vreemd.

Maar als er ruzie ontstaat over of iemand wel “een goed christen” is, of erger nog “een goed mens” – of een “hypocriet”, een luilak of een “dwaalleraar” - dan gaat het gelijk over dingen waar je psychologisch, niet zomaar concessies kan doen. Niet zonder dat je je eigen integriteit moet opgeven.

Het resultaat: woede, geroddel, dreigementen, verdeeldheid, gelek naar de krant, brieven naar de bisschop, gemonkel op Facebook… En aan het eind van de rit delft iemand, of iedereen, het onderspit, zijn er littekens geslagen die een leven lang meegaan en is er níks gewonnen. Een berg bitterheid! Dat heb je dan. Om niks.

Ten overvloede, ik zeg niet dat het hier gebeurt. Maar het gebeurt wel. En het kán gebeuren. Overal.

Jezus in zijn liefde en wijsheid, zag dat allemaal al aankomen. En geeft ons deze zondag woorden mee voor hoe wij met elkaar kunnen en moeten omgaan als er verkeerde dingen worden gezegd of gedaan, en de gemeenschap beschadigd zou raken.

We zien een drietrapsraket van ver-antwoordelijkheid. Van manieren waarop je volwassen antwoord kan geven op een situatie.

Om te zien hoe dat werkt moeten we weten wat er aan deze lezing vooraf gaat, en wat er op volgt. Dat maakt uit voor het begrip.

Wat er direct aan voorafgaat (Mt 18,12-14) is de gelijkenis van het verloren schaap: u weet wel: de herder laat negenennegentig  schapen in de bergen om op zoek te gaan naar het éne schaap dat de weg kwijt raakte.   

En waar de passage mee eindigt, is ook van belang. “Waar twee of drie bijeen zijn in mijn Naam” zegt Jezus, “daar ben Ik bij”.

Dat is de context. In het Evangelie van vandaag wordt, kunnen we zeggen een, christelijke rechtsgang geschetst. Als het dreigt fout te gaan met iemand dan ben je als gemeenschap, en als verantwoordelijken, verplicht om vanuit herderlijke zorg –zorg om het verloren schaap – en vanuit de aanwezigheid van Christus – een beslissing genomen.

We kijken naar de “drietrapsraket”:

Als er iemand de verkeerde kant op dreigt te gaan, dingen doet of laat die niet door de beugel kunnen dan probeer je het eerst informeel op te lossen: met een individueel gesprek. Onder vier ogen, een “veilige ruimte”. Misverstanden kunnen worden opgelost. Als je iemand verkeerd hebt begrepen is dát de plek waar helderheid kan worden verkregen en met wat geluk is daarmee de kous af.

Lukt dat niet, dán kun je er mensen bijroepen. Niet stiekem, niet door het zoeken van medestanders of mede-aanklagers, maar door gesprekspartners te zoeken die getuige worden. Een getuige moet, zo wil het recht, onpartijdig zijn. De beklaagde wordt niet voor een vierschaar gebracht zodat hij makkelijk beurtelings kan worden aangeklaagd en kruisverhoord en je sámen iemand makkelijk klein kan krijgen. Nee: je bent met twee of drie bijeen. Jezus is er bij. In liefde en waarheid probeer je samen te achterhalen wat er gebeurd is en hoe je er samen uitkomt. Uit de Bijbelse context is duidelijk dat de getuigen er niet passief bijzitten maar betrokken moeten zijn op het niet-vooringenomen vinden van de waarheid.

“Bij geen enkel vergrijp of misdrijf is het voldoende, als één persoon tegen de dader getuigt; alleen een verklaring van twee of drie getuigen is rechtsgeldig.” (Deuteronomium 19:15)

Kom je er in dat kleine comité nog niet uit, iemand blijft weerspannig of volhardt in schadelijk gedrag dat de gemeenschap uit het lood kan brengen, dán pas moet het voor de gemeenschap worden gebracht. En alleen de gemeenschap heeft het eindoordeel. Dat wil zeggen: elk oordeel in de kerk moet zo transparant mogelijk genomen worden door een zo breed mogelijke groep mensen om te voorkomen dat er kokervisie ontstaat en de waarheid verdwijnt in zelfgenoegzaamheid.

De gemeenschap kan dan oordelen dat het niet meer zo verder gaat, dat iemands taal of gedrag dermate extreem is dat het de gemeenschap of leden daarvan lichamelijk of geestelijk in gevaar brengt. Elke gemeenschap is kwetsbaar en dat brengt verantwoordelijkheid met zich mee. Niets doen, alles maar laten gebeuren is geen liefde, maar zelfgenoegzaamheid. Dat is niet schriftuurlijk. Dat is niet christelijk.

En als het niet meer verder gaat dan moet je iemand op afstand zetten – dat kan betekenen dat iemand niet meer de positie mag hebben die hij of zij had, of in het uiterste geval dat je iemand uitsluit. Dat komt gelukkig weinig voor.

Het Evangelie is er wel duidelijk over: “beschouw zo iemand als een heiden of tollenaar”. Dat klinkt hard in onze oren. We voelen ook al een beetje de hemelpoorten dichtslaan voor zo iemand. Maar ook hier moeten we goed opletten.

Want naar wie ging Jezus op zoek, naar verloren schapen. Hij ging op zoek naar tollenaars, en maakte ruimte voor heidenen die hun wegen achter zich wilden laten. Ook na het oordeel van de gemeenschap blijven er dus deuren open staan. Ondanks alles is het toch een hoopvolle boodschap.

Mensen kunnen veranderen, dat is wat ze doen. Mensen zetten zichzelf ook op afstand. Verlaten hun plaats; we denken aan het verhaal van de Verloren Zoon. Maar hoe ver de verloren zoon ook afgedwaald was, de ogen van de Barmhartige Vader waren altijd op de horizon gericht; wachtend op het moment dat de Zoon terugkomt van zijn tot mislukken gedoemde avontuur.

Mogen deze woorden ons ook wijsheid geven; de kennis dat wij niet altijd zien wat er werkelijk aan de hand is en terughoudend moeten zijn in ons oordeel en laten we altijd om ons heen kijken met de ogen van de Barmhartige Vader: niet enkel gericht op oude pijn maar vervuld van hoop en openheid naar de toekomst toe.

Amen.

Saturday, 29 August 2026

22e zondag

  In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken

dat Hij naar Jeruzalem moest gaan;
dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden,
maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn,
op de derde dag zou verrijzen.
Toen nam Petrus Jezus terzijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden:
“Dat verhoede God, Heer!
Zo iets mag U nooit overkomen!”
Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus:
“Ga weg, satan, terug!
Gij zijt Mij een aanstoot,
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.”
En daarna tot zijn leerlingen:
“Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.
Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen
als het ten koste gaat van eigen leven?
Of wat zal een mens kunnen geven
in ruil voor zijn eigen leven?
Want de Mensenzoon zal komen
in de heerlijkheid van zijn Vader,
vergezeld van zijn engelen,
en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden.”

Beste vrienden, 

Als u terugdenkt aan uw schooltijd had u vast wel een klasgenoot die een beetje de stoere jongen was, maar heel vaak als hij iets stoers zegt of iets stoers doet.... Gaat het mis. Zoals die ene keer dat het een leuk idee leek om de tafeltjes in het klaslokaal op elkaar te stapelen terwijl de leraar even weg was, bijvoorbeeld. En daar dan bovenop te klimmen. 

En wie ligt er dan opeens op de grond, onder een stapel tafeltjes? 

Precies. Die éne klasgenoot.

U weet wie het is, maar we noemen hem even Petrus.

Broeders en zusters. Ik heb altijd een beetje medelijden met Petrus. Elke keer als de apostel Petrus, de stoerste van de Twaalf, denkt dat hij alles zelf wel kan oplossen haalt hij een nat pak, of erger. De grens tussen 'stoere jongen' en 'brekebeen' is soms erg dun.

Dat zien we ook in het Evangelie van vandaag.  

We zijn met Jezus en de leerlingen op dezelfde plek als vorige week, in Caesarea Philippi , aan de rand van het Joodse land. Petrus heeft beleden dat Jezus de Messias is, de Zoon van God die door God de Vader aan het Joodse volk en de hele mensheid is gegeven om koning te zijn.

Maar als Jezus begint uit te leggen dat dat koningschap van hem iets anders is als een beetje de baas mogen spelen over anderen, begint uit te leggen dat Messias zijn, koning zijn, betekent dat je leven moet geven voor anderen, dan begint Petrus te steigeren.

Ik denk dan dat hij zichzelf al een beetje zag als de nieuwe Minister-President onder koning Jezus. Dan mag je ook vooraan staan en vooraan lopen. En laten we wel wezen, dat is best wel leuk.

Maar zo gaat het niet gaan, want het koninkrijk van Jezus is geen alledaags koninkrijk, en Jezus is geen heerser onder de heersers, van die mensen waar we nog elke dag over kunnen lezen in de krant, mensen met partijen en legers en eventueel een geheime politie die je oppakt als je het ergens niet mee eens bent. Nee.

Het Koninkrijk van Jezus is de weg waarop wij leren leven voor anderen. Dan is het geen goed idee als je al te vaak vooraan wilt lopen. Dan kom je jezelf namelijk het snelst tegen. Het is een koninkrijk waarin je net zo leert zijn als de koning. En de koning zelf, Jezus Christus, geeft Zijn leven voor andere mensen.

Het is niet zo vreemd dat Petrus het niet begreep, want het is nogal een les. Welke heerser doet dat nou, zijn leven geven? Dat waren (en zijn?) er niet veel!  Maar als Petrus heel stoer zegt dat hij er wel eens voor gaat zorgen dat dat níet gaat gebeuren….. Is het of de leraar onverwachts binnenkomt, en de opgestapelde tafeltjes waar je zo stoer bovenop zat komen komt met een hoop gelazer naar beneden.

Pijnlijk…

Maar is wel een les uit te trekken.

Altijd als wij in de verleiding komen te denken dat het in de kerk om onze eigen stoerheid draait, of om onze ambities, onze eigen kracht, of over hoe slim we wel niet zijn of hoeveel boeken we gelezen hebben, samengevat: hoe meer je denkt dat je kerk kan zijn op je eigen voorwaarden, des te meer beginnen de tafeltjes onder ons zitvlak vervaarlijk te kraken en te wiebelen.

Vanaf dat moment gaan wij als Kerk maar één kant op, en dat is naar beneden. En hard, ook nog.

Als we dat allemaal niet doen, dan leren we te leven uit geloof. Dan mag je nog steeds naar de sportschool om sterker te worden, en je mag ook veel boeken lezen, dat is heel zinnig, als je maar niet denkt dat het daar om gaat. Want als je denkt “dat gaat mij redden”, juist dán gaat het mis.

Pas als je jezelf leert loslaten komt er ruimte voor koning Jezus – dan zal blijken dat we meer kunnen dan we denken. Dan komt ons leven tot bloei. Dan leren we omgaan met moeilijkheden – omgaan met kruizen die we moeten dragen in dit leven – en krijgen we ook kracht naar kruis. Dát is geloof, dat we met die onzekerheid én met die belofte leren leven.

En we leren het, soms létterlijk met vallen en opstaan.

Ook Petrus leert die les. We zien hem weer twee dagen later terug in de klas, met zijn been in het gips. En hij laat zijn gipsverband aan iedereen zien en is trots op alle stoere tekeningen die de andere kinderen er op gemaakt hebben en droomt alweer stilletjes van het volgende avontuur – hopelijk nu één met minder kleerscheuren.

Want zo is Petrus ook, en daarom is Hij ook de Rots waarop de Kerk gebouwd is. Hij laat zích nooit uit het veld slaan.

Hij gaat altijd door, met vallen én opstaan.

Mogen wij ook iets van die moed in onze harten sluiten.

Amen.