Sunday, 26 April 2026

Vierde Zondag Paastijd A

  

In die tijd zei Jezus:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie niet door de deur,
maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat,
hij is een dief en een rover.
Maar wie door de deur binnengaat,
is de herder van de schapen.
Hem doet de deurwachter open.
De schapen luisteren naar zijn stem;
hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.
En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht,
trekt hij voor hen uit,
terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen.
Een vreemde echter zullen zij niet volgen;
integendeel, zij zullen van hem wegvluchten,
omdat ze de stem van vreemden niet kennen.”
Deze gelijkenis vertelde Jezus hun,
maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen.
Een andere keer zei Jezus tot hen:
“Voorwaar, voorwaar Ik zeg u:
Ik ben de deur van de schapen.
Allen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers,
maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
Ik ben de deur.
Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered;
hij zal in- en uitgaan en weide vinden.
De dief komt alleen maar om te stelen,
te slachten en te vernietigen.
Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten,
en wel in overvloed.”

 

Op het internet, waar ik wel eens kom, laat zich van alles vinden. Eén account in het bijzonder volg ik erg graag. Dat is een kennis van mij en die volgt allerlei charlatans, pillendraaiers, toverkollen, Vinex-sjamanen en sterrenwichelaars die op internet hun diensten aanbieden aan goedgelovige mensen. Dat doen ze niet om niet. Integendeel: daar verdienen ze heel veel geld mee. Die kennis van mij laat dan zien welke goochelarij en andere doortrapte psychologische trucs ze gebruiken om mensen geld af te troggelen voor een ingestraalde wondersteen of een dubieus “coachingstraject”. Hij ontmaskert ze op een erg grappige manier en dat is leuk om te lezen. Toch moet ik ook wel eens zeggen als ik weer een aflevering van hem lees: we lachen om niet te moeten huilen, want eigenlijk is het verschrikkelijk dat mensen opgelicht worden met valse beloftes over heil, persoonlijke vervulling, of genezing van lichaam of geest.

Daar moest ik aan denken toen ik het evangelie van vandaag was. Een rijke tekst met veel beelden die echter ook de mogelijkheid van een groot conflict uitdrukken. We horen over de herder en de schaapsstal, de deur waardoor moet worden binnengegaan en die deur is Jezus zelf. Maar we horen ook over sluikwegen, inbrekers. Over dieven die hun hand uitstrekken naar de schapen. We zien zowel licht als duister voor ons afgebeeld.

Dit chiaroscuro - dit spel van licht en schaduw - hoort bij het evangelie dat we lezen. Dit hoort bij Johannes. Naar mate Jezus zichzelf meer en meer openbaart, steeds zichtbaarder wordt wie Hij is, worden ook de contouren van de duisternis van de gevallen wereld, de wereld die het Evangelie bestrijdt,  steeds duidelijker. We kunnen dus ook niet enkel maar over het licht spreken. Het zou mooi zijn als we enkel hoefden te spreken over de mooie dingen maar er zijn dit leven en in het christelijke leven niet alleen maar mooie dingen. We moeten licht én duister samen overwegen. Alleen sámen vormen zij een beeld waarvan wij de volheid van de boodschap kunnen vatten.

Jezus gebruikt levendige Bijbelse beelden die ook bij ons veel herkenning oproepen. Het beeld van de herder, de schapen en de schaapstal.  De herder en zijn schapen, dát is het beeld bij uitstek van de relatie tussen het Volk van God en God zelf. Zoals we nu zouden zeggen: God en de kerk of zelfs God en alle mensen. Want ieder mens staat in een relatie tot God.  

God werkt echter nooit alleen, hij roept mensen om zijn kudde te weiden. Mensen die zorg moeten dragen voor anderen. Deze moeten – zo is de Bijbelse verwachting - échte herders zijn naar het beeld van Jezus Christus. Mede door hun boodschap en hun voorbeeld brengen ze de schapen naar de volheid van het leven. Maar er zijn ook kapers op de kust. Dat is óók een Bijbelse en historische realiteit. We mogen niet doen alsof dat iets is wat eigenlijk niet gebeurt. Dan vervalsen we de boodschap en laten de luiken wijd open staan opdat er van alles binnen kan komen.

Er zijn ook mensen die niet willen voldoen aan dat beeld. Die wél genieten van de kudde, maar hun rol niet willen innemen naar het voorbeeld van Jezus Christus. Om het even scherp te stellen, geen enkele herder zal hieraan kunnen voldoen. Die lat ligt altijd te hoog. Jezus waarschuwt ons niet tegen het niet-kunnen – want niemand kan dat uit zichzelf - maar tegen het niet-willen. Tegen het werkelijk iets volledig ánders doen dan wat de Heer ons heeft voorgezegd en voorgedaan.

In het evangelie is een scherpe scheiding, er is de Herder, die ook de Deur is, Jezus Christus, en er zijn dieven en rovers. Uit de andere Bijbelse teksten kennen we ook nog de categorie van de huurlingen. Die werken wel, maar niet uit liefde. En als het spannend wordt zijn ze weg.

Wie toegang tot de kudde probeert te krijgen door een andere deur dan die van Jezus Christus, die is in het in het beste geval huurling, maar er zijn ook échte dieven. En in de geschiedenis van de kerk hebben we genoeg met dieven te maken gehad. Priesters, bisschoppen maar ook andere raadgevers en allerhande kerkelijke ambtenaren die zich door de eeuwen heen tegoed hebben gedaan aan de wereldlijke vruchten van de kerk. Dieven en huurlingen zullen altijd bij ons zijn, dus moet je als kerk ook altijd waakzaam zijn.

Bij het aantreden van paus Franciscus zg sprak hij zijn hoop uit dat de kerk een arme kerk kon zijn, voor arme mensen. Bijzondere woorden. Hij gebruikt ze niet voor niets. Dat zei hij niet om armoede te verheerlijken of uit een vreemde romantische overtuiging dat het intrinsiek beter is om weinig te hebben. Armoede bij mensen is een gesel, armoede verwringt de menselijke ziel als je overal tekort aan hebt. 

Maar een kerk of welke religieuze gemeenschap dan ook die eindeloos vermogen opstapelt loopt groot gevaar haar roeping te verliezen. Dat is een langzaam, sluipend proces. Je merkt er van dag tot dag niks van maar uiteindelijk sta je op een heel ander pad. 

Maar het kan nog erger. Er zijn naast huurlingen nóg ernstigere gevallen: er zijn ook degenen die actief jacht maken op de schapen. Die hen oplichten, uitzuigen of misbruiken. We kennen de afgelopen vijftien jaar voorbeelden genoeg, want alles wat in de duisternis verricht is zal aan het licht komen. Je kan zelfs aan de buitenkant arm zijn, als gemeenschap, klooster, of beweging, en van binnen opgeblazen zijn van trots, eigendunk, mateloosheid en lust. 

Dus nee, je ziet het niet aan de buitenkant. Slechts aan de vruchten zie je dat. 

Als we die vruchten proeven schokt het ons omdat wij het zó graag anders zouden willen zien, maar we hoeven ons niet geschokt te blijven voelen. 

Dit is namelijk niet iets van de laatste jaren en ook niet iets van de voorbije geschiedenis. Jezus waarschuwt er ons al tegen. In deze wereld, in de kerk op aarde is er geen licht zonder duisternis. We vinden het bij elkaar en pas op de jongste dag wordt de oogst van het onkruid gescheiden.

Wij moeten hier ons dus niet door laten verontrusten. In de schaapsstal zijn wij beschermd als wij luisteren naar Jezus’ stem en altijd blijven opletten dat wie er ook naar ons toekomt Zíjn woorden spreekt, in Zijn naam optreedt. Jezus Christus ís de Deur, er is geen andere deur. Verleidelijk sprekende mensen die het op ons en evt. onze portemonnee voorzien hebben met nieuwe, vreemde boodschappen of doortrapte plannen kunnen ons éven op het verkeerde been zetten, dat is waar, maar zij kunnen ons niet weghouden van die deur. Zij kunnen hun medemens beschadigen, soms ernstig, maar de dief is niet groter dan de Herder.

Wie het ook is die kwaad wil, hij kan ons niet uit zichzelf weghalen uit de schaapsstal. Zij kunnen ons niet op een ander pad brengen dan datgene waar wij door Jezus Christus, vanuit Gods genade, verlicht door het Evangelie en door het geloof bevestigd op geplaatst zijn. Dat stáát.  

Laat ons hart dus nooit verontrust worden als we horen over dieven en huurlingen. Zij behoren tot de dingen die voorbijgaan. Verbinden wij ons liever met de Levende die heerst in de eeuwen der eeuwen. Want bij Hem is leven in overvloed.  

Amen.

 

 

Saturday, 18 April 2026

Derde Zondag Paastijd - Familieviering

 

Beste kinderen en ouders , beste mensen

We zijn vandaag op weg met de leerlingen die naar Emmaus gaan. En daar is wat mee aan de hand, die zijn namelijk niet zomaar op pad om ergens naar toe te gaan. Als in: we gaan ergens heen want daar is wat te doen, te zien of te bereiken. Ze gaan weg van iets. Ze zijn verdrietig.

Ze waren leerlingen van Jezus en hebben meegemaakt wat er allemaal gebeurd is. Ze waren samen op Palmpasen, toen Jezus werd binnengehaald, en dat zag er zo feestelijk uit. Nu zou het allemaal goedkomen! Maar toen werd Jezus midden in de nacht gearresteerd en ter dood veroordeeld.

De zondag daarop pakken ze hun boeltje en gaan naar Emmaus toe. Niet dat daar wat te doen is verder. Emmaus was een beetje het busstation van de eerste eeuw. Als je weg wilde uit Jeruzalem dan was dat een makkelijke eerste bestemming. Vandaar ging je dan weer ergens anders heen. Waar maakte niet uit, als het maar niet meer Jeruzalem was.

Daar was namelijk voor hen niks meer. Ze wisten nog niet dat het Pasen was. Terwijl ze naar Emmaus gaan loopt er iemand bij hen op. Ze weten niet wie het is. Zo gaat het wel vaker als je erg verdrietig bent, dan zie je de dingen niet meer helder. De vreemdeling vraagt hen waarom ze zo bedroefd zijn. En terwijl ze vertellen over Jezus knikt de man vriendelijk en stelt allemaal nieuwe vragen. Staat er dit niet in de Bijbel? En dat ook niet?

Hij houdt zelf geen groot verhaal, zo van “ik ga het je eens uitleggen waarom jij het helemaal fout hebt.” Hij stelt alleen maar vragen. Maar wel de goede. Langzaam maar zeker wordt die waas van verdriet minder dicht. Als ze bij Emmaus komen doet de man alsof hij wil doorlopen.

Dat is een beetje vreemd, want in het donker rondlopen – dat deed je echt niet in de tijd van Jezus, dat is veel te gevaarlijk! Ze halen hem over om te blijven. Als ze dan aan tafel gaan en de man breekt het brood, zien ze (even!) wie het is. Jezus zelf. En als ze het doorhebben is Hij weer weg.

Dan doen ze gelijk wat ze ander afraadden: midden in de nacht gaan ze terug naar Jeruzalem. Er is geen tijd te verliezen! Jezus is helemaal niet dood en begraven. Hij leeft, en werkt in hun leven!

Als ze terug zijn horen ze van het Lege Graf en staan ze voor een nieuw begin. Hoe zou dat verder aflopen allemaal?

Soms kunnen we verdrietig zijn over wat er met ons gebeurt. Dan zien we alles niet meer zo goed als dat we normaal zouden doen. Dat was zelfs met de leerlingen van Jezus zo. Dan is het goed om te zien wat Jezus doet. Hij gaat geen heel verhaal afsteken, alsof hij een mensenmassa toespreekt, maar hij staat er ongemerkt naast en stelt de goede vragen. “Hoe werkt dit ook al weer?” , en “Kun je me nog eens vertellen over die keer dat … zus en zo gebeurde?”. Niet omdat Jezus het antwoord niet weet, maar om de leerlingen weer een beetje uit hun waas te helpen.

En zoals een goede leraar dat doet, blijft hij niet eindeloos rondhangen als de leerling het antwoord heeft. Als je uitgeleerd bent, dan moet je zelf verantwoordelijkheid nemen voor wat je doet. De Leraar is er nog wel, maar geeft je ook de ruimte om zelf aan het werk te gaan. Dat doen de Emmausgangers dan ook! Niet meer afwachten, maar terug naar Jeruzalem, en daar meewerken aan de toekomst die ze samen gaan bouwen. Spannend!

Ze zullen Jezus echt wel weer opnieuw ontmoeten, maar niet meer als iemand die eindeloos naast hen staat om te kijken of ze het wel goed doen. Uiteindelijk moeten mensen het zelf doen.

Zo is het ook voor ons. We mogen Jezus ontmoeten, soms eventjes, soms iets langer, en dan zien we opeens iets heel scherp. Dat mogen we dan gaan doen en waarmaken. Samen met anderen. Dan kunnen we ook leren van elkaar, om samen op weg te blijven gaan. Zo geven we de opdracht handen en voeten. Elke dag opnieuw.

Amen.




Saturday, 4 April 2026

Paaszondag 2026

 De leerlingen hebben heel wat meegemaakt met Jezus. Ze zijn drie jaar met hem opgetrokken, vanaf het begin bij het meer van Galilea, door dorpen en steden binnen en buiten de grenzen van het Joodse land. Ze hebben gezien en gehoord wat Jezus verkondigde. En het bleef niet bij woorden, er waren ook tekens die wat hij zei kracht bijzette.

Niet iedereen ziet evenveel, en wie het wel ziet snapt het niet altijd. En wie het wel snapt mag er soms niks over zeggen. Als ze op weg zijn naar Jeruzalem, waar alles moet gebeuren beklimt Jezus met de drie naaste leerlingen de berg Tabor. Daar laat hij zichzelf zien in goddelijk licht. Dat is een grote openbaring. Maar die is niet voor iedereen op dit moment. Dat komt pas later.

Het lijkt wel dat hoe groter het wonder is des te minder mensen er bij mogen zijn. Dat zien we door het Evangelie heen. Tabor, zoals we gezegd hebben, enkel de drie hoofdleerlingen. De opwekking van het dochtertje van Jaïrus zijn ook alleen die drie er bij: Petrus, Johannes Jacobus.

En zo is het ook in de tuin van olijven, kort voor dat Jezus zijn lijden in moet gaan: alleen die drie zijn er bij. Maar alleen lichamelijk. Ze zijn in slaap gevallen terwijl Jezus bidt. Hier, op de grens, lukte het niet meer om er bij te blijven. Er gebeurt iets dat boven-menselijks is, zelfs niet meer vatbaar is voor de meest gecommiteerde leerling.

Na door het lijden en de dood heen te zijn gegaan – waar van de leerlingen enkel nog Johannes onder het kruis stond wordt het leeg en stil. Als Jezus in het graf is gelegd is er zelfs geen leerling meer te vinden. Ze hebben zich verstopt. Willen zich niet meer laten zien.

In de nacht, wanneer er niemand meer is, op het absolute nulpunt vindt de Verrijzenis plaats. Er zijn geen getuigen van de Opstanding zelf. Niemand was daarbij.

Als het inderdaad zo is dat hoe groter het wonder, des te minder mensen er bij zijn, dan weten we dus zeker. Met de Verrijzenis wordt alles anders.  Er is nu een nieuwe realiteit. Het oude heeft een zin en betekenis gekregen die het zelf nog niet vat. Het enige wat de eerste getuigen zien is het lege graf, en het getuigenis van de engelen. En er is geen leerling in zicht.

De eersten die het zien zijn de vrouwen. Dat is belangrijk, want volgens de Joodse Wet kon een vrouw geen getuige zijn. Enkel de verklaring van een man was betrouwbaar. Wat de leerlingen betreft is dat verhaal van het lege graf dus een absoluut nulpunt, een leeg verhaal over niks.

Dat moet ons niet verbazen, dit is niet alleen maar een verhaal over vooroordelen. Het past volledig in het Bijbelse patroon. De eerste wordt de laatste, de kleinste wordt de grootste en hoe belangrijker de boodschap is, des te beperkter is – in eerste instantie – het publiek. In kwantiteit en – naar menselijke maatstaven – kwaliteit.

Als alle leerlingen in een grote cirkel om het graf hadden gestaan, stopwatch erbij, met confettikanonnen en gastoeters, en het feest was losgebarsten als ze de steen omver zien vallen en Jezus als Johan Cruyff juichend, als na de Onmogelijke Goal tegen Atlético naar buiten komt….  

Dan had dat niet geklopt. 

Dat voelt verkeerd. 

Dat is niet hoe God te werk gaat.

God werkt het meest op de plek waar niemand op let, of waar de mensen rondlopen die er niet toe lijken te  doen. Zo beredeneerd kan de Verrijzenis enkel in stilte plaatsvinden, in het holst van de nacht, zonder iemand er bij. De wachters zijn weggevlucht of in slaap gevallen. En daar gebeurt het.

Wat blijft er over voor de getuigen? Een leeg graf, zwachtels, de zweetdoek netjes opgevouwen. En zo groeien de vragen, zo groeit de openheid voor dat het einde misschien wel niet het einde is. Er zal nog tijd overheen moeten. Paasvolk ben je niet van de één op de andere dag. Je moet als het volk in de woestijn langzaam het oude afleren om ruimte te maken voor het nieuwe.

God werkt altijd aan iets nieuws. Wat verloren lijkt kan zomaar weer een nieuw begin krijgen. Maar één ding weten we zeker. Dat nieuwe begint op een plek waar wij niet op letten. Dat nieuwe bevindt zich in onze blinde vlek, onze dode hoek en bij mensen die we niet goed zien. De eerste die er ons over vertelt is waarschijnlijk iemand die we niet willen geloven. Omdat we dat zo geleerd hebben, of we dat zo verwachten.

Wij leven hier en nu ook in een tijd waarin veel ophoudt, oude zekerheden verkruimelen. Misschien gaan een aantal dingen waar we zo vast in geloofden en ons aan vastklampten ook écht voorbij. Net zoals het koninkrijk van Herodes voorbijging, of de tempel voorbijging, of het Romeinse Rijk. Als de  tijd van leven voorbij is, dan is dat onvermijdelijk. Vastklamperij zal dan ook het verschil niet maken. Maar er komt ook weer iets nieuws. Of, datgene wat voorbij ging, krijgt een nieuw en onvermoed leven. Waarschijnlijk moet je daar dan wel voor eerst door lijden heen, of door een tijd van sterven en afsterven. Het nieuwe is een geschenk. Het is gratis maar niet vrijblijvend. De nieuwe toekomst vinden, volgen en bevestigen zal veel vragen. Maar dat ligt in de toekomst.

Voor nu is er vreugde, die mag groeien. De leerlingen mogen de verrezen Jezus opnieuw leren kennen. Hij gaat hen voor naar Galilea. Ze reizen weer door die oude streek, maar dan op een nieuwe manier. Zo gaan ze nieuwe mensen leren zijn. Wij mogen nu (vannacht/ in deze ochtend) delen in die vreugde. Vreugde dat God iets nieuws maakt, daar nooit mee ophoudt. De God van Leven maakt dat de dood niet het laatste woord heeft. Laten we onze ogen en oren dan open houden, voor dat eerste gerucht, uit onvermoede plek, dat er wat nieuws gebeuren gaat.

Paasnacht 2026

Beste vrienden

Vannacht vieren we de Paasnacht, dat doen we elk jaar. Maar dít jaar is het anders dan andere jaren. Voor het eerst in lange tijd wordt ook bij ons de oude, traditionele band tussen de Paasnacht en de doop hersteld.

Door de geschiedenis van de Kerk heen doopte de Kerk de doopleerlingen bij uitstek in de nacht van Pasen. En als we naar de symbolen, de lezingen en rituelen kijken, snappen we waarom. De rituelen verwijzen er allemaal naar. Álles draait om licht, water en woorden van bevrijding. We horen het verhaal over het Joodse volk dat door de Rode Zee trekt en in het Evangelie vinden we het lege graf.

Dát is wat de doop is, we gaan door het water heen – een teken van de dood – om verlicht en bevrijd te worden. Het oude laten we achter, dat gaat dood. Het nieuwe leven, daar bekleden we ons mee.

De doop staat zo centraal in de Paaswake dat je je zelfs een beetje moet afvragen waar al die rituelen heengaan, waar ze naar verwijzen, als er niet in die nacht zèlf gedoopt wordt. Het is een beetje alsof je één voor één alle verkeersborden voorbij ziet komen, maar de bestemming staat je niet zo voor ogen. En het hernemen van de doopbeloften is mooi, maar toch nèt wat anders.

Door de geschiedenis van de Kerk heen is door vele omstandigheden de Paaswake in onbruik geraakt. De band met het doopsel werd ook vergeten. Meestal werd de Paaswake al gevierd op zaterdagochtend, en er was bijna niemand bij! Pas in de jaren vijftig heeft Paus Pius XII gezegd: “de Wake moet terugkomen!” Dat was de eerste grote verandering die leidde tot de vernieuwing van de liturgie bij en na het Concilie.

In een samenleving waar nog bijna iedereen als kind gedoopt was, werden er natuurlijk sowieso maar weinig volwassenen gedoopt. Dopen kan maar één keer! De Paaswake en de doop op de Paasnacht herstellen is één ding, daadwerkelijk zien dat iemand eens gedoopt werd, een ander. Daar gaat veel tijd overheen.

In kathedralen en grote stadskerken gebeurde het wel, maar lokaal was het ieder voor zich, op een zondag die zo eens uitkwam. Er was nog geen gebruik om het te doen, mensen zagen er tegenop. (“Het duurt al zo lang! :'( " )

Onze bisschop heeft nu gezegd: toetreders zijn geen los fenomeen meer, geen enkelingen die zo incidenteel eens binnenlopen. Het is nu een vaste, terugkerende groep, elk jaar weer. We hebben kunnen horen en lezen in de media dat het aantal dopelingen al een aantal jaren stijgt.

Het is geen losse bevlieging meer. Er ontstaat een structuur.

De doop van volwassenen is vanaf nu dus in principe in de Paasnacht.

In Nederland zijn er vannacht bijna zeshonderd volwassen dopelingen. In ons kleine bisdom dertig, waarvan maar liefst acht in onze regio (Etten-Leur, Zevenbergen, Oudenbosch en Zundert) waarvan drie volwassenen in onze parochie met één kind erbij. Die worden vanavond gedoopt. We mogen dankbaar voor de gave die God aan de Kerk geeft. Hopelijk gaan we dit vaker zien in de komende Paasnachten! Voor het gevoel duurt het dan misschien ook wat minder lang. ( ;) )

Beste dopelingen, zo kom ik tot jullie! Ik vraag jullie zo naar voren. Jullie hebben je samen voorbereid in de catechesegroep in de afgelopen maanden. We hebben veel geleerd, maar de belangrijkste les is: de doop is niet het einde van het proces, maar een begin. Na de nodige kilometers te hebben afgelegd start nu een reis die je leven mag vervullen: opgenomen worden in nieuw leven mogen we het oude achter ons laten.

Wij allen wensen jullie veel zegen toe in de reis die jullie aangaan. Met blijdschap zien we dat de Heer jullie bij ons opneemt.

Amen.









Friday, 3 April 2026

Goede Vrijdag 2026

 

Aan het kruis, eindigen alle opties in het leven.

Je kan niet omhoog of omlaag.

Je kan niet meer vooruit.

Je kan niet meer achteruit.

Je kan niet naar links of rechts.


Het kruis wijst alle kanten op.

Maar zelf behoor je geen richting meer toe.

Je maakt nergens deel van uit.


Je bent tussen hemel en aarde – tussen de richtingen van de wind. 

maar gaat zélf nergens heen.

Pas als je er niet meer bent, word je er van af gehaald.

Jij maakt dat niet meer mee.


Je zweeft tussen dood en leven. 

Geen van beiden claimt je nu.


Alle plannen zijn stukgelopen.

Of ze van jou waren of van anderen.


De toekomst waar je op hoopte, is voorbijgegaan.

Wonderen, profetieën, woorden van koningschap.


Wat je bouwde, valt om.

Wat je wilde, wat je bedoelde.

Jij maakt het niet meer waar.

Niet meer hier, niet meer nu.


Je staat op het laatste kruispunt,

en alle wegen gaan naar de dood.


Jouw wil, je ego, je verlangens en plannen.

Hebben geen toekomst meer.

Er is geen geitenpad, geen luikje, geen tunnel.

Waarlangs je wegglippen kan.


Er komt niks meer uit jezelf.

Jouw weg is ten einde.


Maar als je niks meer kan.

Kun je alles verwachten.

Van God die hier nu niet is.


Je handen zijn nog nooit zo leeg geweest.

Ze houden niets meer vast.

Ze zijn zó leeg dat er alle ruimte is voor wie je nu niet ziet.


Je weet niet of Hij komt.

Niet hier en niet nu.

Je moet de leegte in


Het donker van de nacht.



Thursday, 2 April 2026

Witte Donderdag 2026

 Beste vrienden,

 

Vanavond beginnen we met het Triduum van Pasen, wij staan naast Jezus in de dramatische climax van zijn leven, zelfgave, lijden en dood – met de belofte van verrijzenis. De lezingen voelen mysterieus aan, bloederig. Zeker het stuk dat we uit Exodus lazen. Er word achterom gekeken, naar de tijd in Egypte. De scharlaken symboliek van het bloed van het lam aan de deurpost waardoor de engel van de dood voorbijgaat.

In de Korintenbrief horen we de woorden die we kennen uit het Eucharistisch Gebed. Wat toen was, is nu hier aanwezig, maar vernieuwd en verheven. Geen bevrijding meer alleen uit aardse slavernij maar uit de dood. Uit de zonde. We gaan niet meer naar een beloofd land aan de andere kant van de woestijn. Maar we mogen als bevrijde mensen in een nieuwe relatie komen te staan met God en de mensen om ons heen.

Het Evangelie neemt ons mee naar de gebeurtenis van Witte Donderdag: het laatste avondmaal. Jezus met zijn leerlingen aan tafel, kort voor Pesach – het joodse paasfeest. Hij doet wat leraren altijd gedaan hebben. Hij werpt het oude niet omver, hij sluit zich aan bij de woorden en gebruiken die er altijd al waren. Maar hij geeft ze een geheel nieuwe zin en betekenis. Hij ontsluit een nieuwe dimensie. De cirkel blijkt een bol. Je moet wel even met je ogen knipperen om die nieuwe vorm te herkennen, als je alleen maar cirkels gewend bent.

In de traditie noemen we wat er vanavond gebeurt dit: instelling van de eucharistie en het priesterschap, en dat is het ook. Dat zijn twee aspecten van de nieuwe vorm die gebracht wordt op deze avond.

Het laatste avondmaal is niet alleen maar de laatste maaltijd van Jezus met zijn vrienden voor hij het lijden ingaat, een belangrijk maar voorbijgaand moment in de tijd. Er wordt iets nieuws zichtbaar gemaakt waar het oude naar verwees. Elke cirkel is een doorsnede van een bol. Deze keer is de cirkel rond en wordt de nieuwe dimensie zichtbaar.

De instelling van eucharistie en priesterschap? Wat betekent dat?

Ten eerste

De maaltijd is een opdracht geworden, niet zomaar een gebod. Je blijft het doen om Hem te gedenken. En elke keer wanneer je dat doet ben je terug waar het begon, bij Jezus en de leerlingen. Zitten we mee aan tafel. De een breekt, de ander neemt en eet, maar je bent er samen. Het is niet telkens iets nieuws, wat steeds opnieuw uitgevonden moet worden, of een toevoeging, dat wij steeds wat extra’s moeten doen omdat er wat ontbreekt. Nee. We raken elke keer in gemeenschap – communie – met de Heer. Ook als we dat niet elke keer voelen, ook als we het niet helemaal begrijpen (begrepen de leerlingen het helemaal?), ook als we beperkt zijn en nog vastzitten in onze eigen tekortkomingen.

Die gemeenschap is echt, en het werkt in ons, bij de een langzaam, bij de ander sneller, maar er gebeurt altijd wat als we samenkomen rond brood en beker, rond lichaam en bloed. Er kan niet niets gebeuren wanneer we doen wat we doen.

Ten tweede  

De maaltijd vernieuwt ons. Mag ons nieuwe mensen maken. Leidt ons naar een pad van bevrijding, waar we minder bezorgd moeten zijn om onszelf, wat we zullen eten en drinken. Niet dat we opeens zorgeloos zullen zijn, maar het belangrijkste is er en gaat niet voorbij.

Uiteindelijk, ten derde, zien we in het gesprek tussen Jezus en Petrus over de voetwassing dat de bol van het geloof niet iets is wat je je zomaar voorstellen kan. Ik gebruik het beeld cirkel en bol om iets te laten zien, maar we moeten niet denken in termen van iets dat begrensd is, dat we ons zomaar kunnen voorstellen.

In de middeleeuwse theologie en mystiek werd regelmatig een oude metafoor voor hoe God is aangehaald[1]: God is als een bol, maar dan één die oneindig groot is, en het middelpunt van die bol is dus overal te vinden. Overal: dat wil zeggen, in alles en iedereen.

Jezus is vrij om Petrus de voeten te wassen, omdat hij weet dat Petrus evengoed het middelpunt van de Liefde is. Petrus voelt zich nog afgescheiden, kan niet aanvaarden wat het betekent werkelijk verenigd te zijn met Jezus, en dus zelf ook middelpunt te worden van aandacht, toewijding en liefde. Juist Petrus krijgt deze behandeling omdat Petrus door zijn hele leven heen een probleem blijft houden met zich afzonderen. In de nacht die komt (‘ik ken die man niet’), en zelfs later nog, wanneer hij  denkt dat hij zich moet conformeren aan de vooroordelen van anderen (Galaten 2:11-21) en zich afzijdig wil houden van zijn naasten. 

En ondanks dat deze houding altijd met hem mee blijft gaan, als een piepend wiel aan de wagen, tot hij, hoe wankelmoedig ook, in Rome bij zijn bestemming aankomt en zichzelf door de Genade overwint.

De moeite die hij daarmee heeft, maakt hem niet minder middelpunt van alle liefde, middelpunt van God. Net zo goed als u dat bent (of ik!). Het is gewoon zo. Het kan niet anders zijn omdat God niets anders is dan dit. En in de eucharistie, door Jezus Christus, wil hij ons dit leren. Beetje voor beetje de vormeloze vorm van zijn bestaan leren kennen, zodat wij worden wie we zijn. Brandpunten, intiem verenigd, met God, met iedereen en alles wat bestaat.

Gaan wij zo op naar Pasen, door het donker van de nacht op naar het licht. Om God te leren kennen, door Jezus Christus, offerlam en overwinnaar. Staand als geslacht.

Amen.

Friday, 20 March 2026

Vijfde Zondag Vastentijd A

 In die tijd

was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw, die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zuster van Lazarus stuurde Jezus de boodschap:
“Heer, die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”

Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”
(De leerlingen zeiden:
“Rabbi , nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand ‘s nachts, dan stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”

Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga er heen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden, dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij, dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”)

Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
(Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.)
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik,
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het Leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
(Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden, die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op haar plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de Joden, die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering) en diep ontroerd
sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, Heer.”
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen, overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neem de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet, dat als gij gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij,
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

De Heer zoekt de mensen op die er niet toe doen. De afgelopen weken hebben we bijvoorbeeld gelezen over de Samaritaanse vrouw. Een buitenstaander het Joodse volk. De blindgeborene, een uitgestoten gehandicapte met een te grote mond, en nu Lazarus die overleden is. 

Al deze mensen worden gekenmerkt door machteloosheid, door geen greep te hebben op het leven. Elke zondag wordt de machteloosheid waaruit Jezus redt dieper, onverbiddelijker.

De Samaritaanse vrouw is relatief machteloos. Zij is een vrouw, behoort tot een gehate minderheid en is zelfs binnen die groep uitgestoten. Onder de mensen is zij één van de vele gezichtslozen die op haarzelf teruggeworpen zich een weg door het leven moet banen. Zij moet elke dag opnieuw weer incasseren zonder uitzicht op bevrijding. Tot Jezus komt.

De blindgeborene is er misschien nog slechter aan toe. Hij is gehandicapt, hij kan niet werken. Hij moet bedelen. En tijdens die vernederende activiteit moet hij dan ook nog toehoren over hoe het eigenlijk zijn eigen schuld is dat hij er slecht aan toe is. Want voor de farizeeën is het duidelijk, alle ongeluk in de wereld is een straf van God, dat is een straf voor een of andere zonde. Dat zit zo diep dat als Jezus en zijn leerlingen langs hem lopen de leerlingen niet mét hem praten, maar over hem. “Goh Jezus, vertel ons eens wat voor zonde deze man gedaan heeft”. Alsof hij er niet is. Alsof hij onzichtbaar is. Zijn mens-zijn wordt niet erkend, niet gekend, maar ontkend. 

En dan Lazarus. Lazarus is er nóg slechter aan toe. Want hij is er niet meer. Niemand is zo marginaal als wie overleden is. Je kan niets meer vasthouden in deze wereld, je moet alles loslaten. Hoeveel je nog zou willen doen of betekenen, het kan niet meer. Of je nou ziek was of gezond. Zolang je ín de wereld bent kun je nog een rol spelen in het leven van mensen, al is het maar door mee te leven met wat ze doen. Wie doodgaat moet alles achterlaten. 

Er kan nog aan je gedacht worden, je kan nog herinnerd worden – maar daar ben je zelf niet meer bij. Het is niet eens meer dat de wereld je niet meer ziet, je bent er gewoon niet meer. De dood betekent, absolute machteloosheid.  In de grondleggende tradities van onze cultuur is dit zo begrepen. De joden begrepen het dodenrijk als een domein van stof en as, waar niets van waarde kon worden verricht. 

In de Odyssee, dat grote Griekse epos waarin de held Odysseus door wereld en onderwereld trekt ontmoet hij in het dodenrijk de held Achilles en het is duidelijk dat hij geen dode onder de doden is, hij is geen schim zoals de gewone doden, maar een Heer van de Onderwereld. En toch zegt hij, de trotse Achilles: Ik zou liever de slaaf van een andere man zijn, een landarbeider die zich aftobt op het veld / dan hier te heersen over alle doden”  

Dood zijn is de ultieme machteloosheid. 

Het Joodse volk heeft veel ervaringen van machteloosheid gekend. Als de joden worden weggevoerd naar Babylon lijkt alles voorbij. Ballingschap was het begin van het einde van een volk, je raakte je taal kwijt en je eigenheid, en binnen een paar generaties was je Babyloniër geworden. Zouden alle beloften van God dan teniet worden gedaan? Is alles dan voorbij? 

Dat is de situatie waarover de profeet Ezechiël spreekt. De doden waar het over gaat, dat is in de eerste plaats het joodse volk. Het geloof in het eeuwig leven heeft zich later ontwikkeld. Bij Ezechiël is er al wel de zekerheid dat dít niet het einde is, dat God trouw is aan zijn beloften, dat hij zijn volk niet ten onder laat gaan. Als de joden in Babylon om zich heen kijken zien zij niets meer behalve dode beenderen, de brokstukken van hun volk. Maar God zegt: dit is het einde niet. Het volk zal weer opnieuw tot leven komen en terugkeren naar zijn huis, in het land dat ik hun beloofd heb.

De Wet van Mozes spreekt enkel over het voortbestaan na de dood als lichamelijk voortbestaan, voortbestaan als volk. Voor een mens betekent dat concreet: voortbestaan in je kinderen, in je kleinkinderen.  

Geen kinderen hebben was dan ook een grote beproeving, of zelfs een vloek, dat was een oordeel van God over je leven. Jij zou geen deel meer hebben aan de toekomst van het volk. Als je sterft heb je de uiterste marges van het bestaan bereikt. 

En ik bedacht me dat toen ik het Evangelie nog een keer las, dat er geen kinderen zijn, geen zoons geen dochters. Enkel twee zussen. Het staat er niet  letterlijk in de Bijbel maar er is geen aanwijzing dat hij kinderen had. Dat maakt de situatie nog pregnanter. Niet alleen is Lazarus nu dood, hij laat ook “niets achter”. Er is niemand meer die hem opvolgt. Wat de Wet van Mozes betreft is het verhaal van Lazarus is over en uit. Híj heeft geen toekomst meer.

Maar na de terugkeer uit de ballingschap is ook langzamerhand het geloof in de opstanding van de doden gekomen. Het geloof dat Gods beloften zich niet alleen uitstrekt naar het joodse volk als geheel, maar ook tot iedereen die deel uitmaakt van zijn verbond. Dat ieder mens die zijn hoop stelt op de Heer uit mag kijken naar het eeuwig leven bij God. 

Martha spreekt dat geloof al uit, nog onzeker en zoekend. Maar zij weet dat God meer van plan is. Zij weet dat er een verrijzenis van de doden zal zijn, ergens in de verten van een onbekende toekomst. En zij reikt tastend naar Jezus. Zou Hij het zijn die hier een rol in speelt? Jezus, die al zoveel wonderen gedaan heeft die onmogelijke dingen heeft gedaan. Een blinde zelfs het zicht heeft teruggegeven? 

En Hij doet dat onmogelijke. Hij alleen doet dat.

En als Jezus hem tot leven wekt dan doet hij dat door hem bij zijn naam te noemen. Zijn naam wordt genoemd door zijn vriend Jezus. Hij spreekt niet over hem , hij spreekt niet langs hem heen, hij zegt niet dode, sta op. Maar: Lazarus.. 

 Lazarus.

 Lazarus, sta op. 

 Lazarus, kom naar buiten. 

 Ik ben het. 

 Jezus.

 Jezus wekt Lazarus op, niet door magie of met een techniek maar met zijn roepstem, hij roept Lazarus, zijn goede vriend Lazarus, terug. Door hem te roepen, te noemen met zijn naam. Lazarus wordt niet vergeten, Lazarus wordt niet ontkend. Lazarus wordt erkend, wordt gekend. En zo weer tot leven gebracht. 

Al midden in het leven kunnen we al in de dood zijn. Als we mensen naar de rand duwen, of er zelfs overheen, maken we ze al dood. Als we niet meer mét mensen willen praten, maar alleen over ze, dan nemen we ze al iets van het leven af. Als we gewild blind zijn voor een ander, dan nemen we ze iets van het leven af. Het was geen toeval dat het eerste wat van je afgenomen werd in de concentratiekampen was je naam. Je werd, letterlijk een nummer. Dat nummer werd op je arm getatoeëerd. Als teken van ontkenning, als teken van de dood.

Maar omgekeerd: als we anderen noemen bij hun naam, ze komen opzoeken, naar ze vragen – dan komen ze weer wat tot leven. Dan sijpelt er weer iets van God, de bron van al het leven, door de opgeworpen muren van de dood heen. 

Zo leven we al toe naar de verrijzenis, naar het eeuwig leven dat van God komt. Ons dagelijks leven en het eeuwig leven zijn nauw met elkaar verbonden. Je kan het eeuwig leven niet beërven als je niet instaat voor het leven van de ander, als je anderen niet wil zien, anderen niet wil noemen, anderen niet wil ontmoeten. Omgekeerd geldt ook, wie wil omzien naar zijn naaste, wordt ook gezien door God, en mag uiteindelijk God zelf zien in al zijn majesteit. 

De openingen naar het eeuwig leven zitten in de barsten en gaten van deze wereld, de barsten en gaten waar mensen doorheengevallen zijn. De barsten en gaten zijn voor ons een weg naar dat onzichtbare en ongenoemde leven van anderen - en voeren ons naar het eeuwig leven in het licht van God. 

Amen.