Saturday, 19 September 2026

25e zondag door het jaar a

 In die tijd

vertelde Jezus aan zijn leerlingen deze gelijkenis:

Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mens, een landheer,
die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag overeen
en stuurde ze naar zijn wijngaard.
Rond het derde uur ging hij weer uit
en zag anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard en ik zal u geven wat rechtvaardig is.’
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij weer uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij uit,
vond er anderen staan en zei tot hen:
‘Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?’
Ze zeiden hem:
‘Niemand heeft ons gehuurd.’
Hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard.’
Toen het avond werd,
sprak de heer van de wijngaard tot zijn beheerder:
‘Roep de arbeiders en betaal hun het loon,
te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’
Toen die van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie.
Toen de eersten kwamen,
meenden ze dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen elk een denarie.
Ze namen hem aan, maar morden tegen de landheer
en zeiden:
‘Die laatsten hier hebben één uur gewerkt en gij stelt hen gelijk met ons
die de last van de dag en de hitte hebben gedragen.’
Maar hij antwoordde een van hen:
‘Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neem het uwe en ga heen:
ik wil aan die laatste hetzelfde geven als aan u.
Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?
Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten eersten

en de eersten laatsten zijn.”


Beste vrienden,

We stellen ons graag voor als hardwerkende mensen. We staan de hele dag in de wijngaard, voor het overeengekomen loon van het dagelijks brood. Een denarie. Een denarie is het gebruikelijke bedrag daar voor. Wij zouden zeggen: een modaal dagloon. Er zijn zeker mensen die het beter hebben, maar daar vergelijken wij ons niet mee. En er zijn mensen die het minder hebben.

Die komen we misschien nog wel eens tegen. De mensen die het minder goed gedaan hebben dan wij. Die hadden die dag geen werk. Misschien dat we zelfs van onze denarie wat sestertieën, wat centjes, aan die mensen geven. Dan voelen we ons twee keer goed. Eens omdat we een denarie verdiend hebben met ons eigen werk, en de tweede keer omdat we ook nog omzien naar wie minderbedeeld is. “Goed zo, harde werker,” zeg je tegen jezelf terwijl je aan jezelf een schouderklopje uitdeelt.

God is in zijn hemel, en op aarde heeft ieder heeft zijn toegekende plek. En zo lang iedereen zijn plek blijft kennen – dan is het leven goed.

Totdat God besluit niet in de Hemel te blijven maar op aarde te komen wonen. Dan komt opeens van alles van zijn plek. Op zijn beurt maakt dat van alles in de mensen los. En het is niet allemaal even best, wat er loskomt. Wat we te zien krijgen. Leerzaam is het wel, ook voor ons. We gaan eens kijken wat er gebeurt.

De werkers in de wijngaard. Die hebben een afspraak met de Heer. Wij werken, jij betaalt. Een denarie. Het dagloon. Kennelijk is er zoveel werk in de wijngaard dat de Heer de hele dag door achter de werkelozen aanjaagt om ze maar er bij te krijgen. De ene voor een halve dag, de ander voor een kwartdag en dan als hoogtepunt van absurditeit: voor een los uur. De hele dag door komen daar half-werkers, kwart-werkers en minimumwerkers voorbij.

En dan wordt er uitbetaald. Het hoogtepunt van de dag: daar doe je het voor. En dan zie je een mooie omkering. De spanning wordt mooi opgebouwd. Eerst worden de minimumwerkers uitbetaald, die er op het laatst er bij kwamen. En die krijgen een denarie. De dagloners wrijven al in hun handen.

Maar dan de anticlimax.. Ze krijgen evenveel als een ander. En ze zijn het er niet mee eens. Ze morren. Ze zeggen “Gij stelt hen gelijk met ons”. Maar de Heer zegt terecht: je bent toch niks tekort gekomen? “Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?” zegt Hij. “Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?”. En dan is het verhaal uit. Er is geen oplossing. We blijven in die spanning zitten. De dagloners taaien af. Zijn ze overtuigd? Ik denk het niet. De spanning waar het in dit verhaal om gaat zal escaleren. Het gaat in de hoofdstukken die hierna komen van kwaad tot erger.

Maar dat komt dan wel. Één crisis tegelijk.

Zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?” – dat is een retorische vraag. Die vraag ligt niet open. Het antwoord is duidelik. Ze zijn kwaad. Ze zijn kwaad omdat de Heer goed is. Je bent ziek. God is leven en jij bent ziek.

Maar nu hebben we een probleem. De Heer stelt een diagnose vast. Mensen: je draagt een kwaad in je. Maar welk kwaad? Waar hebben we het over?

Als je bij de dokter komt, beste mensen, en de dokter zegt: “je bent ziek”, en verder niks.... Dan heb je daar niet zoveel aan. Je moet een diagnose krijgen: de aard van de ziekte kennen. Weet je niet wat de ziekte is, dan kun je de ziekte niet behandelen. Dan kan er geen medicijn worden voorgeschreven. De apotheker kan daar niks mee. Dan pak je misschien zelfs het verkeerde flesje. Je zou uit onwetendheid een antiwormenmiddel gebruiken om een besmettelijke longinfectie te behandelen. Dat kan niet. Dan word je dubbel zo ziek als je al was.

Maar wat is de diagnose? Welke ziekte woedt er onder de harde werkers? Vertel het ons, dokter Jezus. En Jezus vertelt het ons ook. Maar je ziet het niet terug in de vertaling. De aard van de ziekte is wegvertaald. We lezen “zijt ge kwaad, omdat ik goed ben”. In de woorden van mijn leermeester in de Bijbel, pastoor Gouw, “dat staat er niet”. Of althans, niet helemaal.

Wat letterlijker staat er: “heb jij soms het boze oog?”. Dat is de diagnose, die dokter Jezus stelt. Het boze oog. We lijden aan een oogziekte. Als we horen van 'het boze oog' denken we misschien aan bijgeloof. Dat de blik van bepaalde mensen anderen ziekmaken kan, of kan vervloeken. Maar ook onder bijgeloof kan een kern van waarheid liggen. Net zoals sprookjes, sagen, volksverhalen, grote literatuur altijd een waarheid spreken over de mens. Ze zijn misschien niet feitelijk, maar wel waar. Zo ook het beeld van het boze oog. Een ernstige kwaal waar iedereen aan lijden kan.

Wat is het boze oog. Wat is die ziekte? Het is de ziekte van de menselijke blik: de afgunst. Als iemand iets moois krijgt en je ziet het niet, dan zou je er niks bij kunnen voelen. Dat is onmogelijk. Je gaat naar huis met je denarie. Je gaat lekker eten met je gezin. 'S avonds kijk je naar de nieuwste serie op Netflix – net als iedereen – en er is niks aan de hand. En je helpt zelfs je werkeloze buurman die nergens goed in is, met een (kansloze) sollicitatiebrief. Je haalt er misschien wel drie taalfouten uit. Het zal niks uitmaken maar je kan je wel goed voelen over jezelf, dat je iets goeds gedaan hebt. God is in de hemel, op aarde heeft iedereen zijn plek – en zolang ieder zijn plek blijft kennen gaat het goed.

Maar God loopt rond op aarde. Hij is de Heer. En als jij een lange dag voor de Heer gewerkt hebt, en je buurman was er ook een uurtje, en die krijgt evenveel.... Dan ga jij als je gegrepen bent door de zonde van afgunst anders naar huis. Je hebt het gezien, en de blik maakt je ziek. En die ziekte vreet zich een weg door je lijf. Van je ogen, naar je hersens, je kan aan niks anders meer denken. Naar je hart, je voelt dat valse, hatelijke vuur, naar je ingewanden. Het rommelt, je hebt er buikpijn van. Het boze-oog-syndroom trekt je lijf door.

En welk instrument brengt die ziekte aan het licht?

De goedheid, de vrijgevigheid, van God. God is niet onrechtvaardig, dat hij je recht afpakt. Hij is veel meer dan rechtvaardig: hij scheldt onmogelijke schulden vrij, en geeft mensen meer waar ze op konden hopen. Maar als we alleen maar denken aan recht, gaat dat misschien minder over de liefde tot gerechtigheid en meer over de vrees dat een ander wel eens onverdiend wat krijgen kan.

Daarom moeten we ook nooit de dingen van God reduceren tot recht doen. Niet omdat het verkeerd is om recht te doen. Maar het recht is te klein om God te vatten. Als we zeggen: God is rechtvaardig dan spreken we geen onwaarheid. Maar toch moeten we zeggen met mijn leermeester pastoor Gouw. “Dat staat er niet”. Als we alleen praten over recht maken we God te klein. Je doet God tekort. Je doet God geen recht. God is goed, en dat wil zeggen vrijgevig. Overdadig. Meer-dan-rechtvaardig. Met andere woorden: genadig.

We denken dat we een rechtvaardige God willen, want dan denken we dat we indruk op Hem kunnen maken met ons harde werken. En het is goed om hard te werken, begrijp me niet verkeerd. Maar als we zo denken doen we God tekort.

We willen een rechtvaardige God – denken we - maar die we krijgen een genadige God.

Dat is veel moeilijker. Veel riskanter. Veel gevaarlijker voor ons leventje.

Een “rechtvaardige God” voelt beheersbaar. Je kan in- en uitklokken, werken naar de Wet, tienden geven van wat je hebt. Goed zijn. Gewoon goed. De morele lat ligt zo laag vandaag de dag dat het je nauwelijks moeite hoeft te kosten om een hele nette reputatie te krijgen. Een betere reputatie dan anderen. En wat is dat comfortabel. Niet gelijkgesteld te zijn aan anderen.

Of althans je denkt dat je goed bent omdat je geen moment

geloofde dat je wat tekort kwam. Tot het moment dat je onverdiende genade zag gebeuren in een ander. Iemand die God krijgt, werkelijk God krijgt, een echt, een levend, en levensveranderend geloof. En dan zonder jouw inzet. Iemand misschien wel beter begrijpt waar het bij God om gaat dan jij, of ik.

Die veilige rustige Regelgod, die blijkt een levensgevaarlijke genadige God te zijn, een onbeheersbare God. Een onbezweerbare God. Levensgevaarlijk: omdat jouw leventje niet kan blijven zoals het is.

Uiteindelijk wordt het nog ingewikkelder. Misschien sla je niet aan op de genade van de ander, maar wordt het spel echt: en ontmoet je zelf de onverdiende genade, en daar moet je dan antwoord op geven. Dan is er geen veilig regelboek meer. Leven volgens de regels, en dan kan alles een beetje hetzelfde blijven. Maar dat kan niet na het ontmoeten van Genade. Dan wordt alles anders. Dan moet je zelf veranderen. Met nieuwe ogen leren kijken. Een nieuw hart krijgen. Andere dingen belangrijk gaan vinden.

Als we zien wat de Heer heeft gedaan kunnen we zeggen het is wonderlijk in onze ogen (Psalm 118:23), en die verwondering is het begin van een nieuw leven. Kijken in blijde verwondering is het tegendeel van de blik met het boze oog. Beide ogen, het zieke en gezonde kijken naar Gods goedheid. Het ene oog wordt boos, afgunstig. Het andere oog verwondert zich in blijdschap om wat God doet. God verandert niet. Het is dezelfde God, waar we met andere ogen naar leren kijken.

Het doel van dat geestelijk leven is is niet alleen maar niet-ziek-zijn. Het is nieuw leven, en dat leven begint met het besef dat we het niet voor onszelf gaan regelen. Een religieuze ziekte als het boze oog houdt ons daarvan weg. Weten dat we ziek kunnen worden, op onze eigen manieren allemaal ziek zijn. Geen inzet van onze kant geneest ons, brengt ons nieuw leven. Dat moet van God komen, en hij is vrijgeviger dan wij ons kunnen of zelfs willen voorstellen.

Maar stel het je voor: vrij zijn in de wereld, gedragen door liefde. Onze inzet hoeft niks meer te fiksen. Het mag een antwoord zijn op die liefde. Vrij om te rouwen met wie verdriet heeft, blij te zijn met wie vreugde voelt. Langzaamaan meer groeien in die levende band met de Heer, de band die ons meer mens maakt. Levend maakt. Een band waar je misschien wel veel voor op moet geven, maar niks om zal verliezen.

Moge dat zo zijn.

Kom Heer Jezus.

Amen.

Sunday, 13 September 2026

Parochiefeest

 

Beste vrienden,

Vanwege alle feestelijkheden is het deze keer maar een kort woordje. Volgende week zal ik weer met alle plezier die ik daarin heb de Bijbelteksten weer voor u uitvouwen.

We vieren ons parochiefeest, en onze parochie is naar Maria genoemd. De moeder van God. En ik zat daar wat over na te denken, wat dat betekent. Moeder van God zijn. Voor Maria, en voor God zelf.

De Duitse denkster Hannah Arendt zag in het moederschap iets heel bijzonders, voor alle mensen. Alle mensen worden namelijk geboren. Ze worden niet ontworpen door een ingenieur, of uitgerekend door een ai, maar geboren uit een moeder. En hoe verbonden ze ook zijn met die moeder, door heel hun leven heen, ze zijn nooit kopieën van hun moeder, of van hun vader.

Bij elk mens begint iets nieuws. Iets radicaal nieuws. Iets wat je niet voorspellen kan.

Dat is wel eens frustrerend nieuws voor ouders. Maar voor de mensheid is het goed nieuws. Wat de situatie ook is, in elk kind begint een nieuwe wereld. En de oude wereld heeft daar maar beperkt macht over. Niemand kan een nieuwe generatie tegenhouden om het anders te gaan doen.

In Maria zien we dat God zelf ook een nieuw begin wil zijn. Hij stort zich niet zomaar uit, of gaat op een wolk zitten om weer een set nieuwe regels te geven. Hij wordt zelf deel van iets nieuws. Een nieuw verhaal, een nieuwe wereld. En wat een hoopvolle boodschap is dat wel niet?

Altijd wanneer je denkt “dit verhaal van ons is voorbij” dan gebeurt er toch weer iets anders, iets wat je niet ziet aankomen. Zo gaat het altijd in de kerk. Niet alles wat we kennen gaat mee de toekomst in, en dat doet pijn. Maar er begint altijd wel weer iets anders.

Net als Maria mogen wij meewerken aan dat nieuwe. Allemaal op onze eigen manier. We vieren vandaag ons parochiefeest en dat motiveert ons. We zetten mensen in het zonnetje en daar verwarmen ook wij ons aan. We bidden, werken en hopen voor de goede nieuwe dingen die God wil doen in onze kerk. Niet alleen maar voor ons zelf, maar om te laten zien dat God bij uitstek die bron van alle leven is waar wij alles van verwachten.

Zo rond ik nu even af. We kijken terug, maar niet in machteloos verlangen. Wij zijn mensen van verwachting. Mensen van de toekomst. Die toekomst is niet van ons. Wij kunnen en moeten daar geen eindeloze greep op willen houden. Maar we verwelkomen de toekomst en zien uit naar de volgende generatie die zich geraakt, gegrepen en vastgehouden weet door die zelfde God die wij hebben willen volgen door de dagen van ons leven.

Amen.

Thursday, 3 September 2026

Drieëntwintigste zondag door het jaar A

 Drieëntwintigste zondag door het jaar A

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Wanneer uw broeder gezondigd heeft,
wijs hem dan onder vier ogen terecht.
Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen.
Maar luistert hij niet,
haal er dan nog één of twee personen bij,
opdat alles beruste
op de verklaring van twee of drie getuigen.
Als hij naar hen niet wil luisteren,
leg het dan voor aan de Kerk.
Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren,
beschouw hem dan als een heiden of tollenaar. Voorwaar Ik zeg u:
Wat gij zult binden op aarde
zal ook in de hemel gebonden zijn,
en wat gij zult ontbinden op aarde
zal ook in de hemel ontbonden zijn.
Eveneens zeg Ik u:
Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen
– het moge zijn wat het wil –
zullen zij het verkrijgen
van mijn Vader, die in de hemel is.
Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam,
daar ben Ik in hun midden.”

 

Beste vrienden

Één van de dingen waar ik mee heb moeten leren omgaan toen ik elf jaar geleden gewijd ben en voor de kerk ging werken was dat hoe vaak er wel niet over anderen gepraat wordt. En dan niet in waarderende zin, maar klagend of zelfs aan-klagend. Wat wordt er veel geroddeld in de kerk! (Daarbuiten natuurlijk ook, maar daar gaat het nu even niet om).  

En dan niet alleen in de parochie, in de concrete gemeenschap “op de grond”, maar ook elders. Op het internet vinden we eindeloze discussies over wat die priester zei, of die bisschop vond, of waar die diaken naar toe op vakantie ging. En – vaak anoniem – plaatsen mensen zich in de rol van aanklager. Zogenaamd gaat het dan om de “eer van de kerk”, maar ik vermoed dat het eigenlijk om iets anders gaat.

Nu, in de wereld: als je ruzie hebt over een paar hectare grond, vruchtgebruik van een huis of een al dan niet gevestigd recht van overpad, dan heb je ruzie over iets concreets: iets wat je in theorie  kan vastpakken of aanwijzen. Je kan onder begeleiding van iemand die bijvoorbeeld juridisch geschoold is dan tot afspraken komen. “Jij krijgt dit, en ik krijg in ruil daarvoor dat”, en daarmee is de kous af.

Maar als er ruzie of verdeeldheid is over wat iemand gezegd, gedaan of bedoeld zou hebben dan verdwaal je al gauw in een moeras. Wat jij dacht te horen is immers niet altijd wat iemand dacht te zeggen, en als er geen ruimte is om daar in alle rust met elkaar over te praten wordt er al gauw door oordelend geroddel een nieuwe werkelijkheid geschapen waarin iedereen zich afsluit voor de ander.

En als het dan mis gaat, en er ontstaat ruzie, dan loopt het ook veel sneller uit de hand dan op andere plekken. Ook dat is niet zo vreemd.

Maar als er ruzie ontstaat over of iemand wel “een goed christen” is, of erger nog “een goed mens” – of een “hypocriet”, een luilak of een “dwaalleraar” - dan gaat het gelijk over dingen waar je psychologisch, niet zomaar concessies kan doen. Niet zonder dat je je eigen integriteit moet opgeven.

Het resultaat: woede, geroddel, dreigementen, verdeeldheid, gelek naar de krant, brieven naar de bisschop, gemonkel op Facebook… En aan het eind van de rit delft iemand, of iedereen, het onderspit, zijn er littekens geslagen die een leven lang meegaan en is er níks gewonnen. Een berg bitterheid! Dat heb je dan. Om niks.

Ten overvloede, ik zeg niet dat het hier gebeurt. Maar het gebeurt wel. En het kán gebeuren. Overal.

Jezus in zijn liefde en wijsheid, zag dat allemaal al aankomen. En geeft ons deze zondag woorden mee voor hoe wij met elkaar kunnen en moeten omgaan als er verkeerde dingen worden gezegd of gedaan, en de gemeenschap beschadigd zou raken.

We zien een drietrapsraket van ver-antwoordelijkheid. Van manieren waarop je volwassen antwoord kan geven op een situatie.

Om te zien hoe dat werkt moeten we weten wat er aan deze lezing vooraf gaat, en wat er op volgt. Dat maakt uit voor het begrip.

Wat er direct aan voorafgaat (Mt 18,12-14) is de gelijkenis van het verloren schaap: u weet wel: de herder laat negenennegentig  schapen in de bergen om op zoek te gaan naar het éne schaap dat de weg kwijt raakte.   

En waar de passage mee eindigt, is ook van belang. “Waar twee of drie bijeen zijn in mijn Naam” zegt Jezus, “daar ben Ik bij”.

Dat is de context. In het Evangelie van vandaag wordt, kunnen we zeggen een, christelijke rechtsgang geschetst. Als het dreigt fout te gaan met iemand dan ben je als gemeenschap, en als verantwoordelijken, verplicht om vanuit herderlijke zorg –zorg om het verloren schaap – en vanuit de aanwezigheid van Christus – een beslissing genomen.

We kijken naar de “drietrapsraket”:

Als er iemand de verkeerde kant op dreigt te gaan, dingen doet of laat die niet door de beugel kunnen dan probeer je het eerst informeel op te lossen: met een individueel gesprek. Onder vier ogen, een “veilige ruimte”. Misverstanden kunnen worden opgelost. Als je iemand verkeerd hebt begrepen is dát de plek waar helderheid kan worden verkregen en met wat geluk is daarmee de kous af.

Lukt dat niet, dán kun je er mensen bijroepen. Niet stiekem, niet door het zoeken van medestanders of mede-aanklagers, maar door gesprekspartners te zoeken die getuige worden. Een getuige moet, zo wil het recht, onpartijdig zijn. De beklaagde wordt niet voor een vierschaar gebracht zodat hij makkelijk beurtelings kan worden aangeklaagd en kruisverhoord en je sámen iemand makkelijk klein kan krijgen. Nee: je bent met twee of drie bijeen. Jezus is er bij. In liefde en waarheid probeer je samen te achterhalen wat er gebeurd is en hoe je er samen uitkomt. Uit de Bijbelse context is duidelijk dat de getuigen er niet passief bijzitten maar betrokken moeten zijn op het niet-vooringenomen vinden van de waarheid.

Bij geen enkel vergrijp of misdrijf is het voldoende, als één persoon tegen de dader getuigt; alleen een verklaring van twee of drie getuigen is rechtsgeldig.” (Deuteronomium 19:15)

Kom je er in dat kleine comité nog niet uit, iemand blijft weerspannig of volhardt in schadelijk gedrag dat de gemeenschap uit het lood kan brengen, dán pas moet het voor de gemeenschap worden gebracht. En alleen de gemeenschap heeft het eindoordeel. Dat wil zeggen: elk oordeel in de kerk moet zo transparant mogelijk genomen worden door een zo breed mogelijke groep mensen om te voorkomen dat er kokervisie ontstaat en de waarheid verdwijnt in zelfgenoegzaamheid.

De gemeenschap kan dan oordelen dat het niet meer zo verder gaat, dat iemands taal of gedrag dermate extreem is dat het de gemeenschap of leden daarvan lichamelijk of geestelijk in gevaar brengt. Elke gemeenschap is kwetsbaar en dat brengt verantwoordelijkheid met zich mee. Niets doen, alles maar laten gebeuren is geen liefde, maar zelfgenoegzaamheid. Dat is niet schriftuurlijk. Dat is niet christelijk.

En als het niet meer verder gaat dan moet je iemand op afstand zetten – dat kan betekenen dat iemand niet meer de positie mag hebben die hij of zij had, of in het uiterste geval dat je iemand uitsluit. Dat komt gelukkig weinig voor.

Het Evangelie is er wel duidelijk over: “beschouw zo iemand als een heiden of tollenaar”. Dat klinkt hard in onze oren. We voelen ook al een beetje de hemelpoorten dichtslaan voor zo iemand. Maar ook hier moeten we goed opletten.

Want naar wie ging Jezus op zoek, naar verloren schapen. Hij ging op zoek naar tollenaars, en maakte ruimte voor heidenen die hun wegen achter zich wilden laten. Ook na het oordeel van de gemeenschap blijven er dus deuren open staan. Ondanks alles is het toch een hoopvolle boodschap.

Mensen kunnen veranderen, dat is wat ze doen. Mensen zetten zichzelf ook op afstand. Verlaten hun plaats; we denken aan het verhaal van de Verloren Zoon. Maar hoe ver de verloren zoon ook afgedwaald was, de ogen van de Barmhartige Vader waren altijd op de horizon gericht; wachtend op het moment dat de Zoon terugkomt van zijn tot mislukken gedoemde avontuur.

Mogen deze woorden ons ook wijsheid geven; de kennis dat wij niet altijd zien wat er werkelijk aan de hand is en terughoudend moeten zijn in ons oordeel en laten we altijd om ons heen kijken met de ogen van de Barmhartige Vader: niet enkel gericht op oude pijn maar vervuld van hoop en openheid naar de toekomst toe.

Amen.

Saturday, 29 August 2026

22e zondag

  In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken

dat Hij naar Jeruzalem moest gaan;
dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de Schriftgeleerden,
maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn,
op de derde dag zou verrijzen.
Toen nam Petrus Jezus terzijde
en begon Hem ernstig daarover te onderhouden:
“Dat verhoede God, Heer!
Zo iets mag U nooit overkomen!”
Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus:
“Ga weg, satan, terug!
Gij zijt Mij een aanstoot,
want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.”
En daarna tot zijn leerlingen:
“Wie mijn volgeling wil zijn,
moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en zijn kruis op te nemen.
Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.
Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.
Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen
als het ten koste gaat van eigen leven?
Of wat zal een mens kunnen geven
in ruil voor zijn eigen leven?
Want de Mensenzoon zal komen
in de heerlijkheid van zijn Vader,
vergezeld van zijn engelen,
en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden.”

Beste vrienden, 

Als u terugdenkt aan uw schooltijd had u vast wel een klasgenoot die een beetje de stoere jongen was, maar heel vaak als hij iets stoers zegt of iets stoers doet.... Gaat het mis. Zoals die ene keer dat het een leuk idee leek om de tafeltjes in het klaslokaal op elkaar te stapelen terwijl de leraar even weg was, bijvoorbeeld. En daar dan bovenop te klimmen. 

En wie ligt er dan opeens op de grond, onder een stapel tafeltjes? 

Precies. Die éne klasgenoot.

U weet wie het is, maar we noemen hem even Petrus.

Broeders en zusters. Ik heb altijd een beetje medelijden met Petrus. Elke keer als de apostel Petrus, de stoerste van de Twaalf, denkt dat hij alles zelf wel kan oplossen haalt hij een nat pak, of erger. De grens tussen 'stoere jongen' en 'brekebeen' is soms erg dun.

Dat zien we ook in het Evangelie van vandaag.  

We zijn met Jezus en de leerlingen op dezelfde plek als vorige week, in Caesarea Philippi , aan de rand van het Joodse land. Petrus heeft beleden dat Jezus de Messias is, de Zoon van God die door God de Vader aan het Joodse volk en de hele mensheid is gegeven om koning te zijn.

Maar als Jezus begint uit te leggen dat dat koningschap van hem iets anders is als een beetje de baas mogen spelen over anderen, begint uit te leggen dat Messias zijn, koning zijn, betekent dat je leven moet geven voor anderen, dan begint Petrus te steigeren.

Ik denk dan dat hij zichzelf al een beetje zag als de nieuwe Minister-President onder koning Jezus. Dan mag je ook vooraan staan en vooraan lopen. En laten we wel wezen, dat is best wel leuk.

Maar zo gaat het niet gaan, want het koninkrijk van Jezus is geen alledaags koninkrijk, en Jezus is geen heerser onder de heersers, van die mensen waar we nog elke dag over kunnen lezen in de krant, mensen met partijen en legers en eventueel een geheime politie die je oppakt als je het ergens niet mee eens bent. Nee.

Het Koninkrijk van Jezus is de weg waarop wij leren leven voor anderen. Dan is het geen goed idee als je al te vaak vooraan wilt lopen. Dan kom je jezelf namelijk het snelst tegen. Het is een koninkrijk waarin je net zo leert zijn als de koning. En de koning zelf, Jezus Christus, geeft Zijn leven voor andere mensen.

Het is niet zo vreemd dat Petrus het niet begreep, want het is nogal een les. Welke heerser doet dat nou, zijn leven geven? Dat waren (en zijn?) er niet veel!  Maar als Petrus heel stoer zegt dat hij er wel eens voor gaat zorgen dat dat níet gaat gebeuren….. Is het of de leraar onverwachts binnenkomt, en de opgestapelde tafeltjes waar je zo stoer bovenop zat komen komt met een hoop gelazer naar beneden.

Pijnlijk…

Maar is wel een les uit te trekken.

Altijd als wij in de verleiding komen te denken dat het in de kerk om onze eigen stoerheid draait, of om onze ambities, onze eigen kracht, of over hoe slim we wel niet zijn of hoeveel boeken we gelezen hebben, samengevat: hoe meer je denkt dat je kerk kan zijn op je eigen voorwaarden, des te meer beginnen de tafeltjes onder ons zitvlak vervaarlijk te kraken en te wiebelen.

Vanaf dat moment gaan wij als Kerk maar één kant op, en dat is naar beneden. En hard, ook nog.

Als we dat allemaal niet doen, dan leren we te leven uit geloof. Dan mag je nog steeds naar de sportschool om sterker te worden, en je mag ook veel boeken lezen, dat is heel zinnig, als je maar niet denkt dat het daar om gaat. Want als je denkt “dat gaat mij redden”, juist dán gaat het mis.

Pas als je jezelf leert loslaten komt er ruimte voor koning Jezus – dan zal blijken dat we meer kunnen dan we denken. Dan komt ons leven tot bloei. Dan leren we omgaan met moeilijkheden – omgaan met kruizen die we moeten dragen in dit leven – en krijgen we ook kracht naar kruis. Dát is geloof, dat we met die onzekerheid én met die belofte leren leven.

En we leren het, soms létterlijk met vallen en opstaan.

Ook Petrus leert die les. We zien hem weer twee dagen later terug in de klas, met zijn been in het gips. En hij laat zijn gipsverband aan iedereen zien en is trots op alle stoere tekeningen die de andere kinderen er op gemaakt hebben en droomt alweer stilletjes van het volgende avontuur – hopelijk nu één met minder kleerscheuren.

Want zo is Petrus ook, en daarom is Hij ook de Rots waarop de Kerk gebouwd is. Hij laat zích nooit uit het veld slaan.

Hij gaat altijd door, met vallen én opstaan.

Mogen wij ook iets van die moed in onze harten sluiten.

Amen.

Saturday, 22 August 2026

Heilig Hart Feest Etten-Leur

 

Lezing uit het Boek Jesaja

Zo spreekt de Heer tot Sebna, de overste van de tempel:

Ik zal u van uw post verjagen en u stoten uit uw ambt.
Het zal gebeuren op die dag:
Ik zal mijn dienaar roepen, Éljakim, de zoon van Chilkía,
en hem bekleden met uw gewaad, hem uw gordel omdoen
en Ik zal uw macht in zijn handen geven.
Hij zal een vader zijn voor de bewoners van Jeruzalem
en voor het huis van Juda.
Ik zal de sleutel van Davids huis op zijn schouder leggen,
en als hij opendoet, zal niemand sluiten,
en als hij sluit, zal niemand opendoen.
Ik zal hem vastslaan als een spijker op een stevige plek,
en hij wordt een erezetel voor het huis van zijn vader.”


Beste vrienden,

We vieren vandaag een bijzondere dag, het eeuwfeest van het Heilig Hartbeeld dat voor onze kerk staat. Met open hart en armen wijd uitgespreid staat toegewend naar de gemeenschap.

We horen vandaag een paar lezingen die weinig met het Heilig Hart te maken lijken te hebben, maar schijn bedriegt.

We horen in het Evangelie over Petrus, die de sleutels van het Koninkrijk krijgt. Dát is hét symbool van het pausschap. De sleutels. Wat hij opent, blijft geopend. Wat hij sluit, blijft gesloten. We gaan zo zien wat het is wat hij opent.

Het beeld ontstaat nog wel eens dat Petrus daarmee een rol krijgt die ver voorbij ons voorstellingsvermogen gaat. Een mens die de poort van het hemelrijk kan openen en sluiten, die bepaalt wie er binnen mag en wie niet? Wat is dat voor grootheidswaan?

Maar we moeten goed begrijpen dat die sleutels een Bijbels beeld zijn, uit het Oude Testament. We lezen er over terug in de eerste lezing bij Jesaja. Éljakim, zo lezen we krijgt de sleutels van Davids huis. Daarmee wordt hij niet een soort tweede koning, of iemand die de plaats van de koning overneemt. Hij is de eerste dienaar. De sleutels zijn niet van hem, ze zijn hem opgedragen voor het welzijn van iedereen.

Zo is dat ook met Petrus, en het Petrusambt, het pausschap. Een titel van de paus is plaatsvervanger van Christus, maar als we dat zo horen zonder verdere uitleg lijkt het wel alsof de paus en Christus op gelijke voet staan. Alsof de één de ander weg zou kunnen duwen. Het woord plaatsvervanger heeft in het Nederlands niet meer die duidelijke klank van waar de verhoudingen liggen.

De sleutels blijven van Christus zelf, ze worden in vertrouwen gegeven aan de Grootsleutelbewaarder. En dat is Petrus. Dat is zijn rol. Hij neemt niks over wat hem niet toekomt. Hij opent de deuren om mensen dichter bij het huis van David, het koninkrijk van God te kunnen brengen. Het zegt minder over zijn persoon, en meer over de functie die hij bekleedt. En dat is maar goed ook, want we zien dat Petrus het wel vaker moeilijk heeft met wat hij moet doen, en hij maakt ook de nodige fouten. En toch is dat ook hoopvol want dat betekent dat hij een mens is, net als de pausen mens zijn.

Hoe komen we bij het Heilig Hart dan? Het Heilig Hart is hét symbool van de poort die open staat. Jezus is er voor alle mensen. Met armen en hart wijd open gaat Hij de wereld in, wil Hij de wereld verwelkomen in een nieuw leven. Jezus maakt de poort open, hij is de poort die open staat. De rol van Petrus is om aan de menselijke kant van die poort geen onnodige obstakels neer te leggen. Want daar zijn mensen helaas goed in.

Om de zoveel tijd verschijnt een beweging, een leer of een theorie dat de poort alleen voor een uniek groepje uitverkorenen open staat. Of alleen als je perfect denkt of precies de goede gedachten hebt. Mensen maken zichzelf graag tot poortwachter om zelf te besluiten of de ander rein of onrein is. Heel veel mensen zouden zichzelf maar wat graag tot paus kronen, of liever: ze willen wel de pauselijke sleutelmacht, maar niet de verantwoordelijkheid of de onderhorigheid.

In de zeventiende eeuw had je zo de Jansenisten. Vrome mensen, zeker. Moreel hoogstaand. Intelligent. Absoluut. Net als de farizeeën. En ze legden latten, stokken en stenen om die poort van het koninkrijk. Als gewone, onreine mensen daar zouden komen, dan zou het Koninkrijk van God zelf verontreinigd kunnen worden. Daar waren ze erg bang voor, want de eer van het Koninkrijk, dat stond voor hen voorop. Het was toen dat de pausen zeiden: zo kan dat niet. De sleutelmacht is er in de eerste plaats om te openen. Om mensen toegang te geven. Dat is ook de tijd dat de devotie tot het heilig hart, tot de open poort, werkelijk van de grond kwam. De kerk heeft die devotie sterk willen ondersteunen. De Jansenisten vonden het maar bijgeloof en waren er fel, fel op tegen. Als zij het hadden gewonnen had het Heilig Hart beeld niet bij ons op de markt gestaan, dus. 

Later werd het heilig hart het symbool voor de kerk die naar de wereld gaat. Open en kwetsbaar. Het Heilig Hart verkondigt een koning die niet komt om arrogant te heersen maar om de wereld te vernieuwen. De paus, als sleutelbewaarder, houdt ons die waarheid voor.

Als we het Heilig Hart vieren, vieren we niet onze triomf, onze eigen grootsheid. We doen niet aan nostalgie. We vieren dat wij het volk zijn dat genodigd is om door poorten en deuren te gaan. Het koninkrijk van God te bemiddelen bij de de mensen. Leven uit openheid.

Mogen wij door die poorten gaan, mogen wij wat gesloten en beperkt is openmaken, lucht en licht brengen waar dat nodig is, en nooit moe worden met open armen en een open hart toegewend te zijn en te blijven naar de wereld.

Amen.

Saturday, 15 August 2026

Maria Tenhemelopneming

In die dagen stond Maria op
en reisde met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda.
Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth.
Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde,
sprong het kind op in haar schoot
en Elisabeth werd vervuld met de Heilige Geest.
En zij riep met luide stem:
“Gij zijt gezegend onder de vrouwen
en gezegend is de vrucht van uw schoot.
Waarom overkomt dit mij,
dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?
Want zie, zodra de klank van uw groet mijn oren bereikte,
sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
Zalig zij die geloofd heeft dat tot voltooiing zal komen
wat haar door de Heer gezegd is.”
En Maria zei:
“Hoog verheft mijn ziel de Heer.
Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Heiland,
omdat Hij neerzag op de nederigheid van zijn dienstmaagd.
Want zie, van nu af prijzen alle geslachten mij zalig,
omdat Hij die machtig is, grote dingen aan mij deed
en heilig is zijn Naam.
Zijn barmhartigheid geldt van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij doet kracht gelden met zijn arm,
trotsen van hart slaat Hij uiteen.
Hij haalt machtigen omlaag van hun troon,
maar nederigen verheft Hij.
Hongerigen vervult Hij met goede gaven,
maar rijken zendt Hij heen met lege handen.
Zijn dienaar Israël is Hij te hulp gekomen,
indachtig zijn barmhartigheid,
zoals Hij gesproken had tot onze vaderen,
jegens Abraham en zijn nageslacht voor eeuwig.”
Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar

en keerde naar haar huis terug.

 Beste vrienden,

De laatste tijd ben ik nogal bezig geweest met het verhaal van professor Arday uit Cambridge. Hij had een soort superster-carrière na een hele moeilijke jeugd. Hij had naar eigen zeggen mutisme gehad als kind, dat betekent dat je niet kan spreken. Ook leerde hij pas lezen en schrijven op zijn achttiende. Daarna werd hij toch door veel inzet, en inspiratie van anderen, gymleraar, schreef hij een proefschrift en werd uiteindelijk hoogleraar. 

Maar het verhaal werd doorgeprikt – er bleek steeds meer niet van te kloppen – en het is allemaal heel verdrietig afgelopen. Ik geloof niet dat hij een slecht mens was, hij lijkt op iemand die langzaam de greep op de werkelijkheid verloor. En wanneer heb je geen greep op de werkelijkheid? Als je met niemand meer kan praten over wie je echt bent, en wat je echt vindt. En dan heeft dat mutisme, ongeacht of het 'waar' is, wel een rijke symbolische betekenis. Hij lijkt nooit iemand te hebben kunnen vertellen wie hij wel was.

We vieren vandaag Maria Tenhemelopneming. Een mooi feest in het jaar. In onze parochie vieren we het ook op zondag omdat wij een Mariaparochie zijn. Als Maria's leven voltooid is dan ging ze niet dood, zoals andere mensen die moeten wachten op de opstanding. We geloven als Kerk dat Maria met lichaam en ziel opgenomen werd in de Hemel. Helemaal. Niet dat haar ziel gelijk naar boven ging, maar de lege huls achterbleef. Nee. Lichaam én ziel. De hele mens.

En als we kijken naar Maria vragen we ons af, wat gaf haar die vleugels?

Je kan het in het leven niet altijd zeggen wat er op je hart ligt. Wij zijn daar natuurlijk aan gewend. Maar in het grootste deel van de geschiedenis, én in de huidige wereld. In ontwikkelingslanden, in dictaturen en andere plaatsen die ver van onze westerse cultuur afstaan moet je bang zijn om te zeggen wat je vindt. Dat kan alleen maar onder vertrouwde mensen. Want als je dat in het openbaar doet word je vervolgd, bedreigd, of gewoon opgeruimd. De waarheid wordt dan een geheim dat je moet bewaren. Maar een geheim is als een vrucht of een zaad. Het is een levend ding. En als je het niet uit kan laten komen, niet kan voldragen, dan maakt het de drager van het geheim ziek.

Sommige andere geheimen komen van God, die geheimen leven nog meer. Daar moet je ook mee wachten om die bekend te maken. Dat is ontzettend moeilijk. Als in het Oude Testament inkrijgen dat ze woorden moeten spreken dan kunnen ze dat bijna niet tegenhouden. Het woord moet er uit.

En wat zijn profeten in vergelijking tot Maria? Maar van Maria lezen we steeds: ze bewaarde al deze geheimen in haar hart. Alsof het niks is. Maar Maria is natuurlijk niet geheel en al als wij, zij is met God verbonden op zo`n verregaande manier dat die onze voorstelling te boven gaat.

Toch heeft ook Maria een plek nodig waar over het Geheim gesproken kan worden. En dat kan niet bij Jozef, want dat is niet zo`n prater. En hij weet ook niet wat hij er van denken moet.

Maria is dan wel zonder zonde, maar als zelfs Jezus Christus had mensen nodig om zich heen. Mensen die het geheim kunnen mee-beleven wanneer dat nodig is. En niet iedereen kan dat. Zo vertrekt zij naar het bergland. Om daar het geheim te kunnen delen.

Geheimen zijn niet zomaar te zien, niet zomaar te ontsluieren. De geheimen geven zich alleen prijs aan mensen die de waarheid liefhebben. Teksten laten zich pas echt lezen door mensen die vurig geven om wat er staat, die daar altijd mee bezig zijn. Theologen, filosofen, letterkundigen. Aan hen geeft de tekst geheimen prijs. Niet als beloning voor hun geleerdheid. Dat is de omgekeerde wereld. Je moet eerst érgens heel erg om geven, pas dan word je er geleerd in. De tekst geeft het geheim prijs omwille van de liefde, en niet omwille van iets anders.

Aan wie geeft onze waarneembare werkelijkheid zich prijs? Aan wetenschappers, natuurlijk, maar om die lange vormingsweg te kunnen gaan en vol te houden, moet je houden van die wezenlijke vragen. Iemand die zomaar wat aanfrummelt met de microscoop zal wel eens wat vinden, maar aan hem of haar toont zich geen Geheim.

Aan wie geeft het Geheim van God zich prijs? Bij wie klopt het aan. Zomaar iemand in de straat? Of wandelt dat Geheim naar het paleis van de Landvoogd, of de Tempel, om zich aan de Hogepriester te tonen? Of met grote spoed naar de Theologiefaculteit om zich in een werkgroep te laten bespreken?

Nee, het hoogste geheim toont de diepste werkelijkheid op de meest fundamentele manier. Waar het in de wereld nog mogelijk is om aan (onvolledige) kennis te komen zonder dat je ergens om geeft is dit met de zaken van God onmogelijk. Hooguit kun je lege formules over God herhalen. Misschien Thomas van Aquino citeren. Of zeggen wat een woord in de Bijbel in het Grieks betekent. Maar intieme kennis van God – wie Hij is , wat Hij doet, blijft ver van je. Het kan niet anders zijn.

Je kan kennis van de tekst hebben zonder liefde, maar de tekst gaat niet voor jou leven.

Je kan de kennis van de wereld hebben zonder liefde, maar het wonder en de doorbraak gaan langs je heen.

Je kan kennis over God hebben zonder dat je om God geeft. Maar geen kennis van God. Het Geheim gaat aan je voorbij. Je hebt intieme kennis van God met de mensen waar je nabij mee bent met wie je kan spreken over Gods geheimen, of je hebt die niet. 

Het Geheim toont zich aan Elisabeth, aan Johannes, aan de mensen die liefdevol wachten op de klop op de deur. Zij kennen de volgorde der dingen. Ze wachten op wat God hen tonen wil, en springen zelfs in de moederschoot al op. Ze herkennen de tekens die anderen zouden missen omdat ze met de ogen van liefde kijken. Daar word je namelijk opmerkzamer van. Net als dat je sneller ziet dat er wat omgaat in de mensen waar je van houdt, dan bij vreemden. Als Maria bij Elisabeth komt is er vreugde in het samenzijn, want zij delen het Geheim. (Wat een contrast met onze verdrietige professor die waarschijnlijk zijn geheim met niemand kon delen.) 

Maar omdat het een geheim van God is dat gedeeld wordt, kan het alleen gezien worden door iemand die van God vervuld is. En als je het ziet, dan spring je op van vreugde. En die vreugde wordt gedeeld. Voor wie vol is van God is de weg naar Boven vrij. De zwaartekracht van het aardse heeft je dan minder in zijn macht. Je wordt er lichter van. En wie bevrijd is van zonde wordt dan uiteindelijk op ten Hemel opgenomen in Gods leven.

Maria Tenhemelopneming gaat over Maria, maar ten diepste over het Geheim dat zij, door liefde, in de wereld bracht, vanuit die liefde heeft zij de wereld deelgenoot gemaakt van dat geheim. In de Universiteit van Leuven staat een beroemd beeld van Maria met het kind Jezus op schoot. De Zetel der Wijsheid, zo heet zij daar. Laten we ons raken door wat God ons genadevol geeft, en groeien wij in liefde, dan krijgen wij ook deel aan die eeuwige wijsheid. De wijsheid waardoor het leven lichter wordt en ook wij kunnen opzien naar daar, waar Zij nu is, met Jezus haar Zoon.

Amen.