Nadat de menigte was verzadigd,
dwong Jezus zijn leerlingen meteen in de boot te stappen
en voor Hem uit naar de overkant te varen,
terwijl Hij de menigte heen zou zenden.
Toen Hij de menigte had heengezonden,
ging Hij de berg op om alleen te zijn en te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was al vele stadiën van het land verwijderd
en werd geteisterd door de golven, want er was tegenwind.
In de vierde nachtwake
kwam Hij naar hen toegelopen over het meer.
Maar toen de leerlingen Hem over het meer zagen lopen,
raakten zij in paniek en zeiden:
“Het is een spook!”
en van angst schreeuwden zij het uit.
Onmiddellijk zei Jezus tot hen:
“Hebt goede moed, Ik ben het. Weest niet bevreesd.”
Petrus antwoordde Hem:
“Heer, als Gij het zijt,
beveel mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.”
En Hij zei:
“Kom!”
Petrus stapte uit de boot,
liep over het water en kwam naar Jezus toe.
Maar toen hij de hevige wind zag, werd hij bevreesd
en hij begon te zinken en schreeuwde uit:
“Heer, red mij!”
Meteen stak Jezus zijn hand uit,
greep hem vast en zei tot hem:
“Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?”
Nadat zij in de boot gegaan waren, ging de wind liggen.
Die in de boot waren, aanbaden Hem en zeiden:
“Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God!”
Beste vrienden,
Recent is er een nieuwe verfilming uitgekomen van de Odyssee, het beroemde Griekse epos. Dat gaat over wat er gebeurt ná de strijd om Troje. De Grieken gaan naar huis, maar de thuistocht gaat bepaald niet van een leien dakje. Odysseus en zijn bemanning zijn enerzijds speelbal van machten en krachten buiten hen om, en aan de andere kant moet Odysseus proberen zich listig een weg te banen langs al die uitdagingen. De cycloop, de enge reuzen, de verleidingen van Circe, allerlei hongerige monsters en de toorn van Poseidon moet hij aangaan – voordat hij thuis kan komen op Ithaka, waar een laatste grote moeilijkheid op hem wacht.
Odysseus zijn bemanning is ook altijd in gevaar, maar met hen loopt het minder goed af. Ze worden opgegeten door reuzen en monsters of voor straf afgezonken door de oppergod Zeus nadat ze hamburgers bakten van de heilige koeien van Helios.
Dat is voor de schrijver en verteller makkelijk. De spanning loopt op! Het ene na het andere bemanningslid eindigt afgekloven op de bottenberg en de afvalrace vestigt de aandacht op wie er uiteindelijk als enige overblijft: de held om wie het allemaal gaat.
Het is zo'n goed verhaal dat het na bijna drieduizend jaar we er ons nog steeds mee bezighouden! Dat zat allemaal in mijn achterhoofd toen ik de lezing voor deze zondag voorbereide. Die gaat ook over een reis over het water. Maar dan anders.
Het meer van Galilea is niet de Middellandse Zee, en de Joden waren geen zeevarend volk. Water was maar gevaarlijk, en om eerlijk te zijn: daar hebben ze best gelijk in: lees de Odyssee maar. Toch kon het op dat meer stevig spoken. Zelfs op die postzegel, tien bij twintig kilometer ging het vaak mis. Daarom gaan er best wat verhalen over gevaar op het water. Hoe ga je om met gevaar en wat zegt het over je hoe je met anderen omgaat?
We horen over de leerlingen, ze zijn in de boot gedwongen door Jezus terwijl hijzelf achterblijft om te bidden. En de leerlingen zijn in gevaar. Ze zitten vast op het meer. En dan zien ze iets wonderbaarlijks, Jezus die naar hen toegelopen komt. Daar raken ze van in paniek.
Maar wat gebeurt hier? Odysseus vermomt zich altijd, neemt andere identiteiten aan. Is dan weer een bedelaar en dan weer een naamloze om overal doorheen te glippen. Bij Jezus is het omgekeerd, hier, op het water, neemt hij geen vermomming aan! Hij geeft zichzelf geen valse naam. Hij zegt niet dat Hij niemand is. Hij ontglipt niets, maar gaat juist naar het gevaar toe. Om zó de storm te bedwingen.
Waar Odysseus een list verzint, zich anders voordoet dan hij is. Toont Jezus wie Hij is. Waar Odysseus zegt “ik ben niemand, ik heb geen naam”, zegt Jezus. “Ik ben het”. Ik ben het. Je kent mij! En hij is niet zomaar de Jezus die ze kennen. Hij is wie Hij is.
Odysseus maakt zichzelf ongrijpbaar om te kunnen winnen, zijn leven te behouden – al is het ten koste van anderen. Jezus maakt zichzelf bekend. Hij is wie hij is. En hij doet dat om anderen te redden, door zijn eigen leven te geven.
Dat Jezus zegt: “Ik ben het”, is niet zomaar een woord. God zegt van zichzelf in het Oude Testament: ik ben wie ik ben , zo zegt Jezus ik ben het als Hij over het water aan komt lopen. Hij heeft macht over de winden, hij heeft macht over het water. Wind en water zijn ongrijpbare dreigende machten. Wind en water zijn de voelbare en zichtbare dood. Er is er maar één heer van het leven, en soeverein over de dood. Dat is God zelf.
Als de storm is gaan liggen – en Petrus ondertussen een nat pak heeft gehaald – belijden de leerlingen Hem als Zoon van God. Ze begrijpen Hem, ze antwoorden op de zelfopenbaring die Jezus hen geeft. De rest van hun reizen door het land zal die kennis nog moeten indalen, groeien, voordat ze tot werkelijk begrip komen. Maar het begin is er.
Wij zijn zoals de leerlingen in de zin dat wij ons leven, en de gebeurtenissen daarin, zelden volledig zelf gekozen hebben. Natuurlijk, we hebben een vrije wil, maar als je daar te lang over nadenkt ga je ook zien in hoeveel boten je wel niet gedwongen bent, ook als je er zelf voor gekozen hebt om bijvoorbeeld met Jezus mee te gaan. De wind steekt op, de golven rijzen en je kan niet van de boot af – ook al heb je er zelf voor gekozen om mee te gaan. Onze vrije wil, onze kundigheid, ja , onze listigheid loopt spaak op de feiten van het leven, of liever: de feitelijke grenzen van het leven. Pijn en dood, de ondergang van dit bestaan: het is allemaal onvermijdelijk. Daar helpt geen inventiviteit meer aan. Geen strategie, geen zelfhulpboek. De listige held kan alleen zichzelf redden. Als hij anderen daarvoor opofferen moet dan moet het zo zijn. Hij kan en zal daaronder lijden, maar de feiten veranderen daardoor niet. Als je enkel langs de Charybdis kan varen ten koste van zes bemanningsleden, dan vaart Odysseus door, met zes bemanningsleden minder. Want Odysseus is dan wel een slimme held, hij is niet ander dan een mens. Een slimmer mens, een groter mens, een moedig mens, een man van sterke verhalen die we nu nog met smaak navertellen, maar altijd nog een mens.
Jezus is anders. Staan we voor de poorten van de dood, belijden wij het leven. Want het leven is groter dan wij zijn. Het is in Gods hand, niet in de onze. Golven en wind gaan liggen op zijn woord. We kunnen hier slechts in verhalen en symbolen over spreken. Want de dood blijft in ons leven. Zwakte en tekortkomingen, daar varen we niet zomaar om heen. Maar iemand strekt zijn handen uit, iemand komt bij ons aan boord, iemand neemt het roer in handen.
Ik ben het, zo noemt hij zich. De zoon van God. Amen.