Friday, 23 September 2022

Het Woord van God is Dichtbij

 

In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën:
“Er was eens een rijk man,
die in purper en fijn linnen gekleed ging
en iedere dag uitbundig feest vierde,
terwijl een arme, die Lazarus heette,
met zweren overdekt voor de poort lag.
Hij verlangde ernaar zijn honger te stillen
met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
Maar er kwamen alleen honden, die zijn zweren likten.
Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.
In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen,
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham
en Lazarus in diens schoot.
Toen riep hij uit:
Vader Abraham, ontferm u over mij
en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen
en mijn tong daarmee te komen verfrissen,
want ik word door de vlammen hier gefolterd.
Maar Abraham antwoordde:
Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven
uw deel van het goede hebt gekregen
en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel;
daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting,
maar wordt gij gefolterd.
Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof,
zodat er geen mogelijkheid bestaat
– zelfs als men zou willen –
van hier naar u te gaan, noch van daar naar ons te komen.
De rijke zei:
Dan vraag ik u, vader,
dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,
want ik heb nog vijf broers;
laat hij hen waarschuwen,
opdat zij niet eveneens
in deze plaats van pijniging terechtkomen.
Maar Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren.
Maar hij zei:
Och neen, vader Abraham!
Maar als er een uit de doden naar hen toegaat,
zullen ze zich bekeren.
Hij echter sprak tot hem:
Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden
als er iemand uit de doden opstaat.”

 

 

Beste vrienden

Het kan voor velen van u als een pijnlijk bericht gekomen zijn, afgelopen dinsdag in de krant, dat het bisdom besloten heeft tot hele forse maatregelen.

In ons bisdom zal de komende vijf jaar zestig procent van alle kerken zullen moeten sluiten. Samen om en nabij de honderd kerken. Ik zelf  en de andere pastores en bestuursleden van de regio wisten er al eerder van. De eerste brieven van het bisdom arriveerden voor de zomer, maar wij konden er niet openlijk over praten tot het bekendgemaakt was.

Ondanks dat ik er dus op voorbereid was en de getallen al eerder had gezien werd ik toch onverwacht verdrietig toen ik het las.

Je denkt soms dat je je emoties aan een touwtje hebt, want je weet wat er komt, je snapt waarom het gebeurt, je beseft dat het niet anders kan.

Maar als je dan die dag de krant openslaat wordt je toch overvallen door droefheid. Want als iets in de krant staat, dán is het pas echt. Zo werkt dat in het leven.

In het bericht van het bisdom staan ook veel andere dingen geschreven – over het verleden en de toekomst, veel over de toekomst. Over hoe die eruit gaat zien. En dat toekomstbeeld staat vol met  vitaliteitsplannen, levensvatbare gemeenschappen, activiteitenwaaiers en wat meer, en dat is vast allemaal erg belangrijk.

Maar beste vrienden, daar ligt niet onze hoop. Niet in zo`n verslag over de kerk van morgen.

Daar ligt onze hoop niet in.   

Wij zijn geen mensen van plannen en rapporten. Wij stellen onze hoop niet in dossiers en verslagen, synodes, statistieken en balansen. En of daar nu goed of slecht nieuws uitkomt.

Daar ligt onze hoop niet.

Wij zijn mensen van Gods Woord. Dáár geloven wij in. In Gods Woord.

En we hebben Gods Woord gehoord deze zondag, het verhaal van Lazarus en de Rijke Man. Lazarus in de Hemel en de Rijke Man die gepijnigd wordt in de onderwereld.

Het is dan makkelijk om te denken, dat is een stukje sociaal commentaar maar we moeten eerst iets belangrijks in gedachten houden: in de wereld van de Bijbel de rijke en de arme ook symbolen zijn die iets uitdrukken over hoe je ziel er voor staat.  

De Rijke Man heeft het goed, maar deelt niks. Zelfs de kruimels van de tafel komen niet bij Lazarus terecht.

De Rijke Man is afgesloten voor zijn medemens. Hij geeft niet te weinig: hij geeft niets.

(Ook hier geen trickle-downeffect!)

Maar zelfs in de hel heeft hij nog noten op zijn zang. Hij vraagt Abraham of Lazarus hem een druppel water kan komen brengen.

En nu kun je denken, wat gemeen van Abraham dat hij Lazarus dat niet laat doen. Zoiets kleins. Een druppel water!

Maar dat is ons eigen denken dat ons in de war stuurt, ons supergenuanceerde denken die van elke dader een beetje slachtoffer maakt en van elk slachtoffer een beetje dader, zodat we onszelf in slaap kunnen sussen in een wereld met alleen maar grijstinten.

Maar die druppel water ís niet iets kleins.

Die druppel water is als “wat bij de rijkaard van de tafel viel” maar Lazarus niet gegund werd, dat is één.

Maar meer nog: De Rijke Man ziet Lazarus als iemand die iets voor hem moet doen, iemand die hij gebruiken kan.

De Rijke Man heeft nooit naar Lazarus omgekeken, hij heeft hem nooit gezien tot hij hem ergens voor gebruiken kon.  

En het gaat van kwaad tot erger.

Want als hij geen druppel water krijgt vraagt hij om een wonder. Hij vraagt dat de dode Lazarus zijn familie moet bezoeken om hen te waarschuwen.

Als je daar goed over nadenkt zie je hoe onbeschaamd dat is.  Voor de tweede keer wil de Rijke Man dat Lazarus moet worden gebruikt voor een klusje en niet zomaar één: hij moet worden ingezet voor een wonder van de buitencategorie: terugkeren na de dood.

 Nou. Het wordt wel duidelijk waarom hij in de Hel zit hè?

Niet omdat er teveel geld op zijn rekening stond. Het is zijn minachting voor zijn medemens en voor God, want God is het die wonderen doet, en wonderen bestellen alsof het gaat om een pakje van Bol.com is écht buiten de orde.

En voor de tweede keer zie je hoe absurd het verzoek is: In leven heeft de rijke en zijn familie Lazarus niet willen zien, hoe zouden ze aandacht aan hem kunnen schenken als hij terug zou keren uit de dood? Met een boodschap dat ze zich moeten bekeren?

Die boodschap hebben ze al. Ze hebben de Wet en de Profeten.

Dus als Abraham dat zegt: “ze hebben toch de Wet en de Profeten?” dan is dat niet eens zomaar een afpoeier. Het is integendeel de kern van het verhaal. Ze hebben de Wet en de Profeten. Ze hebben de Schriften, ze hebben het Woord van God.

De Wet en de Profeten, zo noemden de Joden de hele Joodse Bijbel, daar hoort nog wat meer bij,  maar dan wordt het een hele mond vol.

De Wet en de Profeten. De Wet: wat je moet doen. De profeten: waar je op mag hopen. Op die twee pijlers is alles gebouwd. En wat voor de Joden uit de tijd van de Bijbel geldt, geldt nog veel meer voor ons, want wij hebben nog het hele Nieuwe Testament erbij die ons uitlegt hoe het Oude Testament vervuld wordt.

En het Woord van God is niet ver weg.

Het is dichtbij. Zelfs de familie van de rijke man kan het vinden als ze het willen.

Wie God is, wat Hij doet, wat Hij van ons vraagt en waar we op mogen hopen dat is allemaal geen mysterie waar je alleen maar bij kan komen als je rijk bent of heel slim. Of als je heel lang gestudeerd hebt, of nog langer gemediteerd, het liefst ergens op een berg in de Himalaya.

Nee.

Het Woord van God is dichtbij.

Je hoeft geen toren tot in de Hemel te bouwen of kilometerslange tunnels te graven naar het dodenrijk om het te vinden.

Nee. Hier en nu is het te doen, want het Woord van God is dichtbij.

En het Woord van God blijft dichtbij.

Ook als we niet weten hoe de toekomst er uit ziet, ook als we niet weten hoe het verder moet. Er is crisis in de wereld, er is crisis in de kerk. We weten dat er veel kerken dicht moeten gaan, deze niet – maar sommige anderen wel.

Dat doet pijn. We lijden mee met iedereen die er door getroffen wordt.

Het zal voor sommige mensen het geestelijk leven moeilijker maken. Daar mogen we niet makkelijk overheen stappen.    

Maar het Woord van God is en blijft dichtbij.

Wie God is, wat Hij doet, wat Hij van ons vraagt en waar we op mogen hopen is niet opeens verstopt, niet opeens versluierd.

Het Woord van God laat zich vinden overal waar christenen zijn, waar een Bijbel open gaat.

En het Woord bemoedigt ons, voedt ons geloof, het bewerkt nieuw leven in ons, juist in moeilijke tijden. Het is voedsel voor onderweg en geeft het ons nieuw leven en nieuwe kracht.  

Mogen we dat vaker leren: met en door dat Woord te leven, niet alleen op zondag in de Mis, maar dagelijks.

In goede of slechte dagen, mogen we het Woord horen, en ons er door laten raken. Om zo ons geloof opnieuw te leren leven tijdens onze eigen reis naar God.

Amen.

 

 

 

Saturday, 17 September 2022

"De Kinderen van de Duisternis zijn Uitgekookter dan de Kinderen van het Licht"

 

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
(“Er was eens een rijk man. Hij had een rentmeester,
die bij hem werd aangeklaagd, omdat hij zijn bezit verkwistte.
Hij riep hem dus en vroeg:
Wat hoor ik daar van u?
Geef rekenschap van uw beheer,
want gij kunt niet langer rentmeester blijven.
Toen redeneerde de rentmeester bij zichzelf:
Wat zal ik doen nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt?
Spitten kan ik niet, en bedelen: daarvoor schaam ik mij.
Ik weet al wat ik ga doen,
opdat ik na mijn ontslag als rentmeester onderdak vind.
Hij ontbood de schuldenaars van zijn heer, één voor één,
en zei tot de eerste:
Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig?
Deze antwoordde:
Honderd vaten olie.
Maar hij zei: Hier hebt ge uw schuldbekentenis;
ga gauw zitten en schrijf: vijftig.
Daarop vroeg hij nog aan een tweede:
En hoeveel zijt gij schuldig?
Deze antwoordde:
Honderd maten tarwe.
Hij zei hem:
Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig.
De heer prees het in de onrechtvaardige rentmeester,
dat hij met overleg had gehandeld,
want de kinderen van deze wereld
handelen onderling met meer overleg
dan de kinderen van het licht.
Zo zeg Ik u ook:
Maakt u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon,
opdat zij – wanneer die u komt te ontvallen –
u in de eeuwige tenten opnemen.)
Wie betrouwbaar is in het kleinste
is ook betrouwbaar in het grote;
en wie onrechtvaardig is in het kleinste is ook onrechtvaardig in het grote.
Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest
met betrekking tot de onrechtvaardige mammon,
wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen?
Als ge niet betrouwbaar zijt geweest
in het beheren van andermans goed,
wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen?
Geen knecht kan twee heren dienen,
want hij zal dan de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Gij kunt niet God dienen en de mammon.”

 

Beste vrienden,

Toen ik nog op het seminarie zat gebruikten we altijd de maaltijden samen, met de andere studenten met docenten en vrijwilligers die er soms waren. Het gesprek ging dan vaak over wat er die dag gebeurd was, of op het nieuws was geweest.

En een zekere avond was er het bericht geweest dat in het restaurant van een ziekenhuis er voortaan gecontroleerd moest worden of mensen wel echt dokter of verpleegster waren, want er waren mensen geweest die een doktersjas hadden gekocht en dan naar het ziekenhuis gingen om gratis warm te eten.

Wij spraken daar onze verbazing over uit. Hoe kom je nou op zo`n idee? Om je te verkleden voor een gratis hapje eten? Dat leek ons wel erg omslachtig.

Eén van onze vrijwilligers, de bibliothecaresse, zei toen droogjes. “De kinderen van de duisternis zijn nu eenmaal uitgekookter dan de kinderen van het licht”

Aan die woorden moest ik weer denken toen ik het Evangelie van deze zondag las, we horen over de onrechtvaardige rentmeester. Dat is wel een beetje een boefje. Hij heeft gefoefeld met het geld dat hem toevertrouwd was en, zoals dat gaat: dat is uitgekomen.

Bij sommige mensen moet Deloitte dan eerst een heel rapport schrijven voor de ongerechtigheid aan het licht kan komen, maar anderen worden zo betrapt. Pech gehad!

De onrechtvaardige rentmeester verdedigt zich niet eens, want het is allemaal waar! Tegenstribbelen is zinloos, maar wat nu? Zijn baan raakt hij kwijt!

En hij heeft kennelijk niet zoveel gestolen dat hij er van kan rentenieren.

Er staat niet ergens  een miljoen of negen op een Zwitserse rekening.

Ontslag op staande voet! En geen recht op een regeling of een uitkering. Dan blijven er maar twee opties over en beide zijn uitgesloten: Want “spitten kan ik niet, en om te bedelen schaam ik me.”

Maar hij heeft een plannetje!

Hij laat de schuldenaars komen en vervalst met hen de schuldbekentenissen. Een slimme Bijbelgeleerde heeft dat eens uitgerekend, al die vaten olie en maten tarwe, wat voor bedrag dat zou kunnen zijn en – beste vrienden – je ogen gaan er van wateren, dat zijn een flink aantal jaarsalarissen.

Er zijn bijbelcommentatoren die zeggen, de rentmeester geeft terug wat hij gestolen heeft, maar daar geloof ik niks van. Dat is denken als kind van het licht, maar dit is een uitgekookte jongen. Hij komt echt niet tot bekering, het ene plannetje is ontploft, en hij draait bliksemsnel een ander plannetje in elkaar.

En zo koopt hij nieuwe vrienden, met het geld van zijn baas. Een laatste stukje oneerlijkheid koopt hij genoeg goodwill om de toekomst voorlopig door te komen. Slim.

Jezus doet dat vaker: voorbeelden aanhalen van mensen die op zich niet goed zijn, maar van wie je toch iets kan leren. Boze mensen zijn namelijk vaak bijzonder creatief, bijvoorbeeld om manieren te vinden om anderen te flessen. Wat ze doen is slecht, maar van hun originaliteit kunnen wij iets leren.

Wat kunnen we leren van de onrechtvaardige rentmeester?

Met wat hij heeft, en de positie die hij heeft - hoe oneerlijk hij daar ook mee omgaat - hij handelt met overleg , hij denkt aan de toekomst. Hij leeft niet voor de dag maar zal creatieve manieren vinden om ook als zijn leventje instort hij toch de komende tijd wel doorkomt.

Wat hij heeft is op de toekomst gericht.

Het verschíl tussen hem en ons is aan de ene kant dat hij een stuk uitgekookter is dan wij, maar aan de andere kant dat wij – kinderen van het licht, zeg ik even – weten dat de toekomt langer duurt dan we ons kunnen voorstellen. Want onze toekomst ligt bij God.

En als de onrechtvaardige rentmeester al zo creatief is om de komende twee, drie jaar door te komen, want dat is wel de grens van zijn horizon. Hoe creatief mogen wij dan wel niet zijn als we ons voorbereiden op het leven bij God?

En zoals de rentmeester creatief is in het listige, zo mogen wij creatief zijn in het goede. Om zo vrienden te maken die ons mee op weg helpen naar de “eeuwige tenten”.

Niet voor eventjes, maar voor goed.

Ieder van ons heeft een andere achtergrond, een andere persoonlijkheid, een eigen karakter. Iedereen heeft ook een unieke mandje met talenten, ervaring, vermogen, schuld en ook problemen die samen de contouren van het verhaal van ons leven vormen.

Maar alles wat wij hebben en alles waar wij mee te maken hebben staat niet op zichzelf.

 Al die zaken zijn, zoals de onrechtvaardige rentmeester begreep: op de toekomst gericht en dus ook op anderen gericht.  

Wij dan weten dat we niet creatief moeten zijn in het bedrog, maar creatief in de betrouwbaarheid.

Niet creatief in het slechte, maar in het goede.

Niet creatief voor even, maar voor de lange termijn – en nog langer.

Alles wat wij doen heeft betekenis, hoe wij met de dingen van het hier en nu omgaan is ook vorming voor het leven bij God. Want christen zijn is geen zaak van zondagochtend maar omvat het hele leven.

Als we dat niet begrijpen dan proberen we God te dienen én de Mammon [de geldgod]. Dan behandelen we die twee allebei als wat in zichzelf van belang is.

Maar de Mammon moet ten dienste staan van God. Want als wat we hebben niet uiteindelijk ten dienste staat van iets anders – dan maken we er  onherroepelijk een god van, en rijden we zo de sloot in.

Moge dat inzicht ons vrij maken om buiten onze kaders te denken, ons niet alleen maar vast te klampen aan wat we hebben, of alleen maar geobsedeerd te zijn door de problemen van vandaag

Beiden wijzen naar iets groters, beiden nodigen ons uit om op te kijken, om te zien naar eenieder om ons heen en om op te zien naar Gods eeuwige beloften.

Amen.

 

Saturday, 10 September 2022

Koningin en Kind van God

 

Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had,
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land,
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen, die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten,
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe,
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong,
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is teruggekomen,
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
Jongen, jij bent altijd bij me
en alles van mij is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden.

 

 Beste vrienden

 

Stelt u zich voor u bent een spannend verhaal aan het lezen, een Engelse detective. Of u bent naar een serie aan het kijken. 

U zit dan op het puntje van uw stoel. Want daar is dat verhaal voor gemaakt.

U komt er niet zomaar achter wie de rijke lord vermoord heeft, verschillende mensen hebben een motief, of een gelegenheid.

En écht goede verhalen zetten je dan ook nog op het verkeerde been.

Je dénkt dat de butler het gedaan heeft, want hij maakt met iedereen ruzie en had ook nog de sleutel van de wapenkast! Maar dan, in de laatste tien minuten, blijkt het toch heel iemand anders geweest te zijn. Iemand van wie je het niet verwachtte!

Veel spannende verhalen werken zo. De lezer of de kijker moet een beetje een dwaalweg op worden gelokt om er onderweg achter te komen dat de waarheid ergens anders ligt.

Want als iemand je zomaar de waarheid zou vertellen dan gaat het misschien langs je heen. Maar als je de waarheid zelf ontdekt, dan maakt het meer indruk.

Het verhaal uit het evangelie van deze zondag werkt op die manier. Dat prachtige verhaal van de Verloren Zoon, of de Barmhartige Vader, of het verhaal van de Oudste Zoon – je kan elke keer weer over een ander personage preken – is een verhaal vol met dwaalwegen en verkeerde benen.

In het begin wordt je helemaal voorbereid om te denken dat de jongste zoon een grote boef is. Hij overtreedt elk taboe. Hij loopt weg van zijn verantwoordelijkheid en zijn familie. Hij verbrast zijn vermogen in een ver land en verhuurt zich daarna als varkenshoeder. En als je denkt dat hij niet dieper kan zakken komt hij ook nog terug om een baantje bij elkaar te schooien.

Wat een slechterik! Houd hem weg bij de wapenkast!

Maar we worden op het verkeerde been gezet, want de waarheid van liefde en vergeving is groter dan ons beeld van mensen. 

Niemand is zó slecht dat hij of zij geen liefde kan ontvangen.

Maar dan struikelen we over de oudste zoon.

Die is zo goed, hardwerkend, plichtsgetrouw maar lijkt tegelijkertijd zo liefdeloos, afgunstig zelfs, jaloers op de onverdiende vergeving die zijn broertje ten deel valt.

En we gaan achterover zitten en denken misschien wel. Zie je wel: dát is de boef. Hij leek zo deugdzaam maar eigenlijk is het een gemene hork.

Maar dat is denk ik het tweede verkeerde been.

Want ook de Oudste Zoon leert ons ook een waardevolle les:

Niemand is zo goed, zo hardwerkend dat hij geen liefde of vergeving nódig heeft.

De zonen zijn elkaars tegenpolen, maar ook elkaars spiegelbeeld. Ze hebben elkaar nodig.

En dan houdt het verhaal op, halverwege. Het feest moet beginnen, de Oudste Zoon staat nog boos te kijken met zijn armen over elkaar, en dán is er opeens de aftiteling!

"Dat gaat zomaar niet!" , zeggen we boos.

Maar ook dat heeft een betekenis.

Er is een grote tegenstelling, een grote spanning in dit verhaal, en het wordt even niet voor ons opgelost.

Een grote tegenstelling: de vergeven losbol aan de ene kant, en de vreugdeloze plicht aan de andere kant. Hoe kunnen die boven elkaar uitstijgen?

Want de jongste zoon is misschien nog steeds een losbol, en de oudste zoon komt ook niet tot zijn recht. Hoe brengen we plicht en genade bij elkaar?  

We lezen geen oplossing. Heel gemeen van het verhaal. 

Het evangelie laat ons nu in verwarring achter.

Dat is niet per ongeluk, dat is expres. We moeten in onszelf kijken en naar anderen om ons heen een antwoord te krijgen.

We vinden misschien een antwoord waar we het niet verwachtten.

Want wij zijn allemaal deels jongste en deels oudste zoon. We hebben taken te volbrengen én we moeten leven uit genade.

Het antwoord kan dus denk ik alleen liggen in mensen die die twee kanten, die spanning doorleefden en uithielden.

En die zijn er, misschien best een aantal. Velen onzichtbaar, en enkelen heel zichtbaar.

Afgelopen donderdagavond hoorden we het verdrietige nieuws van het overlijden van koningin Elizabeth II van het Verenigd Koninkrijk. En terugdenkend aan het verhaal van haar leven denk ik, zij heeft die spanning doorleefd wij kunnen wat van haar leren.

Koningin Elizabeth sprak als eenentwintigjarige jonge vrouw de belofte uit dat haar hele leven, of het nu kort of lang zou zijn in het teken zou staan van de toewijding aan haar land.

Zij heeft die toewijding ook waargemaakt. Haar leven dat hebben we in de krant kunnen lezen stond volledig in het teken van het plichtsbesef. Aftreden was er voor haar niet bij. Tot haar dood heeft ze haar taken vervuld.

In Groot-Brittannië wordt een koning of koningin dan ook gezalfd, net als bij een priesterwijding. Koning of koningin zijn is een roeping.

Haar taak is niet alleen maar mensenwerk geweest, maar je bent ook heel wezenlijk door God aangesteld. En zo voelde zij dat ook.

Iemand die zo sterk uit haar plichtsgevoel werkte had misschien wel een soort oudste zoon kunnen worden, iemand die wordt geconsumeerd door haar verplichtingen, maar een plicht zonder vreugde, een plicht zonder liefde, dan wordt het leven niet meer dan een hele lange gevangenisstraf

Maar ze heeft toch vreugde weten te bewaren, ook in moeilijke tijden. Dat kwam ten diepste door haar geloof, want geloof brengt je in contact met je innerlijke jongste zoon. Die weet diep van binnen dat je je niet kan redden door hard werk, dat je altijd minder geweldig bent dan je denkt, maar dat je toch geliefd bent, je in die liefde van God mag verblijven.

Dat relativeert al dat moeilijke, serieuze werk.

We weten dit van haar omdat de koningin hier vaak over sprak. Ze had een diep doorleefd geloof en dat maakte haar zware last dragelijk. Want God die je een taak heeft opgelegd is ook de God die bij je blijft als het moeilijk wordt.

Ze zei eens: “ik hoop dat ik het nog meemaak wanneer Jezus terugkomt. Want dan kan ik mijn kroon aan Hem geven. Die hebben wij dan niet meer nodig.”

Dat kun je alleen zeggen als je het hart hebt van de jongste zoon, die leeft uit de genade.

Als je lang genoeg die twee kanten blijft vasthouden, je niet alleen maar het ene of het andere wilt zijn, dan deel je ook in het werk van de Barmhartige Vader. Dan leer je ook vergeven en mensen vasthouden. Juist als ze verkeerd gedaan hebben of je teleurstellen.

Als je je leven in het teken stelt van je taak en je tegelijkertijd in je kleinheid gedragen weet door God dan ben je een getuige van de Allerhoogste, ben je een boodschapper van de eerste liefde en heb je deel aan de hoogste wijsheid.

Dan leef je niet voor jezelf en sterf je niet voor jezelf, maar leef en sterf je in verbondenheid met alle  mensen en met God

Wij zijn zelf geen koning of koningin, maar we hebben wel allemaal belangrijke taken. Sommige er van zijn door God aan ons gegeven en daar mogen we trouw aan blijven; maar dit zonder valse trots, of afgunst naar mensen die met minder “wegkomen”.

Want ook wij hebben liefde en vergeving nodig.

Mogen we dapper leren wat het betekent om zo te leven. Tegelijkertijd jongste en oudste zoon te zijn, maar bovenal, en alomvattend: kind van God.

Amen.