Inleiding
In haar boek Ei, Foetus, Baby (Atlas/Contact, Amsterdam 2023) verspreidt mw Trudy Dehue het verhaal dat priesters niet alleen keizersneden uitvoerden op dode, maar ook op levende vrouwen. Zij zegt hier voorbeelden van te hebben. (Ei, p. 103). Dat zou een schokkende ontdekking zijn. Priesters verrichtten soms post-mortem keizersneden met het oog op het doopsel uit in zeer uitzonderlijke en zeldzame omstandigheden, maar er zijn geen gevallen bekend van operaties op levende vrouwen. Dit zou een groot taboe geweest zijn. De post-mortem praktijk was hoe dan ook zeldzaam, we kennen een tiental mogelijk gedocumenteerde gevallen in Nederland tussen 1815-1871, een pluraliteit in Zeeuws-Vlaanderen.
(Vreemd genoeg kende zij de Zeeuws-Vlaamse gevallen niet, vermoedelijk komt dat omdat deze niet in Delpher en Google Books beschreven staan. Primaire en secundaire bronnen hierover zijn niet gedigitaliseerd.)
Hoe het ook zij, als je probeert het bronnenmateriaal te controleren, blijkt veel van wat zij zegt in Ei ernstig betwijfelbaar. Je stuit je al gauw op wezenlijke problemen.
Ik heb me al eens eerder met dit thema beziggehouden, onder andere in reactie op het artikel in Trouw dat in december verscheen.
Trouw bracht dit bericht indertijd als groot nieuws. Dehue leverde wel eens vaker spectaculaire 'scoops'. Zo beweerde ze eerder dat koningin Wilhelmina een abortus zou hebben ondergaan. Dit verhaal kreeg indertijd veel media-aandacht.
Ik heb me in een aantal van deze zaken (dus: post-mortem keizersneden) verdiept in de hoop dat ik hier serieus op in kon gaan. Dit is echter vrijwel onmogelijk omdat een zeer groot deel van bronverwijzingen en voetnoten in Ei buiten-feitelijk zijn. Ze beweert zaken die nergens op gebaseerd lijken (zoals dat de doopformule zou bestaan uit de naam van drie mannen, p. 104), dan wel wat ze beweert niet terug te vinden is in het bronnenmateriaal, dan wel dat de bron geheel iets anders stelt.
Dit patroon is fundamenteel, omvat zowel details als essentialia en is door heel het boek heen terug te vinden. De structurele misrepresentatie van het bronnenmateriaal omvat zowel medische, juridische, theologische en historische bronnen en is irreparabel. Veel van wat zij beweert bevindt zich hierdoor in een epistemologisch vacuüm.
Als zij bijvoorbeeld stelt dat een levensvatbaar ongeboren kind de moeder hooguit twintig minuten overleeft (Ei, p. 102) verwijst zij naar een artikel uit 1924 dat dit zou aantonen. Zoals de tekst echter duidelijk laat zien heeft de auteur het over een mogelijke termijn van een uur. Dit is één enkele losse medische bron die ik nagelopen heb. Wat zou er gebeuren als ze allemaal tegen het licht gehouden werden?
Die twintig minuten zijn belangrijk voor haar, want voor haar argument dat priesters "eigenlijk" opereerden op levenden. Voor haar is het van belang te argumenteren dat het "eigenlijk" niet mogelijk was de dood op die termijn vast te stellen. Een filosoof zou vlug tot de conclusie komen dat hier twee verschillende uitspraken over "zekerheid" door elkaar worden geroerd om er één enkele propositie van te bakken. (In het kort: hun zekerheid en onze (on)zekerheid over hun zekerheid worden samengebald) Echter: hoewel \ambigue formuleringen het lastiger maken om de ballon door te prikken, maakt het het onderliggende argument natuurlijk niet sterker. Met Popper gezegd: een propositie wordt er niet beter van als zij lastiger te falsifiëren is.
Hoe het ook zij, die conclusie, dat vrouwen eigenlijk nog leefden, komt s.w.s. voor haar rekening, Smit spreekt daar überhaupt niet over. Zo wordt er wel meer beweerd in Ei.
De Omgang met Kerkelijke Bronnen
Bijzonder hachelijk wordt het als ze beweert dat priesters de keizersnede nog aanleerden "tot in de twintigste eeuw", suggererend dat dit staande praktijk was tot aan het Concilie. Nogmaals: het is zeer ambigu geformuleerd.
In het artikel "Medical Compromise and Its Limits: Religious Concerns and the Postmortem Caesarean Section" (in Nineteenth-Century Belgium. Bulletin of the History of Medicine, 93, 3), van de Brusselse historica Jolien Gijbels wordt duidelijk aangetoond dat de toch al marginale praktijk van de postume keizersnede die door priesters werd verricht (wederom: misschien een tiental enigszins vindbare gevallen in Nederland tussen 1815 en 1871) in 1899 door het Vaticaan verboden werd. Er zijn sterke aanwijzingen dat de praktijk toen al in onbruik was geraakt. Pastorale literatuur uit de jaren '70 toont nogal wat scepsis, en er zijn sowieso geen Nederlandse gevallen meer bekend post 1871. Dehue suggereert hier en daar dat dit komt omdat de Kerk het geheim hield. Het tegendeel is het geval. Bijzondere pastorale handelingen werden doorgaans gedocumenteerd, zoals in correspondentie met de kerkelijke overheid als in pastoriejournaals.
Het structurele ontbreken van relevant archiefmateriaal ondermijnt echter haar standpunten. Je zal niet vinden waar je niet naar zoekt.
Ik kan wel meer schrijven over hoe deze unieke (en niet oninteressante) praktijk werkelijk functioneerde. Maar ik voel me niet geroepen om mw. Dehue's werk over te doen.
(Al sluit ik niet uit dat ik ooit nog wat schrijf over pastoor de Maeijer in Hontenisse, van het kleine aantal gevallen van postume keizersneden uitgevoerd door priesters vond een buitenproportioneel deel in Zeeuws-Vlaanderen plaats en als regio- en kerkhistoricus zie ik sterke aanwijzingen dat daar ook een regionale verklaring voor is. dat vraagt echter zeer tijdrovend archiefonderzoek - als je het goed wil doen, tenminste.)
Terug naar de verklaring van van de Heilige Stoel uit 1899. Niet alleen is het artikel van Gijbels bekend bij Dehue, het is ook opgenomen in haar notenapparaat. Zij citeert zelfs uit de Nederlandse publicatie er van. Daar schrijft zij het volgende over: (p. 161)
"Zo ook een verhandeling in het Latijn door A.C.M. Schaepman, president van het seminarie Rijsenburg, gepubliceerd in twee nummers van het priestertijdschrift Nederlandse Katholieke Stemmen van 1900, dat stimuleerde de geestelijken eveneens om met regelmaat tot de doop via een keizersnede om te gaan."
De zin is opvallend ambigu geformuleerd (wie verricht nu de keizersnede?) Maar doet hoe dan ook geen recht aan het document zelf.
Over dit document schrijft Gijbels: "“In 1899 the Holy See provided a final answer to the question whether clergymen had to perform caesareans on deceased women in the absence of doctors. The new ecclesiastical rule was especially targeted at mission aries in the Chinese province of Sichuan who apparently faced problems in convincing the local population of the value of the postmortem caesarean section. It once again emphasized the call of Christian charity to extract the unborn from the woman’s belly. Clergy were supposed to do everything within their reach to encourage physicians to perform the operation. However, the Holy See warned them against and explicitly forbade them from interfering in the actual operation, let alone doing it themselves.”
Dehue maakt zich boos over het woord liefdadigheid, maar als ze iets van moraaltheologie had geweten, had ze kunnen aanvoelen dat alles wat "liefdadigheid" is, geen zaak is van harde, juridische verplichtingen. Liefde is geen juridisch begrip. (Vgl. hedendaagse discussies over orgaantransplantatie: het oordeel van de kerk is dat orgaandonatie goed is, maar het is een daad van naastenliefde: de overheid - of anderen - mogen je niet verplichten om tot orgaandonatie over te gaan)
In het eerste deel schrijft zij vaak opvallend ambigu. Dit valt extra op omdat zij juist - als zij wil - heel goed en helder kan schrijven. Ambigu geformuleerde zinnen (zoals in de duiding van het Romeinse document uit 1899) maken onduidelijk wie wat doet en waartoe. Zo wordt alles ongeveer even erg. Van alles wordt door elkaar gehusseld en wordt stevig de suggestie gewekt dat er wel iets aan de hand moet zijn.
Zonder enige empirische onderbouwing schrijft Dehue vervolgens dat vrouwen "gedood werden omwille van de doop van hun vrucht". Haar pogingen om hier voorbeelden te vinden zullen - zoals we zien - steeds hachelijker worden. Zij leest regelmatig wat er niet staat.
Ook met ambigu formuleren kom je hier niet meer uit. Zeker niet als je probeert hard te maken dat priesters daadwerkelijk chirurgische ingrepen uitvoerden op levende vrouwen. (Waarom dit niet goed denkbaar is heb ik eerder al uitgelegd). Dan is het hom of kuit!
De Omgang met de Juridische Documenten
Een aantal voorbeelden:
Als er een priester wordt vervolgd wegens het uitvoeren van een postume keizersnede. Schrijft zij dat hij is vrijgesproken van moord (p. 152). Dit is in het geheel niet het geval. Hij werd vervolgd wegens onbevoegde uitoefening van de geneeskunst, zoals gebruikelijk was. En dat staat ook in de bron die zij aanhaalt. Er was geen aanklacht wegens moord. En dat is weer maar één voorbeeld. Er zijn er eindeloos veel.
Bij een tweede rechtszaak, ag. de pastoor van Engelen in 1871 (Overigens het laatste bekende historische voorval in Nederland van een priester die een keizersnede uitvoerde, te Empel NB), suggereert zij dat de pastoor werd vrijgesproken omdat zijn advocaat, Deken en Rijksadvocaat van Noord-Brabant was, en daarmee een "machtige advocaat". De advocaat van de pastoor in kwestie was echter ten tijde van het proces 24 jaar oud en werd pas (wnd) Rijksadvocaat van Noord-Brabant in 1877. Enz. enz. enz.
(En machtig ten opzichte van wie? Onder de rechters was Alexander de Savornin Lohman, de latere politicus en minister van Binnenlandse Zaken, alle rechters, officiers en advocaten behoorden tot dezelfde kleine maatschappelijke bovenlaag. Het regent jonkheren in elk negentiende-eeuws juridisch document)
Zij schrijft, eveneens op pagina 153: "Het verslag van deze rechtszaak bleek nog beschikbaar in het Brabants Historisch Informatiecentrum en daaruit valt verder op te maken dat de officier wel heeft gesuggereerd dat de vrouw schijndood kon zijn geweest". Er ontbreekt echter een bronverwijzing bij deze stelling en ik kom de uitspraak enkel tegen in het krantenverslag. Bossche processen-verbaal uit 1871 zijn sowieso niet bewaard, deze beginnen voor de rechtbank in Den Bosch pas zo'n twintig jaar later. In het vonnis, dat wel degelijk opvraagbaar is bij het BHIC lezen we: "dat ook later gebleken is dat de vrouw werkelijk was overleden"
Riep kardinaal Sterkx op om moorden te plegen op priesters en anderen?
De situatie wordt toch wat bizar als ze zelfs probeert moordopdrachten in kerkelijke teksten terug te lezen. Als aartsbisschop Sterkx in 1852 in felle bewoordingen vroedmeesters en -vrouwen en anderen op vurige wijze aanraadt om in geval van nood er voor te zorgen dat het ongeboren kind gedoopt wordt, zo schrijft hij
"Indien onzen goddelyken Zaligmaker zoo schrikkelyke bedreygingen gedaen heeft aen degenen die aen een kind verergernis geven; indien hy heeft gezeyd dat het beter ware met eenen meulensteen aen den hals in de zee geworpen te worden, dan zich pligtig te maken aen zulke euveldaed; hoe veel te meer moest men dan niet bevreesd zyn voor zyn schroomelyk oordeel , ware 't dat men ooyt vrywillig een kind zonder doopsel liet sterven ? Integendeel hoe voordeelig is het niet de vreugden des hemels aen een kindje tebezorgen ? Wie ziet niet dat wy, met zulks tedoen, eenen trouwen vriend by den Heer krygen , die voor ons geluk gedurig bezorgd zal wezen?"
Dehue schrijft (p. 154):
"dat was geen geringe dreiging met nu ineens zelfs een aardse straf, want die geestelijken stonden onder voortdurend toezicht van hogergeplaatsten en elkaar" (p. 154). Zij beschrijft de tekst van Sterkx verder in overigens uitgesproken islamofobe bewoordingen, als een fatwa. Het is nu toch wat alsof je in discussie moet met de Cheshire Cat. Het voelt allemaal weinig zinvol.
Het is natuurlijk treurig om dit alles te lezen. Het molensteenvers (Mt. 18:6) is felle religieuze retoriek, maar natuurlijk geen fysieke doodsbedreiging. Dergelijke passages maken het in het geheel niet duidelijk wat er van wat zij beweert serieus kan worden genomen.
Dat de uitgever dit alles heeft laten passeren, en meerdere recensenten, kranten als Trouw en een blad als de Groene Amsterdammer deze weinig overtuigende oordelen in al te goed vertrouwens hebben overgenomen is ontstellend. Ik wil daar niet te lang over nadenken.
Ook zonder molensteen is dit boek een mer à boire aan misperen.
Het "Schinveldpamflet"
We bereiken een zeker dieptepunt als ze probeert toch één "feitelijke" situatie te vinden van een priester die in een levende vrouw snijdt. Zij baseert zich hierop op een satirisch pamflet van Pieter Scherpenseel, de zoon van gewezen wethouder van Schinveld, A. Scherpenseel. De zoon voert de vader op als auteur. Dehue ontkent dat Scherpenseel jr. de echte auteur is maar literair-historische bronnen zijn er duidelijk over. Het past ook in zijn schrijfstijl.
Ondanks dat Dehue weet heeft dat de pastoor die hierin (samen met vele andere dorpsgenoten in Schinveld) bespot wordt, een pastoriejournaal heeft bijgehouden en deze zelf (foutief en indirect) aanhaalt. - (Ei, p. 156, zij vergist zich in de datum die pastoor Joors genoteerd zou hebben. Dit is echter omdat ze een vertaalfout overschrijft, en uit diezelfde verkeerd vertaalde passage concludeert dat pastoor Joors "terugblikt". Quod non.) - heeft ze het pastoriejournaal zelf niet geraadpleegd.
Ik heb dat wel gedaan. We kunnen dus ook met zekerheid zeggen dat de gothic- en slapstick-achtige scenes aan het sterfbed van Elisabeth Snel met bloederige messen, een kermende vrouw en gesol met de kist (en een stiekeme begrafenis om drie uur 's nachts) niet hebben plaatsgevonden. (Ei, p. 156-157). Zo is er wel meer niet gebeurd. Over het pamflet later eens meer, want het échte verhaal erachter is werkelijk kostelijk. Ik ben mw. Dehue dankbaar dat zij mij op het spoor heeft gebracht van deze smakelijke bron waar ik nog vaker over zal schrijven.
Zo heeft de pastoor de werkelijke dader van de plaatselijke verkiezingsfraude van 1869 achterhaald. Het was kortgezegd niet vreemd dat de familie Scherpsenseel - die daar mede de hand in had - wel wat appeltjes met hem te schillen had. Het pamflet was een "red herring" met de bedoeling om de aandacht van het werkelijke schandaal af te leiden. Met succes. We zijn immers, dankzij mw. Dehue, nog steeds bezig met de fictie van Pieter Scherpenseel. Het is verleidelijk om ons voor te stellen hoeveel genoegen het hem had gedaan, als hij had kunnen weten dat er meer dan 150 jaar later nog steeds mensen in zijn grap trappen.
Wat Dehue er mee doet, is echter minder grappig: uiteindelijk zegt zij dat dhr. A Scherpenseel, als zogenaamde klokkenluider, "zijn laatste vijf jaren in vrees en wrok" [moet] hebben geleefd". Voorbeelden noemt zij niet. Uit het Pastoriejournaal blijkt echter dat hij, als onaantastbare dorpsnotabele, tot 1874 deel uitmaakte van het parochiebestuur voordat hij tenslotte eens werd weggestemd. (Historisch Centrum Heerlen, archief R.K. parochie van de H. Eligius (en H. Pius X) te Schinveld, (1584) 1660 - 2004 (2007), toegangsnummer 270, inv. nr. 2.1.1.18, Journaal/dagboek van de pastoors, 1857-1953).
Scherpenseel sr. is dan dus al eerder als wethouder moeten aftreden wegens de genoemde stembusfraude. Maar hij is daar natuurlijk nooit om vervolgd. Dat waren niet de mores in de Vriendenrepubliek van de negentiende eeuw. Als er zogenaamde "angst" voor iets was blijkt dit nergens uit. Uit het feit dat hij rustig is aangebleven als kerkbestuurder blijkt eerder een zekere onbeschaamdheid.
Ik noem dit omdat het relevant is. Deze zogenaamde "angst en wrok", vervolgens weer wordt gebruikt als premisse om met een knallende non-sequitur het volgende te beweren.
"In het licht hetgeen hem is overkomen [niks, JJvP] wekt het geen verbazing dat verdere verhalen over priesters als seriemoordenaars indertijd alleen in de vorm van fictie zijn gebracht" (p. 158)
We kunnen in ieder geval zeggen dat mw. Dehue deze literaire traditie heeft voortgezet. Met geschiedschrijving heeft het echter weinig te doen.