Saturday, 7 March 2026

Derde Zondag Vastentijd A

 Oude Testament:

In die dagen,
leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst.
Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden:
“Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte
als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?”
Mozes klaagde zijn nood bij de Heer:
“Wat moet ik toch aan met dit volk?
Ze staan op het punt mij te stenigen.”
De Heer gaf Mozes ten antwoord:
“Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit,
neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt
en begeef u op weg.
Ik zal ginds, voor uw ogen,
op een rots staan, op de Horeb.
Sla op die rots:
er zal water uitstromen, zodat de mensen kunnen drinken.”
Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten.
Hij noemde de plaats Massa en Meriba
vanwege de verwijten der Israëlieten
en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd
door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet?

 

Evangelie:

In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd,
dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
Daar bevond zich de bron van Jakob
en vermoeid van de tocht
ging Jezus zo maar bij deze bron zitten.
Het was rond het middaguur.
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten
zei Jezus tot haar:
“Geef Mij te drinken.”
De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.
De Samaritaanse zei tot Hem:
“Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?”
Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen.
Jezus gaf ten antwoord:
“Als ge enig begrip had van de gave Gods
en als ge wist wie het is, die u zegt:
Geef Mij te drinken,
zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd
en Hij zou u levend water hebben gegeven.”
Daarop zei de vrouw tot Hem:
“Heer, Ge hebt niet eens een emmer
en de put is diep:
waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
Zijt Ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf
en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?”
Jezus antwoordde haar:
“Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst,
maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven,
krijgt in eeuwigheid geen dorst meer;
integendeel, het water dat Ik hem zal geven,
zal in hem een waterbron worden,
opborrelend tot eeuwig leven.”
Hierop zei de vrouw tot Hem:
“Heer, geef mij van dat water,
zodat ik geen dorst meer krijg
en hier niet meer moet komen om te putten.”
(Jezus zei haar:
“Ga uw man roepen en kom dan hier terug.”
“Ik heb geen man”,
antwoordde de vrouw.
Jezus zei haar:
“Dat zegt ge terecht: ik heb geen man;
want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet.
Wat dit betreft, hebt ge de waarheid gesproken.”
“Heer,” zei de vrouw,)
“ik zie dat Gij een profeet zijt.
Onze vaderen aanbaden op die berg daar,
en gij, Joden, zegt
dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.”
“Geloof Mij, vrouw,”
zei Jezus haar,
“er komt een uur dat gij noch op die berg,
noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
Gij aanbidt wat gij niet kent;
wij aanbidden wat wij kennen,
omdat het heil uit de Joden komt.
Maar er zal een uur komen,
ja, het is er al,
dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden
in geest en waarheid.
De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
God is geest, en wie Hem aanbidden,
moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”
De vrouw zei Hem:
“Ik weet dat de Messias,
dat wil zeggen: de Gezalfde,
komt, en wanneer Die komt,
zal Hij ons alles verkondigen.”
Jezus zei tot haar:
“Dat ben Ik, die met u spreek.”

(Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug
en zij stonden verwonderd,
dat Hij in gesprek was met een vrouw.
Geen van hen echter vroeg:
“Wat wilt Ge van haar?” of “Waarom praat Gij met haar?”

De vrouw liet haar waterkruik in de steek,
liep naar de stad terug en zei tot de mensen:
“Komt eens kijken naar een man,
die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb!
Zou Hij soms de Messias zijn?”
Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden:
“Eet toch iets, Rabbi.”
Maar Hij zei hun:
“Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”
De leerlingen zeiden tot elkaar:
“Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?”
Daarop zei Jezus hun:
“Mijn spijs is,
de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft
en zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst?
Welnu, Ik zeg u:
slaat uw ogen op en kijkt naar de velden;
ze staan wit, rijp voor de oogst.
Reeds krijgt de maaier zijn loon
en verzamelt vrucht tot eeuwig leven,
zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.
Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait.
Ik stuurde u uit
om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd;
anderen hebben gezwoegd
en gij plukt van hun zwoegen de vruchten.)
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem
(om het woord van de vrouw die getuigde:
“Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.”)
Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren,
verzochten zij Hem bij hen te blijven.
Hij bleef er dan ook twee dagen
en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.
Tot de vrouw zeiden ze:
“Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt,
want wij hebben Hem zelf gehoord
en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.”

 

 

 

Beste vrienden

Je hoeft de krant maar op te slaan of de televisie aan te zetten en je wordt geconfronteerd met onrust en ontevredenheid. De één is bang dat alle veranderingen in de samenlevingen betekenen dat ze kwijtraken wat ze hebben. De ander gaan alle veranderingen niet snel genoeg. De derde maakt het niet uit of er wat verandert of niet, omdat hij weet dat wat er ook gebeurt - zíj er toch geen last van hebben. Dat levert een explosief mengsel op – en dat merk je. Want iedereen die zijn zin niet krijgt wijst naar iemand anders. En als er geen zichtbare verantwoordelijke beschikbaar is, dan vindt men wel een onzichtbare – een mysterieus en geheimzinnig complot dat enkel bestaat om hén dwars te zitten.

Nu is onrust van alle tijden. We lezen er al over in het Oude Testament. We volgen Gods Volk in de woestijn. Ze worden geleid door Mozes die hen naar het Beloofde Land wil leiden. Dat gaat niet zonder slag of staat want elke transformerende reis – of dat nu een persoonlijke of collectieve tocht is – gaat met moeilijkheden gepaard. Het oude moet langzaam maar zeker worden afgelegd terwijl het nieuwe er nog niet is.

Voor je gevoel bevind je je dan in niemandsland en daar worden veel mensen niet blij van. En wat doen mensen die niet blij zijn maar zich ook niet kunnen onttrekken aan de ongewenste situatie? Die gaan morren. En met die activiteit – morren – is iets aan de hand. Dat is niet zomaar één activiteit onder alle anderen.

Morren is iets anders dan klagen. Je kan goede redenen hebben om te klagen. Je hebt een overeenkomst met iemand en die komt zijn afspraken niet na. Dat is een prima reden voor een klacht. Er is een objectieve grond om te klagen. Een klacht gaat over iets concreets, iets wat je kan aanwijzen. Een objectieve buitenstaander kan in principe vaststellen of een klacht terecht is of niet.

Morren is fundamenteel iets anders want morren gaat níet in de eerste plaats over iets concreets wat zich buiten je bevindt. Morren gaat fundamenteel over jezelf tekort gedaan voelen waardoor je alle ruimte geeft aan gevoelens van wrok, woede en angst. Morren kan beginnen met een klacht, maar gaat daarna een eigen leven leiden. Het kan in het begin gaan over iets wat je had moeten krijgen maar neemt dan een afslag. Het gaat steeds minder over de concrete afspraak en steeds meer over jezelf.

Over hoe je tekort gedaan bent. Hoe de ander jou altijd tekort doet. Hoe de ander eropuit is om jou kwaad te berokkenen. Niet incidenteel, maar fundamenteel. Op een negatieve manier zet je jezelf in het centrum van het universum en de hele werkelijkheid, iedereen om je heen en iedereen boven je wordt in die mal geperst. Alles wat een ander dan voor je doet of laat wordt vijandig geïnterpreteerd.

De klacht ik heb dorst en we hadden afgesproken dat we op het zesde uur een glas water zouden krijgen verandert in het morrende jij voert ons mee de woestijn in om ons daar te doen sterven.  

Het volk leeft uit wrok – zelfs het slavenbestaan uit Egypte is volgens hen nog beter dan wat ze nu hebben! Men leeft hun woede uit op Mozes en dit alles draait op angst dat ze zullen omkomen. Er is geen vertrouwen. En al deze emoties draaien in een obsessieve cirkel. Het volk loopt net als hun eigen gedachten in rondjes door de woestijn. Ze kunnen nergens komen.

De Woestijngeneratie zal - o ironie - inderdaad sterven, maar dat komt door hun eigen obsessies en niet door Mozes. Gevangen in de driehoek van zelfobsessie missen ze de openheid om de nieuwe toekomst wérkelijk aan te gaan, ook al vindt het éne na het andere wonder plaats in de woestijn. Het volk wordt continu gered! De Rode Zee splijt, er komt water uit de rots, ze worden wonderlijk behouden tegen hun vijanden. Wonder op wonder! Maar geen enkel wonder kan zo worden ervaren door een volk dat gevangen zit in zichzelf.  

Pas de generatie ná hen, die niet meer in Egypte zijn geboren kunnen de Jordaan over trekken en het Beloofde Land in bezit nemen. Die dragen de geestelijke littekens uit Egypte niet meer mee, ze hebben geen herinnering meer aan het slavenbestaan dat hen opsloot in henzelf en pas als die stap is gezet als die zelfobsessie afgebroken is kan je Gods werk en Gods tekens zien voor wat ze zijn.

In het Evangelie lezen we over Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Sichar. Daar vindt een prachtige ontmoeting plaats. Vinden we in de woestijn wrok, woede en angst zo vinden we bij de bron van Sichar het omgekeerde: acceptatie, liefde en vertrouwen.

Bijzonder is natuurlijk wát Jezus zegt, maar nog veel meer dát Jezus iets zegt tot deze vrouw. In de publieke ruimte een vreemde vrouw aanspreken die ook nog van een andere groep is ligt vér in de taboesfeer. Als hij het nu had gedaan waren er allemaal boze berichten op Facebook en Twitter gekomen over die onbehoorlijke Jezus.

Jezus is hier letterlijk iets aan het door-breken.

Want de twee joodse volken, de Joden en Samaritanen zitten beiden gevangen in die driehoek van wrok, woede en angst. Maar door het gesprek te openen maakt Jezus iets nieuws mogelijk. Wrok, woede en angst mogen plaats maken voor acceptatie, liefde en vertrouwen.

Jezus leert de vrouw het verleden te accepteren. Het is niet zo dat hij goedkeurt wat er allemaal gebeurd is, maar hij leert haar het verleden te accepteren zoals het is gebeurd. Het is dan geen loden last die je voor altijd met je mee moet zeulen en waar je eeuwig op aangesproken wordt. Jezus veroordeelt haar niet, maar vraagt haar zich niet meer vast te klampen aan het disfunctionele verleden[1]. Dat is acceptatie.

Jezus doet dat in liefde, en laat de vrouw die liefde beantwoorden. Hij geeft om haar, hij zou niet met haar spreken als Hij dat niet deed. En alleen al dat feit breekt het ijs van de koude woede die er tussen Joden en Samaritanen leefde. (“Weet je wel wat jullie ons hebben aangedaan!”), nee, er is liefde. Liefde moeten we hier niet verwarren met intimiteit maar betekent hier openheid naar elkaar, de ander niet als vijand, object, marionet of figurant zien, maar erkennen als mens met menselijke waardigheid en om hem of haar geven als mens. Dat is liefde.  

Tenslotte geeft Jezus haar vertrouwen. Tot die tijd was er angst. Angst sluit de toekomst voor je af, je bouwt hoge muren om je heen om de toekomst maar af te weren. Maar dat is een even zinloos en dom project als de toren van Babel ooit was. De toekomst kan je niet vermijden. Je moet haar aangaan. De vrouw krijgt te horen dat er een toekomst is voor iedereen. Er komt een nieuwe bron  waar je uit mag putten, een nieuw levend geloof in geest en waarheid dat niet meer gebonden is aan één stad of één berg of één volk. Daar mag je op vertrouwen.

Samenvattend. Vaker dan niet zitten we klem in de driehoek van wrok, woede en angst. Die drie houdingen houden ons gevangen in ons zelf. Daar vinden we geen geluk. We mogen de tocht aangaan op weg naar een andere driehoek: acceptatie, liefde en vertrouwen.

Wrok houdt je gevangen in het verleden, Acceptatie maakt het verleden lichter zodat je weer kan ademen.

Woede houdt ons gevangen in het heden - wullie tegen hullie! – terwijl enkel liefde het menselijke samenleven mogelijk maakt.

Angst is een loden deur die de toekomst voor ons afsluit. Vertrouwen is de sleutel, die de deur open maakt zodat we een nieuwe toekomst kunnen aangaan.

En in een mooie omkering zien we tenslotte dat de Samaritanen tot geloof komen terwijl de leerlingen  verwonderd zijn – dat betekent dat ze een negatieve houding hebben t.o.v. wat er gebeurt. Hun “verwondering” zit tegen het morren aan. Zij moeten nog lessen leren. Misschien kunnen ze in de leer bij de Samaritaanse vrouw. Die snapt het wèl.

Het Evangelie werkt altijd als een spiegel die ons wordt voorgehouden. Dus voor de komende dagen is het een goed idee om eens in die spiegel te kijken. Zit ik gevangen in een obsessieve driehoek? Voel ik wrok, woede, angst? Zijn er misschien om mij heen, in de krant of op het internet, of op de televisie die mij die gevoelens aanpraten of ze versterken? Draag ik daar zelf aan bij – door bijvoorbeeld de schuld voor alles wat misgaat in het leven toe te schrijven aan anderen, of misschien zelfs aan mysterieuze boze krachten. Machten achter de troon?

Of maak ik ruimte voor acceptatie, liefde en vertrouwen? Voel ik een nieuwe openheid in mij? Misschien wat tastend, altijd onvolledig… Maar toch. In vrijheid naar het verleden kunnen kijken, zowel de goede als de kwade hoofdstukken. In naastenliefde bij je medemens kunnen staan en in vertrouwen werken aan een gemeenschappelijke toekomst. Daar worden we met zijn allen beter van. Dat wens ik ons allen toe

Laten we, naar het voorbeeld van de Samaritaanse vrouw ons vrijmaken en die nieuwe toekomst aangaan. Door Christus onze Heer.

Amen.



[1] Ik ben er niet van overtuigd dat de verwijzing naar de vijf mannen hier in de eerste plaats te maken heeft met enige vorm van seksuele delinquentie. Het kan zeer goed een metaforische verwijzing zijn naar de gemengde achtergrond van het Samaritaanse volk. Dit zou goed passen in de structuur en stijl van het Johannesevangelie.

Thursday, 5 March 2026

De Grenzen van elke Theologisch Systeem (Dehue, III)

 

Dit is het derde deel van een inhoudelijkere repliek op het boek van Trudy Dehue Ei Foetus Baby 

Deel één is hier te vinden. 

Deel twee hier. 

Wanneer we het hebben over bijzondere, en zeldzame fenomenen als de post-mortem keizersnede met het oog op het dopen van het ongeboren kind, is dat fenomeen niet los te zien van twee intellectuele fenomenen uit de Moderniteit: de opkomst van het rationalisme en het humanisme. Hoewel we vaak denken dat de Moderniteit ons het rijk van de vrijheid en het verstand bracht, tegen de duisternis van de Middeleeuwen in, is dit een naïeve kijk op de zaak.

Waar de bonte stoet van middeleeuwse denkers weinig problemen had met eclectisch denken, en de ongekende felheid van de heilsleer van Augustinus – die de verkiezende soevereiniteit van God áls de centraliteit van het doopsacrament – zó uitvergrootte dat er voor ongedoopte kinderen geen sprank hoop was te modereren – verdween werd de theologie als geheel een stuk strenger door twee fenomenen:

1: De humanistische tendens tot ressourcement, dat wil zeggen een terugkeer tot de theologische bronnen, voor de westerse kerk leidde dit tot een nieuwe receptie van de Augustijnse heilsleer. Voor de westerse kerk was de heilsleer immers de centrale theologische vraag waar de kerk mee staat of valt, zoals dat voor de oosterse kerk bijvoorbeeld de rol van de geloofsbelijdenis in de kerk – of de beeldenverering dat was. Het ene is niet per se beter of slechter. De Orthodoxe kerken lijken ontspannener om te gaan met de heilsvraag – maar zij stellen andere zaken even centraal. Je kiest niet voor iets beters, je kiest voor andere blokkades.

2: de rationalistische neiging om tot systeembouw over te gaan. Als we rationeel over God kunnen spreken moeten theologische uitspraken in een helder systeeem samen te vatten zijn – dat is de centrale gedachte voor de mens uit de Moderniteit (16e tm 19e eeuw, ruwweg)

Voor ons is dit echter een paradoxaal gegeven. Wij vinden het vanzelfsprekend dat we over alles rationeel kunnen spreken maar verwerpen “dwingende” systemen. Het systeem dat wij dwingend vinden is ook het systeem dat voortkomt vanuit de overtuiging dat we rationeel over God kunnen spreken. Veel theologische aspecten die wij achterlijk denken zijn in feite modern: het idee dat de Bijbel als feitenrelaas gelezen moet worden, waar je uit zou kunnen afleiden dat de Aarde 6000 jaar oud is bijvoorbeeld. Of dat je een definitieve “harmonie” kan opstellen waarmee je alle “tegenspraken” uit de Bijbel oplost. Uiteindelijk zijn dit doodlopende wegen, en er zijn geen serieuze theologen meer die dit doen – maar dergelijke pogingen om het geloof begrijpelijk te maken horen wel thuis in de intellectuele context van de Moderniteit.

Zo werd ook de heilsleer aan vele pogingen onderworpen om maar een sluitend geheel te krijgen. Elk sluitend systeem krijgt echter ook zijn aporie: een problematische uitkomst waar geen oplossing voor bestaat, een (neven)conclusie die in tegenspraak is met één of meerdere premissen.

Systeem en Aporie 

Als je een sluitend systeem probeert te ontwerpen dat de volgende premissen allemaal moet redden, namelijk:

A: God wil het heil van alle mensen

B God is rechtvaardig

C: Wat God doet is conceptueel begrijpelijk / redelijk benaderbaar

D: Gods heil is een geschenk, en geen loon naar werken.

E: God is souverein, hij is ons niets verschuldigd. (Augustijnse heilsleer)

F: God bemiddelt het heil uitsluitend door middel van de sacramenten

Loopt je theologische machine onherroepelijk vast, zoals elke theoloog tot nu toe zijn tanden hierop stukbeet.

Het lot van ongedoopte kinderen werd zo`n aporie. Welke “oplossing” je ook kiest, je offert hoe dan ook een theologisch fundamentele premisse op.

Waar het Calvinisme A opoffert, en Jansenisten als Pierre Nicole C loslaten (de goedheid van God volgens hen onbegrijpelijk, God is ons volkomen vreemd), kiest de Kerk er sinds de twintigste eeuw voor om minstens F ernstig te relativeren. Dat zijn keuzes.

Alle bovenstaande premissen zijn individueel gezien waar. Maar giet ze in een “sluitend systeem” en je komt altijd uit op aporieën. Wat dat betreft is het niet zo vreemd dat de wat lugubere fenomenen die Dehue beschrijft vooral thuishoren in het tijdvak tussen de zeventiende en negentiende eeuw: het hoogtepunt van de zucht naar theologische systeembouw, harmonisatie en sluitendheid.

We kunnen het bovenstaande echter ook niet omdraaien en zeggen: we halen een premisse weg, we geven wat prijs: en dan ontlopen we per definitie een moreel probleem. Je krijgt er namelijk altijd een ander probleem en soms ander lijden voor terug. En het is nog maar de vraag of het lijden dat je daarmee aanvaardbaar maakt een wezenlijke verbetering oplevert. De ene aporie wordt afgelost door de ander. Ook de keuze om F te relativeren zorgt voor wezenlijke theologische problemen.

Die zijn echter van later zorg en vallen buiten deze overweging.

Het belangrijkste: je kan theologisch niet van twee walletjes eten. Wie het ene prijsgeeft, betaalt de prijs van het andere.

Een voorbeeld: de katholieke doopleer stelt o.a. de zekerheid van het heil van gedoopte, jonge kinderen centraal. Gedoopte jonge kinderen gaan zeker naar de hemel. Hiermee werd – jammerlijk – uitgesloten dat ongedoopte kinderen tot de zaligheid konden komen, niettegenstaande een aantal theologische geitenpaadjes die tot de twintigste eeuw niet verder kwamen dan individuele theologische opinies zonder veel kerkelijk gezag1. Zekerheid voor het een was in dat systeem ook zekerheid van het ander. Een verdrietige opvatting. 

Dan is het verleidelijk om te denken dat je die theologische structuur zo maar kan wegnemen: als we zoals de protestanten de heilzekerheid losmaken van het sacrament van het doopsel, dan vermijden we misschien enig kwaad – zoals mw. Dehue dat beschreven heeft. Zij beschrijft de opvattingen van de calvinisten in positieve zin, maar mist natuurlijk het feit dat hun bezwaren in de eerste plaats theologisch zijn. Dat heeft consequenties. 

Als overtuiging X leidt tot leedwezen Y, dan is het wegnemen van X de oplossing voor, specifiek, Y. Dat wil echter niet zeggen dat je er niet weer andere problemen voor terug krijgt. Dat ziet Dehue niet. De prijs die je betaalt voor het loslaten van bv. de sacramentele heilszekerheid voor kinderen is dat je daarmee de heilsonzekerheid aanvaardt. Dit is wat de Calvinisten doen. De pijn van ouders die hun ongeboren – en ongedoopte – kind verliezen wordt niet weggenomen door de boodschap dat het doopsel hoe dan ook geen zekerheid zou hebben gebracht.

De katholieke kerk heeft met de leer van sacramentele heilszekerheid van jonge kinderen ook een vrijheid die de contemporaine Calvinisten niet hadden. Katholieke ouders wisten zeker dat hun gedoopte kind in de hemel was, waar orthodox gereformeerden maar moesten hopen dat Gods onnavolgbare raadsbesluit niet aan hun deur voorbij was gegaan.

Nu geloof ik er niet in dat je twee leedwezens zomaar met elkaar kan vergelijken, ik ben geen utilist. Desondanks kun je niet denken dat je het eventuele leed, veroorzaakt door de centraliteit van de zekerheid in de katholieke doopleer (nadruk op premissen C en F) wegneemt met de calvinistische nadruk op premissen D en E. Lijden x kun je wegnemen, maar je zal er mee moeten leven dat je er y voor terugkrijgt.

Omdat Dehue niet in staat is om theologische argumenten serieus te nemen ziet ze dus ook niet dat ze met haar lezing – en verwerping van de katholieke theologie van het doopsel – in een valse dichotomie stapt. Het is niet goed genoeg om te zeggen: "de theologische opvatting “A” heeft een nefaste uitwerking op deze specifieke kwestie en “niet-A” is daarmee als vanzelf verkieslijker".

 De onuitgesproken aanname dat elk kwaad verdwijnt als je één aanname schrapt gaat namelijk voorbij aan de onderliggende veelheid van aannames, die allemaal weer vertakt zijn met de wijdere structuur van de christelijke theologie. Wie een steen uit de muur haalt kan zomaar onverwachts een dakpan op zijn hoofd krijgen. 

Wie bijvoorbeeld C schrapt, kan niet meer in redelijkheid over God spreken, of zelfs maar de theologie bekritiseren. Wie A of B schrapt, legt een bom onder Gods goedheid. Als we D en diens verscherping E verwerpen dan God is overbodig, of erger nog: een soort Sinterklaas die iets doet omdat jij wat op je lijstje hebt gezet. F bevraagt wezenlijk de ecclesiologie, de waarheid dat God zich tot jou richt als lid van zijn volk, en niet als een soort gnostisch, individueel wezen dat is losgemaakt van alle natuurlijke en menselijke banden.

Context en pastoraat 

Zolang men in deze intellectuele knoop zat is het echter niet ondenkbaar dat men alles op alles zette om ongeboren kinderen van overleden moeders alsnog te dopen. Dat deze praktijk het meest uitvoerig werd beschreven – en aangeprezen – in de tweede helft van de achttiende eeuw is ook niet uitzonderlijk te noemen. Zoals ik eerder geschreven heb was het niet de bedoeling dat de priester zelf het mes ter hand nam. Dit was enkel denkbaar als er niemand bij de hand was. Gevallen hiervan zijn zeldzaam omdat ze alleen konden voorkomen onder hele specifieke situaties, zoals we zullen zien wanneer we komen te spreken over het enige duidelijke cluster van postmortem keizersneden die door een priester zijn uitgevoerd in Nederland. Een zaak die Dehue – ondanks dat zij pretendeert onderzoek te hebben gedaan – totaal onbekend, terwijl de archiefstukken open en bloot beschikbaar waren bij het NA en al eerder onderwerp van onderzoek zijn geweest. In totaal hebben we het tussen 1815-1871 over 10 à 12 gedocumenteerde gevallen in Nederland. Overwegend in Zeeuws-Vlaanderen. Hier zijn historische gronden voor waar ik later op terugkom.

Hoe dan ook spreken we over een historisch fenomeen. Ik ken geen voorbeelden van een priesterlijke keizersnede in Nederland van na 1871. Dat is niet zo vreemd omdat de specifieke situaties die dergelijk handelen 'nodig' dan wel wenselijk maakten (van zowel juridische, medische als politieke aard) na de jaren '50 en '60 verdwenen. De praktijk dat de priester in het uiterste geval de ingreep uitvoert is kerkelijk verboden in 1901. Vanaf dit moment was het enkel en alleen aan medisch opgeleid personeel. Om één of andere reden is het Mw. Dehue niet gelukt om het document (waar zij wel naar refereert) correct te vertalen. Ook de Franse vertaling van dit document heeft zij jammerlijk gemist. 

Zo zie je maar weer dat een gedegen vorming in oude en moderne talen niet onbelangrijk is.

Resumerend: was de postmortem keizersnede een goede zaak? Die vraag vooronderstelt meerdere onduidelijke aannames. Zo maakt het niet duidelijk welke norm we aannemen. Onze eigen morele oordelen bestaan immers ook niet in een vacuüm. Ik ben blij dat er voortschrijdend inzicht is, en we de geestelijke vrijheid hebben om te zeggen: God wil het heil van alle mensen en we gaan het heil niet nog proberen met een dwingende fysieke ingreep alsnog plaats te laten vinden. Was het in de tijd en de historische context gerechtvaardigd ? (een ander begrip!). Ik vermoed van wel. Ook omdat er goede aanwijzingen zijn dat de priester die in uitzonderlijke gevallen zo optrad hierin ook pastoraal werkte. We moeten niet zomaar aannemen dat het geweten van pastoranten per definitie geweld is aangedaan. Je kan je eigen morele standpunt niet terugprojecteren op de geestelijke behoeften en verlangens van landelijke parochianen uit de jaren dertig of vijftig van de negentiende eeuw. 

De dogmatische ontwikkeling.

Ten slotte een theologische conclusie: Nu we terugkijken kunnen we zeggen dat de Augustijnse leer over de massa damnata ook tot abjecte conclusies heeft geleid. Daarom heeft de kerk uiteindelijk ook andere stappen gezet. En om eerlijk te zijn: deze stappen zijn theologisch radicaler geweest dan je op het seminarie zou leren. Hoewel recensenten nog een beetje tegenstribbelden jegens Kolakowski's conclusie (in God Owes Us Nothing ) dat de Katholiek Kerk vanaf de achttiende eeuw feitelijk breekt met meerdere fundamentele aspecten van de traditionele Augustijnse heilsleer zit hier wel een stevige kern van waarheid in. Misschien moeten we ook anders denken over het semper eadem dat de kerk uitspreekt. De continuïteit is er één van geloof, niet per sé altijd één van theologie.

De dogmatische ontwikkeling van de kerk is geen rustige, vriendelijke, groei zoals een boom zich langzaam verheft uit een eikeltje. Misschien is eerder een vergelijking eerder te maken met het evolutionaire concept van het “gepunctueerd equilibrium”: lange perioden van stilstand worden gevolgd door snelle, radicale veranderingen. Zowel de achttiende als de twintigste eeuw kent hier voorbeelden van een dergelijke “Copernicaanse omwenteling”. De zon komt 's ochtends nog steeds op, maar onze kijk op de relatie tussen zon en aarde is omgedraaid.

Dan kun je je beklagen dat verandering te lang duurt. Dat is niet moeilijk om te doen. Lange perioden van stasis horen echter tot de aard der dingen. Het is natuurlijk makkelijk om in 2026 te zeggen dat men het in 1726 allemaal verkeerd zag. Dat is alleen geen goede historische kijk op de zaak. Liever moeten we proberen te achterhalen hoe gedachten, overtuigingen, ideeën en praktijken in 1726 werden beleefd en toegepast, in plaats van ons over te geven aan gemakzuchtige en zelfingenomen demonologie, waarin wij zélf de engelen van licht zijn, en onze voorgangers baarlijke duivels.

Over tweehonderd jaar kan er namelijk wel eens heel anders over ons gedacht worden.





1Bijvoorbeeld bij Cajetanus, die een variant maakte op het argument van het “doopsel van begeerte”, waarin de hoop werd uitgesproken dat de begeerte van de moeder voor het heil van het kind mogelijk werkzaam zou kunnen zijn.

Sunday, 1 March 2026

Tweede Zondag Vastentijd A

 In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee

en bracht hen boven op een hoge berg,
waar zij alleen waren.
Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:
zijn gelaat begon te stralen als de zon
en zijn kleed werd glanzend als het licht.
Opeens verschenen hun Mozes en Elia,
die zich met Hem onderhielden.
Petrus nam het woord en zei tot Jezus:
“Heer, het is goed, dat wij hier zijn.
Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan,
een voor U,
een voor Mozes en een voor Elia.”
Nog had hij niet uitgesproken
of een lichtende wolk overschaduwde hen
en uit de wolk klonk een stem:
“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld;
luistert naar Hem.”
Op het horen daarvan
wierpen de leerlingen zich ter aarde neer,
aangegrepen door een hevige vrees.
Maar Jezus kwam naar hen toe,
raakte hen aan en zei:
“Staat op, en weest niet bang.”
Toen zij hun ogen opsloegen,
zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.
Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun:
“Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd
voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.”

 

Beste vrienden,

 

Misschien heeft u wel eens gedacht terwijl u ergens op vakantie was - op een fijne plek, het weer is heerlijk, u bent lekker aan het eten, misschien met een glaasje wijn erbij met mensen waar u graag mee samen bent - dat u denkt: konden we hier maar blijven, kon dit moment maar altijd duren. 

 Dat kan natuurlijk niet, maar het is niet zo vreemd als u dat voelde. Petrus, in deze lezing dacht er ongeveer hetzelfde over. Jezus laat zien wie hij werkelijk is, een gelukzalig moment, en Petrus wil het vasthouden. In de andere evangelies staat er dan bij: “Petrus wist niet zo goed wat hij zei”. Dit evangelie is iets beleefder.

Het evangelie van vandaag, het evangelie van de gedaanteverandering is een rijke maar moeilijke tekst. Het is een tekst die als het ware zich in drie dimensies uitbreidt. We zouden er door kunnen worden overdonderd net zoals de leerlingen.

We zien Christus gemanifesteerd in zijn Glorie, terwijl hij op weg is naar Jeruzalem om het lijden te ondergaan.

We zien een openbaring van wie hij ten diepste is. Het beeld van de Vader, Hij die van eeuwigheid was – en tegelijkertijd moeten de leerlingen die boodschap geheimhouden.

We zien zowel het verleden – door Mozes en Elia – als de toekomst – Jezus in zijn Heerlijkheid en een raadselachtige opdracht voor het heden.

 En op één of andere manier wordt dit allemaal in evenwicht gehouden. Bovenop de berg Tabor in Israël.

 Laatst moest ik denken aan een boek uit mijn kindertijd. Misschien kent u het wel want het is heel bekend, en er zijn tegenwoordig ook films van: de Narniaverhalen van de Engelse schrijver CS Lewis. Het eerste deel is De Leeuw, de Heks en de Kleerkast. Het verhaal gaat over vier kinderen, broers en zussen van elkaar die door de magische kleerkast in het land Narnia terechtkomen en daar allerlei avonturen beleven. Aan het eind van het avontuur worden ze koningen en koninginnen van Narnia. Maar ook koningen en koninginnen kunnen niet voor altijd blijven in dat magische land. Op een gegeven moment moeten ze weer terug naar de gewone-mensen-wereld. Maar ze hebben wel heel veel over zichzelf geleerd.

 Ook de leerlingen moeten zichzelf ontdekken terwijl ze op tocht zijn met Jezus. Wij reizen even mee.  Ze maken een vermoeiende tocht naar de top van de berg Tabor, en de leerlingen voelen zich al bedrukt. Jezus heeft al aangekondigd dat hij het lijden moet ondergaan. Ze gaan een onzekere toekomst tegemoet. En als bovenop de berg Jezus toont wie hij werkelijk is denkt Petrus natuurlijk: als we dit moment nu vasthouden, dan is ons moeilijke leven voorbij, dan kunnen we hier altijd zijn. 

Niet alleen met Jezus maar ook met Mozes en Elia, de helden uit hun jeugd waar ze alle boeken over gelezen hebben. Die paar momenten van goddelijke heerlijkheid zijn zo grandioos dat ze zich er met man en macht aan willen vastklampen. Ze willen op de berg blijven en genieten van al die mooie dingen. Maar het kan niet. Ze moeten ook weer van die berg af weer op weg gaan naar Jeruzalem. Ze zijn op die berg Tabor om iets te leren over henzelf. Om te ontdekken wie zij zijn en wie Jezus is.

Wat is het dat zij hebben geleerd? Drie lessen:

De eerste les, denk ik, is dat er geen toekomst is zonder een verleden. Dit geldt voor alles, dit geldt voor ons, en het geldt voor het geloof. Je komt nooit verder als je je verleden zomaar afwijst als je vergeet wie je bent heb je geen toekomst. Het is geen toeval dat als Jezus zich toont in zijn glorie, laat zien wie hij van eeuwigheid is en zijn zal , dat Mozes en Elia bij hem verschijnen. Mozes symboliseert de Wet, en Elia de Profeten. Samen zijn Mozes en Elia het joodse geloof van alle voorbije eeuwen. Christus is de toekomst, maar hij is niet de toekomst die het verleden afwijst. Hij is de toekomst die het verleden omarmt en meeneemt naar nieuwe grote hoogten. 

De tweede les, is dat we niet in het verleden of in de toekomst kunnen wonen. Welke mooie herinneringen we ook hebben of welke spannende vergezichten we ook te zien krijgen, we kunnen ze niet vasthouden, we kunnen ze niet tot het “nu” maken, want het nu is altijd een opening in de tijd, een moment van vrijheid waarin we - bijgelicht door het verleden en de toekomst – ons leven vorm kunnen geven. 

En we kunnen ook niet vooruitlopen op de toekomst. Alles moet op zijn eigen tijd gebeuren. Daarom moeten de leerlingen geheim houden wat ze allemaal gezien hebben. Het is hun taak om dit alles in hun hart te bewaren tot de tijd gereed is om de waarheid over Jezus te verkondigen. Die tijd is straks, maar nu nog niet. 

De derde les is hoe we in het heden moeten staan. Hoe moeten we dat “nu” beleven? God zelf vertelt ons dat op het moment dat Petrus en de leerlingen worden geconfronteerd met het feit dat ze niet op de berg kunnen blijven, ze horen: “Dit is mijn Zoon, de welbeminde, luistert naar Hem”.

Elke dag opnieuw mogen wij op zoek naar wat Jezus ons te zeggen heeft. Elke dag opnieuw mogen we op zoek naar zijn wil voor ons leven en kunnen we mogelijkheden vinden om zijn opdracht in ons leven waar te maken. We hoeven niet steeds terug te bladeren hoe het vroeger alweer ging, en we moeten zeker niet al gretig uitkijken naar het slot van het verhaal. Elke dag heeft zijn eigen diepe betekenis. 

De reis door ons leven wordt dan óók een reis naar de kern van ons leven, we leren langzamerhand wat belangrijk is, en wat niet. We leren welke wegen dood lopen, en waar de onverwachte openingen zijn. 

Dat is soms een onzekere tocht. We weten niet altijd of we de goede kant opgaan. Maar we mogen wel geloven altijd op deze toch te worden geleid door Christus zelf.

Als we op deze tocht blijven verdwalen we niet, maar leren we steeds opnieuw dat al onze avonturen uiteindelijk deel uit gaan maken van het verhaal van Christus en zijn Kerk. Een verhaal dat begonnen is in het verborgen hart van God en tot voltooiing zal komen in de eeuwen der eeuwen, Amen. 

Saturday, 28 February 2026

Zijn Feiten Maaksels? (Dehue, II)

 Sinds december verschijnen verhalen in de media dat priesters bij gelegenheid  (levende) zwangere vrouwen opensneden om de vrucht te dopen. Trouw, EO en de Groene Amsterdammer hebben deze aantijgingen zonder enige vorm van kritische toetsing overgenomen. 

Ik heb eerder iets geschreven over de aantijgingen die Trouw overnam, en waarom deze niet op werkelijkheid kunnen berusten.

 Inmiddels blijven de aantijgingen maar worden herhaald, nu weer door de Groene Amsterdammer, waardoor een verdere repliek nodig is. Gezien de complexiteit zal dit enige tijd vergen en uitgespreid worden over meerdere blogs. Het is makkelijk om iets te zeggen, maar inhoudelijk spreken is een stuk uitdagender, zeker als je dat met enige integriteit wil doen. 

De aantijgingen zijn ontleend aan het boek 'Ei, Foetus, Baby' van voormalig hoogleraar Trudy Dehue. Ondanks dat het boek stelt dat het aan 'wetenschapsgeschiedenis' doet, maakt het deze claim in werkelijkheid niet waar. 

Omdat ik me eerder zijdelings heb beziggehouden met het - vrij zeldzame - fenomeen van de postume keizersnede door priesters zal ik over dát specifieke onderwerpen e.e.a  schrijven. Priesters verrichtten geen operaties op levende vrouwen. Het was priesters in het toenmalige kerkrecht zelfs ten strengste verboden om chirurgische handelingen uit te voeren. Uitzonderingen zijn op één hand te tellen. De poging om een ongeboren kind te redden, en zo mogelijk te dopen als de zwangere vrouw was overleden, was echter een ándere kwestie omdat het hier niet meer om een ingreep om een levend persoon ging. 

(de theologische vooronderstellingen die hier onder liggen zijn relatief complex en staan ver van ons af, daarom zal dat onderwerp zijn voor een vervolgstuk) 

Ik heb in de afgelopen maanden archiefstukken en aantekeningen verzameld voor een inhoudelijkere studie naar het fenomeen van de postume keizersnede. Onder andere was ik benieuwd naar de mogelijkheid om vast te stellen hoe vaak dit in Nederland voor kwam. Het is mijn vermoeden dat het vrij zeldzaam was, ik heb een dozijn gevallen in Nederland geïdentificeerd, tussen 1815 en 1871. 

Dat wil niet zeggen dat er ook precies een dozijn gevallen wáren. Van meerdere aantijgingen tegen priesters weten we dat ze vals waren (zoals we later zullen zien in de "zaak Schinveld" waar mevrouw Dehue ettelijke bladzijden aan besteed.) aan de andere kant ging het per definitie om een discrete zaken die wel vaak documentair werden vastgelegd (bijvoorbeeld in correspondentie met kerkelijke overheden of pastoriejournaals) maar die niet even makkelijk te vinden of te doorzoeken zijn. Wie niet wéét waar hij of zij naar op zoek is en geen Latijn kan lezen verdwaalt onherroepelijk in de papierstapels. Verder zouden archiefbronnen als de (geneeskundige) Provinciale Commissies van Toezicht, ihb de rapporten van de vroedmeesters inzicht kunnen bieden. Ook de archieven het voormalige Departement voor RK Eredienst omvatten enig materiaal. Ik denk echter niet dat we aan honderden gevallen gaan komen. Waarom niet, zal ik later op terugkomen. Ik vind het oordeel dat het om een zeldzame praktijk ging voorlopig goed te rechtvaardigen, ik zal later uitleggen waarom. 

Mede door een recente groei aan verantwoordelijkheden zie ik echter weinig ruimte om de komende tijd nog veel archiefonderzoek te doen. Mocht het er nog van komen zal dat niet in de komende jaren zijn. Dat is jammer want ik heb in een aantal archiefbronnen een goudader aan materiaal gevonden. de komende blogs zijn gebaseerd op dát specifieke materiaal. 

De aantekeningen die ik heb zijn in ieder geval voldoende om eenduidig aan te tonen dat de aantijgingen van Dehue, zeker waar het een aantal voor haar prominente voorbeelden betreft, berusten op een fundamenteel onbegrip van de bronnen, een ernstige  misrepresentatie van de theologische literatuur, en een haast volledig ontbreken van archiefonderzoek. De aantijgingen in Ei, wijzen op een extreme vooringenomenheid die geen kritische benadering toelaat. 

De problemen met het werk van Dehue zijn niet incidenteel, maar fundamenteel. De intellectuele vooronderstellingen van deze studie maken al dat zij haar narratief immuniseert tegen elke vorm van kritische feedback. 

Het probleem begint al op de eerste pagina's van haar boek. Feiten, zo beweert zij, zijn maaksels (Dehue 2023, 9-11). Zij maakt hier gebruik van een vorm van constructivisme die diepzinnig lijkt, maar het niet is. 

Er is natuurlijk een zekere zin waarin we kunnen zeggen dat feiten - samengebalde propositionele uitspraken over de werkelijkheid - maaksels zijn. Er is geen feit zonder een taal waarin we deze uitdrukken. Er is geen historisch feit zonder een geschiedkundige praxis. Een dergelijke praxis, of de conclusies daaruit kunnen en moeten worden bevraagd. Alleen al daarom kunnen we nooit zeggen dat de geschiedwetenschap ooit "klaar" is. De geschiedwetenschap, net als andere humaniora, maken deel uit van de eindeloze dialoog die mensen met elkaar voeren. 

Er kunnen nieuwe bronnen naar boven komen, de manier waarop we naar bronnen kijken kan veranderen. We hebben meer technische of statistische technieken om informatie te kunnen duiden en zo enigszins tastend iets zinnigs te zeggen over het verleden. 

Het omgekeerde kan ook gebeuren: tijdvakken raken in vergetelheid.  Kennis van het Latijn verdwijnt. Paleografische en archiefvaardigheden verdwijnen ten gunste van hap-slik-wegschrijverij en waar ooit kritische distantie mogelijk was, heerst nu onbegrip. De beschaving marcheert niet altijd voorwaarts. 

Zonder kennis van het kerkelijke leven in de 19e eeuw, een idee wat moraaltheologische teksten zijn en doen, of kennis van kerk-staat verhoudingen, of religieuze vrees in Nederland, is het vrijwel onmogelijk om iets zinnigs te zeggen over dit marginale - maar interessante - fenomeen als de postume keizersnede. 

Een antirealistische epistemologie is ook zo`n dergelijke - negatieve -  factor. Het is gevaarlijk om de empirische onderlaag, de bronnen voor de geschiedschrijving te gaan verdisconteren. Toch is dit makkelijk om te doen. 

Bronnen zijn immers altijd gefragmenteerd, episodisch, opgesteld door mensen met bepaalde doeleinden. Archiefonderzoek is frustrerend. Je vindt zelden wat je hoopt. Doorgaans vind je iets anders. Soms stuit je op een prachtige, onvermoede bron en gaan stemmen klinken die eeuwen niet gesproken hebben. Vaker dan niet trap je tegen een stomme steen. Veel stemmen uit het verleden zijn overgeslagen, en veel geschiedenis zal nooit worden achterhaald. Het is dan makkelijk om te zeggen dat je wat minder boodschap hebt aan de empirie, en in tegenstelling daarvan het narratief - vanuit een werkelijk of vermeend standpunt laat primeren.

In plaats van de frustrerende en onbevredigende zoektocht naar wat er werkelijk gebeurd zou kunnen zijn, te volgen, probeer je een sluitend verhaal te construeren, Het liefst één met slachtoffers en daders die een duidelijke rol hebben. Omdat de mens zichzelf in narratieve termen begrijpt (Zie o.a. Macintyre, After Virtue ) gaat er een grote verleiding van het verhalende uit. Zonder duidelijke binding aan de werkelijkheid, en de mogelijkheid om deze te blijven toetsen wordt een narratief al gauw een dwingend, totaliserend en - uiteindelijk -  totalitair verhaal. Zoals de taal ons denken beheksen kan, zo geldt dit nog meer voor krachtige, besmettelijke verhalen. 

Mw. Dehue sluit een dergelijke kritische toetsing van haar eigen narratief uit. Als feiten slechts maaksels zijn, slechts uitingen van machtsrelaties hebben ze geen zelfstandige kritische macht. We zien in haar boek dan ook het lange spoor van de vulgarisering van bv het denken van Foucault. Helaas is mw. Dehue zèlf geen Foucault. Dan had zij misschien ook begrepen dat zij misschien op dit moment de macht is die momenteel het discours bepaalt en - letterlijk - feiten maakt waar ze niet te vinden zijn.  

Op pagina 11 zien we al een zin waarin we de bordkartonnen fundamenten van Ei ... zien worden opgetrokken. 

Wetenschap, schrijft zij, zet de realiteit vooral naar menselijke hand (...) het woord 'feit' stamt ook af van het Latijnse 'facere' dat 'maken' en 'handelen', wat het idee op zich al samenvat. (Ei, 11)

In de wijsbegeerte noemen we dit een etymologische drogreden: de gedachte dat de oorsprong van een gegeven woord ons iets vertelt over de huidige betekenis. Dat is geenszins het geval. Het Latijnse woord factum vat namelijk helemaal geen idee samen dat mw. Dehue wel of niet zou hebben. Ons begrip van 'feitelijkheid' is door en door modern en het huidige woord 'feit' werd pas via een lange omweg in de tweede helft van de negentiende eeuw voor het eerst gebruikt in de betekenis die het nu heeft. (Het EWN houdt het op 1866) 

Dit is het begin van een patroon dat we door het hele boek heen zullen zien. Bij ontstentenis van kritisch vermogen gaat de auteur vrij associëren, irrelevantia er bij halen en zelfs dingen verzinnen, alles om het aantrekkelijke, spectaculaire, verhaal maar sluitend te krijgen.  

Zoals gezegd, er is een volwassen, wijsgerige manier om het over de constructie van kennis te hebben. Daar is hier geen sprake van. Vulgair-constructivisme kan echter ook een manier zijn om jezelf een geestelijke vrijbrief te geven om te pseudologiseren, en zo de werkelijkheid uit te wissen. Dat laatste vinden we terug in het werk van Dehue.

Ik zal in komende stukken één specifieke casus die zij aanhaalt ontwarren, op grond van archiefonderzoek dat zij zelf heeft nagelaten te doen. De archiefbronnen suggereren dat er een geheel ander verhaal is, dat éérder op zekere bodem staat. Ironisch genoeg is dat juist een verhaal over machtige mensen die de werkelijkheid zélf naar eigen hand willen zetten. Die poging mislukt. 

Het zal in de komende blogs duidelijk worden hoe feit en fabel  in haar teksten  structureel in elkaar overlopen, en ze daardoor het werkelijkere - en spannendere verhaal dat onder de bronnen ligt - niet herkent. 

Wordt vervolgd. 







Thursday, 19 February 2026

Eerste Zondag Vastentijd A


Beste mensen,

Eerder was ik een stukje aan het schrijven over de Vastentijd, en ik zocht daar een plaatje bij. Dat had wel wat voeten in de aarde, want je breekt je voeten over alle goedbedoelde clipart met zachtbruine kruisjes in zachtgele woestijntjes. Als u mij een beetje kent weet u, ik ben daar niet zo van. Dan maar, dacht ik, een schilderij. Maar dat verlegde het probleem alleen maar. De ene na de andere triomfantelijke Jezus die de duivel als een vervelende bromvlieg van zich afslaat. En de duivel heeft natuurlijk ook bokkenpoten en dikke hoorns op zijn hoofd. Anders herken je hem niet.

Dat spreekt me ook niet aan. Het lijkt allemaal te makkelijk. Als het allemaal zo makkelijk was hadden we vandaag een lege pagina gehad in het Evangelie. Er was niks gebeurd om over te vertellen. Ja de duivel kwam even buurten, hij was goed te herkennen hoor. Maar één klets wijwater en een plechtig gebed uit het Rituale Romanum en het was weer gedaan.

Nee, daar gaat de evangelist geen moeite voor nemen om zo`n bagatel op te schrijven.

En toen kwam ik een ander schilderij tegen. Ivan Kramskoy, Christus in de Wildernis, 1872. Het is in de vroege ochtend, het licht is koud. En Jezus zit er een beetje verlaten bij. In de wildernis. En je ziet verder niemand. Ook geen duivel. Want de duivel loopt niet rond in zijn boevenpak hè? De strijd vindt van binnen plaats. Jezus heeft het er maar moeilijk mee. Zijn handen zitten verkrampt inééngestrengeld.

Het is een heftig schilderij. Maar eerlijk. Het vertelt de waarheid.

Want de waarheid is: ieder mens heeft een haakje. Ieder mens kan ergens mee worden verleid. (Of je daar op ingaat of niet is een tweede, maar verleiding voelen kan iedereen.) Iedereen kan zichzelf uit handen geven voor iets wat hij heel graag zou willen. Iets dat niet tot de kern van je leven behoort, iets wat je zelfs afleidt van wat je echt moet doen… Maar waar je je zo toe aangetrokken voelt dat je het moeilijk kan laten liggen.

Ieders verleiding ligt ergens anders. Er is zelfkennis voor nodig om te weten waar zo`n haakje zou kunnen zitten, en wat dat haakje gaat doen als je er ruimte aan geeft. Er zijn hele oppervlakkige verleidingen, net zoals er oppervlakkige mensen zijn. Seks, bijvoorbeeld. Heel oppervlakkig. Erg effectief, bij veel mensen.

Aan de verleidingen ken je de mens. En we mogen nu even in het hoofd van Jezus kijken. Hij geeft zich bloot. We zijn in de vastentijd, Jezus wordt van alles ontdaan, op weg naar het kruis. En het eerste waar hij van ontdaan is de illusie van onkwetsbaarheid. Jezus kan worden verleid, met een aantal hele specifieke dingen. En die vertellen ons iets over wie Hij is. We gaan even kijken.

Drie dingen, die hij zou kunnen doen. Maar die gaan afleiden. Heel slecht uit gaan pakken.

De eerste. Stenen in brood veranderen. Vrij van gebrek zijn. Niks meer tekort komen. Het lijkt niet eens zo gek. Het lijkt niet op overdaad. Er staat niet stenen in juwelen, of stenen in goud, dat je alles kan kopen wat je wil! Nee, stenen … in brood. Gewoon vrij zijn van angst voor gebrek. De zekerheid hebben van dagelijks brood. Zekerheid van leven….

Daar zouden veel mensen wel wat voor over hebben. Hier tekenen op de stippellijn Jezus. Je hoeft maar een klein beetje buiten de lijntjes te kleuren. Niemand hoeft het te zien, niemand hoeft het te weten. Maar hij doet het niet.

Als mensen om hem heen in onzekerheid leven, dan deelt Hij die onzekerheid. Hij staat er niet boven.

Dan pakt de Verleider uit. Hij zet nu groots in. Macht. De koninkrijken van de wereld. In jouw handen. Je kan de keizers voor je laten knielen. En ook weer, ik denk niet dat dat is omdat Jezus Superkeizer wil worden. Kijk: sommige mensen zijn machtswellustelingen. Ze zullen alles en iedereen kapotmaken om maar een greep naar de holle kroon te kunnen doen. Zelfs hun vrienden en bondgenoten vallen ze in de rug aan! Onvoorstelbaar! Maar Jezus is niet één van die mensen.

Maar stel dat je macht zou krijgen om goed te doen. Dat je mensen zou kunnen dwingen zich te gedragen, dat je maar een woord van macht hoeft te spreken – zoals Jezus tegen de boze geesten doet – en zelfs de grootste tiran verwelkt acuut, en trekt zich met zijn legers terug, en laat de mensen gerust. Een Ring van Macht om je vingers. Om goed te doen.

Maar wie In de Ban van de Ring gelezen heeft weet dat je een Ring van Macht niet ongestraft om je vinger kan schuiven. Dat is niet hoe macht werkt. En Jezus is gekomen niet om te heersen over de wereld, maar om alles wat in de wereld speelt te ondergaan.

Macht is dan een afleiding. Nog gevaarlijker dan goochelbrood! Niks daarvan!

Dan komt de derde. Het klinkt raar, van de Tempelpoort afspringen en veilig landen. Wat is dat nou voor verleiding. Het gaat niet om alleen maar onkwetsbaarheid. Het gaat om iets anders. Aandacht. Erkenning.

Dat de mensen zien wie je bent. Je wel moeten erkennen. Want je staat overal boven. Iedereen kan je zien neerzweven. Vervuld van Goddelijke kracht. Niemand gaat je ooit vergeten! Je hebt de zekerheid dat je nooit vergeten wordt, de zekerheid dat iedereen je fantastisch vindt. De waardering waar je recht op hebt. Die kun je krijgen! Even een klein sprongetje. En dan ben je nooit meer alleen.

Nooit meer alleen.

Wat moet Jezus eenzaam geweest in zijn leven. In Nazareth. Maar daarna ook. Want die drie verleidingen gaan van kwaad tot erger, ze gaan recht in Jezus zijn ziel. De duivel pelt Jezus af als een ui.  

Angst voor gebrek, één. Dat is nog maar de buitenkant. De wil om goed te doen, dat is twee. Dat is wat Hem motiveert! De wereld genezen! Maar daar dan nog onder ligt een kern, de angst voor verlatenheid. Het verlangen dat een ander je ziet, erkent, waardeert.

Nooit meer alleen.  

Ja, die komt het meest dichtbij.

Maar hij moet een andere weg gaan. Zijn koningschap ligt niet op tafel. Hij heeft lang in het verborgene moeten leven – terwijl zijn grote verlangen is om gekend te zijn. Te worden begrepen. Leerlingen, apostels om zich heen ja. Maar die begrijpen hem vaker niet dan wel.

Eenzaam, zelfs binnenin je eigen groep.

En uiteindelijk aanvaarden dat je wordt afgewezen. Dat mensen om je heen weglopen, je achterlaten.

En uiteindelijk de diepste verlatenheid, dat Jezus aan het kruis zelfs zijn verbondenheid met God niet meer voelt. “Mijn God mijn God waarom hebt gij mij verlaten… “ En zelfs wanneer hij dat zegt wordt hij nog niet begrepen. De mensen denken dat Eli Eli lama sabachtani betekent dat hij om Elia roept.

En toch haalt hij het ergens vandaan dat hij nee zegt. “Nee. We gaan God niet op de proef stellen”, want zelfs als je slaagt voor de proef, zak je er voor. Dat is niet waar je voor kwam. Maar dat antwoord moet uit zijn tenen gekomen zijn.

Waarom kan Jezus nee zeggen tegen deze drie verlangens, die hem zo ter harte gaan? Waar haalt hij de kracht vandaan om nee te zeggen? Ik dat gewoon een soort infuus van boven? Nee. Het is geen toverij. Jezus kan nee zeggen tegen de verleiding omdat hij zelfkennis heeft.

Hij weet wie hij is. Hij kent zijn relatie met God. Hij voelt waarheen zijn roeping gaat. Nog niet volledig scherp. Maar er zijn genoeg contouren. En hij weet waar zijn eigen zwakheden liggen. Hij kent zijn eigen angst en pijn. Hij doet niet alsof hij onkwetsbaar is. Zonder zonde, ja, maar niet zonder littekens. En enkel als je je littekens kent heb je vrijheid om de haakjes die je kunnen vangen te zien.

Wij bevinden ons nu ook in een woestijn, geen letterlijke natuurlijk, maar wel voor veertig dagen. Wij zijn uitgenodigd om afleidingen terug te brengen tot een minimum. Niet om onszelf te pesten maar zodat we ons beter leren kennen. Zelfkennis kweken in het licht van God. Doen we dat niet, krijgen we onszelf niet helder, dan komt ook onze relatie met God niet uit de verf.

Sterker nog: we kunnen dan makkelijk worden afgeleid door iedereen die een haakje op ons pad gooit. (En vaak hebben we geen duivel nodig, wij zijn zelf wel onze ergste vijand, daarom moeten we ook van onszelf houden!)

We groeien in zelfkennis, niet uit paranoia, maar omdat we weten dat we sukkelaars zijn – kwetsbare mensen. Mensen met gaten in ons hart. En in zo’n gat past altijd iets wat ons niet verder helpt.

Voor de één erkenning, die je nooit gehad hebt. Voor de ander échte intimiteit, warmte met je medemens. Voor de ander de koortsige obsessies met de wereld, die onbeheersbaarder is dan ooit. Dat als we maar steeds langer in die afgrond staren we er wél grip op krijgen. Voor veel mensen: angst voor auto, woning, welvaart. Dat we maar geen stap terug moeten doen! Wat zijn veel mensen daar bang voor. En ik ga er ook niet lacherig over doen. De angst is echt, want het gat in ons hart is echt. We moeten er mee leren omgaan en dat kan niet door te doen alsof die gaten er niet zijn. Of dat we er zomaar “boven staan”.

Als (als!) je er boven staat, dan heb je er eerst lang mee gevochten. Het is nooit zomaar klaar.

Mogen we onszelf zo weer leren kennen in  deze tijd. Opnieuw leren wie wij zijn, gatenkaas en al, vanuit onze relatie met God. Wordt dat helderder, dan zijn we ook vrijer, moediger, en , ja, sterker. Dan kunnen we ook datgene aan wat de wereld ons toewerpt. Want wat het ook is, we staan er nooit alleen voor.

Amen.

Saturday, 14 February 2026

Carnavalszondag

 

Één blik genoeg


Hier zijn wij nu saam'gekomen

Gelovigen en wat minder vromen


Want ieder kan hier samen zijn

Op het carnavalsfestijn


Het thema is één blik genoeg

En wij zien hier een hele ploeg


Prins Thomas II, zijn protocol

die zijn goed voor heel wat lol


Welkom prins, en adjutant

Het carnaval is in goede hand


Jeugdprins Jantje en Gevolg 

Carnaval krijgt een vervolg 


Waar zouden we zonder hofdame wezen?

Prins, heeft u haar goed geprezen?


Meneer de pliessie is aanwezig

Hopelijk raakt hij niet té bezig!


En ook de nar, de ziel van het feest

Brengt ons in de juiste geest


Gevolg, bestuurderen en raad

Zorgen voor het resultaat


En u allen feest'lijk uitgedost

En strakjes naar weer buiten host.


Het feest van carnaval, vieren we samen

Wat gaan we deze keer uitkramen?


Een boodschap uit een oud verhaal

U hoorde het, 't is heel speciaal


God die de mensen heeft gemaakt

Heeft zijn eigen taken nooit verzaakt.


Mensen doen soms gekke dingen

Soms zo gek, dat ze weggingen


In `t paradijs was alles goed

Er was maar één ding wat niet moest


Snoepen van de grote boom

Maar samen hadden ze geen schroom


Adam en Eva deden dat toch

, samen, wat niet mocht.


Maar ook al was dat echt niet goed

Ze gingen het samen tegemoet.


Ze moesten weg uit `t paradijs

Maar gingen samen dan op reis


Een nieuwe plek, dat was erg zwaar

Maar ze waren er samen, als paar


Wat telde, ze keken elkaar aan!

Zo kun je samen blijven staan


Heb je aan een blik genoeg

Dan sta je sterk in al `t gezwoeg


Het geldt voor ons, maar ook voor God

Hij kijkt je aan, dat trekt je vlot


In het leven sta je nooit alleen

Je hebt mensen, engelen, en God om je heen


Soms moet je dat wel leren

want wat anderen soms wel beweren?


Dat je alleen op jezelf kan bouwen!

Dat je niemand kan vertrouwen!


Soms klopt dat deels, het zit soms tegen

Je zit niet in de drup, wel in de regen


Misschien heb je verkeerd gedaan

Zien anderen je niet meer staan


Zo als Zacheus de tollenaar

een kleine, nare, ambtenaar


Hij maakt de mensen geld afhandig

maar geeft niks terug. Da's best vijandig!


Dan gebeurt er wat, er is een toeloop!

De mensen hoopten, dat hij afdroop


Maar Jezus is niet zomaar iemand

Hij is voor mensen aan de zijkant


Zacheus wil dat toch graag zien

Dus klimt hij, een beetje clandestien


In een boom die daar maar staat

Omdat niemand hem er bij laat


Hoe hij ook stond te springen en te doen

hopend op een visioen


Want als je iemand echt leert zien

stap je uit't dagelijks stramien


krijg ook jij een nieuwe blik op dingen

gaat er een streep door rekeningen!


En zo kijkt Jezus hem dan aan

Alsof hij nooit iets anders had gedaan


Hij begroet hem als een oude vriend

Alsof Zacheus dat verdient!


De mensen zijn wel wat ontstemd

Vinden Jezus ongeremd


Weet hij wel niet wat Zacheus deed?

Hoe hij ons in de vingers sneed!?


En al dat geld, ons afgepakt?

Nou zij hebben hem uitgekakt!


Maar Jezus kijkt, met nieuwe blik

en tussen hen ontstaat een klik


een nieuwe wereld kan beginnen

Er is ontzettend veel te winnen


Als je afstand doet van het kwaad

En wat je verdiende met het onraad


misdaad, bedrog en slechte plannen?

Niks daarvan ga je vermannen!


En zo maakte Zacheus alles goed

En komt hij Jezus tegemoet


Jezus hoeft het hem niet te zeggen

Om zijn winst zo neer te leggen


Eén blik maakt alles klip en klaar

Geen praatjes meer, of commentaar.


Zacheus maakt een nieuw begin

En kan nu ook anderen weer aanzien



Nu zijn wie hier vandaag bijeen

Deze zondag, en niet alleen


We hoeven niet in een boom te klimmen

Om ons leven bij te trimmen


Een beetje aandacht voor wie wij niet zien

Dat zorgt al gauw voor pret voor tien


Carnaval is't als ieder meedoet

En elkaar op straat ontmoet


Gaat straks uiteen in polonaise

Dan vergeten wij malaise


Vergeet niet elkaar vast te houden

Weg van wat ons zou benauwen


Vier veilig en kom ook weer terug

In de vastentijd, dat is al vlug


en voor je het weet, dan is het Pasen

Een nog groter feest, `t zal je verbazen!


Gods zegen over jullie samen hier

Dat `t smaken mag, één of twee glaasjes bier

Ik wens u allen , een goede zwier


Hierna volgt dan de collecte 

Gerinkel tussen alle gekte 


Draagt u allen ook wat bij 

Zijn wij ook in de Vasten blij.


Amen.