Saturday, 4 April 2026

Paaszondag 2026

 De leerlingen hebben heel wat meegemaakt met Jezus. Ze zijn drie jaar met hem opgetrokken, vanaf het begin bij het meer van Galilea, door dorpen en steden binnen en buiten de grenzen van het Joodse land. Ze hebben gezien en gehoord wat Jezus verkondigde. En het bleef niet bij woorden, er waren ook tekens die wat hij zei kracht bijzette.

Niet iedereen ziet evenveel, en wie het wel ziet snapt het niet altijd. En wie het wel snapt mag er soms niks over zeggen. Als ze op weg zijn naar Jeruzalem, waar alles moet gebeuren beklimt Jezus met de drie naaste leerlingen de berg Tabor. Daar laat hij zichzelf zien in goddelijk licht. Dat is een grote openbaring. Maar die is niet voor iedereen op dit moment. Dat komt pas later.

Het lijkt wel dat hoe groter het wonder is des te minder mensen er bij mogen zijn. Dat zien we door het Evangelie heen. Tabor, zoals we gezegd hebben, enkel de drie hoofdleerlingen. De opwekking van het dochtertje van Jaïrus zijn ook alleen die drie er bij: Petrus, Johannes Jacobus.

En zo is het ook in de tuin van olijven, kort voor dat Jezus zijn lijden in moet gaan: alleen die drie zijn er bij. Maar alleen lichamelijk. Ze zijn in slaap gevallen terwijl Jezus bidt. Hier, op de grens, lukte het niet meer om er bij te blijven. Er gebeurt iets dat boven-menselijks is, zelfs niet meer vatbaar is voor de meest gecommiteerde leerling.

Na door het lijden en de dood heen te zijn gegaan – waar van de leerlingen enkel nog Johannes onder het kruis stond wordt het leeg en stil. Als Jezus in het graf is gelegd is er zelfs geen leerling meer te vinden. Ze hebben zich verstopt. Willen zich niet meer laten zien.

In de nacht, wanneer er niemand meer is, op het absolute nulpunt vindt de Verrijzenis plaats. Er zijn geen getuigen van de Opstanding zelf. Niemand was daarbij.

Als het inderdaad zo is dat hoe groter het wonder, des te minder mensen er bij zijn, dan weten we dus zeker. Met de Verrijzenis wordt alles anders.  Er is nu een nieuwe realiteit. Het oude heeft een zin en betekenis gekregen die het zelf nog niet vat. Het enige wat de eerste getuigen zien is het lege graf, en het getuigenis van de engelen. En er is geen leerling in zicht.

De eersten die het zien zijn de vrouwen. Dat is belangrijk, want volgens de Joodse Wet kon een vrouw geen getuige zijn. Enkel de verklaring van een man was betrouwbaar. Wat de leerlingen betreft is dat verhaal van het lege graf dus een absoluut nulpunt, een leeg verhaal over niks.

Dat moet ons niet verbazen, dit is niet alleen maar een verhaal over vooroordelen. Het past volledig in het Bijbelse patroon. De eerste wordt de laatste, de kleinste wordt de grootste en hoe belangrijker de boodschap is, des te beperkter is – in eerste instantie – het publiek. In kwantiteit en – naar menselijke maatstaven – kwaliteit.

Als alle leerlingen in een grote cirkel om het graf hadden gestaan, stopwatch erbij, met confettikanonnen en gastoeters, en het feest was losgebarsten als ze de steen omver zien vallen en Jezus als Johan Cruyff juichend, als na de Onmogelijke Goal tegen Atlético naar buiten komt….  

Dan had dat niet geklopt. 

Dat voelt verkeerd. 

Dat is niet hoe God te werk gaat.

God werkt het meest op de plek waar niemand op let, of waar de mensen rondlopen die er niet toe lijken te  doen. Zo beredeneerd kan de Verrijzenis enkel in stilte plaatsvinden, in het holst van de nacht, zonder iemand er bij. De wachters zijn weggevlucht of in slaap gevallen. En daar gebeurt het.

Wat blijft er over voor de getuigen? Een leeg graf, zwachtels, de zweetdoek netjes opgevouwen. En zo groeien de vragen, zo groeit de openheid voor dat het einde misschien wel niet het einde is. Er zal nog tijd overheen moeten. Paasvolk ben je niet van de één op de andere dag. Je moet als het volk in de woestijn langzaam het oude afleren om ruimte te maken voor het nieuwe.

God werkt altijd aan iets nieuws. Wat verloren lijkt kan zomaar weer een nieuw begin krijgen. Maar één ding weten we zeker. Dat nieuwe begint op een plek waar wij niet op letten. Dat nieuwe bevindt zich in onze blinde vlek, onze dode hoek en bij mensen die we niet goed zien. De eerste die er ons over vertelt is waarschijnlijk iemand die we niet willen geloven. Omdat we dat zo geleerd hebben, of we dat zo verwachten.

Wij leven hier en nu ook in een tijd waarin veel ophoudt, oude zekerheden verkruimelen. Misschien gaan een aantal dingen waar we zo vast in geloofden en ons aan vastklampten ook écht voorbij. Net zoals het koninkrijk van Herodes voorbijging, of de tempel voorbijging, of het Romeinse Rijk. Als de  tijd van leven voorbij is, dan is dat onvermijdelijk. Vastklamperij zal dan ook het verschil niet maken. Maar er komt ook weer iets nieuws. Of, datgene wat voorbij ging, krijgt een nieuw en onvermoed leven. Waarschijnlijk moet je daar dan wel voor eerst door lijden heen, of door een tijd van sterven en afsterven. Het nieuwe is een geschenk. Het is gratis maar niet vrijblijvend. De nieuwe toekomst vinden, volgen en bevestigen zal veel vragen. Maar dat ligt in de toekomst.

Voor nu is er vreugde, die mag groeien. De leerlingen mogen de verrezen Jezus opnieuw leren kennen. Hij gaat hen voor naar Galilea. Ze reizen weer door die oude streek, maar dan op een nieuwe manier. Zo gaan ze nieuwe mensen leren zijn. Wij mogen nu (vannacht/ in deze ochtend) delen in die vreugde. Vreugde dat God iets nieuws maakt, daar nooit mee ophoudt. De God van Leven maakt dat de dood niet het laatste woord heeft. Laten we onze ogen en oren dan open houden, voor dat eerste gerucht, uit onvermoede plek, dat er wat nieuws gebeuren gaat.

Paasnacht 2026

Beste vrienden

Vannacht vieren we de Paasnacht, dat doen we elk jaar. Maar dít jaar is het anders dan andere jaren. Voor het eerst in lange tijd wordt ook bij ons de oude, traditionele band tussen de Paasnacht en de doop hersteld.

Door de geschiedenis van de Kerk heen doopte de Kerk de doopleerlingen bij uitstek in de nacht van Pasen. En als we naar de symbolen, de lezingen en rituelen kijken, snappen we waarom. De rituelen verwijzen er allemaal naar. Álles draait om licht, water en woorden van bevrijding. We horen het verhaal over het Joodse volk dat door de Rode Zee trekt en in het Evangelie vinden we het lege graf.

Dát is wat de doop is, we gaan door het water heen – een teken van de dood – om verlicht en bevrijd te worden. Het oude laten we achter, dat gaat dood. Het nieuwe leven, daar bekleden we ons mee.

De doop staat zo centraal in de Paaswake dat je je zelfs een beetje moet afvragen waar al die rituelen heengaan, waar ze naar verwijzen, als er niet in die nacht zèlf gedoopt wordt. Het is een beetje alsof je één voor één alle verkeersborden voorbij ziet komen, maar de bestemming staat je niet zo voor ogen. En het hernemen van de doopbeloften is mooi, maar toch nèt wat anders.

Door de geschiedenis van de Kerk heen is door vele omstandigheden de Paaswake in onbruik geraakt. De band met het doopsel werd ook vergeten. Meestal werd de Paaswake al gevierd op zaterdagochtend, en er was bijna niemand bij! Pas in de jaren vijftig heeft Paus Pius XII gezegd: “de Wake moet terugkomen!” Dat was de eerste grote verandering die leidde tot de vernieuwing van de liturgie bij en na het Concilie.

In een samenleving waar nog bijna iedereen als kind gedoopt was, werden er natuurlijk sowieso maar weinig volwassenen gedoopt. Dopen kan maar één keer! De Paaswake en de doop op de Paasnacht herstellen is één ding, daadwerkelijk zien dat iemand eens gedoopt werd, een ander. Daar gaat veel tijd overheen.

In kathedralen en grote stadskerken gebeurde het wel, maar lokaal was het ieder voor zich, op een zondag die zo eens uitkwam. Er was nog geen gebruik om het te doen, mensen zagen er tegenop. (“Het duurt al zo lang! :'( " )

Onze bisschop heeft nu gezegd: toetreders zijn geen los fenomeen meer, geen enkelingen die zo incidenteel eens binnenlopen. Het is nu een vaste, terugkerende groep, elk jaar weer. We hebben kunnen horen en lezen in de media dat het aantal dopelingen al een aantal jaren stijgt.

Het is geen losse bevlieging meer. Er ontstaat een structuur.

De doop van volwassenen is vanaf nu dus in principe in de Paasnacht.

In Nederland zijn er vannacht bijna zeshonderd volwassen dopelingen. In ons kleine bisdom dertig, waarvan maar liefst acht in onze regio (Etten-Leur, Zevenbergen, Oudenbosch en Zundert) waarvan drie volwassenen in onze parochie met één kind erbij. Die worden vanavond gedoopt. We mogen dankbaar voor de gave die God aan de Kerk geeft. Hopelijk gaan we dit vaker zien in de komende Paasnachten! Voor het gevoel duurt het dan misschien ook wat minder lang. ( ;) )

Beste dopelingen, zo kom ik tot jullie! Ik vraag jullie zo naar voren. Jullie hebben je samen voorbereid in de catechesegroep in de afgelopen maanden. We hebben veel geleerd, maar de belangrijkste les is: de doop is niet het einde van het proces, maar een begin. Na de nodige kilometers te hebben afgelegd start nu een reis die je leven mag vervullen: opgenomen worden in nieuw leven mogen we het oude achter ons laten.

Wij allen wensen jullie veel zegen toe in de reis die jullie aangaan. Met blijdschap zien we dat de Heer jullie bij ons opneemt.

Amen.









Friday, 3 April 2026

Goede Vrijdag 2026

 

Aan het kruis, eindigen alle opties in het leven.

Je kan niet omhoog of omlaag.

Je kan niet meer vooruit.

Je kan niet meer achteruit.

Je kan niet naar links of rechts.


Het kruis wijst alle kanten op.

Maar zelf behoor je geen richting meer toe.

Je maakt nergens deel van uit.


Je bent tussen hemel en aarde – tussen de richtingen van de wind. 

maar gaat zélf nergens heen.

Pas als je er niet meer bent, word je er van af gehaald.

Jij maakt dat niet meer mee.


Je zweeft tussen dood en leven. 

Geen van beiden claimt je nu.


Alle plannen zijn stukgelopen.

Of ze van jou waren of van anderen.


De toekomst waar je op hoopte, is voorbijgegaan.

Wonderen, profetieën, woorden van koningschap.


Wat je bouwde, valt om.

Wat je wilde, wat je bedoelde.

Jij maakt het niet meer waar.

Niet meer hier, niet meer nu.


Je staat op het laatste kruispunt,

en alle wegen gaan naar de dood.


Jouw wil, je ego, je verlangens en plannen.

Hebben geen toekomst meer.

Er is geen geitenpad, geen luikje, geen tunnel.

Waarlangs je wegglippen kan.


Er komt niks meer uit jezelf.

Jouw weg is ten einde.


Maar als je niks meer kan.

Kun je alles verwachten.

Van God die hier nu niet is.


Je handen zijn nog nooit zo leeg geweest.

Ze houden niets meer vast.

Ze zijn zó leeg dat er alle ruimte is voor wie je nu niet ziet.


Je weet niet of Hij komt.

Niet hier en niet nu.

Je moet de leegte in


Het donker van de nacht.



Thursday, 2 April 2026

Witte Donderdag 2026

 Beste vrienden,

 

Vanavond beginnen we met het Triduum van Pasen, wij staan naast Jezus in de dramatische climax van zijn leven, zelfgave, lijden en dood – met de belofte van verrijzenis. De lezingen voelen mysterieus aan, bloederig. Zeker het stuk dat we uit Exodus lazen. Er word achterom gekeken, naar de tijd in Egypte. De scharlaken symboliek van het bloed van het lam aan de deurpost waardoor de engel van de dood voorbijgaat.

In de Korintenbrief horen we de woorden die we kennen uit het Eucharistisch Gebed. Wat toen was, is nu hier aanwezig, maar vernieuwd en verheven. Geen bevrijding meer alleen uit aardse slavernij maar uit de dood. Uit de zonde. We gaan niet meer naar een beloofd land aan de andere kant van de woestijn. Maar we mogen als bevrijde mensen in een nieuwe relatie komen te staan met God en de mensen om ons heen.

Het Evangelie neemt ons mee naar de gebeurtenis van Witte Donderdag: het laatste avondmaal. Jezus met zijn leerlingen aan tafel, kort voor Pesach – het joodse paasfeest. Hij doet wat leraren altijd gedaan hebben. Hij werpt het oude niet omver, hij sluit zich aan bij de woorden en gebruiken die er altijd al waren. Maar hij geeft ze een geheel nieuwe zin en betekenis. Hij ontsluit een nieuwe dimensie. De cirkel blijkt een bol. Je moet wel even met je ogen knipperen om die nieuwe vorm te herkennen, als je alleen maar cirkels gewend bent.

In de traditie noemen we wat er vanavond gebeurt dit: instelling van de eucharistie en het priesterschap, en dat is het ook. Dat zijn twee aspecten van de nieuwe vorm die gebracht wordt op deze avond.

Het laatste avondmaal is niet alleen maar de laatste maaltijd van Jezus met zijn vrienden voor hij het lijden ingaat, een belangrijk maar voorbijgaand moment in de tijd. Er wordt iets nieuws zichtbaar gemaakt waar het oude naar verwees. Elke cirkel is een doorsnede van een bol. Deze keer is de cirkel rond en wordt de nieuwe dimensie zichtbaar.

De instelling van eucharistie en priesterschap? Wat betekent dat?

Ten eerste

De maaltijd is een opdracht geworden, niet zomaar een gebod. Je blijft het doen om Hem te gedenken. En elke keer wanneer je dat doet ben je terug waar het begon, bij Jezus en de leerlingen. Zitten we mee aan tafel. De een breekt, de ander neemt en eet, maar je bent er samen. Het is niet telkens iets nieuws, wat steeds opnieuw uitgevonden moet worden, of een toevoeging, dat wij steeds wat extra’s moeten doen omdat er wat ontbreekt. Nee. We raken elke keer in gemeenschap – communie – met de Heer. Ook als we dat niet elke keer voelen, ook als we het niet helemaal begrijpen (begrepen de leerlingen het helemaal?), ook als we beperkt zijn en nog vastzitten in onze eigen tekortkomingen.

Die gemeenschap is echt, en het werkt in ons, bij de een langzaam, bij de ander sneller, maar er gebeurt altijd wat als we samenkomen rond brood en beker, rond lichaam en bloed. Er kan niet niets gebeuren wanneer we doen wat we doen.

Ten tweede  

De maaltijd vernieuwt ons. Mag ons nieuwe mensen maken. Leidt ons naar een pad van bevrijding, waar we minder bezorgd moeten zijn om onszelf, wat we zullen eten en drinken. Niet dat we opeens zorgeloos zullen zijn, maar het belangrijkste is er en gaat niet voorbij.

Uiteindelijk, ten derde, zien we in het gesprek tussen Jezus en Petrus over de voetwassing dat de bol van het geloof niet iets is wat je je zomaar voorstellen kan. Ik gebruik het beeld cirkel en bol om iets te laten zien, maar we moeten niet denken in termen van iets dat begrensd is, dat we ons zomaar kunnen voorstellen.

In de middeleeuwse theologie en mystiek werd regelmatig een oude metafoor voor hoe God is aangehaald[1]: God is als een bol, maar dan één die oneindig groot is, en het middelpunt van die bol is dus overal te vinden. Overal: dat wil zeggen, in alles en iedereen.

Jezus is vrij om Petrus de voeten te wassen, omdat hij weet dat Petrus evengoed het middelpunt van de Liefde is. Petrus voelt zich nog afgescheiden, kan niet aanvaarden wat het betekent werkelijk verenigd te zijn met Jezus, en dus zelf ook middelpunt te worden van aandacht, toewijding en liefde. Juist Petrus krijgt deze behandeling omdat Petrus door zijn hele leven heen een probleem blijft houden met zich afzonderen. In de nacht die komt (‘ik ken die man niet’), en zelfs later nog, wanneer hij  denkt dat hij zich moet conformeren aan de vooroordelen van anderen (Galaten 2:11-21) en zich afzijdig wil houden van zijn naasten. 

En ondanks dat deze houding altijd met hem mee blijft gaan, als een piepend wiel aan de wagen, tot hij, hoe wankelmoedig ook, in Rome bij zijn bestemming aankomt en zichzelf door de Genade overwint.

De moeite die hij daarmee heeft, maakt hem niet minder middelpunt van alle liefde, middelpunt van God. Net zo goed als u dat bent (of ik!). Het is gewoon zo. Het kan niet anders zijn omdat God niets anders is dan dit. En in de eucharistie, door Jezus Christus, wil hij ons dit leren. Beetje voor beetje de vormeloze vorm van zijn bestaan leren kennen, zodat wij worden wie we zijn. Brandpunten, intiem verenigd, met God, met iedereen en alles wat bestaat.

Gaan wij zo op naar Pasen, door het donker van de nacht op naar het licht. Om God te leren kennen, door Jezus Christus, offerlam en overwinnaar. Staand als geslacht.

Amen.

Friday, 20 March 2026

Vijfde Zondag Vastentijd A

 In die tijd

was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw, die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zuster van Lazarus stuurde Jezus de boodschap:
“Heer, die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”

Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”
(De leerlingen zeiden:
“Rabbi , nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand ‘s nachts, dan stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”

Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga er heen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden, dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij, dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”)

Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
(Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.)
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik,
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het Leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
(Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden, die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op haar plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de Joden, die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering) en diep ontroerd
sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, Heer.”
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen, overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neem de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet, dat als gij gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij,
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

De Heer zoekt de mensen op die er niet toe doen. De afgelopen weken hebben we bijvoorbeeld gelezen over de Samaritaanse vrouw. Een buitenstaander het Joodse volk. De blindgeborene, een uitgestoten gehandicapte met een te grote mond, en nu Lazarus die overleden is. 

Al deze mensen worden gekenmerkt door machteloosheid, door geen greep te hebben op het leven. Elke zondag wordt de machteloosheid waaruit Jezus redt dieper, onverbiddelijker.

De Samaritaanse vrouw is relatief machteloos. Zij is een vrouw, behoort tot een gehate minderheid en is zelfs binnen die groep uitgestoten. Onder de mensen is zij één van de vele gezichtslozen die op haarzelf teruggeworpen zich een weg door het leven moet banen. Zij moet elke dag opnieuw weer incasseren zonder uitzicht op bevrijding. Tot Jezus komt.

De blindgeborene is er misschien nog slechter aan toe. Hij is gehandicapt, hij kan niet werken. Hij moet bedelen. En tijdens die vernederende activiteit moet hij dan ook nog toehoren over hoe het eigenlijk zijn eigen schuld is dat hij er slecht aan toe is. Want voor de farizeeën is het duidelijk, alle ongeluk in de wereld is een straf van God, dat is een straf voor een of andere zonde. Dat zit zo diep dat als Jezus en zijn leerlingen langs hem lopen de leerlingen niet mét hem praten, maar over hem. “Goh Jezus, vertel ons eens wat voor zonde deze man gedaan heeft”. Alsof hij er niet is. Alsof hij onzichtbaar is. Zijn mens-zijn wordt niet erkend, niet gekend, maar ontkend. 

En dan Lazarus. Lazarus is er nóg slechter aan toe. Want hij is er niet meer. Niemand is zo marginaal als wie overleden is. Je kan niets meer vasthouden in deze wereld, je moet alles loslaten. Hoeveel je nog zou willen doen of betekenen, het kan niet meer. Of je nou ziek was of gezond. Zolang je ín de wereld bent kun je nog een rol spelen in het leven van mensen, al is het maar door mee te leven met wat ze doen. Wie doodgaat moet alles achterlaten. 

Er kan nog aan je gedacht worden, je kan nog herinnerd worden – maar daar ben je zelf niet meer bij. Het is niet eens meer dat de wereld je niet meer ziet, je bent er gewoon niet meer. De dood betekent, absolute machteloosheid.  In de grondleggende tradities van onze cultuur is dit zo begrepen. De joden begrepen het dodenrijk als een domein van stof en as, waar niets van waarde kon worden verricht. 

In de Odyssee, dat grote Griekse epos waarin de held Odysseus door wereld en onderwereld trekt ontmoet hij in het dodenrijk de held Achilles en het is duidelijk dat hij geen dode onder de doden is, hij is geen schim zoals de gewone doden, maar een Heer van de Onderwereld. En toch zegt hij, de trotse Achilles: Ik zou liever de slaaf van een andere man zijn, een landarbeider die zich aftobt op het veld / dan hier te heersen over alle doden”  

Dood zijn is de ultieme machteloosheid. 

Het Joodse volk heeft veel ervaringen van machteloosheid gekend. Als de joden worden weggevoerd naar Babylon lijkt alles voorbij. Ballingschap was het begin van het einde van een volk, je raakte je taal kwijt en je eigenheid, en binnen een paar generaties was je Babyloniër geworden. Zouden alle beloften van God dan teniet worden gedaan? Is alles dan voorbij? 

Dat is de situatie waarover de profeet Ezechiël spreekt. De doden waar het over gaat, dat is in de eerste plaats het joodse volk. Het geloof in het eeuwig leven heeft zich later ontwikkeld. Bij Ezechiël is er al wel de zekerheid dat dít niet het einde is, dat God trouw is aan zijn beloften, dat hij zijn volk niet ten onder laat gaan. Als de joden in Babylon om zich heen kijken zien zij niets meer behalve dode beenderen, de brokstukken van hun volk. Maar God zegt: dit is het einde niet. Het volk zal weer opnieuw tot leven komen en terugkeren naar zijn huis, in het land dat ik hun beloofd heb.

De Wet van Mozes spreekt enkel over het voortbestaan na de dood als lichamelijk voortbestaan, voortbestaan als volk. Voor een mens betekent dat concreet: voortbestaan in je kinderen, in je kleinkinderen.  

Geen kinderen hebben was dan ook een grote beproeving, of zelfs een vloek, dat was een oordeel van God over je leven. Jij zou geen deel meer hebben aan de toekomst van het volk. Als je sterft heb je de uiterste marges van het bestaan bereikt. 

En ik bedacht me dat toen ik het Evangelie nog een keer las, dat er geen kinderen zijn, geen zoons geen dochters. Enkel twee zussen. Het staat er niet  letterlijk in de Bijbel maar er is geen aanwijzing dat hij kinderen had. Dat maakt de situatie nog pregnanter. Niet alleen is Lazarus nu dood, hij laat ook “niets achter”. Er is niemand meer die hem opvolgt. Wat de Wet van Mozes betreft is het verhaal van Lazarus is over en uit. Híj heeft geen toekomst meer.

Maar na de terugkeer uit de ballingschap is ook langzamerhand het geloof in de opstanding van de doden gekomen. Het geloof dat Gods beloften zich niet alleen uitstrekt naar het joodse volk als geheel, maar ook tot iedereen die deel uitmaakt van zijn verbond. Dat ieder mens die zijn hoop stelt op de Heer uit mag kijken naar het eeuwig leven bij God. 

Martha spreekt dat geloof al uit, nog onzeker en zoekend. Maar zij weet dat God meer van plan is. Zij weet dat er een verrijzenis van de doden zal zijn, ergens in de verten van een onbekende toekomst. En zij reikt tastend naar Jezus. Zou Hij het zijn die hier een rol in speelt? Jezus, die al zoveel wonderen gedaan heeft die onmogelijke dingen heeft gedaan. Een blinde zelfs het zicht heeft teruggegeven? 

En Hij doet dat onmogelijke. Hij alleen doet dat.

En als Jezus hem tot leven wekt dan doet hij dat door hem bij zijn naam te noemen. Zijn naam wordt genoemd door zijn vriend Jezus. Hij spreekt niet over hem , hij spreekt niet langs hem heen, hij zegt niet dode, sta op. Maar: Lazarus.. 

 Lazarus.

 Lazarus, sta op. 

 Lazarus, kom naar buiten. 

 Ik ben het. 

 Jezus.

 Jezus wekt Lazarus op, niet door magie of met een techniek maar met zijn roepstem, hij roept Lazarus, zijn goede vriend Lazarus, terug. Door hem te roepen, te noemen met zijn naam. Lazarus wordt niet vergeten, Lazarus wordt niet ontkend. Lazarus wordt erkend, wordt gekend. En zo weer tot leven gebracht. 

Al midden in het leven kunnen we al in de dood zijn. Als we mensen naar de rand duwen, of er zelfs overheen, maken we ze al dood. Als we niet meer mét mensen willen praten, maar alleen over ze, dan nemen we ze al iets van het leven af. Als we gewild blind zijn voor een ander, dan nemen we ze iets van het leven af. Het was geen toeval dat het eerste wat van je afgenomen werd in de concentratiekampen was je naam. Je werd, letterlijk een nummer. Dat nummer werd op je arm getatoeëerd. Als teken van ontkenning, als teken van de dood.

Maar omgekeerd: als we anderen noemen bij hun naam, ze komen opzoeken, naar ze vragen – dan komen ze weer wat tot leven. Dan sijpelt er weer iets van God, de bron van al het leven, door de opgeworpen muren van de dood heen. 

Zo leven we al toe naar de verrijzenis, naar het eeuwig leven dat van God komt. Ons dagelijks leven en het eeuwig leven zijn nauw met elkaar verbonden. Je kan het eeuwig leven niet beërven als je niet instaat voor het leven van de ander, als je anderen niet wil zien, anderen niet wil noemen, anderen niet wil ontmoeten. Omgekeerd geldt ook, wie wil omzien naar zijn naaste, wordt ook gezien door God, en mag uiteindelijk God zelf zien in al zijn majesteit. 

De openingen naar het eeuwig leven zitten in de barsten en gaten van deze wereld, de barsten en gaten waar mensen doorheengevallen zijn. De barsten en gaten zijn voor ons een weg naar dat onzichtbare en ongenoemde leven van anderen - en voeren ons naar het eeuwig leven in het licht van God. 

Amen.

Tuesday, 17 March 2026

Doet Ei, Foetus, Baby aan nepgeschiedenis?

Inleiding 

In haar boek Ei, Foetus, Baby (Atlas/Contact, Amsterdam 2023) verspreidt mw Trudy Dehue het verhaal dat priesters niet alleen keizersneden uitvoerden op dode, maar ook op levende vrouwen. Zij zegt hier voorbeelden van te hebben. (Ei, p. 103). Dat zou een schokkende ontdekking zijn. Priesters verrichtten soms post-mortem keizersneden met het oog op het doopsel uit  in zeer uitzonderlijke en zeldzame omstandigheden, maar er zijn geen gevallen bekend van operaties op levende vrouwen. Dit zou een groot taboe geweest zijn. De post-mortem praktijk was hoe dan ook zeldzaam, we kennen een tiental mogelijk gedocumenteerde gevallen in Nederland tussen 1815-1871, een pluraliteit in Zeeuws-Vlaanderen.

(Vreemd genoeg kende zij de Zeeuws-Vlaamse gevallen niet, vermoedelijk komt dat omdat deze niet in Delpher en Google Books beschreven staan. Primaire en secundaire bronnen hierover zijn niet gedigitaliseerd, of minstens: niet getranscribeerd.)  

Hoe het ook zij, als je probeert het bronnenmateriaal te controleren, blijkt veel van wat zij zegt in Ei ernstig betwijfelbaar. Je stuit al gauw op wezenlijke problemen. 

Ik heb me al eens eerder met dit thema beziggehouden, onder andere in reactie op het artikel in Trouw dat in december verscheen. 

Trouw bracht dit bericht indertijd als groot nieuws. Dehue leverde wel eens vaker spectaculaire 'scoops'. Zo beweerde ze eerder dat koningin Wilhelmina een abortus zou hebben ondergaan. Dit verhaal kreeg indertijd veel media-aandacht. 

Ik heb me in een aantal van deze zaken (dus: post-mortem keizersneden) verdiept in de hoop dat ik hier serieus op in kon gaan. Dit is echter vrijwel onmogelijk omdat een zeer groot deel van bronverwijzingen en voetnoten in Ei buiten-feitelijk zijn. Ze beweert zaken die nergens op gebaseerd lijken (zoals dat de doopformule zou bestaan uit de naam van drie mannen, p. 104), dan wel wat ze beweert niet terug te vinden is in het bronnenmateriaal, dan wel dat de bron geheel iets anders stelt. 

Dit patroon is fundamenteel, omvat zowel details als essentialia en is door heel het boek heen terug te vinden. De structurele misrepresentatie van het bronnenmateriaal omvat zowel medische, juridische, theologische en historische bronnen en is irreparabel. Veel van wat zij beweert bevindt zich hierdoor in een epistemologisch vacuüm. 

Als zij bijvoorbeeld stelt dat een levensvatbaar ongeboren kind de moeder hooguit twintig minuten overleeft (Ei, p. 102) verwijst zij naar een artikel uit 1926 dat dit zou aantonen. Zoals de tekst echter duidelijk laat zien heeft de auteur het over een mogelijke termijn van een uur. Dit is één enkele losse medische bron die ik nagelopen heb. Wat zou er gebeuren als ze allemaal tegen het licht gehouden werden? 

Die twintig minuten zijn belangrijk voor haar, want voor haar argument dat priesters "eigenlijk" opereerden op levenden. Voor haar is het van belang te argumenteren dat het "eigenlijk" niet mogelijk was de dood op die termijn  vast te stellen. Een filosoof zou vlug tot de conclusie komen dat hier twee verschillende uitspraken over "zekerheid" door elkaar worden geroerd om er één enkele propositie van te bakken. (In het kort: hun zekerheid en onze (on)zekerheid over hun zekerheid worden samengebald) Echter: hoewel ambigue formuleringen  het lastiger maken om de ballon door te prikken, maakt het het onderliggende argument natuurlijk niet sterker. Met Popper gezegd: een propositie wordt er niet beter van als zij lastiger te falsifiëren is. 

Hoe het ook zij, die conclusie, dat vrouwen eigenlijk nog leefden,  komt s.w.s. voor haar rekening, Smit spreekt daar überhaupt niet over. Zo wordt er wel meer beweerd in Ei. 

De Omgang met Kerkelijke Bronnen 

Bijzonder hachelijk wordt het als ze beweert dat priesters de keizersnede nog aanleerden "tot in de twintigste eeuw", suggererend dat dit staande praktijk was tot aan het Concilie. Nogmaals: het is zeer ambigu geformuleerd.

In het artikel "Medical Compromise and Its Limits: Religious Concerns and the Postmortem Caesarean Section" (in Nineteenth-Century Belgium. Bulletin of the History of Medicine, 93, 3), van de Brusselse historica Jolien Gijbels wordt duidelijk aangetoond dat de toch al marginale praktijk van de postume keizersnede die door priesters werd verricht (wederom: misschien een tiental enigszins vindbare gevallen in Nederland tussen 1815 en 1871) in 1899 door het Vaticaan verboden werd. Er zijn sterke aanwijzingen dat de praktijk toen al in onbruik was geraakt. Pastorale literatuur uit de jaren '70 toont nogal wat scepsis, en er zijn sowieso geen Nederlandse gevallen meer bekend post 1871. Dehue suggereert hier en daar dat dit komt omdat de Kerk het geheim hield. Het tegendeel is het geval. Bijzondere pastorale handelingen werden doorgaans gedocumenteerd, zoals in correspondentie met de kerkelijke overheid als in pastoriejournaals. Ook kan er e.e.a. te vinden zijn in de archieven van de (Geneeskundige) Provinciale Commissies van Toezicht, waarvan mw. Dehue abusievelijk denkt dat zij toezicht hielden op het dopen van ongeborenen. (Ei, p. 149) Zoals ik inmiddels wel gewend ben van Ei, staat is ook die bewering niet als zulks terug te vinden in de bron die zij aanhaalt. 

Het structurele ontbreken van relevant archiefmateriaal - ongeacht van kerkelijke of wereldlijke overheden ondermijnt natuurlijk haar standpunten. Dat is onvermijdelijk: je kan niet vinden waar je niet naar zoekt. (En zelfs als je zoekt, zal je niet vinden wat er niet is) 

Ik kan wel meer schrijven over hoe deze unieke (en niet oninteressante) praktijk werkelijk functioneerde. Maar ik voel me niet geroepen om mw. Dehue's werk over te doen. 

(Al sluit ik niet uit dat ik ooit nog wat schrijf over pastoor de Maeyer in Hontenisse, van het kleine aantal gevallen van postume keizersneden uitgevoerd door priesters vond een buitenproportioneel deel in Zeeuws-Vlaanderen plaats en als regio- en kerkhistoricus zie ik sterke aanwijzingen dat daar ook een regionale verklaring voor is: 

We hebben het hier over een geïsoleerd gebied dat bekend stond om de vele epidemieën die daar heersten, een waarschijnlijk disfunctionele vroedmeester, een scrupuleuze parochiepriester, hoge spanning tussen kerk en staat (omstreden grensgebied tijdens de Volhardingspolitiek van Willem I, een gebied dat kerkelijk bovendien nog eens deel uit maakt van een "opstandig" Belgisch bisdom) en een lokaal zeer rigoristisch theologisch klimaat, zelfs naar Nederlandse maatstaven van de jaren '30 van de 19e eeuw. Dat is geen 'normale'  situatie. Het verrichten van een postume keizersnede door de priester was altijd noodpastoraat in extremis. 

Een dergelijke praktijk, zoals in Hontenisse verder uitpellen vraagt echter zeer tijdrovend archiefonderzoek - als je het goed wil doen, tenminste. Daar zal dus ook tijd overheen gaan. 

Terug naar de verklaring van van de Heilige Stoel uit 1899. Niet alleen is het artikel van Gijbels bekend bij Dehue, het is ook opgenomen in haar notenapparaat. Zij citeert zelfs uit de Nederlandse publicatie er van. Daar schrijft zij het volgende over: (p. 161) 

"Zo ook een verhandeling in het Latijn door A.C.M. Schaepman, president van het seminarie Rijsenburg, gepubliceerd in twee nummers van het priestertijdschrift Nederlandse Katholieke Stemmen van 1900, dat stimuleerde de geestelijken eveneens om met regelmaat tot de doop via een keizersnede om te gaan." 

De zin is opvallend ambigu geformuleerd (wie verricht nu de keizersnede?) Maar doet hoe dan ook geen recht aan het document zelf. 

Over dit document schrijft Gijbels: "“In 1899 the Holy See provided a final answer to the question whether clergymen had to perform caesareans on deceased women in the absence of doctors. The new ecclesiastical rule was especially targeted at mission aries in the Chinese province of Sichuan who apparently faced problems in convincing the local population of the value of the postmortem caesarean section. It once again emphasized the call of Christian charity to extract the unborn from the woman’s belly. Clergy were supposed to do everything within their reach to encourage physicians to perform the operation. However, the Holy See warned them against and explicitly forbade them from interfering in the actual operation, let alone doing it themselves.”

Dehue maakt zich boos over het woord liefdadigheid, maar als ze iets van moraaltheologie en bovenal kerkrecht had geweten, had ze kunnen aanvoelen dat alles wat "liefdadigheid" is, geen zaak is van harde, juridische  verplichtingen. Liefde is geen juridisch begrip. (Vgl. hedendaagse discussies over orgaantransplantatie: het oordeel van de kerk is dat orgaandonatie goed is, maar het is een daad van naastenliefde: de overheid - of anderen - mogen je niet verplichten om tot orgaandonatie over te gaan) 

In het eerste deel schrijft zij vaak opvallend ambigu. Dit valt extra op omdat zij juist - als zij wil - heel goed en helder kan schrijven. 

Losjes geformuleerde zinnen (zoals in de duiding van het Romeinse document uit 1899) maken onduidelijk wie wat doet en waartoe. Erger nog, dat het priesters vanaf deze tijd verbood om postume keizersneden te verrichten kom je niet tegen.  

Omdat Dehue het moet hebben van de suggestie lopen dopen, chirurgie, handelingen op levenden en doden, en zelfs het aanmoedigen van derden om te handelen worden vaker dan niet op één hoop geworpen. Zo wordt alles ongeveer even erg. Voor de lezer is dat fijn. Die kan lekker griezelen in de leunstoel. Verder is het  retorisch gezien praktisch:er "moet" wel iets aan de hand zijn! Je kan lang teren op dergelijke suggestie. Tot de empirische beer eens geschoten moet worden, natuurlijk.

Zonder verdere onderbouwing schrijft Dehue vervolgens dat vrouwen "gedood werden omwille van de doop van hun vrucht". Haar pogingen om hier voorbeelden van te vinden zullen - zoals we zien - steeds hachelijker worden. Zij leest regelmatig wat er niet staat. Haar omgang met bronnen is hier en daar flexibel, en uiteindelijk zelfs niet-bestaand. 

Ook met ambigu formuleren kom je hier niet meer uit. Niet als je probeert hard te maken dat priesters daadwerkelijk chirurgische ingrepen uitvoerden op levende vrouwen. (Waarom dit niet goed denkbaar is heb ik eerder al uitgelegd). \

De Omgang met de Juridische Documenten 

Een aantal voorbeelden: 

Als er een priester wordt vervolgd wegens het uitvoeren van een postume keizersnede. Schrijft zij dat hij is vrijgesproken van moord (Ei, p. 152). Dit is in het geheel niet het geval. Hij werd vervolgd (en veroordeeld) wegens onbevoegde uitoefening van de geneeskunst, zoals gebruikelijk was. En dat staat ook in de bron die zij aanhaalt. Er was geen aanklacht wegens moord. En dat is weer maar één voorbeeld. Er zijn er eindeloos veel. 

Bij een tweede rechtszaak, ag. de pastoor van Engelen in 1871 (Overigens  het laatste bekende historische voorval in Nederland van een priester die een keizersnede uitvoerde, te Empel NB), suggereert zij dat de pastoor werd vrijgesproken omdat zijn advocaat, Deken en Rijksadvocaat van Noord-Brabant was, en daarmee een "machtige advocaat". De advocaat van de pastoor in kwestie was echter ten tijde van het proces 24 jaar oud en werd pas (wnd.) Rijksadvocaat van Noord-Brabant in 1877. Enz. enz. enz. 

(En machtig ten opzichte van wie? Onder de rechters was Alexander de Savornin Lohman, de latere politicus en minister van Binnenlandse Zaken, alle rechters, officiers en advocaten behoorden tot dezelfde kleine maatschappelijke bovenlaag. Het regent jonkheren in elk negentiende-eeuws juridisch document) 

Zij schrijft, eveneens op pagina 153: "Het verslag van deze rechtszaak bleek nog beschikbaar in het Brabants Historisch Informatiecentrum en daaruit valt verder op te maken dat de officier wel heeft gesuggereerd dat de vrouw schijndood kon zijn geweest". Er ontbreekt echter een bronverwijzing bij deze stelling en ik kom de uitspraak enkel tegen in het krantenverslag. Bossche processen-verbaal uit 1871 zijn sowieso niet bewaard, deze beginnen voor de rechtbank in Den Bosch pas zo'n twintig jaar later. In het vonnis, dat wel degelijk opvraagbaar is bij het BHIC lezen we: "dat ook later gebleken is dat de vrouw werkelijk was overleden" 

Riep kardinaal Sterkx op om moorden te plegen op priesters en anderen? 

De situatie wordt toch wat bizar als ze zelfs probeert moordopdrachten in kerkelijke teksten terug te lezen. Als  kardinaal Sterkx, aartsbisschop van Mechelen, in 1852 in felle bewoordingen vroedmeesters en -vrouwen en anderen op vurige wijze aanraadt om in geval van nood er voor te zorgen dat het ongeboren kind gedoopt wordt, zo schrijft  hij 

"Indien onzen goddelyken Zaligmaker zoo schrikkelyke bedreygingen gedaen heeft aen degenen die aen een kind verergernis geven; indien hy heeft gezeyd dat het beter ware met eenen meulensteen aen den hals in de zee geworpen te worden, dan zich pligtig te maken aen zulke euveldaed; hoe veel te meer moest men dan niet bevreesd zyn voor zyn schroomelyk oordeel , ware 't dat men ooyt vrywillig een kind zonder doopsel liet sterven ? Integendeel hoe voordeelig is het niet de vreugden des hemels aen een kindje tebezorgen ? Wie ziet niet dat wy, met zulks tedoen, eenen trouwen vriend by den Heer krygen , die voor ons geluk gedurig bezorgd zal wezen?"

Dehue schrijft (p. 154): 

"dat was geen geringe dreiging met nu ineens zelfs een aardse straf, want die geestelijken stonden onder voortdurend toezicht van hogergeplaatsten en elkaar" (p. 154). Zij beschrijft de tekst van Sterkx verder in overigens uitgesproken islamofobe bewoordingen, als een fatwa.  Het is nu toch wat alsof je in  discussie moet met de Cheshire Cat. Het voelt allemaal weinig zinvol.

Het is natuurlijk treurig om dit alles te lezen. Het molensteenvers (Mt. 18:6) is natuurlijk stevige retoriek, maar natuurlijk geen fysieke doodsbedreiging. Dergelijke passages in Ei maken het in het geheel niet duidelijk wat of zelfs iets van wat zij beweert serieus kan worden genomen

Dat de uitgever dit alles heeft laten passeren, en meerdere recensenten, kranten als Trouw en een blad als de Groene Amsterdammer deze weinig overtuigende oordelen in al te goed vertrouwens hebben overgenomen is ontstellend. Ik wil daar niet te lang over nadenken. 

Ook zonder molensteen is dit boek een mer à boire aan misperen. 

Het "Schinveldpamflet" 

We bereiken een zeker dieptepunt als ze probeert toch één "feitelijke" situatie te vinden van een priester die in een levende vrouw snijdt. Zij baseert zich hierop op een satirisch pamflet uit 1870 van Pieter Scherpenseel, de zoon van gewezen wethouder van Schinveld, A. Scherpenseel. De zoon voert de vader op als auteur. Dehue ontkent dat Scherpenseel jr. de echte auteur is maar literair-historische bronnen zijn er duidelijk over. Het past ook in zijn schrijfstijl. Het is lastig vol te houden dat mw. Dehue, die gezien haar vele gebruik van 'Delpher' en 'Google Books', ook de beschikking heeft over een zoekmachine. 

Ondanks dat Dehue er, zoals gezegd, weet van heeft dat de pastoor die hierin (samen met vele andere dorpsgenoten in Schinveld) bespot wordt, een pastoriejournaal heeft bijgehouden - heeft ze het pastoriejournaal zelf niet geraadpleegd, ondanks deze zelfs (foutief en indirect) aanhaalt. - (Ei, p. 156). Dat is jammer. Zo had ze kunnen voorkomen dat ze zich vergistte in de datum die pastoor Joors genoteerd had, waarop hij een postume keizersnede heeft uitgevoerd.

Dit omdat ze een vertaalfout overschrijft uit een - maar liefst - tertiaire bron. (Wanneer kom je een tertiaire bron tegen? Niet dagelijks, kan ik u zeggen). De bron in kwestie was een recensie van een proefschrift. Dat proefschrift ontbreekt in haar bibliografie. Dat was een ongelukkig toeval, want anders had ze daar al kunnen leven dat op basis van archiefonderzoek was vastgesteld dat haar pamflet een negentiende eeuwse hoax is. 

Echter, zelfs toegang tot de oorspronkelijke, of zelfs de secundaire bron had haar niet geholpen had. De feiten komen je hier niet redden als je namelijk niet hebt opgelet bij Latijn. "X-bris" is namelijk geen Oktober, maar decem-bris. December. Enfin. 

Uit diezelfde, verkeerd vertaalde, passage concludeert ze vervolgens dat pastoor Joors "terugblikt". Quod non. 

Enfin. Zij heeft de archiefstukken niet geraadpleegd. Ik heb dat wel gedaan. Het pastoriejournaal is terug te vinden in het archief in Heerlen. 

We kunnen dus ook met zekerheid zeggen dat de in het pamflet zich opstapelende gothic- en slapstick-achtige scenes aan allerlei sterfbedden, zoals dat van Elisabeth Snel, met bloederige messen (een broodmes? een scheermes? een roestig mes?), een kermende vrouw, gesol met de kist, en een stiekeme begrafenis om drie uur 's nachts niet hebben plaatsgevonden. 

Dat is erg vervelend dat dit alles niet is gebeurd. Want mw. Dehue beweert van wél, in Ei, p. 156-157. Zo is er door heel Ei heen wel meer niet gebeurd. Over het pamflet later eens meer, want het échte verhaal erachter is kostelijk. Ik ben mw. Dehue ondanks alles dankbaar dat zij mij op het spoor heeft gebracht van deze smakelijke bron waar ik nog zeker eens over zal schrijven. 

Zo heeft de pastoor de werkelijke dader van de plaatselijke verkiezingsfraude van 1869 achterhaald. Het was dan ook niet vreemd dat de familie Scherpsenseel - die daar samen met anderen de hand in had - een appeltje met hem te schillen had. 

Het pamflet was een "red herring" met de bedoeling om de aandacht van het werkelijke schandaal af te leiden. Met succes. We zijn immers, dankzij mw. Dehue, nog steeds bezig met de ficties van Pieter Scherpenseel. Het is verleidelijk om ons voor te stellen hoeveel genoegen het hem had gedaan, als hij had kunnen weten dat er meer dan 150 jaar later nog steeds mensen in zijn grap trappen. Pieter Scherpenseel was een gemene spotter, maar zijn pamflet zit knapper in elkaar dan op het eerste gezicht lijkt, hoe de pastoor bespot wordt is nauwelijks te zien zonder kerkhistorische kennis. 

Dat deze pastoor lichtzinnig, en aan de lopende band keizersnedes uitvoert - en dan graag op levende vrouwen - is namelijk even belachelijk als dat hij in legerdienst zou zijn geweest. Beiden zouden grove overtredingen van de kerkelijke normen en taboes omtrent de lenitatis, de milddadigheid, zijn. Deze verwachtingen waren niet enkel een kwestie van "regels" maar ook van sociale verwachtingen. Zelfs een jagende priester kon al scheef worden aangekeken. Het pamflet speelt met precies deze verwachting om de pastoor belachelijk te maken. Pieter was een theologisch goed gevormde jongeman, hoe anti-klerikaal hij verder ook was. 

Zijn grappen zijn bijzonder gemeen - zo denk ik dat hij mw. Snel uitzocht als 'slachtoffer' van de pastoor, omdat ik vermoed dat zij minstens de reputatie had dat zij geen kinderen kon krijgen. Maar juist gemene grappen kunnen bijzonder effectief zijn. 

Wat Dehue met pamflet uitvoert, is echter beduidend minder grappig: uiteindelijk zegt zij namelijk dat de gewezen wethouder, dhr. A. Scherpenseel, als zogenaamde klokkenluider, "zijn laatste vijf jaren in vrees en wrok" [moet] hebben geleefd". Voorbeelden noemt zij niet. Uit het Pastoriejournaal blijkt echter dat hij, als onaantastbare dorpsnotabele, tot 1874 deel uitmaakte van het parochiebestuur voordat hij tenslotte eens werd weggestemd. 

Scherpenseel sr. is dan dus al eerder als wethouder moeten aftreden wegens de genoemde stembusfraude. Maar hij is daar natuurlijk nooit om vervolgd. Dat waren niet de mores in de Vriendenrepubliek van de negentiende eeuw. Als er zogenaamde "angst" voor iets was blijkt dit nergens uit. Uit het feit dat hij rustig is aangebleven als kerkbestuurder blijkt eerder een zekere onbeschaamdheid. 

Ik noem dit omdat het relevant is. Deze zogenaamde "angst en wrok" wordt vervolgens namelijk weer gebruikt als premisse om met een knallende non-sequitur het volgende te beweren:

"In het licht hetgeen hem is overkomen [niks, JJvP] wekt het geen verbazing dat verdere verhalen over priesters als seriemoordenaars indertijd alleen in de vorm van fictie zijn gebracht" (p. 158)

Om vervolgens vrijblijvend te speculeren over of griezelromannetjes van rond 1900 ons eigenlijk niet op een gecodeerde manier willen inlichten over een geheim complot.   

We kunnen in ieder geval zeggen dat mw. Dehue deze literaire traditie heeft voortgezet. 

Helaas betekent dit ook dat mw. Dehue hiermee definitief afscheid heeft genomen van onze gedeelde realiteit, en wat Ei verder ook mag zijn, met geschiedschrijving heeft het niet veel van doen. 









Saturday, 14 March 2026

Vierde Zondag Vastentijd A

 Beste vrienden,

Lang geleden, u weet misschien dat ik ooit filosofie heb gestudeerd heb, had ik met een medestudent een discussie over kennis. En dan vooral over het probleem dat mensen absoluut blind kunnen zijn voor een waarheid die ze recht in de ogen staart. En die vriend zei toen tegen mij: “iets begrijpen is niet los te zien van iets willen begrijpen”.

Ik denk dat hij gelijk had, want ik heb daar later nog veel voorbeelden van teruggezien, en ook op een ander vlak. Degenen onder u met onderwijservaring zullen ook gemerkt hebben dat als een leerling niet gemotiveerd is om te leren, het veel moeilijker wordt hem iets aan het verstand te brengen.

Dingen leren en begrijpen is een belangrijke taak, zo belangrijk dat we goed moeten opletten of wat we leren over de wereld wel klopt. En wie dat dan bepalen moet. Kranten hebben “feitencheckers” in dienst om te controleren of politici  wel de waarheid spreken. Dat is een belangrijk controlemechanisme. Maar wie controleert de controleurs? Daar gaat dit verhaal over.

Het verhaal begint ermee dat Jezus een blindgeboren man geneest. Iemand die zelf niets kan zien, en iemand naar wie niemand omkijkt. Een nutteloze bedelaar. En ook toen dachten mensen: degenen die het slecht hebben zullen zélf wel schuld zal hebben aan hun trieste bestaan.

De leerlingen vragen aan Jezus – wèlke zonde heeft hij of zijn ouders wel niet begaan dat hij dat verdiend heeft? Ze vragen Jezus níet om hem te genezen.  Dát komt niet in hen op. Ze willen een woord van hem horen dat hun eigen vooroordelen, en de vooroordelen van hun tijd bevestigd te krijgen. Maar dat is niet wat ze krijgen.

Het idee, dat als het slecht met je gaat, je ook wel wat gedaan zal hebben om dat te verdienen, dat zit heel diep. Ook bij ons. We zeggen wel eens, dat is het westerse denken, maar hier lezen we: het zat er al veel vroeger in. We hebben dat niet op school geleerd, maar het is een gedachte die geworteld is in de erfzonde. 

Want als iemand schuld heeft aan zijn eigen ongeluk, dan hoeven wij er ons niet meer druk over te maken. Bedenk daarbij dat de zondige mens een lui wezen is. Als hij een reden kan vinden om iets níet te doen, dan grijpt hij die kans met beide handen aan.  

Maar de enige reden die Jezus geeft, is dat zijn handicap, zijn tekortkomingen, iets zichtbaar gaan maken. De blindheid van de blindgeborene wordt zichtbaar teken van Gods grootheid. De blindheid is de weg waarlangs aan alle mensen wordt onthuld wie Jezus is.

Het wonder is een beetje anders dan andere wonderen. In de meeste wonderverhalen hoeft Jezus alleen maar een machtswoord te spreken en het wonder geschiedt, maar hier gebeurt van alles voordat de blinde weer zien kan. Er moet een papje gemaakt worden van spuug en modder, dat moet in de ogen worden gewreven en daarna uitgewassen in de bron van Siloam.

Het is echter belangrijk dat dat gebeurt. Het gaat hier namelijk niet alleen om Jezus’ macht. Het is die dag óók de Sabbat, een dag waarop je niet mag werken. En dit wonder is hoe dan ook een werk. Je mag geen papjes maken op de sabbat, daar zijn de Farizeeën heel duidelijk in! Maar dat is geen wet van God, het is een wet van mensen. Maar diezelfde mensen die dat verzonnen hebben, hebben ook de macht in handen.

Dit wonder is dus niet alleen maar bedoeld om iemand te helpen, maar ook om een andere groep uit de tent te lokken. De Farizeeën. Zij zijn op de stoel van de profeet Mozes gaan zitten en besluiten nu voor anderen wat ze moeten doen.  Ze zeggen dat ze heel veel weten over God, over de geboden, over de wet en de profeten. De Farizeeën oefenen hierdoor de macht uit in de gemeenschap. Zij hebben daarin niet alleen sociale macht, maar intellectuele macht. Zij bepalen wat waar is, en wat niet! Zij zijn hier wel eens even de feitencheckers die waarheid van leugen gaan onderscheiden. 

Maar Jezus controleert de controleurs. Jezus beproeft ze, als het ware. Ze zeggen van zichzelf dat ze Gods werk als geen ander kennen. Nou. Hier is hun kans!

Én ze zakken vierkant door het ijs. Ze halen alle trucs van stal, steeds meer getuigen oproepen, steeds dezelfde vragen blijven herhalen om maar niet te hoeven aannemen dat Jezus een wonder gedaan heeft. 

En op een gegeven moment is de bedelaar het zat. Hij heeft geen geduld meer met de Farizeeën en hun vrome praatjes. Zijn ogen zijn nog maar nauwelijks geopend en misschien daarom ziet hij het scherpst van allen wie er wel toe doen, en wie niet.  

Hij geeft de Farizeeën een grote mond. U moet goed begrijpen: dat is een ongehoorde brutaliteit. En we zien ook hoe het afloopt met zulke dwarsliggers. Die worden buiten gegooid! In zekere zin kun je zeggen: het zijn de Farizeeën die blind zijn, maar dat is niet het hele verhaal.

Het Evangelie is niet alleen maar historie, alleen maar verhalen over vroeger. Wat de Bijbel zegt over de Farizeeën kan zij ook over ons zeggen als wij onszelf net zo blind maken. En dat heb je zo gedaan! 

Zo gauw je tegen iemand zegt: “ga uit mijn ogen!” heb je al besloten blind te worden voor die persoon. Als je weigert iets goeds te geloven over een persoon, omdat je al besloten hebt dat hij toch een niksnut is, dan heb je je al besloten blind te worden.

En als je jezelf blind maakt voor iemand, maak je je ook blind voor de waarheid, want in elke persoon die wij niet willen zien schuilt ook het gelaat van Jezus. Blind zijn voor de ander, is blind zijn voor Christus. En wat dan begon als een halfbewuste keuze wordt dan ook werkelijkheid. We worden echt blind. 

We kunnen het harde, moeilijke werk van de waarheid aan het licht brengen  dan ook uiteindelijk niet overlaten aan anderen. We kunnen andere mensen om advies vragen en we kunnen gebruik maken van de expertise van derden. Dit moeten we ook doen als we zelf verantwoordelijke keuzes willen maken, maar we kunnen ons niet blind staren op aanzienlijken. Het zijn juist vaak de mensen die er níet toe doen, die ons de waarheid kunnen vertellen. 

Deze dagen legt Jezus ons dus een goede oefening voor. Voor wie ben ik blind? Welk geluid wil ik niet horen? Welke ontwikkelingen verklaar met wat gevatte woorden weg terwijl ik mezelf terugtrek in het bastion van mijn eigen gelijk? 

Wil ik de ánder werkelijk zien? Wil ik hem of haar ontmoeten? 

Laten we ons die vragen stellen, niet bang zijn om ook eens ongelijk te krijgen en op een ander toestappen, hem te ontmoeten voor wie hij is - zodat we samen, gewapend met nieuwe inzichten, de toekomst aan kunnen gaan.

 

Amen.