Sunday, 1 March 2026

Tweede Zondag Vastentijd A

 In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee

en bracht hen boven op een hoge berg,
waar zij alleen waren.
Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:
zijn gelaat begon te stralen als de zon
en zijn kleed werd glanzend als het licht.
Opeens verschenen hun Mozes en Elia,
die zich met Hem onderhielden.
Petrus nam het woord en zei tot Jezus:
“Heer, het is goed, dat wij hier zijn.
Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan,
een voor U,
een voor Mozes en een voor Elia.”
Nog had hij niet uitgesproken
of een lichtende wolk overschaduwde hen
en uit de wolk klonk een stem:
“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld;
luistert naar Hem.”
Op het horen daarvan
wierpen de leerlingen zich ter aarde neer,
aangegrepen door een hevige vrees.
Maar Jezus kwam naar hen toe,
raakte hen aan en zei:
“Staat op, en weest niet bang.”
Toen zij hun ogen opsloegen,
zagen zij niemand meer dan alleen Jezus.
Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun:
“Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd
voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan.”

 

Beste vrienden,

 

Misschien heeft u wel eens gedacht terwijl u ergens op vakantie was - op een fijne plek, het weer is heerlijk, u bent lekker aan het eten, misschien met een glaasje wijn erbij met mensen waar u graag mee samen bent - dat u denkt: konden we hier maar blijven, kon dit moment maar altijd duren. 

 Dat kan natuurlijk niet, maar het is niet zo vreemd als u dat voelde. Petrus, in deze lezing dacht er ongeveer hetzelfde over. Jezus laat zien wie hij werkelijk is, een gelukzalig moment, en Petrus wil het vasthouden. In de andere evangelies staat er dan bij: “Petrus wist niet zo goed wat hij zei”. Dit evangelie is iets beleefder.

Het evangelie van vandaag, het evangelie van de gedaanteverandering is een rijke maar moeilijke tekst. Het is een tekst die als het ware zich in drie dimensies uitbreidt. We zouden er door kunnen worden overdonderd net zoals de leerlingen.

We zien Christus gemanifesteerd in zijn Glorie, terwijl hij op weg is naar Jeruzalem om het lijden te ondergaan.

We zien een openbaring van wie hij ten diepste is. Het beeld van de Vader, Hij die van eeuwigheid was – en tegelijkertijd moeten de leerlingen die boodschap geheimhouden.

We zien zowel het verleden – door Mozes en Elia – als de toekomst – Jezus in zijn Heerlijkheid en een raadselachtige opdracht voor het heden.

 En op één of andere manier wordt dit allemaal in evenwicht gehouden. Bovenop de berg Tabor in Israël.

 Laatst moest ik denken aan een boek uit mijn kindertijd. Misschien kent u het wel want het is heel bekend, en er zijn tegenwoordig ook films van: de Narniaverhalen van de Engelse schrijver CS Lewis. Het eerste deel is De Leeuw, de Heks en de Kleerkast. Het verhaal gaat over vier kinderen, broers en zussen van elkaar die door de magische kleerkast in het land Narnia terechtkomen en daar allerlei avonturen beleven. Aan het eind van het avontuur worden ze koningen en koninginnen van Narnia. Maar ook koningen en koninginnen kunnen niet voor altijd blijven in dat magische land. Op een gegeven moment moeten ze weer terug naar de gewone-mensen-wereld. Maar ze hebben wel heel veel over zichzelf geleerd.

 Ook de leerlingen moeten zichzelf ontdekken terwijl ze op tocht zijn met Jezus. Wij reizen even mee.  Ze maken een vermoeiende tocht naar de top van de berg Tabor, en de leerlingen voelen zich al bedrukt. Jezus heeft al aangekondigd dat hij het lijden moet ondergaan. Ze gaan een onzekere toekomst tegemoet. En als bovenop de berg Jezus toont wie hij werkelijk is denkt Petrus natuurlijk: als we dit moment nu vasthouden, dan is ons moeilijke leven voorbij, dan kunnen we hier altijd zijn. 

Niet alleen met Jezus maar ook met Mozes en Elia, de helden uit hun jeugd waar ze alle boeken over gelezen hebben. Die paar momenten van goddelijke heerlijkheid zijn zo grandioos dat ze zich er met man en macht aan willen vastklampen. Ze willen op de berg blijven en genieten van al die mooie dingen. Maar het kan niet. Ze moeten ook weer van die berg af weer op weg gaan naar Jeruzalem. Ze zijn op die berg Tabor om iets te leren over henzelf. Om te ontdekken wie zij zijn en wie Jezus is.

Wat is het dat zij hebben geleerd? Drie lessen:

De eerste les, denk ik, is dat er geen toekomst is zonder een verleden. Dit geldt voor alles, dit geldt voor ons, en het geldt voor het geloof. Je komt nooit verder als je je verleden zomaar afwijst als je vergeet wie je bent heb je geen toekomst. Het is geen toeval dat als Jezus zich toont in zijn glorie, laat zien wie hij van eeuwigheid is en zijn zal , dat Mozes en Elia bij hem verschijnen. Mozes symboliseert de Wet, en Elia de Profeten. Samen zijn Mozes en Elia het joodse geloof van alle voorbije eeuwen. Christus is de toekomst, maar hij is niet de toekomst die het verleden afwijst. Hij is de toekomst die het verleden omarmt en meeneemt naar nieuwe grote hoogten. 

De tweede les, is dat we niet in het verleden of in de toekomst kunnen wonen. Welke mooie herinneringen we ook hebben of welke spannende vergezichten we ook te zien krijgen, we kunnen ze niet vasthouden, we kunnen ze niet tot het “nu” maken, want het nu is altijd een opening in de tijd, een moment van vrijheid waarin we - bijgelicht door het verleden en de toekomst – ons leven vorm kunnen geven. 

En we kunnen ook niet vooruitlopen op de toekomst. Alles moet op zijn eigen tijd gebeuren. Daarom moeten de leerlingen geheim houden wat ze allemaal gezien hebben. Het is hun taak om dit alles in hun hart te bewaren tot de tijd gereed is om de waarheid over Jezus te verkondigen. Die tijd is straks, maar nu nog niet. 

De derde les is hoe we in het heden moeten staan. Hoe moeten we dat “nu” beleven? God zelf vertelt ons dat op het moment dat Petrus en de leerlingen worden geconfronteerd met het feit dat ze niet op de berg kunnen blijven, ze horen: “Dit is mijn Zoon, de welbeminde, luistert naar Hem”.

Elke dag opnieuw mogen wij op zoek naar wat Jezus ons te zeggen heeft. Elke dag opnieuw mogen we op zoek naar zijn wil voor ons leven en kunnen we mogelijkheden vinden om zijn opdracht in ons leven waar te maken. We hoeven niet steeds terug te bladeren hoe het vroeger alweer ging, en we moeten zeker niet al gretig uitkijken naar het slot van het verhaal. Elke dag heeft zijn eigen diepe betekenis. 

De reis door ons leven wordt dan óók een reis naar de kern van ons leven, we leren langzamerhand wat belangrijk is, en wat niet. We leren welke wegen dood lopen, en waar de onverwachte openingen zijn. 

Dat is soms een onzekere tocht. We weten niet altijd of we de goede kant opgaan. Maar we mogen wel geloven altijd op deze toch te worden geleid door Christus zelf.

Als we op deze tocht blijven verdwalen we niet, maar leren we steeds opnieuw dat al onze avonturen uiteindelijk deel uit gaan maken van het verhaal van Christus en zijn Kerk. Een verhaal dat begonnen is in het verborgen hart van God en tot voltooiing zal komen in de eeuwen der eeuwen, Amen. 

Saturday, 28 February 2026

Zijn Feiten Maaksels? (Dehue, II)

 Sinds december verschijnen verhalen in de media dat priesters bij gelegenheid  (levende) zwangere vrouwen opensneden om de vrucht te dopen. Trouw, EO en de Groene Amsterdammer hebben deze aantijgingen zonder enige vorm van kritische toetsing overgenomen. 

Ik heb eerder iets geschreven over de aantijgingen die Trouw overnam, en waarom deze niet op werkelijkheid kunnen berusten.

 Inmiddels blijven de aantijgingen maar worden herhaald, nu weer door de Groene Amsterdammer, waardoor een verdere repliek nodig is. Gezien de complexiteit zal dit enige tijd vergen en uitgespreid worden over meerdere blogs. Het is makkelijk om iets te zeggen, maar inhoudelijk spreken is een stuk uitdagender, zeker als je dat met enige integriteit wil doen. 

De aantijgingen zijn ontleend aan het boek 'Ei, Foetus, Baby' van voormalig hoogleraar Trudy Dehue. Ondanks dat het boek stelt dat het aan 'wetenschapsgeschiedenis' doet, maakt het deze claim in werkelijkheid niet waar. 

Omdat ik me eerder zijdelings heb beziggehouden met het - vrij zeldzame - fenomeen van de postume keizersnede door priesters zal ik over dát specifieke onderwerpen e.e.a  schrijven. Priesters verrichtten geen operaties op levende vrouwen. Het was priesters in het toenmalige kerkrecht zelfs ten strengste verboden om chirurgische handelingen uit te voeren. Uitzonderingen zijn op één hand te tellen. De poging om een ongeboren kind te redden, en zo mogelijk te dopen als de zwangere vrouw was overleden, was echter een ándere kwestie omdat het hier niet meer om een ingreep om een levend persoon ging. 

(de theologische vooronderstellingen die hier onder liggen zijn relatief complex en staan ver van ons af, daarom zal dat onderwerp zijn voor een vervolgstuk) 

Ik heb in de afgelopen maanden archiefstukken en aantekeningen verzameld voor een inhoudelijkere studie naar het fenomeen van de postume keizersnede. Onder andere was ik benieuwd naar de mogelijkheid om vast te stellen hoe vaak dit in Nederland voor kwam. Het is mijn vermoeden dat het vrij zeldzaam was, ik heb een dozijn gevallen in Nederland geïdentificeerd, tussen 1815 en 1871. 

Dat wil niet zeggen dat er ook precies een dozijn gevallen wáren. Van meerdere aantijgingen tegen priesters weten we dat ze vals waren (zoals we later zullen zien in de "zaak Schinveld" waar mevrouw Dehue ettelijke bladzijden aan besteed.) aan de andere kant ging het per definitie om een discrete zaken die wel vaak documentair werden vastgelegd (bijvoorbeeld in correspondentie met kerkelijke overheden of pastoriejournaals) maar die niet even makkelijk te vinden of te doorzoeken zijn. Wie niet wéét waar hij of zij naar op zoek is en geen Latijn kan lezen verdwaalt onherroepelijk in de papierstapels. Verder zouden archiefbronnen als de (geneeskundige) Provinciale Commissies van Toezicht, ihb de rapporten van de vroedmeesters inzicht kunnen bieden. Ook de archieven het voormalige Departement voor RK Eredienst omvatten enig materiaal. Ik denk echter niet dat we aan honderden gevallen gaan komen. Waarom niet, zal ik later op terugkomen. Ik vind het oordeel dat het om een zeldzame praktijk ging voorlopig goed te rechtvaardigen, ik zal later uitleggen waarom. 

Mede door een recente groei aan verantwoordelijkheden zie ik echter weinig ruimte om de komende tijd nog veel archiefonderzoek te doen. Mocht het er nog van komen zal dat niet in de komende jaren zijn. Dat is jammer want ik heb in een aantal archiefbronnen een goudader aan materiaal gevonden. de komende blogs zijn gebaseerd op dát specifieke materiaal. 

De aantekeningen die ik heb zijn in ieder geval voldoende om eenduidig aan te tonen dat de aantijgingen van Dehue, zeker waar het een aantal voor haar prominente voorbeelden betreft, berusten op een fundamenteel onbegrip van de bronnen, een ernstige  misrepresentatie van de theologische literatuur, en een haast volledig ontbreken van archiefonderzoek. De aantijgingen in Ei, wijzen op een extreme vooringenomenheid die geen kritische benadering toelaat. 

De problemen met het werk van Dehue zijn niet incidenteel, maar fundamenteel. De intellectuele vooronderstellingen van deze studie maken al dat zij haar narratief immuniseert tegen elke vorm van kritische feedback. 

Het probleem begint al op de eerste pagina's van haar boek. Feiten, zo beweert zij, zijn maaksels (Dehue 2023, 9-11). Zij maakt hier gebruik van een vorm van constructivisme die diepzinnig lijkt, maar het niet is. 

Er is natuurlijk een zekere zin waarin we kunnen zeggen dat feiten - samengebalde propositionele uitspraken over de werkelijkheid - maaksels zijn. Er is geen feit zonder een taal waarin we deze uitdrukken. Er is geen historisch feit zonder een geschiedkundige praxis. Een dergelijke praxis, of de conclusies daaruit kunnen en moeten worden bevraagd. Alleen al daarom kunnen we nooit zeggen dat de geschiedwetenschap ooit "klaar" is. De geschiedwetenschap, net als andere humaniora, maken deel uit van de eindeloze dialoog die mensen met elkaar voeren. 

Er kunnen nieuwe bronnen naar boven komen, de manier waarop we naar bronnen kijken kan veranderen. We hebben meer technische of statistische technieken om informatie te kunnen duiden en zo enigszins tastend iets zinnigs te zeggen over het verleden. 

Het omgekeerde kan ook gebeuren: tijdvakken raken in vergetelheid.  Kennis van het Latijn verdwijnt. Paleografische en archiefvaardigheden verdwijnen ten gunste van hap-slik-wegschrijverij en waar ooit kritische distantie mogelijk was, heerst nu onbegrip. De beschaving marcheert niet altijd voorwaarts. 

Zonder kennis van het kerkelijke leven in de 19e eeuw, een idee wat moraaltheologische teksten zijn en doen, of kennis van kerk-staat verhoudingen, of religieuze vrees in Nederland, is het vrijwel onmogelijk om iets zinnigs te zeggen over dit marginale - maar interessante - fenomeen als de postume keizersnede. 

Een antirealistische epistemologie is ook zo`n dergelijke - negatieve -  factor. Het is gevaarlijk om de empirische onderlaag, de bronnen voor de geschiedschrijving te gaan verdisconteren. Toch is dit makkelijk om te doen. 

Bronnen zijn immers altijd gefragmenteerd, episodisch, opgesteld door mensen met bepaalde doeleinden. Archiefonderzoek is frustrerend. Je vindt zelden wat je hoopt. Doorgaans vind je iets anders. Soms stuit je op een prachtige, onvermoede bron en gaan stemmen klinken die eeuwen niet gesproken hebben. Vaker dan niet trap je tegen een stomme steen. Veel stemmen uit het verleden zijn overgeslagen, en veel geschiedenis zal nooit worden achterhaald. Het is dan makkelijk om te zeggen dat je wat minder boodschap hebt aan de empirie, en in tegenstelling daarvan het narratief - vanuit een werkelijk of vermeend standpunt laat primeren.

In plaats van de frustrerende en onbevredigende zoektocht naar wat er werkelijk gebeurd zou kunnen zijn, te volgen, probeer je een sluitend verhaal te construeren, Het liefst één met slachtoffers en daders die een duidelijke rol hebben. Omdat de mens zichzelf in narratieve termen begrijpt (Zie o.a. Macintyre, After Virtue ) gaat er een grote verleiding van het verhalende uit. Zonder duidelijke binding aan de werkelijkheid, en de mogelijkheid om deze te blijven toetsen wordt een narratief al gauw een dwingend, totaliserend en - uiteindelijk -  totalitair verhaal. Zoals de taal ons denken beheksen kan, zo geldt dit nog meer voor krachtige, besmettelijke verhalen. 

Mw. Dehue sluit een dergelijke kritische toetsing van haar eigen narratief uit. Als feiten slechts maaksels zijn, slechts uitingen van machtsrelaties hebben ze geen zelfstandige kritische macht. We zien in haar boek dan ook het lange spoor van de vulgarisering van bv het denken van Foucault. Helaas is mw. Dehue zèlf geen Foucault. Dan had zij misschien ook begrepen dat zij misschien op dit moment de macht is die momenteel het discours bepaalt en - letterlijk - feiten maakt waar ze niet te vinden zijn.  

Op pagina 11 zien we al een zin waarin we de bordkartonnen fundamenten van Ei ... zien worden opgetrokken. 

Wetenschap, schrijft zij, zet de realiteit vooral naar menselijke hand (...) het woord 'feit' stamt ook af van het Latijnse 'facere' dat 'maken' en 'handelen', wat het idee op zich al samenvat. (Ei, 11)

In de wijsbegeerte noemen we dit een etymologische drogreden: de gedachte dat de oorsprong van een gegeven woord ons iets vertelt over de huidige betekenis. Dat is geenszins het geval. Het Latijnse woord factum vat namelijk helemaal geen idee samen dat mw. Dehue wel of niet zou hebben. Ons begrip van 'feitelijkheid' is door en door modern en het huidige woord 'feit' werd pas via een lange omweg in de tweede helft van de negentiende eeuw voor het eerst gebruikt in de betekenis die het nu heeft. (Het EWN houdt het op 1866) 

Dit is het begin van een patroon dat we door het hele boek heen zullen zien. Bij ontstentenis van kritisch vermogen gaat de auteur vrij associëren, irrelevantia er bij halen en zelfs dingen verzinnen, alles om het aantrekkelijke, spectaculaire, verhaal maar sluitend te krijgen.  

Zoals gezegd, er is een volwassen, wijsgerige manier om het over de constructie van kennis te hebben. Daar is hier geen sprake van. Vulgair-constructivisme kan echter ook een manier zijn om jezelf een geestelijke vrijbrief te geven om te pseudologiseren, en zo de werkelijkheid uit te wissen. Dat laatste vinden we terug in het werk van Dehue.

Ik zal in komende stukken één specifieke casus die zij aanhaalt ontwarren, op grond van archiefonderzoek dat zij zelf heeft nagelaten te doen. De archiefbronnen suggereren dat er een geheel ander verhaal is, dat éérder op zekere bodem staat. Ironisch genoeg is dat juist een verhaal over machtige mensen die de werkelijkheid zélf naar eigen hand willen zetten. Die poging mislukt. 

Het zal in de komende blogs duidelijk worden hoe feit en fabel  in haar teksten  structureel in elkaar overlopen, en ze daardoor het werkelijkere - en spannendere verhaal dat onder de bronnen ligt - niet herkent. 

Wordt vervolgd. 







Thursday, 19 February 2026

Eerste Zondag Vastentijd A


Beste mensen,

Eerder was ik een stukje aan het schrijven over de Vastentijd, en ik zocht daar een plaatje bij. Dat had wel wat voeten in de aarde, want je breekt je voeten over alle goedbedoelde clipart met zachtbruine kruisjes in zachtgele woestijntjes. Als u mij een beetje kent weet u, ik ben daar niet zo van. Dan maar, dacht ik, een schilderij. Maar dat verlegde het probleem alleen maar. De ene na de andere triomfantelijke Jezus die de duivel als een vervelende bromvlieg van zich afslaat. En de duivel heeft natuurlijk ook bokkenpoten en dikke hoorns op zijn hoofd. Anders herken je hem niet.

Dat spreekt me ook niet aan. Het lijkt allemaal te makkelijk. Als het allemaal zo makkelijk was hadden we vandaag een lege pagina gehad in het Evangelie. Er was niks gebeurd om over te vertellen. Ja de duivel kwam even buurten, hij was goed te herkennen hoor. Maar één klets wijwater en een plechtig gebed uit het Rituale Romanum en het was weer gedaan.

Nee, daar gaat de evangelist geen moeite voor nemen om zo`n bagatel op te schrijven.

En toen kwam ik een ander schilderij tegen. Ivan Kramskoy, Christus in de Wildernis, 1872. Het is in de vroege ochtend, het licht is koud. En Jezus zit er een beetje verlaten bij. In de wildernis. En je ziet verder niemand. Ook geen duivel. Want de duivel loopt niet rond in zijn boevenpak hè? De strijd vindt van binnen plaats. Jezus heeft het er maar moeilijk mee. Zijn handen zitten verkrampt inééngestrengeld.

Het is een heftig schilderij. Maar eerlijk. Het vertelt de waarheid.

Want de waarheid is: ieder mens heeft een haakje. Ieder mens kan ergens mee worden verleid. (Of je daar op ingaat of niet is een tweede, maar verleiding voelen kan iedereen.) Iedereen kan zichzelf uit handen geven voor iets wat hij heel graag zou willen. Iets dat niet tot de kern van je leven behoort, iets wat je zelfs afleidt van wat je echt moet doen… Maar waar je je zo toe aangetrokken voelt dat je het moeilijk kan laten liggen.

Ieders verleiding ligt ergens anders. Er is zelfkennis voor nodig om te weten waar zo`n haakje zou kunnen zitten, en wat dat haakje gaat doen als je er ruimte aan geeft. Er zijn hele oppervlakkige verleidingen, net zoals er oppervlakkige mensen zijn. Seks, bijvoorbeeld. Heel oppervlakkig. Erg effectief, bij veel mensen.

Aan de verleidingen ken je de mens. En we mogen nu even in het hoofd van Jezus kijken. Hij geeft zich bloot. We zijn in de vastentijd, Jezus wordt van alles ontdaan, op weg naar het kruis. En het eerste waar hij van ontdaan is de illusie van onkwetsbaarheid. Jezus kan worden verleid, met een aantal hele specifieke dingen. En die vertellen ons iets over wie Hij is. We gaan even kijken.

Drie dingen, die hij zou kunnen doen. Maar die gaan afleiden. Heel slecht uit gaan pakken.

De eerste. Stenen in brood veranderen. Vrij van gebrek zijn. Niks meer tekort komen. Het lijkt niet eens zo gek. Het lijkt niet op overdaad. Er staat niet stenen in juwelen, of stenen in goud, dat je alles kan kopen wat je wil! Nee, stenen … in brood. Gewoon vrij zijn van angst voor gebrek. De zekerheid hebben van dagelijks brood. Zekerheid van leven….

Daar zouden veel mensen wel wat voor over hebben. Hier tekenen op de stippellijn Jezus. Je hoeft maar een klein beetje buiten de lijntjes te kleuren. Niemand hoeft het te zien, niemand hoeft het te weten. Maar hij doet het niet.

Als mensen om hem heen in onzekerheid leven, dan deelt Hij die onzekerheid. Hij staat er niet boven.

Dan pakt de Verleider uit. Hij zet nu groots in. Macht. De koninkrijken van de wereld. In jouw handen. Je kan de keizers voor je laten knielen. En ook weer, ik denk niet dat dat is omdat Jezus Superkeizer wil worden. Kijk: sommige mensen zijn machtswellustelingen. Ze zullen alles en iedereen kapotmaken om maar een greep naar de holle kroon te kunnen doen. Zelfs hun vrienden en bondgenoten vallen ze in de rug aan! Onvoorstelbaar! Maar Jezus is niet één van die mensen.

Maar stel dat je macht zou krijgen om goed te doen. Dat je mensen zou kunnen dwingen zich te gedragen, dat je maar een woord van macht hoeft te spreken – zoals Jezus tegen de boze geesten doet – en zelfs de grootste tiran verwelkt acuut, en trekt zich met zijn legers terug, en laat de mensen gerust. Een Ring van Macht om je vingers. Om goed te doen.

Maar wie In de Ban van de Ring gelezen heeft weet dat je een Ring van Macht niet ongestraft om je vinger kan schuiven. Dat is niet hoe macht werkt. En Jezus is gekomen niet om te heersen over de wereld, maar om alles wat in de wereld speelt te ondergaan.

Macht is dan een afleiding. Nog gevaarlijker dan goochelbrood! Niks daarvan!

Dan komt de derde. Het klinkt raar, van de Tempelpoort afspringen en veilig landen. Wat is dat nou voor verleiding. Het gaat niet om alleen maar onkwetsbaarheid. Het gaat om iets anders. Aandacht. Erkenning.

Dat de mensen zien wie je bent. Je wel moeten erkennen. Want je staat overal boven. Iedereen kan je zien neerzweven. Vervuld van Goddelijke kracht. Niemand gaat je ooit vergeten! Je hebt de zekerheid dat je nooit vergeten wordt, de zekerheid dat iedereen je fantastisch vindt. De waardering waar je recht op hebt. Die kun je krijgen! Even een klein sprongetje. En dan ben je nooit meer alleen.

Nooit meer alleen.

Wat moet Jezus eenzaam geweest in zijn leven. In Nazareth. Maar daarna ook. Want die drie verleidingen gaan van kwaad tot erger, ze gaan recht in Jezus zijn ziel. De duivel pelt Jezus af als een ui.  

Angst voor gebrek, één. Dat is nog maar de buitenkant. De wil om goed te doen, dat is twee. Dat is wat Hem motiveert! De wereld genezen! Maar daar dan nog onder ligt een kern, de angst voor verlatenheid. Het verlangen dat een ander je ziet, erkent, waardeert.

Nooit meer alleen.  

Ja, die komt het meest dichtbij.

Maar hij moet een andere weg gaan. Zijn koningschap ligt niet op tafel. Hij heeft lang in het verborgene moeten leven – terwijl zijn grote verlangen is om gekend te zijn. Te worden begrepen. Leerlingen, apostels om zich heen ja. Maar die begrijpen hem vaker niet dan wel.

Eenzaam, zelfs binnenin je eigen groep.

En uiteindelijk aanvaarden dat je wordt afgewezen. Dat mensen om je heen weglopen, je achterlaten.

En uiteindelijk de diepste verlatenheid, dat Jezus aan het kruis zelfs zijn verbondenheid met God niet meer voelt. “Mijn God mijn God waarom hebt gij mij verlaten… “ En zelfs wanneer hij dat zegt wordt hij nog niet begrepen. De mensen denken dat Eli Eli lama sabachtani betekent dat hij om Elia roept.

En toch haalt hij het ergens vandaan dat hij nee zegt. “Nee. We gaan God niet op de proef stellen”, want zelfs als je slaagt voor de proef, zak je er voor. Dat is niet waar je voor kwam. Maar dat antwoord moet uit zijn tenen gekomen zijn.

Waarom kan Jezus nee zeggen tegen deze drie verlangens, die hem zo ter harte gaan? Waar haalt hij de kracht vandaan om nee te zeggen? Ik dat gewoon een soort infuus van boven? Nee. Het is geen toverij. Jezus kan nee zeggen tegen de verleiding omdat hij zelfkennis heeft.

Hij weet wie hij is. Hij kent zijn relatie met God. Hij voelt waarheen zijn roeping gaat. Nog niet volledig scherp. Maar er zijn genoeg contouren. En hij weet waar zijn eigen zwakheden liggen. Hij kent zijn eigen angst en pijn. Hij doet niet alsof hij onkwetsbaar is. Zonder zonde, ja, maar niet zonder littekens. En enkel als je je littekens kent heb je vrijheid om de haakjes die je kunnen vangen te zien.

Wij bevinden ons nu ook in een woestijn, geen letterlijke natuurlijk, maar wel voor veertig dagen. Wij zijn uitgenodigd om afleidingen terug te brengen tot een minimum. Niet om onszelf te pesten maar zodat we ons beter leren kennen. Zelfkennis kweken in het licht van God. Doen we dat niet, krijgen we onszelf niet helder, dan komt ook onze relatie met God niet uit de verf.

Sterker nog: we kunnen dan makkelijk worden afgeleid door iedereen die een haakje op ons pad gooit. (En vaak hebben we geen duivel nodig, wij zijn zelf wel onze ergste vijand, daarom moeten we ook van onszelf houden!)

We groeien in zelfkennis, niet uit paranoia, maar omdat we weten dat we sukkelaars zijn – kwetsbare mensen. Mensen met gaten in ons hart. En in zo’n gat past altijd iets wat ons niet verder helpt.

Voor de één erkenning, die je nooit gehad hebt. Voor de ander échte intimiteit, warmte met je medemens. Voor de ander de koortsige obsessies met de wereld, die onbeheersbaarder is dan ooit. Dat als we maar steeds langer in die afgrond staren we er wél grip op krijgen. Voor veel mensen: angst voor auto, woning, welvaart. Dat we maar geen stap terug moeten doen! Wat zijn veel mensen daar bang voor. En ik ga er ook niet lacherig over doen. De angst is echt, want het gat in ons hart is echt. We moeten er mee leren omgaan en dat kan niet door te doen alsof die gaten er niet zijn. Of dat we er zomaar “boven staan”.

Als (als!) je er boven staat, dan heb je er eerst lang mee gevochten. Het is nooit zomaar klaar.

Mogen we onszelf zo weer leren kennen in  deze tijd. Opnieuw leren wie wij zijn, gatenkaas en al, vanuit onze relatie met God. Wordt dat helderder, dan zijn we ook vrijer, moediger, en , ja, sterker. Dan kunnen we ook datgene aan wat de wereld ons toewerpt. Want wat het ook is, we staan er nooit alleen voor.

Amen.

Saturday, 14 February 2026

Carnavalszondag

 

Één blik genoeg


Hier zijn wij nu saam'gekomen

Gelovigen en wat minder vromen


Want ieder kan hier samen zijn

Op het carnavalsfestijn


Het thema is één blik genoeg

En wij zien hier een hele ploeg


Prins Thomas II, zijn protocol

die zijn goed voor heel wat lol


Welkom prins, en adjutant

Het carnaval is in goede hand


Jeugdprins Jantje en Gevolg 

Carnaval krijgt een vervolg 


Waar zouden we zonder hofdame wezen?

Prins, heeft u haar goed geprezen?


Meneer de pliessie is aanwezig

Hopelijk raakt hij niet té bezig!


En ook de nar, de ziel van het feest

Brengt ons in de juiste geest


Gevolg, bestuurderen en raad

Zorgen voor het resultaat


En u allen feest'lijk uitgedost

En strakjes naar weer buiten host.


Het feest van carnaval, vieren we samen

Wat gaan we deze keer uitkramen?


Een boodschap uit een oud verhaal

U hoorde het, 't is heel speciaal


God die de mensen heeft gemaakt

Heeft zijn eigen taken nooit verzaakt.


Mensen doen soms gekke dingen

Soms zo gek, dat ze weggingen


In `t paradijs was alles goed

Er was maar één ding wat niet moest


Snoepen van de grote boom

Maar samen hadden ze geen schroom


Adam en Eva deden dat toch

, samen, wat niet mocht.


Maar ook al was dat echt niet goed

Ze gingen het samen tegemoet.


Ze moesten weg uit `t paradijs

Maar gingen samen dan op reis


Een nieuwe plek, dat was erg zwaar

Maar ze waren er samen, als paar


Wat telde, ze keken elkaar aan!

Zo kun je samen blijven staan


Heb je aan een blik genoeg

Dan sta je sterk in al `t gezwoeg


Het geldt voor ons, maar ook voor God

Hij kijkt je aan, dat trekt je vlot


In het leven sta je nooit alleen

Je hebt mensen, engelen, en God om je heen


Soms moet je dat wel leren

want wat anderen soms wel beweren?


Dat je alleen op jezelf kan bouwen!

Dat je niemand kan vertrouwen!


Soms klopt dat deels, het zit soms tegen

Je zit niet in de drup, wel in de regen


Misschien heb je verkeerd gedaan

Zien anderen je niet meer staan


Zo als Zacheus de tollenaar

een kleine, nare, ambtenaar


Hij maakt de mensen geld afhandig

maar geeft niks terug. Da's best vijandig!


Dan gebeurt er wat, er is een toeloop!

De mensen hoopten, dat hij afdroop


Maar Jezus is niet zomaar iemand

Hij is voor mensen aan de zijkant


Zacheus wil dat toch graag zien

Dus klimt hij, een beetje clandestien


In een boom die daar maar staat

Omdat niemand hem er bij laat


Hoe hij ook stond te springen en te doen

hopend op een visioen


Want als je iemand echt leert zien

stap je uit't dagelijks stramien


krijg ook jij een nieuwe blik op dingen

gaat er een streep door rekeningen!


En zo kijkt Jezus hem dan aan

Alsof hij nooit iets anders had gedaan


Hij begroet hem als een oude vriend

Alsof Zacheus dat verdient!


De mensen zijn wel wat ontstemd

Vinden Jezus ongeremd


Weet hij wel niet wat Zacheus deed?

Hoe hij ons in de vingers sneed!?


En al dat geld, ons afgepakt?

Nou zij hebben hem uitgekakt!


Maar Jezus kijkt, met nieuwe blik

en tussen hen ontstaat een klik


een nieuwe wereld kan beginnen

Er is ontzettend veel te winnen


Als je afstand doet van het kwaad

En wat je verdiende met het onraad


misdaad, bedrog en slechte plannen?

Niks daarvan ga je vermannen!


En zo maakte Zacheus alles goed

En komt hij Jezus tegemoet


Jezus hoeft het hem niet te zeggen

Om zijn winst zo neer te leggen


Eén blik maakt alles klip en klaar

Geen praatjes meer, of commentaar.


Zacheus maakt een nieuw begin

En kan nu ook anderen weer aanzien



Nu zijn wie hier vandaag bijeen

Deze zondag, en niet alleen


We hoeven niet in een boom te klimmen

Om ons leven bij te trimmen


Een beetje aandacht voor wie wij niet zien

Dat zorgt al gauw voor pret voor tien


Carnaval is't als ieder meedoet

En elkaar op straat ontmoet


Gaat straks uiteen in polonaise

Dan vergeten wij malaise


Vergeet niet elkaar vast te houden

Weg van wat ons zou benauwen


Vier veilig en kom ook weer terug

In de vastentijd, dat is al vlug


en voor je het weet, dan is het Pasen

Een nog groter feest, `t zal je verbazen!


Gods zegen over jullie samen hier

Dat `t smaken mag, één of twee glaasjes bier

Ik wens u allen , een goede zwier


Hierna volgt dan de collecte 

Gerinkel tussen alle gekte 


Draagt u allen ook wat bij 

Zijn wij ook in de Vasten blij.


Amen.


















Sunday, 8 February 2026

Vijfde Zondag in Gewone Tijd A 8 februari 2026

 In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:

“Gij zijt het zout der aarde.
Maar als het zout zijn kracht verliest,
waarmee zal men dan zouten?
Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen
en door de mensen vertrapt te worden.
Gij zijt het licht der wereld.
Een stad kan niet verborgen blijven
als ze boven op een berg ligt!
Men steekt toch ook niet een lamp aan
om ze onder de korenmaat te zetten,
maar men plaats ze op de standaard,
zodat ze licht geeft voor allen, die in huis zijn.
Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen,
opdat zij uw goede werken zien
en uw Vader verheerlijken, die in de hemel is.”

 

Beste vrienden

 

De Nederlandse keuken staat niet bekend om haar intensieve gebruik van kruiden en andere smaakmakers. Voor buitenlandse mensen die kennismaken met de Nederlandse cuisine is dat soms nogal een schok om mee te maken. Als je gewend bent je eten goed te kruiden is het duidelijk dat er nogal wat ontbreekt als die relatief kleine toevoegingen er niet meer zijn. Voor de smaakorganen valt er dan een hele dimensie weg. Over die dimensie wil ik het graag hebben.

Zout doet een aantal dingen, in het bijzonder in de context van het joodse land in de eerste eeuw, de tijd van Jezus. En daar gaan we het straks over hebben. Maar ik wil beginnen met een interpretatie die vaak gehoord wordt maar waar denk ik weinig van klopt.

Ik heb vaak gehoord en gelezen (en zelfs wel eens gezegd) dat mensen zeiden: als christenen zout der Aarde moeten zijn dan betekent dat in de eerste plaats smaakmaker. Dat Christenen een kleine minderheid zijn is dan dus niet erg. Immers: geen enkel gerecht immers bestaat grotendeels uit zout!  Dat idee is denk ik verzonnen om ons te troosten omdat de kerk vooralsnog steeds kleiner wordt. Een beetje als het idee wat je ook wel eens gezegd wordt dat naarmate de ontkerkelijking toeneemt de besten gaan overblijven.

Die gedachten zijn begrijpelijk, maar ze zijn geen Evangelie. Toch zijn ze informatief omdat ze ons laten zien hoe en waarom wij het Evangelie kunnen begrijpen.

Deze passage die we deze zondag lezen staat niet op zichzelf. Het maakt deel uit van de grote Bergrede van Jezus. De passage volgt direct op de Zaligsprekingen die we vorige zondag lezen en direct hierna begint Jezus aan zijn uitleg van de Wet – waarin hij vertelt dat de gerechtigheid van zijn volgelingen die van de Schriftgeleerden en Farizeeën moet overtreffen en uitlegt hoe dat er uit ziet.

Als we dat niet beseffen en niet bij de lezing van deze passage steeds kijken naar wat er in de rest van de Bergrede en het Mattheusevangelie staat kunnen wij niet begrijpen wat Jezus bedoelt.

Het risico wat er kan gebeuren als je lange Bijbelverhalen en redevoeringen van Jezus in stukjes knipt – en dat is wat we doen in de Katholieke Kerk - dan kun je ze wel eens losstaand van de rest van de Bijbeltekst gaan lezen, en dat is niet de bedoeling!  Het is onvermijdelijk dat dit opknippen gebeurt, want zo verdelen we de Bijbelteksten over het hele liturgische jaar, maar er zitten echt nadelen aan.

De passage “in die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen” is een standaard aanhef die gebruikt wordt om de passage in te luiden, maar die passage is niet zelf deel van het Evangelie. Om te beginnen zou je kunnen denken dat Jezus al reizend door het Joodse land met zijn leerlingen dit op een los moment tegen hen zei. Dat is niet zo.

Want de Bergrede beantwoordt eenduidig de vraag wie het Zout der Aarde is. Dat is niet een selecte groep leerlingen, maar de menigte (Mt.5:1). De leerlingen komen wel bij Hem bij het onderricht. Maar hij onderricht de grote groep, niet een klein groepje intimi.

Zout: dat is iedereen die Jezus volgen wil. Die is zout.

En voor wie is dat zout bedoeld? Voor de Aarde. Ook dat is belangrijk. Aarde wil zeggen: de hele wereld. Net zoals zout, kruiden of elke specerij betekenis heeft, dan is dat niet omdat er maar weinig van is, of weinig van nodig is, maar liever omdat het betrekking heeft op het geheel. Er staat: Gij zijt het zout der Aarde. Niet: Gij zijt het zout van het land van Israël of een andere lokale omgeving. Nee, de christelijke opdracht is er voor heel de wereld, over alle grenzen heen. Je hebt per gerecht misschien maar een klein beetje zout nodig. Maar we zijn niet geroepen om alleen een bord spaghetti te zouten, we zijn geroepen om de wereld te zouten. Dat is een berg zout. Maar een béétje zout hebben is dus echt niet iets om trots op te zijn.

Tenslotte: hoe doet dat zout dat? Zout heeft traditioneel een aantal kenmerken. Die hebben ook een sterke symbolische betekenis. Daar gaan we even naar kijken. Zout conserveert en zuivert.

Allereerst: het  conserveert. Misschien had uw vader of moeder, of als je jonger bent oma of opa een Keulse pot in de kelder staan. Gezouten voedsel blijft lang goed!

Christenen moeten wat er voor hen kwam niet rücksichtslos om ver werpen en denken dat het nieuwe van Jezus alles wat er voor hen kwam afbreekt. Nee, Jezus zegt een paar verzen verder: denk niet dat ik gekomen ben om de Wet en Profeten af te schaffen. Hij conserveert de Wet en de Profeten. De menigte die het zout der Aarde is wordt een paar verzen later opgeroepen om wat voor hen kwam te eren en te bewaren.

Dit betekent niet: slaafse navolging, of een pietluttige obsessie met rituelen en vanzelfsprekendheden van lang geleden. De beleving van de Wet en de Profeten, wat er voor Jezus kwam moet ook gezouten wordenDat wil in dit geval zeggen gezuiverd.

Zout is niet alleen een conserveringsmiddel, maar het maakt ook rein. Dit zien we nog in een paar rituelen terug, bijvoorbeeld in de Paasnacht. Zout maakt puur. Wat overgeleverd is moet naar een nieuwe dimensie worden getild om zo werkelijk tot zijn recht te komen. Zoals zout het gerecht naar een nieuw niveau tilt, zo tillen de volgelingen van Jezus de hele wereld naar een nieuw niveau, brengen het in contact met een nieuwe, geestelijke, dimensie.

Dit lezen we ook een paar verzen verderop, als Jezus zegt een paar verzen verderop: dat “hun  gerechtigheid die van de Schriftgeleerden en Farizeeën ver moet overtreffen”. Hun gerechtigheid moet die van de Schriftgeleerden overtreffen: níet in de zin dat ze nog preciezer, rigider en hardwerkender moeten zijn, alsof er een soort religieuze wapenwedloop moet plaatsvinden! Integendeel: het moet die van hen overtreffen in de zin dat er werkelijk een dimensie bijkomt. De letter van de Wet moet vervuld worden, bewogen worden door de Geest van de Wet. Lukt je dat, dan overtreft je gerechtigheid die van Farizeeën.

Als u wilt weten wat dat dan met zich meebrengt, dan moet u komende zondag weer komen, want dan lezen we de hieropvolgende verzen. We eindigen dus een beetje met een cliffhanger. Spannend! Hoe zou het aflopen?

Wij gaan straks weer de wereld in, om zout te zijn voor de hele wereld. Niet alleen de mensen om ons heen maar alle mensen die we kunnen raken met ons voorbeeld en ons gedrag. Wij mogen vasthouden wat ons overgeleverd is en al het goede bewaren en die op hun beurt gezuiverd, Geestvervuld, doorgeven. Een hele opdracht, maar we staan er niet alleen voor.

Mogen we ons altijd bemoedigd voelen in deze opdracht, verbonden met de hele Kerk en vervuld van onze missie de hele Aarde mee te nemen in dit avontuur.

Amen.

Saturday, 31 January 2026

Vierde Zondag in Gewone Tijd A: 'Toean Belanda' aan de Paraná?

 Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op

en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem.
Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:

“Zalig zijn de armen van geest,
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.

Zalig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt
en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil.
Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel.”

Beste vrienden, 

Ik ben van de week gaan zitten voor de nieuwe serie van de VPRO waarin ze mensen volgen die naar Paraguay zijn verhuisd. Een soort "Ik Vertrek", zeg maar. Wakker in Paraguay heette dat. 

Nu kijk ik heel graag naar Ik Vertrek omdat ik, ik zal eerlijk zijn, ik ben wel een beetje van leedvermaak. En mensen die naar een ander land vertrekken zonder vergunningen, bedrijfsplan of enige kennis van de vreemde taal: dat is  heerlijke televisie. Daar kun je me altijd voor wakker maken.  

Maar dit was anders. Deze mensen wilden niet zomaar wat anders in het leven, ze wilden weg - zo zeiden ze - van alles wat hun bond aan Nederland. Want in Nederland kon je niet meer vrij zijn. Zo noemden ze dat. 
De belastingen zijn hier te hoog. Je hebt leerplicht. Je moet je houden aan bestemmingsplannen enzovoort. En als er een pandemie is, moet je je aan de regels houden die er voor iedereen gelden. Terwijl jíj bijzonder bent, en je niet aan regels zou moeten houden. Dat is het idee. 

En zo vertrek je dan met je Nederlandse geld naar het arme Paraguay, waar je het land van andere mensen op kan kopen om daar zélf ruimte in te gaan nemen. Zonder dat je nog iets met iemand te maken hebt. Niks met Nederland, maar ook niet écht met Paraguay. Want ik geloof er niks van dat deze mensen echt willen opgaan in die samenleving, daar willen integreren, of uiteindelijk hun Nederlandse paspoort gaan inruilen tegen een Paraguyaans exemplaar. (Want als het mis gaat moet je natuurlijk wel weer worden ontzet door diezelfde Nederlandse overheid waar je niks meer mee te maken wou hebben) 

Dat ruimte innemen. Dat viel me nog het meest op: de vanzelfsprekendheid waarmee die mensen dachten de ruimte van anderen in te nemen. Anderen voor hen te laten werken, terwijl ze zelf de hele dag bezig waren te praten over complottheorieën, of hoe slecht ze behandeld waren, terwijl ze op niks concreets meer waren betrokken. En zo wordt het minder Wakker in Paraguay en meer Toean Belanda aan de Paraná, het uitleven van een koloniale fantasie waar men denkt vrij te zijn door anderen, arme mensen en hun arme land, in jouw hebberige handen te krijgen. 

En dan horen we deze zondag de woorden van de Zaligsprekingen. Woorden over o.a. arm zijn, troost krijgen, land beërven, barmhartigheid ondervinden en God zien. Woorden over verlangen naar gerechtigheid, en ook over vervolging. (Maar dat is denk ik iets anders dan dat je een boete krijgt omdat je schimmige zaken doet.)

En het contrast beste vrienden, dat lijkt me nogal groot. Nu zijn de Zaligsprekingen, de woorden die Jezus op de berg spreekt voor mensen overal vandaan niet zomaar iets alledaags. Ze zijn geen nieuwe grondwet voor het land, geen Burgerlijk Wetboek. 

Jezus verkondigt een nieuwe houding waarmee je in het leven kan staan. Waar je ook woont. Daar hoef je niet voor naar een ander land. Dat mag hier en nu. En het hier en nu voor de mensen die daarbij waren, toen Jezus de Zaligsprekingen uitsprak, hadden het niet goed. Die leefden onder bezetting, of in armoede, of - zelfs als ze het iets beter hadden - in onzekerheid. De Zaligsprekingen zijn geen woorden voor in de hangmat. Het is bemoediging voor als het leven moeilijk wordt. 

En Jezus zegt dan niet: pak je boeltje en ga - met achterlating van al je verantwoordelijkheden - neem daar dan andermans plek in, en doe vervolgens waar je zin in hebt.

De Zaligsprekingen leggen een andere levenswijze op tafel. Ze beginnen met de dingen waar we op mogen hopen als we zien dat het niet goed gaat in de wereld om ons heen, en niet goed gaat met onszelf. Dan worden we uitgenodigd om een houding aan te nemen die ons bekwaamt om God te zien werken in alle omstandigheden. 

De Zaligsprekingen beginnen met twee situaties die voor ons niet wenselijk klinken. Zalig degenen die arm zijn van geest en die treuren. Ik denk dat als je een zelfhulpboek leest de boodschap juist een andere is. Hoe leer je zo sterk mogelijk worden, en hoe verwerk je treurnis zo snel mogelijk, zodat het voorbij is, en leer je weer in jezelf geloven. Dat is meer de boodschap van nu. 

Maar in de wereld van de Bijbel zul je eerst de harde werkelijkheid moeten aannemen en doorleven. De waarheid over hoeveel verdriet er in de wereld is, en in onszelf, en hoe groot onze onmacht is om daar wat aan te doen. En hoe elke poging om daarvoor weg te vluchten - al was het naar Paraguay - dat probleem alleen maar groter maakt. 

Arm zijn van geest betekent hier: we kunnen maar deels van onszelf aan: we zijn geen meesters van ons eigen bestaan. Het voelt zo vaak alsof ons leven geleefd wordt. De droom van vrijheid stuit op de grenzen van de werkelijkheid. En dat is niet de schuld van een complot of van een schimmige parasiet die het weer en de banken beheerst. Dat is wat het betekent om mens te zijn in een gevallen wereld. Onze eindeloze dromen lopen altijd vast in de blubber van de werkelijkheid. 

En als dat nog geen reden genoeg was om te treuren dan helpt die werkelijkheid ons daar ook nog wel bij. Machtige mensen die straffeloos boze dingen mogen doen. Oneerlijkheid. Oorlog, geweld en dat sluipende gevoel dat het niet ver weg blijft maar het kwaad elk jaar wat dichterbij kruipt. Daar kun je met ontzetting naar kijken. De wereld is uit het lood. Dat maakt treurig. Maar de wereld is altijd uit het lood, en treurnis is dus ook onvermijdelijk. We vinden hier geen blijvend geluk en als we geen treurnis daarover zouden voelen, dan was er serieus wat mis met ons. 

Maar dan vertellen de Zaligsprekingen ons dat dat inzicht, arm van geest zijn - weten dat je geen meester van jezelf bent -, treurig zijn, weten dat het niet uit zichzelf goed komt met de wereld, juist de toegang is naar het geluk!

Weten dat het niet allemaal uit jezelf moet komen, maar dat we God nodig hebben is geen brevet van armoede, maar een Gouden Ticket. Zonder de kennis dat we onszelf niet scheppen en niet redden is er geen toekomst voor ons. 

De volgende Zaligsprekingen komen dan te spreken over de houdingen die we mogen hebben om vruchtbaar in het leven te staan. Niet om "onszelf te redden", niet om ons angstig aan vast te klampen, al waren ze een soort  Paraguyaanse verblijfsvergunning onder in de lade, voor als er oorlog komt. Maar om ons leven hier, met alle goede en kwade zaken, zin en betekenis te geven. 

Die zijn: Zachtmoedig zijn, hongeren en dorsten naar gerechtigheid, barmhartig zijn, en zuiver van hart, en proberen vrede te brengen

Zachtmoedig moeten we even bij stilstaan, want het klinkt alsof God je vraagt een soort vaatdoek of voetveeg te worden. Maar dat is niet wat het betekent. De kracht die je hebt laat je spreken, maar zonder dat je ego telkens in de weg loopt. Het is assertief kunnen zijn zonder in agressie te belanden, en die assertiviteit moet gegrond zijn in God zelf. Je wordt niet moe om het goede te doen wat je kan doen, omdat het hetgeen is wat God je voorhoudt te doen. 
Dat is dus iets anders dan schreeuwend met je vuist op tafel slaan omdat je je zin niet krijgt. 

Hongeren en dorsten naar gerechtigheid is hier een vervolg op. Wij kunnen de wereld niet altijd veranderen. We kunnen onszelf altijd inzetten voor een betere wereld, maar wij kunnen haar niet zomaar beter maken. Maar als we de motivatie om recht te zien gebeuren verliezen, dan verliezen we ook onze eigen menselijkheid. Als je cynisch wordt, gaat denken dat onrecht er gewoon bij hoort, en de enige remedie is om jezelf in veiligheid te brengen, dan verlies je iets van je eigen menselijkheid. Jij vlucht wel weg, maar je eigen kwetsuren reizen met je mee. Je moet verbonden blijven met de wereld, wie zich opsluit in zichzelf? Die leidt een steriel bestaan. 

Barmhartig zijn, is een diep Bijbels begrip. We horen het terug in alle verhalen over mensen die door God vergeven worden, en die vergeving beantwoorden door zelf vergevend te zijn. En ieder mens kan vergeven worden, en wij zijn al van zoveel vergeven! Dus wat wil jij kleinzielig hopen dat elk onrechtje jou aangedaan zevenenzeventig maal gewroken wordt op de ander! Gedraag je liever als de bevrijde mens die je bent, door anderen ook die bevrijding, die heelheid te gunnen. Anderen te behandelen als wie ze zijn - doel in zichzelf - niet als dienaren, niet als marionetten in jouw poppenspel. 

Dat is dan ook wat Zuiverheid van Hart betekent. Je verlangens moeten op orde zijn. Het is niet genoeg dat je een ander niet reduceert tot iets minderwaardigs: je moet er niet naar willen verlangen. Andere mensen zijn er niet om jouw probleem op te lossen. Het is dus niet genoeg om een ander niet te verdrukken: zelfs het verlangen om een ander minderwaardig te maken zou ver van je af moeten staan. Als je dat verlangen in je voelt wordt het tijd om aan jezelf te werken. 

Zo wil je dan vrede brengen. Vrede is in de Bijbel niet zozeer het ontbreken van oorlog maar een positieve vorm van samen-leven. Er kan geen vrede zijn zonder respect, zonder recht, zonder zuiverheid van hart. De monsterlijke, eindeloze honger naar meer, duwt die vrede al omver - al lang voordat het eerste schot gelost wordt. 

Doe je dit alles, dan denk je - dan zit het wel snor. Dan heb ik een gelukkig leven. Helaas is dit niet zomaar het geval. Als je goed doet, moet je niet verwachten dat dit altijd beloond wordt. Integendeel, als je alleen maar het goede zou doen omdat het beloond wordt, wat voor goeds doe je dan. De toetssteen van het goede is of je het blijft doen ook als het in het hier en nu afgestraft wordt. De wereld is gebroken, je mag niet altijd verwachten dat wie goed doet, goed ontmoet. 

Zo eindigen dus de Zaligsprekingen, zalig degenen die vervolgd worden om Mijnentwil. Je mag het goede blijven doen, ook als het je nu, of misschien wel nooit beloond wordt in dit leven. Het leven dat je mag leiden vindt zijn grond in de belofte van God, en niet in beloftes van welvaart of macht. 

Zo zijn we dan vrij, om in het hier en nu te leven. Ons niet over te geven aan steriele ontsnappingsfantasieën - al dan niet over onderdanige bruine mensen die de pijn en moeite van ons bestaan van ons af gaan nemen - maar werkelijk het leven in te gaan. Met alle vreugde en pijn die daar bij hoort. Met andere woorden: te leven, en zo het Leven in te gaan. 

Amen. 

















Thursday, 1 January 2026

Nieuwjaarsdag /Hoogfeest H. Maria Moeder van God

 In die tijd haastten de herders zich naar Betlehem

en vonden Maria en Jozef
en het pasgeboren kind, dat in de kribbe lag.
Toen ze dit gezien hadden
maakten ze bekend wat hun over dit kind gezegd was.
Allen die het hoorden stonden verwonderd
over hetgeen de herders hun verhaalden.
Maria bewaarde al deze woorden in haar hart
en overwoog ze bij zichzelf.
De herders keerden terug,
terwijl zij God verheerlijkten en loofden
om alles wat zij gehoord en gezien hadden;
het was juist zoals hun gezegd was.
Toen de acht dagen voorbij waren en men het kind moest besnijden,
ontving het de naam Jezus,
zoals het door de engel was genoemd
voordat het in de moederschoot werd ontvangen.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

 

Beste vrienden,  

Als we oud en nieuw vieren, dan hoort daar van alles bij. We kijken misschien naar een oudejaarsconference. Of naar gelang waar we wonen schieten we carbid of vuurwerk af, deze keer was dat voor het laatst. 

Er worden kerkklokken geluid. We eten oliebollen met poedersuiker, drinken iets lekkers – bijvoorbeeld een glas champagne, en maken goede voornemens

Al deze rituelen, de énen meer dan de ander, horen bij het afscheid van het oude en het begin van het nieuwe jaar.

In de kerk vieren we het nieuwe jaar op 1 januari met het Hoogfeest van Maria, die zet de toon en om een aantal redenen. Met Kerst begint het nieuwe leven. Jezus is geboren. Alles wat daarna gebeurt in de week na kerst staat daar in het teken van en diept dat geheim verder uit. Het feest van vandaag vertelt ons dat het nieuwe nooit op zichzelf staat: het moet ergens vandaan komen, of uit iemand komen.

Wie Jezus is en wat Jezus wordt is op 1 januari van het jaar 1 nog versluierd. Dat is het mooie aan het nieuwe: je weet niet wat het wordt! Maar het nieuwe komt wel ergens vandaan. Hij is de zoon van Maria. Zij en God zijn wie Hem het leven geven, en zijn opdracht: hij mag, en moet hemel en aarde. God en mens samenbrengen. Het hemelse komt van God, het aardse van Maria:  beiden zijn nodig. Het éne kan niet zonder het andere. God kan (en wil) dit niet tot stand brengen buiten het Jawoord van Maria om, en Maria kan niets zelf bewerken buiten de Heilige Geest om.

Voordat God en Mens zich wezenlijk verenigen in Jezus moeten God en Maria elkaar vinden, zich geestelijk verenigen met elkaar. Maria is en moet volledig op God gericht zijn, mij geschiedde naar uw woord, dat is niet alleen maar een verklaring voor één keer. Het is het motto van haar leven. En dat wordt ook het fundament voor het leven van Jezus. Hij komt niet als halfgod uit de hemel neerdalen, hij komt als kwetsbaar kind, volledig menselijk, volledig het kind van Maria, en als mens dus de ontvanger van de opvoeding die de Heilige Familie Hem geeft: een opvoeding die uitloopt in andere woorden van Maria, als Jezus aan zijn publieke leven begint en zij tegen de dienaren bij het huwelijksfeest te Kana zegt: doe maar wat Hij u zeggen zal. Haar Jawoord mag óns jawoord worden.

Het nieuwe dat Jezus brengt, begint daar in Kana. Zelfs Maria kan dat niet overzien. Ze moet Jezus ook loslaten. Maar ze leeft uit geloof. Haar leven is de aardse hoeksteen voor het werken van Jezus.

Zo heeft élk nieuw begin een fundament nodig. Het nieuwe valt niet uit de hemel, als onbegrijpelijke grootheid. Het groeit op, neemt mee wat het krijgt en maakt er iets anders van.

Ons nieuwe jaar gaan we op dezelfde manier aan. We hebben goede voornemens, we gaan nieuwe dingen doen dit jaar. Er zullen dingen gebeuren die onvoorspelbaar zijn, en dat is wat het leven is.

We halen ons een visie voor de geest, wie we willen zijn, hoe we willen leven: dat beeld is als de ster in de hemel die ons leidt, elke keer weer een stapje de goede kant uit, dan komen we dichter bij waar we wezen moeten.

Maar we bouwen op wie we zijn, op waar we vandaan komen, we gaan het jaar 2026 aan op het fundament van al onze voorgaande jaren – of dat er nu meer of minder zijn. Op onze talenten, onze tekortkomingen. We nemen een voorbeeld aan Maria: we voeden de toekomst, door ons leven heen voeden we de toekomst op, en daarna moeten we de toekomst niet alleen maar laten gebeuren, maar ook weer aangaan. En we doen dat dus niet passief, dat aangaan, alsof het een onpersoonlijk lot is, maar we gaan het aan, vanuit geloof, hoop en liefde.

De zekerheid dat, wat er ook gebeurt, wij de toekomst vrijmoedig tegemoet kunnen treden geeft ons vrede. We kunnen altijd iets zinnigs in en met die toekomst doen, ook als we slecht nieuws krijgen, of onze goede voornemens in duigen vallen. Mogen we ons zo gedragen weten door het fundament, hetzelfde fundament als dat van Maria, van begin tot eind, van “Mij geschiedde naar uw woord” tot “Doe maar wat Hij u zeggen zal”.

Amen.