Saturday, 1 August 2026

Achttiende zondag door het jaar A

 In die tijd,

toen Jezus van de dood van Johannes de Doper had gehoord,

week Hij vandaar in een boot uit

naar een eenzame plaats om alleen te zijn.

Maar toen de menigte dit hoorde,

volgden zij Hem te voet vanuit hun steden.

Toen Hij uitstapte, zag Hij een grote menigte,

Hij werd door medelijden voor hen bewogen

en Hij genas hun zieken.

Toen het avond werd,

kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden:

“Deze plaats is eenzaam en de dag is al voorbij.

Stuur de menigte weg

om in de dorpen voor zichzelf eten te gaan kopen.”

Maar Jezus zei hun:

“Ze hoeven niet weg te gaan; geeft gij hun te eten!”

Maar zij zeiden Hem:

“Wij hebben hier niets,

behalve vijf broden en twee vissen!”

Hij zei:

“Brengt die hier bij Mij.”

En Hij beval de menigte op het gras plaats te nemen.

Hij nam de vijf broden en de twee vissen,

sloeg de ogen ten hemel,

sprak de zegen uit,

brak de broden

en gaf ze aan de leerlingen

en de leerlingen gaven ze aan de menigte.

Allen aten en werden verzadigd

en aan overgebleven brokken haalden ze twaalf volle korven op.

Het waren ongeveer vijfduizend mannen die gegeten hadden,

afgezien van vrouwen en kinderen.

Beste vrienden

Ik las van de week in de krant over een oud-politicus die vroeger bekend was, en nu niet meer. Hij was in financiële problemen gekomen en nu was de deurwaarder naar hem op zoek. Zoals dat gaat als eertijds bekende mensen wat overkomt ging dat gauw over de tong. De één heeft leedvermaak, de ander is boos dat het in de krant komt.

Liever denk ik dan: wat heeft God ons vandaag te zeggen in een wereld waarin er veel mensen zijn die boven hun stand leven. Een samenleving waarin overdaad en overmaat aan de orde van de dag zijn. Een land waarin velen met veel wegkomen, totdat dat eens niet gebeurt.

We horen over Jezus die in het buitengebied – een eenzame plaats – de mensen onderwijst. En in de achtergrond van de lezing van vandaag zijn twee echo’s, twee achtergrondgeluiden te horen. Je zou er makkelijk overheen luisteren.

De ene echo is van het Volk in de Woestijn. Door de Bijbel heen zijn er meer verhalen over mensen en groepen die op een wonderbaarlijke manier worden gevoed, om zo te laten zien dat God mensen nabij blijft, dat hij borg staat voor hun leven. De bekendste verhalen zijn over de tocht door de woestijn naar het beloofde land.

De tweede echo is die van Johannes de Doper. Daar begint het verhaal mee. Jezus hoorde van zijn dood, en trok zich toen terug – maar het volk volgde hem.

Ik begin met de woestijn, wat is daar aan de hand? In Exodus lezen we over het volk, dat is op stel en sprong vertrokken uit Egypte. In de woestijn is natuurlijk niet genoeg eten te vinden. God laat het manna regenen, waar het volk van eten kan. Er is maar één spelregel. Je kan het niet bewaren. Als je het wil hamsteren of oppotten, dan bederft het en gaat het stinken. Alleen op sabbat, de dag dat er niks gekocht en verkocht mag worden blijft het goed: dan kun je de dag ervoor een dubbel rantsoen inzamelen.

En dan Johannes de Doper, waar de lezing mee begint. Daar ging ook een banket aan vooraf. Een slemppartij bij Herodes en zijn adel. Terwijl het volk van alles tekort heeft proppen ze zich vol, en Herodes, verdoofd door drank en spijs, laat zich in de val lokken door de slechte plannen van zijn vrouw. Die eindigen er in dat Johannes de Doper wordt vermoord. Aan het einde van de overdaad wordt de mens zèlf verslonden.

De Bijbel is er duidelijk over dat overdaad, de zucht naar meer dan je rechtmatig toekomt een grote plaag is. Het is niet enkel maar een individueel falen, alsof jij in je eentje iets verkeerd gedaan hebt, en dat niet goed is voor jou.

Het probleem is, integendeel, maatschappelijk. Steeds leven uit overdaad doet wat met je. Het doet je denken dat anderen er zijn om jouw gevoelde behoeften te bevredigen. Dat zeg je misschien niet hardop, je bent jezelf er misschien niet eens van bewust. Maar het sluipt er in. Dat gevoel dat je recht hebt op wat je verteert, ook al weet je diep van binnen wel dat je deze leefstijl niet werkelijk kan volhouden. Wie mateloos is, houdt uiteindelijk ook geen rekening met anderen. Dat is een sluipend proces. Je voelt niet dat je teveel hebt. Je hebt overal voor gewerkt. En dat het ten koste van anderen gaat, druk je weg.

Tot de rekening komt, en je die rekening niet meer kan neerleggen bij een ander. Ook dat gebeurt. Maar niet bij iedereen tegelijk.

In het verhaal van de vijfduizend die gevoed worden schuilt een teken van een andere tijd, het is een teken van een andere werkelijkheid. Allen eten en zijn verzadigd. Ze krijgen dit alles niet als beloning voor hun uitmuntendheid, zodat de één tien vissen krijgt en de ander één brood. Maar ieder krijgt genoeg. Ieder krijgt genoeg omdat ze zijn wie ze zijn. En ze zijn daar als mens. Ze komen niet als hoofdmanager bij Jezus, of als hulpbehoevende die niet zelfstandig werken kan. Ze zijn daar met zijn allen als mens, en Jezus keek ze allen met medelijden aan. Ze aten, ze werden verzadigd, en er bleven nog twaalf manden met brokken over. De spijziging is dus ook een omkering van het banket van Herodes, én een wonder dat groter is dan het Manna, waarvan niks overblijven kon.

Wordt aan het eind van het banket Johannes opgediend. Zo zien we aan het einde van de wonderbaarlijke spijziging we dat het Jezus zèlf is, die zich opgeeft om voedend, levend brood te zijn voor iedereen. Twaalf manden, twaalf stammen, de volheid van het volk.

Nu staat er niet in ons verhaal dat al die mensen een edel gemoed hadden, of dat ze alleen maar goede dingen hadden gedaan. Ieder zal daar gekomen zijn met zijn of haar eigen verhaal. Op zoek naar Jezus om van Hem te horen hoe het anders kan in het leven.

Wat hij zei, dat staat niet in het Bijbelverhaal, er blijft maar één ding vermeld: dat hij medelijden met hen had. En die barmhartigheid is de tafel waar we met zijn allen aan kunnen gaan. Niet omdat onze liefde zo groot is – maar omdat Hij ons eerst heeft liefgehad – kunnen we krijgen wat we nodig hebben. Kunnen we allen eten, en allen worden verzadigd.

Dat we allen medelijden – of wat moderner, ontferming - nodig hebben, en moeten geven zit ons niet altijd even lekker. In het verhaal van de Barmhartige Samaritaan hoor je dat al. De wetgeleerde, de man van het recht , krijgt het woord Samaritaan niet over zijn lippen nadat Jezus het verhaal verteld heeft. Barmhartigheid, ontferming, ontwricht onze verwachtingen. Barmhartigheid komt iedereen toe, niet alleen de mensen waarvan jij vindt dat ze er recht op hebben. En iedereen kan ontferming hebben, ook de mensen waarvan jij denkt dat ze geen deel meer uitmaken van de menselijke beschaving.

Dat maakt ook leedvermaak zo’n gevaarlijke emotie als iemand iets “verdiend” overkomt. In dat leedvermaak zit immers maar een halve waarheid. Misschien is het waar, wat de krant opschreef. Het is goed mogelijk. Misschien leefde hij boven zijn stand, op te grote voet, en zo gaat de kruik te water tot hij barst, na jaren kunst- en vliegwerk. Maar zo`n exploot in de Staatscourant, dat is dan eerder als een stuk van de toren van Siloam. Dat jij er niet door geraakt wordt, wil niet zeggen dat jij buiten schot blijft: omdat jij wél goed bent. Integendeel, als je met een vinger wijst, wijzen er drie jouw kant op.

Zo is dan die maaltijd in de wildernis, waar we vandaag van horen, een teken van een nieuwe wereld, een teken van wat de kerk mag zijn, een teken van een toekomst bij God.

Allereerst een teken van een nieuwe wereld. Een Aarde waar allen kunnen eten en verzadigd worden. Misschien zal er dan minder extreme rijkdom, minder ruimte om alles te doen wat in ons opkomt, maar er is ook geen noodzaak tot bittere armoede. Een nieuwe wereld die de weg vrijmaakt voor een vredig en waardig bestaan: een plek waar mensen de ruimte voelen om vrij te zijn. Vrij om het goede, ware en schone te kunnen nastreven, ieder naar zijn of haar eigen capaciteiten. Een wereld waarin het niet moeilijk is om goed te zijn.

Dan is het ook een teken van wat de kerk mag zijn, de plaats waar alle mensen genodigd zijn om te mogen eten van het brood uit de hemel, en zo worden verzadigd. Niet voor even, maar voor eeuwig. Niet de een meer dan de ander, geen plek voor trots of grootspraak, geen ruimte voor “wat ik ben blij dat ik niet ben zoals die of die, die het allemaal verkeerd gedaan heeft”, maar gelijkheid in de verzadiging. Want je relatie met God is niet iets wat je verdient, maar iets dat je krijgt. Juist in de kerk kan er geen grandioze grootspraak zijn.

Tenslotte een teken van de toekomst bij God, een nieuwe Hemel en een nieuwe Aarde, waar God bij zijn volk is. Niet meer in een tempel, niet meer onder het teken van brood, maar als God met hen. Laten we naar die hoop, die verwachting en die opdracht leven.

Amen.

Sunday, 26 July 2026

Zeventiende zondag door het jaar A

 In die tijd zei Jezus tot de menigte:

“Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat,
verborgen in een akker.
Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer,
en in zijn blijdschap
ging hij alles te gelde maken wat hij bezat
en kocht die akker.
Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman,
op zoek naar mooie parels.
Toen hij een parel van grote waarde had gevonden,
ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar.

Beste vrienden,

Als Jezus spreekt over het Rijk der hemelen, dan spreekt hij vaak in gelijkenissen: superbeknopte, kleurrijke miniverhaaltjes. Hij maakt daarin een illustratie maakt van hoe het Rijk der hemelen er volgens hem uitziet. Wat het is. 

In de tijd van Jezus moest je in eerste instantie mondeling vertéllen wat je dacht. Schrijven was langzaam, kostte veel moeite en geld, en een drukpers was er ook nog niet. Alles wat we over Jezus weten is pas een stuk later opgeschreven. Toen duidelijk werd wat een schat die woorden waren. Ze waren duur genoeg om op te schrijven. En het ís uiteindelijk opgeschreven omdat het memorabel was, omdat mensen onthíelden wat hij zei. Soms blijven alleen de goede verhalen over. 

Vandaag stelt Jezus ons weer een paar nieuwe beelden voor, verborgen rijkdom die ontdekt wordt. De schat, verborgen in de akker en de parel van grote waarde. Die twee beelden vertellen ons iets over het Rijk der hemelen dat Jezus aankondigt. Het Rijk der hemelen is niet zomaar een plek, niet iets wat je aanwijzen kan, alsof het híer is daar. Het Rijk der hemelen is een gebeurtenis, het Rijk gebeurt als God in de wereld begint te werken, als God zichzelf zichtbaar maakt.

Dat God zichzelf zichtbaar maakt, dat is voor ons niet vanzelfsprekend. We zijn wel geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, maar de breuk in ons leven in onze menselijke natuur maakt dat beeld verwrongen. Vaker dan niet gaan we denken dat we zélf God zijn. We bouwen carrièretorens tot in de hemel! Of we richten één of ander beeld op naar óns ideaalbeeld en gaan dát aanbidden: een gouden kalf, een idool, een machtige man of een Supervrouw! Of als je doorgeleerd hebt dan kun je nog achter een edel-afgod aanlopen. Dan verinnerlijk je alles wat de dure krant je  zegt, of zet alles in op een of andere diepzinnige theorie die ons in de smaak valt. Alles op rood! En dan maar hopen dat het dansende balletje terecht komt waar wij willen.   

Zolang we achter menselijke gedachten en menselijke overwegingen aanlopen, zullen we God niet treffen. Integendeel: zoals het is met  alles wat ons we enkel zélf voor elkaar denken te boksen – daar blijft God verborgen in.

De verborgenheid van God is een van de vreemdste en meest mysterieuze thema’s in de Bijbel. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Misschien ga ik dat nog wel eens doen.

Vrijwel ieder mens heeft een religie, of één of andere gedachte of beweging die hij als zulks behandelt, maar toch kun je God niet vatten, niet door eigen initiatief je God “eigen maken”. Net zoals je liefde niet kan managen, en rouw niet kan "verwerken". Dat zijn menselijke woorden voor dingen die groter zijn dan wij. We kunnen ze niet vatten, menselijk als ze zijn wijzen ze naar iets wat buiten ons bestaat. De liefde zelf. God zelf. 

Die God, die buiten ons is, heeft álles geschapen, niks bestaat buiten Hem, en toch kunnen we Hem niet vatten.

Hij kent ons beter dan wij onszelf kennen, en toch is Hij onmetelijk, ver weg.

We kúnnen er niet bij. God is een geheim. En hoewel ieder mens een godheid heeft, of iets dat hij of zij als godheid behandelt, kun je je handen niet grijpend naar die God uitstrekken. Elk wérkelijk contact tussen God en mens kan alleen door God zelf aangegaan worden.

Was het omgekeerd, als God een God was waar je zo bij kon, die je zó kon zien en vatten. Een God die je als het ware in je binnenzak kon steken, dat zou God niet zijn. Augustinus, de grote christelijke denker uit de vijfde eeuw zei eens heel kernachtig: Als je het kan begrijpen is het niet God. God móet ons begrip te boven gaan om te zijn wie Hij is. Als het u boven de pet gaat, dan is dat dus niet erg!

Wat dit ook betekent is dat het God zelf is die op één of andere manier moet inbreken in ons leven. Als hij er is, is hij er in zekere zin ondanks onze bezigheden, soms zelfs ondanks onszelf. Dat is de boodschap van de gelijkenissen van vandaag: de schat in de akker en de parel van grote waarde. We bekijken ze even van dichtbij.

We hebben twee hoofdpersonen, de schatvinder en de parelkoopman. De één zoekt niet, maar vindt wel. De ander zoekt wel, maar vindt véél meer dan Hij zocht. Beiden worden overweldigd door de onvoorstelbaarheid van wat ze tegenkomen en vanáf die ontmoeting heeft hun leven een volledig andere betekenis. Álles wat zij zijn en wat zij doen staat in het teken van wat zij vonden, staat in het teken van het Rijk der hemelen.

De schatvinder zocht niet, maar vindt wel. Élke gedachte dat de relatie met God iets is wat je verdienen kan moet op afstand geplaatst worden. God kan héél plotseling inbreken in het leven van mensen. Saulus op weg naar Damascus was niet op zoek naar Jezus Christus. Maar Jezus had hele andere plannen. En zó gebeurde het.

Dan zijn er de parelkooplui. Godzoekers. Nieuwsgierige mensen. Overal in geïnteresseerd. Connaisseurs van levenswijsheden en diepe inzichten uit álle tradities. In élke geestelijke traditie ter wereld laat zich immers enige waarheid vinden! Totdat ze – per toeval – een parel vinden die onvoorstelbaar is. God zélf. Ze zochten. Ze vonden. Maar ze vonden níet omdát ze zo kundig en intelligent waren, of omdat hun boekhouding zo perfect op orde was of ze slimmer waren dan een ander. Het enige wat ze deden was zich openstellen voor de parel die van alle eeuwen voor hen gereed lag, wachtend om naar hen toe te rollen. En zelfs dát, horen we van het voorbeeld van de schatvinder, is strikt genomen niet nodig.

Ons eigen initiatief begint pas echt als we de schat vinden, als we de parel ontdekken. Zo`n vondst moet je recht doen , en het recht van die schat het recht van die parel is allesomvattend, want de vondst – God zelf – is onvergelijkbaar met alles wat we in de wereld kunnen vinden. Is de openbaring datgene wat God ons geeft - of wij nu zoeken of niet - dan is het geloof het antwoord wat we daarop geven. De akker kopen, de parel kopen. Daar vreugde in hebben. Andere akkers, andere parels, die laat je links. Daar is de schat niet. 

Vind je dus zo`n schat of parel, dan mag je hem niet zomaar laten lopen. Het is een beetje als de man of vrouw van je leven tegenkomen, of de kans van je leven. Daar moet je achteraan, dat moet je leven op z`n kop zetten – want als je je in je oude leven, je oude reflexen blijft steken dan doe je daar geen recht aan. De ontdekking maakt alles anders.

Mogen wij leren zien wat de werkelijke waarde is van de schatten die wij in handen hebben.

Amen.

Wednesday, 15 July 2026

Zestiende Zondag door het Jaar A

 In die tijd

hield Jezus de menigte een andere gelijkenis voor:
“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een man
die op zijn akker goed zaad had gezaaid.
Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand,
zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen.
Toen het gewas opgeschoten was en vrucht droeg,
kwam ook het onkruid tevoorschijn.
Nu kwamen de knechten van de landheer en zeiden hem:
‘Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid?
Hoe komt het dan dat er onkruid op staat?’
Hij zei hun:
‘Een vijandig mens heeft dat gedaan.’
De knechten zeiden tot hem:
‘Wilt ge dan dat we het bijeen gaan halen?’
Maar hij zei:
‘Nee, anders zoudt ge door het onkruid bijeen te halen
tegelijkertijd de tarwe mee uittrekken.
Laat beide samen opgroeien tot de oogst,
en op de tijd van de oogst zal ik de maaiers zeggen:
Haalt eerst het onkruid bijeen
en bindt het in bussels om te verbranden;
maar brengt de tarwe bijeen in mijn schuur.’”
Een andere gelijkenis hield Hij hun voor:
“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mosterdzaadje,
dat een man op zijn akker zaaide.
Dat is weliswaar het kleinste van alle zaden,
maar wanneer het is opgeschoten, is het groter dan de tuingewassen;
het wordt een boom,
zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen.”
Een andere gelijkenis vertelde Hij hun:
“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op gist.
die een vrouw in drie maten bloem verwerkte,
totdat deze in hun geheel gegist waren.”
Dit alles zei Jezus tot de menigte in gelijkenissen
en zonder gelijkenissen zei Hij niets tot hen.
opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeet gezegd was:
“Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen.
Ik zal uitspreken wat verborgen was vanaf de grondvesting van de wereld.”
Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug.
Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden:
“Leg ons de gelijkenis uit van het onkruid op de akker.”
Hij antwoordde:
“Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon;
de akker is de wereld;
het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk;
het onkruid zijn de kinderen van de Boze;
de vijand die het zaaide, is de Duivel;
de oogst is de voleinding van de wereld
en de maaiers zijn de engelen.
Zoals nu het onkruid bijeengehaald en in het vuur verbrand wordt,
zo zal het ook gaan bij de voleinding van de wereld.
De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden
en zij zullen uit zijn Koninkrijk bijeenhalen
alles wat aanstoot geeft
en degenen die ongerechtigheid bedrijven,
en hen in de vuuroven werpen;
daar zal geween zijn en tandengeknars.
Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader
schitteren als de zon.
Wie oren heeft, hij luistere.”


Beste vrienden,

Misschien heeft u het wel eens meegemaakt dat er iemand op het schild geheven werd. De krant noemt hem “het grote voorbeeld”, en de babbelshows op de televisie raken niet uitgepraat over zijn “diepe wijsheid”.

Maar jij weet wie die persoon is, omdat je hem bijvoorbeeld kent uit je studententijd (lang geleden). En toen had je misschien wel gedachten over hem, maar niet over dat hij een groot voorbeeld was, of een diepe wijsheid had. En ook de wijsheden van nu lijken vooral geknipt en geplakt te zijn van Instagram, of uit zelfhulpboekjes. Of letterlijk overgenomen uit een column van iemand anders.

Je zou een ingezonden brief kunnen sturen, maar weinig dingen zijn zo gevaarlijk als zeggen dat een keizer geen kleren aanheeft. En ik ben niet zo dapper.

Of je kan leven naar het Chinese spreekwoord: “zit aan de oever van de rivier, en wacht maar eens af wie er allemaal voorbij komt drijven”1.

En na één, twee of vijf jaar komt hij voorbij gedreven. Zich vastklampend aan een dobberende autoband. Verdwaasd om zich heen kijkend, de verre zee tegemoet.

Het is één van de mooie dingen van ouder worden dat, terwijl je daar rustig zit en werkt aan je eigen dingen, je heel wat voorbij ziet drijven. En elke keer dat je het ziet, is het een wijze les.

En ook, een Bijbelse les. Niet alles is wat het lijkt. Wat aan de buitenkant een succesverhaal lijkt, is soms zonder fundament, en soms is het zelfs helemaal iets anders. In Bijbeltaal: wat er opschiet is geen graan, maar onkruid.

Vorige week hoorden we de parabel van de zaaier die uitging om te zaaien. Ook daar zat de les in dat niet alles wat enthousiast opschiet, is wat het lijkt. Het éne zaad lijkt het beste te zijn, het schiet het snelste op: maar dat komt vooral omdat het geen wortel schiet, en na korte tijd dort het al uit, en dat was het dan. Daar hoef je geen lange jaren op te wachten.

Deze zondag horen we een vervolg, en een verdieping van die les. Niet alleen heeft niet al het zaad dat opschiet een grote toekomst in het verschiet. Sommig zaad is geen zaad. Het is onkruid. Het hoort niet eens thuis op de akker. Dat onkruid is niet iets goeds waar mensen teveel verwachtingen bij hadden – zoals vorige week – maar het is iets slechts dat op iets goeds lijkt!

De landbouwer heeft gezaaid, hij heeft verwachtingen van de oogst. Maar dan schiet ook het onkruid op! Waar je iets goeds probeert te doen is het kwade namelijk nooit ver weg. Nu is er iets interessants aan de hand met dat onkruid, dat is namelijk niet zomaar onkruid zoals dat in de tuin kan opschieten zoals zevenblad, of paardenbloemen, brandnetels of haagwinde. Het gaat – volgens de traditie – over een heel specifiek soort onkruid dat lijkt op jonge tarwe, (dolik, een soort raaigras is dat).

En ik dacht dat het gewoon een verhaal was, boze mensen die zaad van dit onkruid uitstrooien. Maar dat was dus echt een ding. Dat gebeurde. Er waren, en zijn, zelfs wetten tegen. Het werd genoemd in het Romeinse Recht, en staat zelfs nog in het Belgische Strafwetboek. Zaad van dolik uitstrooien2. Het kwam kennelijk toch vaak genoeg voor dat het in de wet moest staan om het te verbieden.

En als die dolik eenmaal uitgestrooid is, kan je het niet samen oogsten, en samen verwerken, alsof er niets aan de hand is, want als je dat zou doen zou je ziek worden. In dolik zitten namelijk allemaal schimmels. Het is niet alleen maar vervelend, dolik op het veld, en iets dat in de weg staat. Als je het niet uittrekt en het zou meegaan met de oogst, en er samen met het tarwe brood van bakt, dan kun je gemeen ziek worden.

Jezus waarschuwt ons deze week voor iets anders dan vorige week. Vorige week ging het over zaad dat opschoot maar de oogst niet haalde. Het verdort bij de eerste tegenslag. Nu gaat het over zaad dat op tarwe lijkt, maar eigenlijk een giftige plant is.

En aan de buitenkant zie je niks. Sterker nog: aan de buitenkant zou je zeggen dat het een prachtige stengel heeft, en heel mannelijk en assertief opschiet, of juist veel vromere blaadjes lijkt te hebben dan dat andere zaad. Je moet er dan ook niet van staan te kijken als het fotogenieke onkruid door de minder slimme knechten wordt geprezen en het échte tarwe er een beetje verloren bijstaat.

Zo gaat dat immers in tijden waar alles om de buitenkant draait, dan gaat gek genoeg alles steeds meer op elkaar lijken. Dan glipt er nogal wat dolik tussendoor. En dolik heeft altijd het hoogste woord, maar als je het tot je neemt, zit het vol schimmel en vergif.

Toch moet je voorzichtig zijn, als het dolik woekert. Je wil in je enthousiasme er flink tegenoptreden wanneer je het ziet! Je pakt de schoffel en de brander er al bij (en zet de knop op “hoog”, je zal dat dolik eens even te grazen nemen!). Maar als je niet uitkijkt, gaat de hele akker in de hens, en in je vurigheid heb je bij elk stukje dolik ook drie of vier tarwestengels te pakken.

Nu zijn er mensen die zeggen: geen omelet zonder wat kapotte eieren, maar dat is niet wie we zijn als kerk. De goeden moeten niet lijden onder de pogingen van de kwaden af te komen. De wijze Augustinus zei: zoals het met die akker is, zo is het ook met de kerk. Dat is geen vergadering van uitgelezen, zuivere mensen rondom hun fantastische, capabele, en zondeloze priesters en extreem wijze en competente bisschoppen. De historische werkelijkheid is wat meer... Variabel.

De wens naar een zuivere gemeenschap is niet onbegrijpelijk, maar je houdt maar een klein akkertje over. De meeste tarwe ben je ergens onderweg kwijtgeraakt, en misschien zit je dan nog steeds wel tussen de dolik, dat zich enkel nóg wat listiger heeft vermomd. Nee, daar kom je niet uit.

Natuurlijk moeten we er voor zorgen dat onkruid niet vrij kan woekeren, binnen de grenzen van de redelijkheid moeten we blijven opletten, en zorgen voor een klimaat waarin boosdoeners niet eindeloos kunnen wegkomen met slechte dingen. De buitenkant is daarin een slechte raadgever. De boze kan zich immers voordoen als een engel van licht, en wie populair is, is daarmee nog niet de beste.

Toch zullen we niet altijd kunnen voorkomen dat we dolik op tijd herkennen. Dat moet ons voorzichtig maken. We moeten een houding van bezonnenheid hebben in de kerk, en een mate van tolerantie. Soms moeten dingen maar een tijdje anders zijn dan we het willen.

Maar die bezonnenheid moet wel worden bijgelicht door het geloof.

Uiteindelijk worden goed en kwaad uit elkaar geplukt, het dolik gaat niet mee met de levende oogst. Maar dat is niet ons werk, dat is het werk van de Mensenzoon.

Als iemand dus zegt: “Ik ga de kerk redden, ik ben hier de enige die de zaak op orde kan brengen. Steun mij en ik beloof je een onkruidloze toekomst!”, dan weet je zeker dat daar niks van terecht gaat komen. Dat klinkt niet als de stem van de Heer van de oogst.

Wat ons rest is onze eigen tuin wieden. In het klein. In de tussentijd zichtbaar onkruid afweren. De weg naar het leven openhouden. Goed opletten, goed onderscheiden, en altijd proberen vanuit een levend geloof te bezien of iets van God komt of niet. Het betekent samenwerken, taken delen met veel mensen, want veel ogen zien meer dan één persoon. Het betekent geen wantrouwen, maar een gezonde scepsis: want niet alles is wat het lijkt, en wij worden makkelijk omgepraat door mensen met prachtige verhalen.

Maar boven alles geloof: de kerk is van God, en ook als het onkruid alles lijkt te verstikken wint het onkruid het niet, want de akker – en de oogst – is van God. Wij mogen meewerken maar Hij oogst.

Laat dat ons hoop geven, en openheid in alles wat wij doen ten dienste van de naaste, ten dienste van de kerk.

Amen.











1Vrij naar Sun Tzu

2Artikel 536 SW1867 (België)