Saturday, 15 August 2026

Maria Tenhemelopneming

In die dagen stond Maria op
en reisde met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda.
Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth.
Zodra Elisabeth de groet van Maria hoorde,
sprong het kind op in haar schoot
en Elisabeth werd vervuld met de Heilige Geest.
En zij riep met luide stem:
“Gij zijt gezegend onder de vrouwen
en gezegend is de vrucht van uw schoot.
Waarom overkomt dit mij,
dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?
Want zie, zodra de klank van uw groet mijn oren bereikte,
sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
Zalig zij die geloofd heeft dat tot voltooiing zal komen
wat haar door de Heer gezegd is.”
En Maria zei:
“Hoog verheft mijn ziel de Heer.
Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn Heiland,
omdat Hij neerzag op de nederigheid van zijn dienstmaagd.
Want zie, van nu af prijzen alle geslachten mij zalig,
omdat Hij die machtig is, grote dingen aan mij deed
en heilig is zijn Naam.
Zijn barmhartigheid geldt van geslacht tot geslacht
voor hen die Hem vrezen.
Hij doet kracht gelden met zijn arm,
trotsen van hart slaat Hij uiteen.
Hij haalt machtigen omlaag van hun troon,
maar nederigen verheft Hij.
Hongerigen vervult Hij met goede gaven,
maar rijken zendt Hij heen met lege handen.
Zijn dienaar Israël is Hij te hulp gekomen,
indachtig zijn barmhartigheid,
zoals Hij gesproken had tot onze vaderen,
jegens Abraham en zijn nageslacht voor eeuwig.”
Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar

en keerde naar haar huis terug.

 Beste vrienden,

De laatste tijd ben ik nogal bezig geweest met het verhaal van professor Arday uit Cambridge. Hij had een soort superster-carrière na een hele moeilijke jeugd. Hij had naar eigen zeggen mutisme gehad als kind, dat betekent dat je niet kan spreken. Ook leerde hij pas lezen en schrijven op zijn achttiende. Daarna werd hij toch door veel inzet, en inspiratie van anderen, gymleraar, schreef hij een proefschrift en werd uiteindelijk hoogleraar. 

Maar het verhaal werd doorgeprikt – er bleek steeds meer niet van te kloppen – en het is allemaal heel verdrietig afgelopen. Ik geloof niet dat hij een slecht mens was, hij lijkt op iemand die langzaam de greep op de werkelijkheid verloor. En wanneer heb je geen greep op de werkelijkheid? Als je met niemand meer kan praten over wie je echt bent, en wat je echt vindt. En dan heeft dat mutisme, ongeacht of het 'waar' is, wel een rijke symbolische betekenis. Hij lijkt nooit iemand te hebben kunnen vertellen wie hij wel was.

We vieren vandaag Maria Tenhemelopneming. Een mooi feest in het jaar. In onze parochie vieren we het ook op zondag omdat wij een Mariaparochie zijn. Als Maria's leven voltooid is dan ging ze niet dood, zoals andere mensen die moeten wachten op de opstanding. We geloven als Kerk dat Maria met lichaam en ziel opgenomen werd in de Hemel. Helemaal. Niet dat haar ziel gelijk naar boven ging, maar de lege huls achterbleef. Nee. Lichaam én ziel. De hele mens.

En als we kijken naar Maria vragen we ons af, wat gaf haar die vleugels?

Je kan het in het leven niet altijd zeggen wat er op je hart ligt. Wij zijn daar natuurlijk aan gewend. Maar in het grootste deel van de geschiedenis, én in de huidige wereld. In ontwikkelingslanden, in dictaturen en andere plaatsen die ver van onze westerse cultuur afstaan moet je bang zijn om te zeggen wat je vindt. Dat kan alleen maar onder vertrouwde mensen. Want als je dat in het openbaar doet word je vervolgd, bedreigd, of gewoon opgeruimd. De waarheid wordt dan een geheim dat je moet bewaren. Maar een geheim is als een vrucht of een zaad. Het is een levend ding. En als je het niet uit kan laten komen, niet kan voldragen, dan maakt het de drager van het geheim ziek.

Sommige andere geheimen komen van God, die geheimen leven nog meer. Daar moet je ook mee wachten om die bekend te maken. Dat is ontzettend moeilijk. Als in het Oude Testament inkrijgen dat ze woorden moeten spreken dan kunnen ze dat bijna niet tegenhouden. Het woord moet er uit.

En wat zijn profeten in vergelijking tot Maria? Maar van Maria lezen we steeds: ze bewaarde al deze geheimen in haar hart. Alsof het niks is. Maar Maria is natuurlijk niet geheel en al als wij, zij is met God verbonden op zo`n verregaande manier dat die onze voorstelling te boven gaat.

Toch heeft ook Maria een plek nodig waar over het Geheim gesproken kan worden. En dat kan niet bij Jozef, want dat is niet zo`n prater. En hij weet ook niet wat hij er van denken moet.

Maria is dan wel zonder zonde, maar als zelfs Jezus Christus had mensen nodig om zich heen. Mensen die het geheim kunnen mee-beleven wanneer dat nodig is. En niet iedereen kan dat. Zo vertrekt zij naar het bergland. Om daar het geheim te kunnen delen.

Geheimen zijn niet zomaar te zien, niet zomaar te ontsluieren. De geheimen geven zich alleen prijs aan mensen die de waarheid liefhebben. Teksten laten zich pas echt lezen door mensen die vurig geven om wat er staat, die daar altijd mee bezig zijn. Theologen, filosofen, letterkundigen. Aan hen geeft de tekst geheimen prijs. Niet als beloning voor hun geleerdheid. Dat is de omgekeerde wereld. Je moet eerst érgens heel erg om geven, pas dan word je er geleerd in. De tekst geeft het geheim prijs omwille van de liefde, en niet omwille van iets anders.

Aan wie geeft onze waarneembare werkelijkheid zich prijs? Aan wetenschappers, natuurlijk, maar om die lange vormingsweg te kunnen gaan en vol te houden, moet je houden van die wezenlijke vragen. Iemand die zomaar wat aanfrummelt met de microscoop zal wel eens wat vinden, maar aan hem of haar toont zich geen Geheim.

Aan wie geeft het Geheim van God zich prijs? Bij wie klopt het aan. Zomaar iemand in de straat? Of wandelt dat Geheim naar het paleis van de Landvoogd, of de Tempel, om zich aan de Hogepriester te tonen? Of met grote spoed naar de Theologiefaculteit om zich in een werkgroep te laten bespreken?

Nee, het hoogste geheim toont de diepste werkelijkheid op de meest fundamentele manier. Waar het in de wereld nog mogelijk is om aan (onvolledige) kennis te komen zonder dat je ergens om geeft is dit met de zaken van God onmogelijk. Hooguit kun je lege formules over God herhalen. Misschien Thomas van Aquino citeren. Of zeggen wat een woord in de Bijbel in het Grieks betekent. Maar intieme kennis van God – wie Hij is , wat Hij doet, blijft ver van je. Het kan niet anders zijn.

Je kan kennis van de tekst hebben zonder liefde, maar de tekst gaat niet voor jou leven.

Je kan de kennis van de wereld hebben zonder liefde, maar het wonder en de doorbraak gaan langs je heen.

Je kan kennis over God hebben zonder dat je om God geeft. Maar geen kennis van God. Het Geheim gaat aan je voorbij. Je hebt intieme kennis van God met de mensen waar je nabij mee bent met wie je kan spreken over Gods geheimen, of je hebt die niet. 

Het Geheim toont zich aan Elisabeth, aan Johannes, aan de mensen die liefdevol wachten op de klop op de deur. Zij kennen de volgorde der dingen. Ze wachten op wat God hen tonen wil, en springen zelfs in de moederschoot al op. Ze herkennen de tekens die anderen zouden missen omdat ze met de ogen van liefde kijken. Daar word je namelijk opmerkzamer van. Net als dat je sneller ziet dat er wat omgaat in de mensen waar je van houdt, dan bij vreemden. Als Maria bij Elisabeth komt is er vreugde in het samenzijn, want zij delen het Geheim. (Wat een contrast met onze verdrietige professor die waarschijnlijk zijn geheim met niemand kon delen.) 

Maar omdat het een geheim van God is dat gedeeld wordt, kan het alleen gezien worden door iemand die van God vervuld is. En als je het ziet, dan spring je op van vreugde. En die vreugde wordt gedeeld. Voor wie vol is van God is de weg naar Boven vrij. De zwaartekracht van het aardse heeft je dan minder in zijn macht. Je wordt er lichter van. En wie bevrijd is van zonde wordt dan uiteindelijk op ten Hemel opgenomen in Gods leven.

Maria Tenhemelopneming gaat over Maria, maar ten diepste over het Geheim dat zij, door liefde, in de wereld bracht, vanuit die liefde heeft zij de wereld deelgenoot gemaakt van dat geheim. In de Universiteit van Leuven staat een beroemd beeld van Maria met het kind Jezus op schoot. De Zetel der Wijsheid, zo heet zij daar. Laten we ons raken door wat God ons genadevol geeft, en groeien wij in liefde, dan krijgen wij ook deel aan die eeuwige wijsheid. De wijsheid waardoor het leven lichter wordt en ook wij kunnen opzien naar daar, waar Zij nu is, met Jezus haar Zoon.

Amen.










Friday, 7 August 2026

Negentiende zondag door het jaar A

Nadat de menigte was verzadigd,

dwong Jezus zijn leerlingen meteen in de boot te stappen
en voor Hem uit naar de overkant te varen,
terwijl Hij de menigte heen zou zenden.
Toen Hij de menigte had heengezonden,
ging Hij de berg op om alleen te zijn en te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was al vele stadiën van het land verwijderd
en werd geteisterd door de golven, want er was tegenwind.
In de vierde nachtwake
kwam Hij naar hen toegelopen over het meer.
Maar toen de leerlingen Hem over het meer zagen lopen,
raakten zij in paniek en zeiden:
“Het is een spook!”
en van angst schreeuwden zij het uit.
Onmiddellijk zei Jezus tot hen:
“Hebt goede moed, Ik ben het. Weest niet bevreesd.”
Petrus antwoordde Hem:
“Heer, als Gij het zijt,
beveel mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.”
En Hij zei:
“Kom!”
Petrus stapte uit de boot,
liep over het water en kwam naar Jezus toe.
Maar toen hij de hevige wind zag, werd hij bevreesd
en hij begon te zinken en schreeuwde uit:
“Heer, red mij!”
Meteen stak Jezus zijn hand uit,
greep hem vast en zei tot hem:
“Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?”
Nadat zij in de boot gegaan waren, ging de wind liggen.
Die in de boot waren, aanbaden Hem en zeiden:
“Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God!”

Beste vrienden,

Recent is er een nieuwe verfilming uitgekomen van de Odyssee, het beroemde Griekse epos. Dat gaat over wat er gebeurt ná de strijd om Troje. De Grieken gaan naar huis, maar de thuistocht gaat bepaald niet van een leien dakje. Odysseus en zijn bemanning zijn enerzijds speelbal van machten en krachten buiten hen om, en aan de andere kant moet Odysseus proberen zich listig een weg te banen langs al die uitdagingen. De cycloop, de enge reuzen, de verleidingen van Circe, allerlei hongerige monsters en de toorn van Poseidon moet hij aangaan – voordat hij thuis kan komen op Ithaka, waar een laatste grote moeilijkheid op hem wacht.

Odysseus zijn bemanning is ook altijd in gevaar, maar met hen loopt het minder goed af. Ze worden opgegeten door reuzen en monsters of voor straf afgezonken door de oppergod Zeus nadat ze hamburgers bakten van de heilige koeien van Helios.

Dat is voor de schrijver en verteller makkelijk. De spanning loopt op! Het ene na het andere bemanningslid eindigt afgekloven op de bottenberg en de afvalrace vestigt de aandacht op wie er uiteindelijk als enige overblijft: de held om wie het allemaal gaat.

Het is zo'n goed verhaal dat het na bijna drieduizend jaar we er ons nog steeds mee bezighouden! Dat zat allemaal in mijn achterhoofd toen ik de lezing voor deze zondag voorbereide. Die gaat ook over een reis over het water. Maar dan anders.

Het meer van Galilea is niet de Middellandse Zee, en de Joden waren geen zeevarend volk. Water was maar gevaarlijk, en om eerlijk te zijn: daar hebben ze best gelijk in: lees de Odyssee maar. Toch kon het op dat meer stevig spoken. Zelfs op die postzegel, tien bij twintig kilometer ging het vaak mis. Daarom gaan er best wat verhalen over gevaar op het water. Hoe ga je om met gevaar en wat zegt het over je hoe je met anderen omgaat?

We horen over de leerlingen, ze zijn in de boot gedwongen door Jezus terwijl hijzelf achterblijft om te bidden. En de leerlingen zijn in gevaar. Ze zitten vast op het meer. En dan zien ze iets wonderbaarlijks, Jezus die naar hen toegelopen komt. Daar raken ze van in paniek.

Maar wat gebeurt hier? Odysseus vermomt zich altijd, neemt andere identiteiten aan. Is dan weer een bedelaar en dan weer een naamloze om overal doorheen te glippen. Bij Jezus is het omgekeerd, hier, op het water, neemt hij geen vermomming aan! Hij geeft zichzelf geen valse naam. Hij zegt niet dat Hij niemand is. Hij ontglipt niets, maar gaat juist naar het gevaar toe. Om zó de storm te bedwingen.

Waar Odysseus een list verzint, zich anders voordoet dan hij is. Toont Jezus wie Hij is. Waar Odysseus zegt “ik ben niemand, ik heb geen naam”, zegt Jezus. “Ik ben het”. Ik ben het. Je kent mij! En hij is niet zomaar de Jezus die ze kennen. Hij is wie Hij is.

Odysseus maakt zichzelf ongrijpbaar om te kunnen winnen, zijn leven te behouden – al is het ten koste van anderen. Jezus maakt zichzelf bekend. Hij is wie hij is. En hij doet dat om anderen te redden, door zijn eigen leven te geven.

Dat Jezus zegt: “Ik ben het”, is niet zomaar een woord. God zegt van zichzelf in het Oude Testament: ik ben wie ik ben , zo zegt Jezus ik ben het als Hij over het water aan komt lopen. Hij heeft macht over de winden, hij heeft macht over het water. Wind en water zijn ongrijpbare dreigende machten. Wind en water zijn de voelbare en zichtbare dood. Er is er maar één heer van het leven, en soeverein over de dood. Dat is God zelf.

Als de storm is gaan liggen – en Petrus ondertussen een nat pak heeft gehaald – belijden de leerlingen Hem als Zoon van God. Ze begrijpen Hem, ze antwoorden op de zelfopenbaring die Jezus hen geeft. De rest van hun reizen door het land zal die kennis nog moeten indalen, groeien, voordat ze tot werkelijk begrip komen. Maar het begin is er.

Wij zijn zoals de leerlingen in de zin dat wij ons leven, en de gebeurtenissen daarin, zelden volledig zelf gekozen hebben. Natuurlijk, we hebben een vrije wil, maar als je daar te lang over nadenkt ga je ook zien in hoeveel boten je wel niet gedwongen bent, ook als je er zelf voor gekozen hebt om bijvoorbeeld met Jezus mee te gaan. De wind steekt op, de golven rijzen en je kan niet van de boot af – ook al heb je er zelf voor gekozen om mee te gaan. Onze vrije wil, onze kundigheid, ja , onze listigheid loopt spaak op de feiten van het leven, of liever: de feitelijke grenzen van het leven. Pijn en dood, de ondergang van dit bestaan: het is allemaal onvermijdelijk. Daar helpt geen inventiviteit meer aan. Geen strategie, geen zelfhulpboek. De listige held kan alleen zichzelf redden. Als hij anderen daarvoor opofferen moet dan moet het zo zijn. Hij kan en zal daaronder lijden, maar de feiten veranderen daardoor niet. Als je enkel langs de Charybdis kan varen ten koste van zes bemanningsleden, dan vaart Odysseus door, met zes bemanningsleden minder. Want Odysseus is dan wel een slimme held, hij is niet ander dan een mens. Een slimmer mens, een groter mens, een moedig mens, een man van sterke verhalen die we nu nog met smaak navertellen, maar altijd nog een mens.

Jezus is anders. Staan we voor de poorten van de dood, belijden wij het leven. Want het leven is groter dan wij zijn. Het is in Gods hand, niet in de onze. Golven en wind gaan liggen op zijn woord. We kunnen hier slechts in verhalen en symbolen over spreken. Want de dood blijft in ons leven. Zwakte en tekortkomingen, daar varen we niet zomaar om heen. Maar iemand strekt zijn handen uit, iemand komt bij ons aan boord, iemand neemt het roer in handen.

Ik ben het, zo noemt hij zich. De zoon van God. Amen.










Saturday, 1 August 2026

Achttiende zondag door het jaar A

 In die tijd,

toen Jezus van de dood van Johannes de Doper had gehoord,

week Hij vandaar in een boot uit

naar een eenzame plaats om alleen te zijn.

Maar toen de menigte dit hoorde,

volgden zij Hem te voet vanuit hun steden.

Toen Hij uitstapte, zag Hij een grote menigte,

Hij werd door medelijden voor hen bewogen

en Hij genas hun zieken.

Toen het avond werd,

kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden:

“Deze plaats is eenzaam en de dag is al voorbij.

Stuur de menigte weg

om in de dorpen voor zichzelf eten te gaan kopen.”

Maar Jezus zei hun:

“Ze hoeven niet weg te gaan; geeft gij hun te eten!”

Maar zij zeiden Hem:

“Wij hebben hier niets,

behalve vijf broden en twee vissen!”

Hij zei:

“Brengt die hier bij Mij.”

En Hij beval de menigte op het gras plaats te nemen.

Hij nam de vijf broden en de twee vissen,

sloeg de ogen ten hemel,

sprak de zegen uit,

brak de broden

en gaf ze aan de leerlingen

en de leerlingen gaven ze aan de menigte.

Allen aten en werden verzadigd

en aan overgebleven brokken haalden ze twaalf volle korven op.

Het waren ongeveer vijfduizend mannen die gegeten hadden,

afgezien van vrouwen en kinderen.

Beste vrienden

Ik las van de week in de krant over een oud-politicus die vroeger bekend was, en nu niet meer. Hij was in financiële problemen gekomen en nu was de deurwaarder naar hem op zoek. Zoals dat gaat als eertijds bekende mensen wat overkomt ging dat gauw over de tong. De één heeft leedvermaak, de ander is boos dat het in de krant komt.

Liever denk ik dan: wat heeft God ons vandaag te zeggen in een wereld waarin er veel mensen zijn die boven hun stand leven. Een samenleving waarin overdaad en overmaat aan de orde van de dag zijn. Een land waarin velen met veel wegkomen, totdat dat eens niet gebeurt.

We horen over Jezus die in het buitengebied – een eenzame plaats – de mensen onderwijst. En in de achtergrond van de lezing van vandaag zijn twee echo’s, twee achtergrondgeluiden te horen. Je zou er makkelijk overheen luisteren.

De ene echo is van het Volk in de Woestijn. Door de Bijbel heen zijn er meer verhalen over mensen en groepen die op een wonderbaarlijke manier worden gevoed, om zo te laten zien dat God mensen nabij blijft, dat hij borg staat voor hun leven. De bekendste verhalen zijn over de tocht door de woestijn naar het beloofde land.

De tweede echo is die van Johannes de Doper. Daar begint het verhaal mee. Jezus hoorde van zijn dood, en trok zich toen terug – maar het volk volgde hem.

Ik begin met de woestijn, wat is daar aan de hand? In Exodus lezen we over het volk, dat is op stel en sprong vertrokken uit Egypte. In de woestijn is natuurlijk niet genoeg eten te vinden. God laat het manna regenen, waar het volk van eten kan. Er is maar één spelregel. Je kan het niet bewaren. Als je het wil hamsteren of oppotten, dan bederft het en gaat het stinken. Alleen op sabbat, de dag dat er niks gekocht en verkocht mag worden blijft het goed: dan kun je de dag ervoor een dubbel rantsoen inzamelen.

En dan Johannes de Doper, waar de lezing mee begint. Daar ging ook een banket aan vooraf. Een slemppartij bij Herodes en zijn adel. Terwijl het volk van alles tekort heeft proppen ze zich vol, en Herodes, verdoofd door drank en spijs, laat zich in de val lokken door de slechte plannen van zijn vrouw. Die eindigen er in dat Johannes de Doper wordt vermoord. Aan het einde van de overdaad wordt de mens zèlf verslonden.

De Bijbel is er duidelijk over dat overdaad, de zucht naar meer dan je rechtmatig toekomt een grote plaag is. Het is niet enkel maar een individueel falen, alsof jij in je eentje iets verkeerd gedaan hebt, en dat niet goed is voor jou.

Het probleem is, integendeel, maatschappelijk. Steeds leven uit overdaad doet wat met je. Het doet je denken dat anderen er zijn om jouw gevoelde behoeften te bevredigen. Dat zeg je misschien niet hardop, je bent jezelf er misschien niet eens van bewust. Maar het sluipt er in. Dat gevoel dat je recht hebt op wat je verteert, ook al weet je diep van binnen wel dat je deze leefstijl niet werkelijk kan volhouden. Wie mateloos is, houdt uiteindelijk ook geen rekening met anderen. Dat is een sluipend proces. Je voelt niet dat je teveel hebt. Je hebt overal voor gewerkt. En dat het ten koste van anderen gaat, druk je weg.

Tot de rekening komt, en je die rekening niet meer kan neerleggen bij een ander. Ook dat gebeurt. Maar niet bij iedereen tegelijk.

In het verhaal van de vijfduizend die gevoed worden schuilt een teken van een andere tijd, het is een teken van een andere werkelijkheid. Allen eten en zijn verzadigd. Ze krijgen dit alles niet als beloning voor hun uitmuntendheid, zodat de één tien vissen krijgt en de ander één brood. Maar ieder krijgt genoeg. Ieder krijgt genoeg omdat ze zijn wie ze zijn. En ze zijn daar als mens. Ze komen niet als hoofdmanager bij Jezus, of als hulpbehoevende die niet zelfstandig werken kan. Ze zijn daar met zijn allen als mens, en Jezus keek ze allen met medelijden aan. Ze aten, ze werden verzadigd, en er bleven nog twaalf manden met brokken over. De spijziging is dus ook een omkering van het banket van Herodes, én een wonder dat groter is dan het Manna, waarvan niks overblijven kon.

Wordt aan het eind van het banket Johannes opgediend. Zo zien we aan het einde van de wonderbaarlijke spijziging we dat het Jezus zèlf is, die zich opgeeft om voedend, levend brood te zijn voor iedereen. Twaalf manden, twaalf stammen, de volheid van het volk.

Nu staat er niet in ons verhaal dat al die mensen een edel gemoed hadden, of dat ze alleen maar goede dingen hadden gedaan. Ieder zal daar gekomen zijn met zijn of haar eigen verhaal. Op zoek naar Jezus om van Hem te horen hoe het anders kan in het leven.

Wat hij zei, dat staat niet in het Bijbelverhaal, er blijft maar één ding vermeld: dat hij medelijden met hen had. En die barmhartigheid is de tafel waar we met zijn allen aan kunnen gaan. Niet omdat onze liefde zo groot is – maar omdat Hij ons eerst heeft liefgehad – kunnen we krijgen wat we nodig hebben. Kunnen we allen eten, en allen worden verzadigd.

Dat we allen medelijden – of wat moderner, ontferming - nodig hebben, en moeten geven zit ons niet altijd even lekker. In het verhaal van de Barmhartige Samaritaan hoor je dat al. De wetgeleerde, de man van het recht , krijgt het woord Samaritaan niet over zijn lippen nadat Jezus het verhaal verteld heeft. Barmhartigheid, ontferming, ontwricht onze verwachtingen. Barmhartigheid komt iedereen toe, niet alleen de mensen waarvan jij vindt dat ze er recht op hebben. En iedereen kan ontferming hebben, ook de mensen waarvan jij denkt dat ze geen deel meer uitmaken van de menselijke beschaving.

Dat maakt ook leedvermaak zo’n gevaarlijke emotie als iemand iets “verdiend” overkomt. In dat leedvermaak zit immers maar een halve waarheid. Misschien is het waar, wat de krant opschreef. Het is goed mogelijk. Misschien leefde hij boven zijn stand, op te grote voet, en zo gaat de kruik te water tot hij barst, na jaren kunst- en vliegwerk. Maar zo`n exploot in de Staatscourant, dat is dan eerder als een stuk van de toren van Siloam. Dat jij er niet door geraakt wordt, wil niet zeggen dat jij buiten schot blijft: omdat jij wél goed bent. Integendeel, als je met een vinger wijst, wijzen er drie jouw kant op.

Zo is dan die maaltijd in de wildernis, waar we vandaag van horen, een teken van een nieuwe wereld, een teken van wat de kerk mag zijn, een teken van een toekomst bij God.

Allereerst een teken van een nieuwe wereld. Een Aarde waar allen kunnen eten en verzadigd worden. Misschien zal er dan minder extreme rijkdom, minder ruimte om alles te doen wat in ons opkomt, maar er is ook geen noodzaak tot bittere armoede. Een nieuwe wereld die de weg vrijmaakt voor een vredig en waardig bestaan: een plek waar mensen de ruimte voelen om vrij te zijn. Vrij om het goede, ware en schone te kunnen nastreven, ieder naar zijn of haar eigen capaciteiten. Een wereld waarin het niet moeilijk is om goed te zijn.

Dan is het ook een teken van wat de kerk mag zijn, de plaats waar alle mensen genodigd zijn om te mogen eten van het brood uit de hemel, en zo worden verzadigd. Niet voor even, maar voor eeuwig. Niet de een meer dan de ander, geen plek voor trots of grootspraak, geen ruimte voor “wat ik ben blij dat ik niet ben zoals die of die, die het allemaal verkeerd gedaan heeft”, maar gelijkheid in de verzadiging. Want je relatie met God is niet iets wat je verdient, maar iets dat je krijgt. Juist in de kerk kan er geen grandioze grootspraak zijn.

Tenslotte een teken van de toekomst bij God, een nieuwe Hemel en een nieuwe Aarde, waar God bij zijn volk is. Niet meer in een tempel, niet meer onder het teken van brood, maar als God met hen. Laten we naar die hoop, die verwachting en die opdracht leven.

Amen.