In
die tijd
vertelde Jezus aan zijn leerlingen deze gelijkenis:
“Het
Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mens, een landheer,
die
vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn
wijngaard.
Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag
overeen
en stuurde ze naar zijn wijngaard.
Rond het derde uur
ging hij weer uit
en zag anderen werkeloos op de markt staan.
En
hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard en ik zal u
geven wat rechtvaardig is.’
En zij gingen.
Rond het zesde en
negende uur ging hij weer uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde
uur ging hij uit,
vond er anderen staan en zei tot hen:
‘Wat
staat ge hier de hele dag werkeloos?’
Ze zeiden hem:
‘Niemand
heeft ons gehuurd.’
Hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de
wijngaard.’
Toen het avond werd,
sprak de heer van de
wijngaard tot zijn beheerder:
‘Roep de arbeiders en betaal hun
het loon,
te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’
Toen
die van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie.
Toen
de eersten kwamen,
meenden ze dat zij meer zouden krijgen,
maar
ook zij kregen elk een denarie.
Ze namen hem aan, maar morden
tegen de landheer
en zeiden:
‘Die laatsten hier hebben één
uur gewerkt en gij stelt hen gelijk met ons
die de last van de dag
en de hitte hebben gedragen.’
Maar hij antwoordde een van
hen:
‘Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met
mij overeengekomen voor een denarie?
Neem het uwe en ga heen:
ik
wil aan die laatste hetzelfde geven als aan u.
Mag ik niet met het
mijne doen wat ik wil?
Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Zo
zullen de laatsten eersten
en de eersten laatsten zijn.”
Beste
vrienden,
We
stellen ons graag voor als hardwerkende
mensen.
We staan de hele dag in de wijngaard, voor het overeengekomen loon
van het dagelijks brood. Een denarie. Een denarie is het
gebruikelijke bedrag daar voor. Wij zouden zeggen: een modaal
dagloon. Er zijn zeker mensen die het beter hebben, maar daar
vergelijken wij ons niet mee. En er zijn mensen die het minder
hebben.
Die
komen we misschien nog wel eens tegen. De mensen die het minder goed
gedaan hebben dan wij. Die hadden die dag geen werk. Misschien dat we
zelfs van onze denarie wat sestertieën,
wat
centjes, aan die mensen geven. Dan voelen we ons twee
keer goed. Eens
omdat we een denarie verdiend hebben met ons eigen werk, en de tweede
keer omdat we ook nog omzien naar wie minderbedeeld is. “Goed zo,
harde werker,” zeg je tegen jezelf terwijl je aan jezelf een
schouderklopje uitdeelt.
God
is in zijn hemel, en op aarde heeft ieder heeft zijn toegekende plek.
En zo lang iedereen zijn plek blijft kennen – dan is het leven
goed.
Totdat
God besluit niet in de Hemel te blijven maar op aarde te komen wonen.
Dan komt opeens van alles van zijn plek. Op zijn beurt maakt dat van
alles in de mensen los. En het is niet allemaal even best, wat er
loskomt. Wat we te zien krijgen. Leerzaam is het wel, ook voor ons.
We gaan eens kijken wat er gebeurt.
De
werkers in de wijngaard. Die hebben een afspraak met de Heer. Wij
werken, jij betaalt. Een denarie. Het dagloon. Kennelijk is er zoveel
werk in de wijngaard
dat de Heer de hele dag door achter de werkelozen aanjaagt om ze maar
er bij te krijgen. De ene voor een halve dag, de ander voor een
kwartdag en dan als hoogtepunt van absurditeit:
voor een los uur. De hele dag door komen daar half-werkers,
kwart-werkers en minimumwerkers voorbij.
En
dan wordt er uitbetaald. Het hoogtepunt van de dag: daar doe je het
voor. En dan zie je een mooie omkering. De spanning wordt mooi
opgebouwd. Eerst worden de minimumwerkers uitbetaald, die er op het
laatst er bij kwamen. En die krijgen een denarie. De dagloners
wrijven al in hun handen.
Maar
dan de anticlimax.. Ze krijgen evenveel als een ander. En ze zijn het
er niet mee eens. Ze morren.
Ze
zeggen “Gij stelt hen gelijk
met ons”.
Maar de Heer zegt terecht: je bent toch niks tekort gekomen? “Mag
ik niet met het mijne doen wat ik wil?” zegt Hij. “Of zijt ge
kwaad, omdat ik goed ben?”. En dan is het verhaal uit. Er is geen
oplossing. We blijven in die spanning zitten. De dagloners taaien af.
Zijn ze overtuigd? Ik denk het niet. De spanning waar het in dit
verhaal om gaat zal escaleren. Het gaat in de hoofdstukken die hierna
komen van kwaad tot erger.
Maar
dat komt dan wel. Één crisis tegelijk.
“Zijt
ge kwaad, omdat ik goed ben?” – dat is een retorische vraag. Die
vraag ligt niet open. Het antwoord is duidelik. Ze zijn
kwaad.
Ze zijn kwaad omdat de Heer goed is. Je bent ziek. God is leven en
jij bent ziek.
Maar
nu hebben we een probleem. De Heer stelt een diagnose vast. Mensen:
je draagt een kwaad in je. Maar welk kwaad? Waar hebben we het over?
Als
je bij de dokter komt, beste mensen, en de dokter zegt: “je bent
ziek”, en verder niks.... Dan heb je daar niet zoveel aan. Je moet
een diagnose
krijgen: de
aard
van de ziekte kennen. Weet
je niet wat de ziekte is, dan kun je de ziekte niet
behandelen. Dan kan er geen medicijn worden voorgeschreven. De
apotheker
kan daar niks mee. Dan
pak je misschien zelfs het verkeerde flesje. Je zou uit onwetendheid
een antiwormenmiddel gebruiken om een besmettelijke longinfectie te
behandelen. Dat kan niet. Dan
word je dubbel zo ziek als je al was.
Maar
wat is de diagnose? Welke
ziekte woedt er onder de harde werkers? Vertel het ons, dokter Jezus.
En Jezus vertelt het ons ook. Maar je ziet het niet terug in de
vertaling. De aard van de ziekte is wegvertaald.
We lezen “zijt ge kwaad, omdat ik goed ben”. In de woorden van
mijn leermeester in de Bijbel, pastoor Gouw, “dat staat er niet”.
Of althans, niet helemaal.
Wat
letterlijker staat er: “heb jij soms het boze
oog?”.
Dat
is de diagnose, die dokter Jezus stelt. Het boze
oog. We
lijden aan een oogziekte.
Als
we horen van 'het boze oog' denken we misschien aan bijgeloof.
Dat
de blik van bepaalde mensen anderen ziekmaken
kan, of kan
vervloeken.
Maar ook onder bijgeloof kan een kern van waarheid liggen. Net zoals
sprookjes, sagen, volksverhalen, grote literatuur altijd een waarheid
spreken over de mens. Ze zijn misschien niet feitelijk, maar wel
waar. Zo ook het beeld van het boze oog. Een ernstige kwaal waar
iedereen aan lijden kan.
Wat
is het boze oog. Wat is die ziekte? Het is de ziekte van de
menselijke blik: de afgunst. Als iemand iets moois krijgt en je ziet
het niet, dan zou je er niks bij kunnen voelen. Dat is onmogelijk. Je
gaat naar huis met je denarie. Je gaat lekker eten met je gezin. 'S
avonds kijk je naar de nieuwste serie op Netflix – net als iedereen
– en er is niks aan de hand. En je helpt zelfs je werkeloze buurman
die nergens goed in is, met een (kansloze) sollicitatiebrief. Je
haalt er misschien wel drie taalfouten uit. Het zal niks uitmaken
maar je kan je wel goed voelen over jezelf, dat je iets goeds gedaan
hebt. God is in de hemel, op aarde heeft iedereen zijn plek – en
zolang ieder zijn plek blijft kennen gaat het goed.
Maar
God loopt rond op aarde. Hij is de Heer. En als jij een lange dag
voor de Heer gewerkt hebt, en je buurman was er ook een uurtje, en
die krijgt evenveel.... Dan ga jij als je gegrepen bent door de zonde
van afgunst anders naar huis. Je hebt het gezien, en de blik maakt je
ziek. En die ziekte vreet zich een weg door je lijf. Van je ogen,
naar je hersens, je kan aan niks anders meer denken. Naar je hart, je
voelt dat valse, hatelijke vuur, naar je ingewanden. Het rommelt, je
hebt er buikpijn van. Het boze-oog-syndroom trekt je lijf door.
En
welk instrument brengt die ziekte aan het licht?
De
goedheid, de vrijgevigheid, van God. God is niet onrechtvaardig,
dat hij je recht afpakt. Hij is veel meer dan rechtvaardig: hij
scheldt onmogelijke schulden vrij, en geeft mensen meer waar ze op
konden hopen. Maar als we alleen maar denken aan recht, gaat dat
misschien minder over de liefde tot gerechtigheid en meer over de
vrees dat een ander wel eens onverdiend wat krijgen kan.
Daarom
moeten we ook nooit de dingen van God reduceren tot recht
doen. Niet
omdat het verkeerd is om recht
te doen. Maar
het recht is te klein om God te vatten. Als we zeggen: God is
rechtvaardig dan spreken we geen onwaarheid. Maar toch moeten we
zeggen met mijn leermeester pastoor Gouw. “Dat staat er niet”.
Als we alleen praten over recht maken we God te klein. Je doet God
tekort. Je doet God geen recht. God is goed, en dat wil zeggen
vrijgevig. Overdadig. Meer-dan-rechtvaardig. Met andere woorden:
genadig.
We
denken dat we een rechtvaardige
God willen,
want dan denken we dat we indruk op Hem kunnen maken met ons harde
werken. En het is goed om hard te werken, begrijp me niet verkeerd.
Maar als we zo
denken doen we God tekort.
We
willen een rechtvaardige
God – denken we - maar
die we krijgen een genadige
God.
Dat
is veel moeilijker. Veel riskanter. Veel gevaarlijker voor ons
leventje.
Een
“rechtvaardige God” voelt beheersbaar. Je kan in- en uitklokken,
werken naar de Wet, tienden geven van wat je hebt. Goed zijn. Gewoon
goed. De morele lat ligt zo laag vandaag de dag dat het je nauwelijks
moeite hoeft te kosten om een hele nette reputatie te krijgen. Een
betere
reputatie
dan
anderen.
En wat is dat
comfortabel. Niet gelijkgesteld
te
zijn aan anderen.
Of
althans je denkt
dat je goed bent omdat je geen moment
geloofde
dat je wat
tekort kwam. Tot het moment dat je onverdiende genade zag gebeuren in
een ander. Iemand
die God krijgt, werkelijk God krijgt, een echt, een levend, en
levensveranderend geloof. En dan zonder jouw
inzet.
Iemand misschien wel beter begrijpt waar het bij God om gaat dan jij,
of ik.
Die
veilige rustige Regelgod, die blijkt een levensgevaarlijke genadige
God te zijn, een onbeheersbare God. Een onbezweerbare God.
Levensgevaarlijk: omdat jouw leventje niet kan blijven zoals het is.
Uiteindelijk
wordt het nog ingewikkelder. Misschien sla je niet aan op de genade
van de ander, maar wordt het spel echt: en ontmoet je zelf de
onverdiende genade, en daar moet je dan antwoord op geven. Dan is er
geen veilig regelboek meer. Leven volgens de regels, en dan kan alles
een beetje hetzelfde blijven. Maar dat kan niet na het ontmoeten van
Genade. Dan wordt alles anders. Dan moet je zelf
veranderen.
Met nieuwe ogen leren kijken. Een nieuw hart krijgen. Andere dingen
belangrijk gaan vinden.
Als
we zien wat de Heer heeft gedaan kunnen we zeggen het
is wonderlijk in onze ogen (Psalm
118:23), en die verwondering is het begin van een nieuw leven. Kijken
in blijde verwondering is het tegendeel van de blik met het boze oog.
Beide ogen, het zieke en gezonde kijken naar Gods goedheid. Het ene
oog wordt boos, afgunstig. Het andere oog verwondert zich in
blijdschap om wat God doet. God verandert niet. Het is dezelfde God,
waar we met andere ogen naar leren kijken.
Het
doel van dat geestelijk leven is is niet alleen maar niet-ziek-zijn.
Het is nieuw leven, en dat leven begint met het besef dat we het niet
voor onszelf gaan regelen. Een religieuze ziekte als het boze oog
houdt ons daarvan weg. Weten dat we ziek kunnen worden, op onze eigen
manieren allemaal ziek zijn. Geen inzet van onze kant geneest ons,
brengt ons nieuw leven. Dat moet van God komen, en hij is vrijgeviger
dan wij ons kunnen of zelfs willen
voorstellen.
Maar
stel het je voor: vrij zijn in de wereld, gedragen door liefde. Onze
inzet hoeft niks meer te fiksen. Het mag een antwoord zijn op die
liefde. Vrij om te rouwen met wie verdriet heeft, blij te zijn met
wie vreugde voelt. Langzaamaan meer groeien in die levende band met
de Heer, de band die ons meer
mens maakt.
Levend maakt. Een band waar je misschien wel veel voor op moet geven,
maar niks om zal verliezen.
Moge
dat zo zijn.
Kom
Heer Jezus.
Amen.