Sunday, 8 October 2017

Werken in de Wijngaard



De wijngaard is een Bijbels beeld dat zowel in het Oude als het Nieuwe Testament steeds opduikt. Wijn en wijnranken staan voor het leven, en alles wat daar goed aan is. Wijn bestaat om van te genieten. De wijngaard is een symbool van welvaart, vrede, een rustig en geordend leven.

Door te zeggen: “het leven is een wijngaard” zeggen we in de eerste plaats: "het leven is goed". 

Het beeld van de wijngaard doet in de eerste plaats denken aan dat van de Tuin. De eerste mensen, Adam en Eva kregen de tuin van Eden om in te wonen. Het was hun huis, de ruimte waarbinnen zij hun leven konden leiden. Maar die tuin bleef niet voortbestaan. Adam en Eva kozen een pad dat van God wegleidde, en dan raak je ook kwijt wat God aan je gegeven heeft. 

Als de Joden het land Kanaän krijgen van God, dan wordt dat voor hen een soort tweede tuin, maar niet meer een tuin waarin alles maar groeit, maar een tuin waarin ze zelf mogen zorgen voor goede dingen: een wijngaard. Een veilige plek met muren waarbinnen goede vruchten kunnen groeien.

Maar net als de tuin van Eden is het bezit van de wijngaard voorwaardelijk. Als je misbruik maakt van al die goede gaven, als je ze niet meer ziet voor wat ze zijn: nl. gaven van God dan raak je de wijngaard onherroepelijk kwijt. Dan is het uit met het fijne leven. 

Jezus waarschuwt de machthebbers van zijn tijd, en zegt – jullie hebben je de wijngaard toegeëigend, je hebt niet geluisterd naar de profeten – de dienaren van God – en jullie gaan mij ook niet anders behandelen. Maar daarmee raken jullie ook alles kwijt waar je je voor in hebt gezet, en de belofte van God gaat verder. Maar zonder jullie. Het zijn pittige woorden en we kunnen ze alleen begrijpen als we beseffen dat de wijngaard per definitie een doel heeft: een goed leven kunnen leiden dat gericht is op God en op anderen. 

De wijngaard bestaat niet op zichzelf. Als je het doel uit het oog verliest, geen rechtvaardigheid meer doet, enkel nog aan jezelf denkt, verliest de wijngaard haar zin. De wijngaard is immers niet van jou , het is niet je privé-eigendom waar je mee kan doen en laten wat je wil. 

De wijngaard staat natuurlijk ook niet los van je inzet - je zal zelf er wel in aan de slag moeten want de Wijngaard is geen luilekkerland – maar je hebt `m niet zelf gebouwd. 

In die zin staat de wijngaard ook symbool voor ons eigen leven. De Kerkvaders zeiden: de wijngaard, dat is niet alleen het volk Israël, niet alleen het Beloofde Land, niet alleen maar de Kerk, maar dat is ook je ziel, je eigen leven. 

Je leven krijg je, daar mag je mee aan de slag om een betekenisvol leven te gaan leiden. Maar als je niet goed wilt zijn, de stem van het geweten, de stem van God tot zwijgen brengt, of zelfs buitenwerpt, dan begint die wijngaard van de ziel af te brokkelen, dan komen er gaten in de muur, valt de wachttoren om, draagt de rank geen goede vrucht meer, en uiteindelijk blijft er niets meer over. 

Dát is niet onze roeping. 

Wij hebben heel veel goede dingen gekregen in ons leven. Meer dan we denken. Natuurlijk, we werken allemaal heel hard, of hébben hard gewerkt, maar onze talenten hebben we niet zelf uitgezocht. Dat we in Nederland al zo lang in vrede, veiligheid en welvaart mogen leven? Dat had ook anders kunnen zijn. U hoeft de TV maar aan te zetten. Een goede opvoeding die we genoten hebben? Dat is ook niet onze prestatie.
 
Onze levens zijn gebouwd op gepachte grond. We mogen genieten van de oogst maar we mogen nooit denken dat wij meester zijn van de wijngaard. Zolang we ons dat beseffen kunnen we als land, als volk, als kerk, als gemeenschap, in vrede blijven leven.

Dan maken we de woorden van Psalm 128 waar: “Gelukkig die godvrezend zijt, de weg des Heren gaat. Ge zult de vrucht van eigen arbeid eten, tevreden en voorspoedig zult, ge zijn.”

Amen.

Sunday, 10 September 2017

Vermaning en Verantwoordelijkheid



Broeders en zuster. 

De lezing van deze zondag gaat over schuld, terechtwijzing en vergeving.
Mensen maken soms keuzes die achteraf gezien niet zo gelukkig zijn. Ze denken dat het geluk ergens ligt waar het niet te vinden is, of misdragen zich tegen anderen om iets in de greep te krijgen. We hoeven niet eens naar het nieuws te kijken om voorbeelden te zien: er zijn er ook in ons dagelijks leven genoeg. 

De bijbel zegt ons dan: als het mogelijk is moet je de ander terechtwijzen, of vermanen. Dat klinkt nogal streng, het voelt voor ons in Nederland in 2017 nogal hovaardig aan. Dat je je met een ander zijn levenswandel bemoeit, met een opgeheven vingertje zeggen dat iemand anders zich zus of zo moet gedragen. Daar houden wij niet zo van. Dat is in het verleden al vaak genoeg gebeurd. Moeten we niet leven en laten leven? 

We leven in een individualistische samenleving, dat heeft natuurlijk keerzijden, maar ook voordelen. We leven niet meer in gemeenschappen waar iedereen steeds op elkaar let. Of je geen stap verkeerd zet, en als je dat wèl doet, dat er dan over je gepraat wordt bij de bakker en de slager en de groenteboer,  zodat binnen een paar dagen iedereen van je misstap weet, en die je blijft achtervolgen. 

Zo gaat dat niet meer, en denk ik, gelukkig maar. De warme mantel van een gemeenschap kan dan een verstikkend web worden, waaruit je alleen maar wil ontsnappen. Dat beeld zit misschien nog wat in ons achterhoofd. Wat dat betreft is het niet slecht dat wij wat individualistischer zijn.


Maar de keerzijde daarvan is ook duidelijk: als mensen ongelukkig keuzes maken, de weg niet meer zien, dan is er niet vanzelfsprekend iemand die ze even op de schouder tikt, die ze onder vier ogen zegt: “We hebben het gevoel dat het niet goed met je gaat – dat wat je doet jezelf en anderen beschadigt. Hoe kunnen we je helpen?” 

Dat is het tegendeel van roddelen, of veroordelen. Wat je zegt is alleen bedoeld voor de ander, niet voor de bakker, de slager of de groenteboer, het is niet bedoeld voor het hele dorp. Het is bedoeld voor je broeder of zuster, vanwege de zorg die je voor een ander hebt. 

Ook dat is verantwoordelijkheid nemen voor elkaar, en verantwoordelijkheid nemen voor de gemeenschap, want als iemand zichzelf of anderen schade berokkent, dan heeft dat voor iedereen consequenties. In het uiterste geval; als je merkt dat je iemands destructieve gedrag de gemeenschap met zich meesleurt, dan moet de gemeenschap ook beschermd worden tegen die persoon; niet om die persoon te veroordelen, maar om de gemeenschap te beschermen. Als gemeenschap kun je er alleen zijn voor anderen als je niet wordt meegesleurd door de ellende die iemand aanricht. 

Als het Evangelie het dan heeft over dat iemand die onverbeterlijk is als een “heiden of tollenaar” moet worden gezien, dan klinkt dat als harde woorden – maar we moeten ons ook beseffen dat dat ook niet betekent dat je mensen dan aan hun lot overlaat.

Jezus ging met tollenaars aan tafel en was niet blind of doof voor de nood van de Kanaänitische, een heidense vrouw. 

Dat je iemand soms moet weren uit een gemeenschap kán een optelsom van onze verantwoordelijkheden zijn, als er geen andere middelen meer over blijven. Dat weren is niet definitief, je moet altijd zoeken naar mogelijkheden om mensen weer terug te winnen.

Waarom dat zo is lezen we aan het eind van het Evangelie, als  Jezus zegt: “Even­eens zeg ik u: wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen ‑ het moge zijn van het wil ‑ zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.“

Als wij als gemeenschap, als parochie of als bisdom, als Kerk als geheel iets doen, of vragen, of ergens voor bidden, als wij samen vieren, dan doen wij dat niet voor onszelf, of namens onszelf. Wij handelen, vieren en bidden mét Hem die in ons midden is. 

De Bijbel noemt de Kerk, het Lichaam van Christus, en dat doet zij niet lichtzinnig. Dat is wat we zijn, en dat is niet alleen een feitelijke uitspraak maar ook een opdracht. We zijn niet alleen Lichaam of Christus , we moeten ons ook als Lichaam van Christus gedragen. Dat kunnen we doen door te beginnen Jezus Christus ook als ons voorbeeld te nemen, niet als iemand ver weg, maar als iemand die naast ons zit, zoals uw buurman of buurvrouw naast u zit. 

En ieder die ons nabij is, daar kunnen we van leren. Die kunnen we navolgen. Met vallen en opstaan leren we zo verantwoordelijkheid te nemen voor elkaar, voor onze parochie, en voor de wereld om ons heen. 

Amen.

Sunday, 3 September 2017

Leiderschap en Verbondenheid



Broeders en zusters, 

Jezus, Petrus en de leerlingen zijn op reis en zijn in gesprek. Bij deze gesprekken komen er altijd belangrijke lessen naar boven.
Vorige week ging het Evangelie ook over Petrus en Jezus, Jezus vraagt de mensen wie hij is en Petrus antwoord: jij bent de Christus, jij bent de Messias. Dat is het moment waarop Petrus zijn naam krijgt. De Rots waarop de Kerk gebouwd wordt. We leren daar een belangrijke les, wie Jezus is! De Koning van Israël!

Het vervolg laat een abrupte wending zien. Het lijkt nogal een anticlimax. Als Jezus uitlegt dat hij als Messias, als koning van het Joodse volk, ook zal moeten lijden is Petrus helemaal van de leg. 

Hij zegt dat dát niet de bedoeling kan zijn, dat de koning een lijdende dienaar moet zijn! De redder van Israël mág geen kwetsbaar mens zijn! En Petrus krijgt een flinke schrobbering te verduren. Ondanks zijn belijdenis heeft hij er niet veel van begrepen. Hij moet nog veel leren. We leren hier ook een belangrijke les, over wie Petrus is, en over onszelf. Petrus is niet veel anders dan wij.

Deze week las ik in de krant dat een oud-Kamerlid een boek had geschreven over haar tijd in de Tweede Kamer, als fractielid van een grote politieke partij.  Het schept een ontluisterend beeld. Ze beschrijft hoe de leider van die partij heel autoritair met mensen omging, hen publiekelijk vernederde en voor schut zette – zoals dat gaat gingen ook andere mensen om hem heen dat gedrag navolgen. 

Zij werd daar heel ongelukkig van. Toch was die politicus heel erg populair, veel mensen vonden hem een sterke leider, een onkwetsbare man met het hart op de juiste plaats. Wie hij achter de schermen was zag men niet, maar het verraste me niets toen ik dit verhaal in de krant las. Zo gaat dat vaker. Want het gaat niet om die éne persoon, of om die partij. Het gaat om wat er leeft in ons hart.

Als de nood aan de man is, willen wij graag schuilen achter de brede schouders van Onkwetsbare Mensen. Mensen die alles aan kunnen, die altijd direct het juiste besluit nemen en zorgen dat de mensen hen volgen. Dat geeft ons een veilig gevoel. Achter zo`n onkwetsbare macht kunnen we schuilen, kunnen we ons veilig voelen. Die behoefte aan veiligheid máákt de leider. Ook omgekeerd geldt: zonder mensen die achter de leider aanlopen, is de leider helemaal niets. 

Een leider die níet onkwetsbaar is, die pijn kan hebben zoals iedereen, daar worden we al wat zenuwachtig van, dat ligt ons niet lekker op de ziel. Dan voelen wij ons zelf al wat onveilig. Als een leider van zijn schild valt zijn de meeste volgers in geen velden of wegen meer te bekennen. Het was niet druk onder het kruis. 

Ook wij zijn niet immuun voor dat gevoel. Toen de Belgische kunstenaar Albert Servaes in 1919 een kruisweg tekende, tekende hij het lijden van Christus heel realistisch uit. Dat was in het België van die tijd ongehoord. Het lijden kwam té dicht bij voor de verantwoordelijken, en de kruisweg moest worden weggehaald. Petrus leeft soms ook in ons eigen hart. Als we pijn zien waar we macht en zelfverzekerdheid verwachten wenden we makkelijk ons gezicht af. 

Ook dát is een belangrijke les: want het betekent dat een leider, en de gemeenschap voor wie hij zorgt niet los van elkaar staan. Ze zijn met elkaar verenigd. Als het goed gaat met de ene, dan straalt dat af op de ander. Het kan niet zo zijn dat een leider het goed heeft terwijl zijn gemeenschap verkommert, of dat het goed blijft gaan met een gemeenschap als de verantwoordelijkheden zelf compleet in de put zitten.

Op het hoogste niveau in Jezus Christus, omdat mensen gebogen gaan onder verdriet, onder ziekte, geweld en dood móet hij dat alles delen, juist omdat hij Koning is. Een Koning die niet lijden kan, die emotieloos boven het wereldtoneel hangt is ten diepste niet verbonden met ons mensen.

En omdat hij Koning is, en hij de spil is waar heel de schepping om draait blijft het niet bij die pijn en dat lijden maar kan Hij door zijn Verrijzenis alles nieuw maken. Heel de schepping een nieuwe rol geven, als een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij die deelt in ons lijden laat óns ook delen in zijn overwinning. 

En zo is het zowel in het groot als in het klein. Leiderschap vooronderstelt verbondenheid. In het groot als in het klein.

Waar mensen gemeenschappen vormen zal er leiderschap zijn.  Er zijn in elke gemeenschap mensen nodig die lijnen uitzetten en processen aansturen. Dat is een grote verantwoordelijkheid die niet kan worden uitgeoefend als mensen tegenover elkaar staan. Zo bekeken is intimidatie, dreigen, dat zijn geen goede vormen van leiderschap. Zo kan iemand die een “sterke man” lijkt te zijn toch een zwakke leider blijken.

Dát is niet waartoe wij geroepen zijn. Als wij de mogelijkheid krijgen om invloed uit te oefenen, op een gemeenschap, op een proces, dan moeten wij dat op een verantwoorde wijze doen. Verbonden met anderen, niet voor onszelf. Dan krijg je misschien niet altijd applaus, maar je hoeft de schijn ook niet op te houden, of je heel anders voor te doen dan je bent. 

Als we een leven lang ons best gedaan hebben op onze taken, als we ons best gedaan hebben om er iets van te maken, en voorbij alle oordelen en beoordelingen van de wereld, mogen we al onze taken ook weer teruggeven. 

We krijgen onze verantwoordelijkheden van God, en aan Hem geven we ze na afloop ook weer terug. In de naam van hem op wie heel de Aarde steunt: Jezus Christus, onze Heer, amen.