Beste vrienden,
Vandaag vieren we door omstandigheden het verplaatste patroonsfeest van Petrus en Paulus, de twee apostelen van Rome die samen aan de wieg staan van onze kerk. Petrus noemen we onze eerste Paus, de eerste bisschop van Rome waar alle latere pausen naar terugrekenen. De St. Pieter in Rome is gebouwd op zijn graftombe.
Paulus organiseerde vele christelijke gemeenschappen, en schreef hen allerlei brieven waarin hij uitlegde waar het in het geloof om ging.
Als we de verhalen teruglezen over Petrus en Paulus valt me één ding op: hoe ze moesten werken met hun beperkingen en tekortkomingen. We weten over Petrus dat hij een beetje een heethoofd was, en wel eens wat overenthousiast – en dan dingen zei of deed waar hij zich later weer uit moest wringen. Zijn “ja” bleek wel eens een “nee”, maar zijn “nee” werd zo ook wel weer een “ja” . Hij moest zijn eigen beperking leren aanvaarden, en telkens opnieuw beginnen voor hij zijn roeping als rots van de kerk kon waarmaken.
Bij Paulus ging het verhaal nog moeilijker van start. Hij was een intelligente en gedreven man die vond dat hij alles beter wist, en begon zo de leerlingen van Jezus te vervolgen. Jezus zelf heeft hij bij leven nooit gezien. Jezus moest bij hem inbreken op weg naar Damascus. Hij werd blindgeslagen – een poëtische straf voor iemand die dacht dat hij alles kon doorzien. Na zijn genezing werd hij apostel, gelijk in rang en in volledige gemeenschap met de andere apostelen van de kerk, onder leiding van Petrus.
Nu hadden Petrus en Paulus ook wel eens woorden met elkaar, en de temperatuur liep daarbij ook wel eens stevig op, maar voor hen beiden stond de eenheid van de kerk centraal. We zeggen dat de apostelen heilig zijn, maar we zeggen nooit van apostelen en heiligen dat ze perfect waren. Dat is namelijk niemand.
Als je dat wel gaat denken, van jezelf of van een ander, dan is de verdeeldheid nooit ver weg. Daar hadden de eerste christenen al last van, bijvoorbeeld in de gemeenschap van Korinte. De mensen daar hadden namelijk ruzie gemaakt en waren partijen gaan vormen. De één was voor deze en de ander was voor die. Zo zag Paulus zich genoodzaakt om deze bekende woorden te spreken:
Gij laat u nog altijd leiden door zelfzucht. (zegt Paulus) Of is het geen uiting van egoïsme en kleinmenselijk gedrag, dat er onder u naijver en twist voorkomt? Als de een zegt: “Ik ben voor Paulus,” en de ander: “Ik voor Apollos,” zijt gij dan niet al te menselijk? Want wie zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw bekering (1 Korintiërs 3)
De gemeenschap van de kerk, dat is als man en vrouw zijn in het huwelijk. Je bent elkaar ondergeschikt. Nu heeft in elke grotere gemeenschap niet iedereen dezelfde positie, en uiteindelijk moet iemand het laatste woord hebben. Maar alle gezag en verantwoordelijkheid dient het geheel. Zelfs de paus oefent zijn gezag uit terwille van de eenheid, en vanuit zijn eigen eenheid met de kerk. Als de paus ons iets voorhoudt, doet hij dat immers niet als privépersoon. De kerk van alle tijden en plaatsen spreekt als het ware door hem. (Lumen Gentium §25)
De band met Petrus, de band met de paus, bewaart de gemeenschap van de wereldkerk. Gemeenschap vooronderstelt dat we onszelf onderschikken aan de ander. Zo bewaren wij de kerk.
Het tegendeel van deze houding is de zonde van trots. Die zonde gaat nog verder dan eenvoudige zelfverheffing. Trots wil zeggen dat je er ten diepste van overtuigd bent dat je de ander niet nodig hebt. Dat jij als privépersoon of als kleine beweging alles kan doorzien of zo aan de goede kant staat dat jij daardoor bevrijd bent van de gevolgen van je daden.
“De regels gelden voor anderen, maar niet voor mij.” Zeg je dan, of je beeldt je in dat iemand eens zonder boete door rood is gereden, en dat jij dan op jouw beurt dus anderen van de weg mag rijden. En als je dan je rijbewijs moet inleveren, brul je op internet dat je wordt “onderdrukt om je principes”.
Zó leeft trots.
Je moet dan ook minder kijken naar wat trots zegt, en meer naar wat trots doet. Want trots presenteert zich makkelijk als een engel van licht, en heeft de schoonste verhalen.
Maar onder al die verbale capriolen is de wérkelijke houding van trots: de weigering te aanvaarden dat we beperkt zijn, de weigering om te aanvaarden dat we anderen nodig hebben, de weigering om te aanvaarden dat de wereld niet om jouw “inzichten” draait.
Trots sluit de harten af. Trots vind je in het groot of in het klein. Maar alle trots berust op de valse overtuiging dat we de ander niet nodig hebben. De ander ons wel, maar wij de ander niet.
En die overtuiging berust op dat onbeperkte zelfbeeld. Dat wij vrij kunnen definiëren wat goed is en wat kwaad voor de mensen om ons heen: een almachtsfantasie die onder de oudste zonde ligt.
Wij zijn maar voorbijgangers in een groot verhaal. We maken dagen mee van vreugde en van verdriet. We hebben een korte tijd op aarde om, met al onze beperkingen onze gemeenschap iets beter achter te laten, of als dat niet lukt, toch minstens onze best te doen om goeds te zaaien – ook al
kunnen wij niet zien of er wat opkomt. Weigeren vanuit trots te leven maakt ons wel kwetsbaar. En dat is een griezelig gevoel. Met open armen in het leven staan, zonder wapenschild, zonder pantser. Er kan veel gebeuren. Het kan ook fout gaan. Er zullen dingen fout gaan. Maar als je met Jezus op pad gaat is er ook geen andere weg. Petrus en Paulus leidden ook geen pantserbestaan. Ze waren kwetsbaar, zó kwetsbaar dat ze stierven aan wat ze deden.
Wij zijn beperkte wezens, dat is niet alleen een feit, dat is ook onze opdracht. Kwetsbaar en beperkt, net als Petrus en Paulus dat waren, de apostelen en leerlingen dat waren, en alle leden van de kerk dat zijn, maakt ons vrij. Kwetsbaarheid maakt ons tot gemeenschap. Kwetsbaarheid maakt ook dat wij kunnen zien wat werkelijk nodig is, want trots maakt blind.
Maak ons vrij dan, God, van de trots die ons aanvecht. Leer ons zien dat de kerk en de wereld niet om onszelf draaien en geef ons in waar de vragen en noden van deze tijd liggen. Geef ons ogen om de noden van kerk en wereld te zien. Zegen deze gemeenschap, dat zij verder mag gaan in diezelfde kwetsbaarheid die uw apostelen beleefd hebben.
Amen.