In die tijd,
toen Jezus van de dood van Johannes de Doper had gehoord,
week Hij vandaar in een boot uit
naar een eenzame plaats om alleen te zijn.
Maar toen de menigte dit hoorde,
volgden zij Hem te voet vanuit hun steden.
Toen Hij uitstapte, zag Hij een grote menigte,
Hij werd door medelijden voor hen bewogen
en Hij genas hun zieken.
Toen het avond werd,
kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden:
“Deze plaats is eenzaam en de dag is al voorbij.
Stuur de menigte weg
om in de dorpen voor zichzelf eten te gaan kopen.”
Maar Jezus zei hun:
“Ze hoeven niet weg te gaan; geeft gij hun te eten!”
Maar zij zeiden Hem:
“Wij hebben hier niets,
behalve vijf broden en twee vissen!”
Hij zei:
“Brengt die hier bij Mij.”
En Hij beval de menigte op het gras plaats te nemen.
Hij nam de vijf broden en de twee vissen,
sloeg de ogen ten hemel,
sprak de zegen uit,
brak de broden
en gaf ze aan de leerlingen
en de leerlingen gaven ze aan de menigte.
Allen aten en werden verzadigd
en aan overgebleven brokken haalden ze twaalf volle korven op.
Het waren ongeveer vijfduizend mannen die gegeten hadden,
afgezien van vrouwen en kinderen.
Beste vrienden
Ik las van de week in de krant over een oud-politicus die vroeger bekend was, en nu niet meer. Hij was in financiële problemen gekomen en nu was de deurwaarder naar hem op zoek. Zoals dat gaat als eertijds bekende mensen wat overkomt ging dat gauw over de tong. De één heeft leedvermaak, de ander is boos dat het in de krant komt.
Liever denk ik dan: wat heeft God ons vandaag te zeggen in een wereld waarin er veel mensen zijn die boven hun stand leven. Een samenleving waarin overdaad en overmaat aan de orde van de dag zijn. Een land waarin velen met veel wegkomen, totdat dat eens niet gebeurt.
We horen over Jezus die in het buitengebied – een eenzame plaats – de mensen onderwijst. En in de achtergrond van de lezing van vandaag zijn twee echo’s, twee achtergrondgeluiden te horen. Je zou er makkelijk overheen luisteren.
De ene echo is van het Volk in de Woestijn. Door de Bijbel heen zijn er meer verhalen over mensen en groepen die op een wonderbaarlijke manier worden gevoed, om zo te laten zien dat God mensen nabij blijft, dat hij borg staat voor hun leven. De bekendste verhalen zijn over de tocht door de woestijn naar het beloofde land.
De tweede echo is die van Johannes de Doper. Daar begint het verhaal mee. Jezus hoorde van zijn dood, en trok zich toen terug – maar het volk volgde hem.
Ik begin met de woestijn, wat is daar aan de hand? In Exodus lezen we over het volk, dat is op stel en sprong vertrokken uit Egypte. In de woestijn is natuurlijk niet genoeg eten te vinden. God laat het manna regenen, waar het volk van eten kan. Er is maar één spelregel. Je kan het niet bewaren. Als je het wil hamsteren of oppotten, dan bederft het en gaat het stinken. Alleen op sabbat, de dag dat er niks gekocht en verkocht mag worden blijft het goed: dan kun je de dag ervoor een dubbel rantsoen inzamelen.
En dan Johannes de Doper, waar de lezing mee begint. Daar ging ook een banket aan vooraf. Een slemppartij bij Herodes en zijn adel. Terwijl het volk van alles tekort heeft proppen ze zich vol, en Herodes, verdoofd door drank en spijs, laat zich in de val lokken door de slechte plannen van zijn vrouw. Die eindigen er in dat Johannes de Doper wordt vermoord. Aan het einde van de overdaad wordt de mens zèlf verslonden.
De Bijbel is er duidelijk over dat overdaad, de zucht naar meer dan je rechtmatig toekomt een grote plaag is. Het is niet enkel maar een individueel falen, alsof jij in je eentje iets verkeerd gedaan hebt, en dat niet goed is voor jou.
Het probleem is, integendeel, maatschappelijk. Steeds leven uit overdaad doet wat met je. Het doet je denken dat anderen er zijn om jouw gevoelde behoeften te bevredigen. Dat zeg je misschien niet hardop, je bent jezelf er misschien niet eens van bewust. Maar het sluipt er in. Dat gevoel dat je recht hebt op wat je verteert, ook al weet je diep van binnen wel dat je deze leefstijl niet werkelijk kan volhouden. Wie mateloos is, houdt uiteindelijk ook geen rekening met anderen. Dat is een sluipend proces. Je voelt niet dat je teveel hebt. Je hebt overal voor gewerkt. En dat het ten koste van anderen gaat, druk je weg.
Tot de rekening komt, en je die rekening niet meer kan neerleggen bij een ander. Ook dat gebeurt. Maar niet bij iedereen tegelijk.
In het verhaal van de vijfduizend die gevoed worden schuilt een teken van een andere tijd, het is een teken van een andere werkelijkheid. Allen eten en zijn verzadigd. Ze krijgen dit alles niet als beloning voor hun uitmuntendheid, zodat de één tien vissen krijgt en de ander één brood. Maar ieder krijgt genoeg. Ieder krijgt genoeg omdat ze zijn wie ze zijn. En ze zijn daar als mens. Ze komen niet als hoofdmanager bij Jezus, of als hulpbehoevende die niet zelfstandig werken kan. Ze zijn daar met zijn allen als mens, en Jezus keek ze allen met medelijden aan. Ze aten, ze werden verzadigd, en er bleven nog twaalf manden met brokken over. De spijziging is dus ook een omkering van het banket van Herodes, én een wonder dat groter is dan het Manna, waarvan niks overblijven kon.
Wordt aan het eind van het banket Johannes opgediend. Zo zien we aan het einde van de wonderbaarlijke spijziging we dat het Jezus zèlf is, die zich opgeeft om voedend, levend brood te zijn voor iedereen. Twaalf manden, twaalf stammen, de volheid van het volk.
Nu staat er niet in ons verhaal dat al die mensen een edel gemoed hadden, of dat ze alleen maar goede dingen hadden gedaan. Ieder zal daar gekomen zijn met zijn of haar eigen verhaal. Op zoek naar Jezus om van Hem te horen hoe het anders kan in het leven.
Wat hij zei, dat staat niet in het Bijbelverhaal, er blijft maar één ding vermeld: dat hij medelijden met hen had. En die barmhartigheid is de tafel waar we met zijn allen aan kunnen gaan. Niet omdat onze liefde zo groot is – maar omdat Hij ons eerst heeft liefgehad – kunnen we krijgen wat we nodig hebben. Kunnen we allen eten, en allen worden verzadigd.
Dat we allen medelijden – of wat moderner, ontferming - nodig hebben, en moeten geven zit ons niet altijd even lekker. In het verhaal van de Barmhartige Samaritaan hoor je dat al. De wetgeleerde, de man van het recht , krijgt het woord Samaritaan niet over zijn lippen nadat Jezus het verhaal verteld heeft. Barmhartigheid, ontferming, ontwricht onze verwachtingen. Barmhartigheid komt iedereen toe, niet alleen de mensen waarvan jij vindt dat ze er recht op hebben. En iedereen kan ontferming hebben, ook de mensen waarvan jij denkt dat ze geen deel meer uitmaken van de menselijke beschaving.
Dat maakt ook leedvermaak zo’n gevaarlijke emotie als iemand iets “verdiend” overkomt. In dat leedvermaak zit immers maar een halve waarheid. Misschien is het waar, wat de krant opschreef. Het is goed mogelijk. Misschien leefde hij boven zijn stand, op te grote voet, en zo gaat de kruik te water tot hij barst, na jaren kunst- en vliegwerk. Maar zo`n exploot in de Staatscourant, dat is dan eerder als een stuk van de toren van Siloam. Dat jij er niet door geraakt wordt, wil niet zeggen dat jij buiten schot blijft: omdat jij wél goed bent. Integendeel, als je met een vinger wijst, wijzen er drie jouw kant op.
Zo is dan die maaltijd in de wildernis, waar we vandaag van horen, een teken van een nieuwe wereld, een teken van wat de kerk mag zijn, een teken van een toekomst bij God.
Allereerst een teken van een nieuwe wereld. Een Aarde waar allen kunnen eten en verzadigd worden. Misschien zal er dan minder extreme rijkdom, minder ruimte om alles te doen wat in ons opkomt, maar er is ook geen noodzaak tot bittere armoede. Een nieuwe wereld die de weg vrijmaakt voor een vredig en waardig bestaan: een plek waar mensen de ruimte voelen om vrij te zijn. Vrij om het goede, ware en schone te kunnen nastreven, ieder naar zijn of haar eigen capaciteiten. Een wereld waarin het niet moeilijk is om goed te zijn.
Dan is het ook een teken van wat de kerk mag zijn, de plaats waar alle mensen genodigd zijn om te mogen eten van het brood uit de hemel, en zo worden verzadigd. Niet voor even, maar voor eeuwig. Niet de een meer dan de ander, geen plek voor trots of grootspraak, geen ruimte voor “wat ik ben blij dat ik niet ben zoals die of die, die het allemaal verkeerd gedaan heeft”, maar gelijkheid in de verzadiging. Want je relatie met God is niet iets wat je verdient, maar iets dat je krijgt. Juist in de kerk kan er geen grandioze grootspraak zijn.
Tenslotte een teken van de toekomst bij God, een nieuwe Hemel en een nieuwe Aarde, waar God bij zijn volk is. Niet meer in een tempel, niet meer onder het teken van brood, maar als God met hen. Laten we naar die hoop, die verwachting en die opdracht leven.
Amen.