Wednesday, 15 July 2026

Zestiende Zondag door het Jaar A

 In die tijd

hield Jezus de menigte een andere gelijkenis voor:
“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een man
die op zijn akker goed zaad had gezaaid.
Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand,
zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen.
Toen het gewas opgeschoten was en vrucht droeg,
kwam ook het onkruid tevoorschijn.
Nu kwamen de knechten van de landheer en zeiden hem:
‘Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid?
Hoe komt het dan dat er onkruid op staat?’
Hij zei hun:
‘Een vijandig mens heeft dat gedaan.’
De knechten zeiden tot hem:
‘Wilt ge dan dat we het bijeen gaan halen?’
Maar hij zei:
‘Nee, anders zoudt ge door het onkruid bijeen te halen
tegelijkertijd de tarwe mee uittrekken.
Laat beide samen opgroeien tot de oogst,
en op de tijd van de oogst zal ik de maaiers zeggen:
Haalt eerst het onkruid bijeen
en bindt het in bussels om te verbranden;
maar brengt de tarwe bijeen in mijn schuur.’”
Een andere gelijkenis hield Hij hun voor:
“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mosterdzaadje,
dat een man op zijn akker zaaide.
Dat is weliswaar het kleinste van alle zaden,
maar wanneer het is opgeschoten, is het groter dan de tuingewassen;
het wordt een boom,
zodat de vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen.”
Een andere gelijkenis vertelde Hij hun:
“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op gist.
die een vrouw in drie maten bloem verwerkte,
totdat deze in hun geheel gegist waren.”
Dit alles zei Jezus tot de menigte in gelijkenissen
en zonder gelijkenissen zei Hij niets tot hen.
opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeet gezegd was:
“Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen.
Ik zal uitspreken wat verborgen was vanaf de grondvesting van de wereld.”
Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug.
Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden:
“Leg ons de gelijkenis uit van het onkruid op de akker.”
Hij antwoordde:
“Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon;
de akker is de wereld;
het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk;
het onkruid zijn de kinderen van de Boze;
de vijand die het zaaide, is de Duivel;
de oogst is de voleinding van de wereld
en de maaiers zijn de engelen.
Zoals nu het onkruid bijeengehaald en in het vuur verbrand wordt,
zo zal het ook gaan bij de voleinding van de wereld.
De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden
en zij zullen uit zijn Koninkrijk bijeenhalen
alles wat aanstoot geeft
en degenen die ongerechtigheid bedrijven,
en hen in de vuuroven werpen;
daar zal geween zijn en tandengeknars.
Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader
schitteren als de zon.
Wie oren heeft, hij luistere.”


Beste vrienden,

Misschien heeft u het wel eens meegemaakt dat er iemand op het schild geheven werd. De krant noemt hem “het grote voorbeeld”, en de babbelshows op de televisie raken niet uitgepraat over zijn “diepe wijsheid”.

Maar jij weet wie die persoon is, omdat je hem bijvoorbeeld kent uit je studententijd (lang geleden). En toen had je misschien wel gedachten over hem, maar niet over dat hij een groot voorbeeld was, of een diepe wijsheid had. En ook de wijsheden van nu lijken vooral geknipt en geplakt te zijn van Instagram, of uit zelfhulpboekjes. Of letterlijk overgenomen uit een column van iemand anders.

Je zou een ingezonden brief kunnen sturen, maar weinig dingen zijn zo gevaarlijk als zeggen dat een keizer geen kleren aanheeft. En ik ben niet zo dapper.

Of je kan leven naar het Chinese spreekwoord: “zit aan de oever van de rivier, en wacht maar eens af wie er allemaal voorbij komt drijven”1.

En na één, twee of vijf jaar komt hij voorbij gedreven. Zich vastklampend aan een dobberende autoband. Verdwaasd om zich heen kijkend, de verre zee tegemoet.

Het is één van de mooie dingen van ouder worden dat, terwijl je daar rustig zit en werkt aan je eigen dingen, je heel wat voorbij ziet drijven. En elke keer dat je het ziet, is het een wijze les.

En ook, een Bijbelse les. Niet alles is wat het lijkt. Wat aan de buitenkant een succesverhaal lijkt, is soms zonder fundament, en soms is het zelfs helemaal iets anders. In Bijbeltaal: wat er opschiet is geen graan, maar onkruid.

Vorige week hoorden we de parabel van de zaaier die uitging om te zaaien. Ook daar zat de les in dat niet alles wat enthousiast opschiet, is wat het lijkt. Het éne zaad lijkt het beste te zijn, het schiet het snelste op: maar dat komt vooral omdat het geen wortel schiet, en na korte tijd dort het al uit, en dat was het dan. Daar hoef je geen lange jaren op te wachten.

Deze zondag horen we een vervolg, en een verdieping van die les. Niet alleen heeft niet al het zaad dat opschiet een grote toekomst in het verschiet. Sommig zaad is geen zaad. Het is onkruid. Het hoort niet eens thuis op de akker. Dat onkruid is niet iets goeds waar mensen teveel verwachtingen bij hadden – zoals vorige week – maar het is iets slechts dat op iets goeds lijkt!

De landbouwer heeft gezaaid, hij heeft verwachtingen van de oogst. Maar dan schiet ook het onkruid op! Waar je iets goeds probeert te doen is het kwade namelijk nooit ver weg. Nu is er iets interessants aan de hand met dat onkruid, dat is namelijk niet zomaar onkruid zoals dat in de tuin kan opschieten zoals zevenblad, of paardenbloemen, brandnetels of haagwinde. Het gaat – volgens de traditie – over een heel specifiek soort onkruid dat lijkt op jonge tarwe, (dolik, een soort raaigras is dat).

En ik dacht dat het gewoon een verhaal was, boze mensen die zaad van dit onkruid uitstrooien. Maar dat was dus echt een ding. Dat gebeurde. Er waren, en zijn, zelfs wetten tegen. Het werd genoemd in het Romeinse Recht, en staat zelfs nog in het Belgische Strafwetboek. Zaad van dolik uitstrooien2. Het kwam kennelijk toch vaak genoeg voor dat het in de wet moest staan om het te verbieden.

En als die dolik eenmaal uitgestrooid is, kan je het niet samen oogsten, en samen verwerken, alsof er niets aan de hand is, want als je dat zou doen zou je ziek worden. In dolik zitten namelijk allemaal schimmels. Het is niet alleen maar vervelend, dolik op het veld, en iets dat in de weg staat. Als je het niet uittrekt en het zou meegaan met de oogst, en er samen met het tarwe brood van bakt, dan kun je gemeen ziek worden.

Jezus waarschuwt ons deze week voor iets anders dan vorige week. Vorige week ging het over zaad dat opschoot maar de oogst niet haalde. Het verdort bij de eerste tegenslag. Nu gaat het over zaad dat op tarwe lijkt, maar eigenlijk een giftige plant is.

En aan de buitenkant zie je niks. Sterker nog: aan de buitenkant zou je zeggen dat het een prachtige stengel heeft, en heel mannelijk en assertief opschiet, of juist veel vromere blaadjes lijkt te hebben dan dat andere zaad. Je moet er dan ook niet van staan te kijken als het fotogenieke onkruid door de minder slimme knechten wordt geprezen en het échte tarwe er een beetje verloren bijstaat.

Zo gaat dat immers in tijden waar alles om de buitenkant draait, dan gaat gek genoeg alles steeds meer op elkaar lijken. Dan glipt er nogal wat dolik tussendoor. En dolik heeft altijd het hoogste woord, maar als je het tot je neemt, zit het vol schimmel en vergif.

Toch moet je voorzichtig zijn, als het dolik woekert. Je wil in je enthousiasme er flink tegenoptreden wanneer je het ziet! Je pakt de schoffel en de brander er al bij (en zet de knop op “hoog”, je zal dat dolik eens even te grazen nemen!). Maar als je niet uitkijkt, gaat de hele akker in de hens, en in je vurigheid heb je bij elk stukje dolik ook drie of vier tarwestengels te pakken.

Nu zijn er mensen die zeggen: geen omelet zonder wat kapotte eieren, maar dat is niet wie we zijn als kerk. De goeden moeten niet lijden onder de pogingen van de kwaden af te komen. De wijze Augustinus zei: zoals het met die akker is, zo is het ook met de kerk. Dat is geen vergadering van uitgelezen, zuivere mensen rondom hun fantastische, capabele, en zondeloze priesters en extreem wijze en competente bisschoppen. De historische werkelijkheid is wat meer... Variabel.

De wens naar een zuivere gemeenschap is niet onbegrijpelijk, maar je houdt maar een klein akkertje over. De meeste tarwe ben je ergens onderweg kwijtgeraakt, en misschien zit je dan nog steeds wel tussen de dolik, dat zich enkel nóg wat listiger heeft vermomd. Nee, daar kom je niet uit.

Natuurlijk moeten we er voor zorgen dat onkruid niet vrij kan woekeren, binnen de grenzen van de redelijkheid moeten we blijven opletten, en zorgen voor een klimaat waarin boosdoeners niet eindeloos kunnen wegkomen met slechte dingen. De buitenkant is daarin een slechte raadgever. De boze kan zich immers voordoen als een engel van licht, en wie populair is, is daarmee nog niet de beste.

Toch zullen we niet altijd kunnen voorkomen dat we dolik op tijd herkennen. Dat moet ons voorzichtig maken. We moeten een houding van bezonnenheid hebben in de kerk, en een mate van tolerantie. Soms moeten dingen maar een tijdje anders zijn dan we het willen.

Maar die bezonnenheid moet wel worden bijgelicht door het geloof.

Uiteindelijk worden goed en kwaad uit elkaar geplukt, het dolik gaat niet mee met de levende oogst. Maar dat is niet ons werk, dat is het werk van de Mensenzoon.

Als iemand dus zegt: “Ik ga de kerk redden, ik ben hier de enige die de zaak op orde kan brengen. Steun mij en ik beloof je een onkruidloze toekomst!”, dan weet je zeker dat daar niks van terecht gaat komen. Dat klinkt niet als de stem van de Heer van de oogst.

Wat ons rest is onze eigen tuin wieden. In het klein. In de tussentijd zichtbaar onkruid afweren. De weg naar het leven openhouden. Goed opletten, goed onderscheiden, en altijd proberen vanuit een levend geloof te bezien of iets van God komt of niet. Het betekent samenwerken, taken delen met veel mensen, want veel ogen zien meer dan één persoon. Het betekent geen wantrouwen, maar een gezonde scepsis: want niet alles is wat het lijkt, en wij worden makkelijk omgepraat door mensen met prachtige verhalen.

Maar boven alles geloof: de kerk is van God, en ook als het onkruid alles lijkt te verstikken wint het onkruid het niet, want de akker – en de oogst – is van God. Wij mogen meewerken maar Hij oogst.

Laat dat ons hoop geven, en openheid in alles wat wij doen ten dienste van de naaste, ten dienste van de kerk.

Amen.











1Vrij naar Sun Tzu

2Artikel 536 SW1867 (België)