Sunday, 12 November 2017

Domme meisjes en een lege tank




Broeders en zusters in Christus, beste medegelovigen. 

Als ik een preek moet voorbereiden lees ik zo vroeg mogelijk in de week de evangelielezing voor de komende zondag. Dat geeft mij de tijd om er eens op te kauwen. Ik vind de lezing van deze zondag een lastige, want ik kon me gewoon helemaal niks voorstellen bij de domme meisjes. Als je op pad gaat bereid je je toch voor? Ik ga op reis en ik neem mee… een lege koffer, geen paspoort en een verlopen treinkaart en een lege mobiele telefoon. Zonder oplader. 

Nu wil het toeval dat ik afgelopen maandag een studiedag had in Heiloo. Daar heeft u mij vast wel eens over horen mopperen. Over studiedagen. En terwijl ik al mopperend naar Heiloo reed ging er opeens een rood lampje branden op mijn dashboard. U raadt het al. De benzine was bijna op. En natuurlijk net op zo`n stuk weg waar geen benzinepompen zijn. 

Ik was zo bezig met van alles en nog wat dat ik helemaal niet had gemerkt dat de wijzer van de benzinetank een steeds diepere duikvlucht nam. Tot je wordt geconfronteerd met een rood teken dat dwingend om je aandacht vraagt! 

Na een voor mijn gevoel flinke omweg lukte me het toch om nog op tijd in Heiloo te zijn, nèt voor de deur op slot ging, zogezegd. Het was ook nog eens een interessante bijeenkomst. Het zou jammer zijn als ik er iets van gemist had. 

Zo zie je maar weer. In ons eigen hart woont ook een dom meisje. En als je niet uitkijkt mis je de afslag naar de plaats waar je moet zijn. 

Het evangelie van deze zondag gaat natuurlijk niet over benzine, het gaat zelfs niet over olie. Het gaat erom dat wij bewust en aandachtig in het leven moeten staan. 

Alle goede en mooie dingen in ons leven vinden niet op elk moment in ons leven plaats. Het leven heeft een vorm. Bepaalde dingen kunnen pas gebeuren op een bepaalde tijd. En je bent dus ook op een bepaalde moment gereed bent voor een nieuwe stap, een nieuwe ontwikkeling. Niet eerder, en niet later.  

 Sommige ontwikkelingen kun je zien aankomen, en kun je je dus goed op voorbereiden. Voor andere ontwikkelingen moet je beter opletten, de tekenen van de tijd leren duiden en dán een stap durven zetten. 

Dit geldt zowel voor ons persoonlijk geloofsleven, als voor ons kerkelijk leven, ons leven als parochiegemeenschap, als kerk in Nederland en Europa. 

Voor ons persoonlijk geldt dat God zelf zich niet altijd op dezelfde manier aan ons toont. Hij ontmoet ons altijd op zíjn voorwaarden, niet de onze. Het is aan ons om in ieder geval de deur van ons hart open te houden, om Hem te verwelkomen als het uur daar is dat ons geloofsleven een nieuwe stap mag nemen, een nieuwe verdieping krijgt. We moeten er zelf voor werken, maar we dwingen zijn aanwezigheid in ons leven niet af. Als de bruidegom komt, moet er in ieder geval genoeg olie in de lamp zitten!

Voor ons als Kerk geldt ook dat alles zijn tijd heeft. Het helpt niet om op deuren te blijven bonzen die al lang dichtgegaan zijn. Het pad dat je wél moet gaan zal je niet vinden als je je blindstaart op datgene wat er vroeger was, of vroeger wèl werkte. Het omgekeerde is evenmin aan te raden: je maar gooien op elke vernieuwing die zich aandient, zonder beraad of kritische gedachte.  

Dan verliezen we de kern uit het oog.

Bij alles wat we doen – als persoon of als parochie – moeten we ons afvragen: hoe gaan we nu, vandaag, straks in 2018, de weg van God? Waar klamp ik me tegen beter weten aan vast? Aan welke dichte deur sta ik nog te trekken? Zit er wel genoeg olie in mijn lamp om de weg die ik wél moet gaan te kunnen zien?

Het is dan ook goed te bedenken dat het verhaal van de wijze en domme meisjes een uitnodiging is: de kern van het verhaal is uiteindelijk niet de dichte deur, maar het bruiloftsfeest. 

Daar zijn we allemaal voor uitgenodigd, laten we dan met open hart en open ogen op weg gaan naar Hem die met open armen op ons wacht. 

Amen.



Sunday, 5 November 2017

"Wie zich verheft zal vernederd worden"



Broeders en zusters in Christus, 

Wat een bijzonder evangelie hebben we vandaag. Het is scherp, een beetje confronterend: een tekst met veel lagen. Een tekst waardoor we ons allen mogen laten raken.

Jezus spreekt hier over de Farizeeën, over wat ze doen – en niet doen – hoe ze zich laten noemen en hoe zij een voorbeeld zijn van hoe het niet moet.
Als we geconfronteerd worden met problemen – en dan gaat het hier vooral om problemen in onze eigen gemeenschap – dan gaan we als vanzelf op zoek naar oplossingen. Naar problemen hoef je niet op zoek, die melden zich wel als vanzelf. Maar hoe vind je een oplossing? Die dient zichzelf niet zomaar aan.

Hoe iets wèl moet, dat is vaak moeilijk om uit te zoeken, maar voorbeelden van hoe het niet moet staan ons altijd scherp voor de geest. Daar begint Jezus dan ook maar mee.

Wát je ook doet: doe het níet zoals de Farizeeën!

Zó kunnen we het Evangelie van vandaag samenvatten.
Maar waarom niet? Waarom moeten we ons anders gedragen dan de Farizeeën.

En dan begint het: heel interessant wat Jezus doet. Als je iemand afwijst is het aanvallen van een competentie het makkelijkste wat je kan doen: “die weet er niks van, die is incompetent, hij zwetst maar wat en maakt er dus een potje van”

Dát zou het makkelijkst geweest zijn, zeggen: “die elite-Farizeeën, die doen maar wat. Al die regeltjes hebben ze zelf verzonnen, negeer alles wat uit hun mond komt”.

En dát doet hij dus niet. Hij doet precies het omgekeerde. Hij zegt: “De Farizeeën zitten op de leerstoel van Mozes”, zegt Hij.  Het is een leerstoel als aan een universiteit. Wie op een leerstoel zit, heeft op een universiteit het recht om anderen te onderwijzen. Daar zijn vele jaren van studie en onderzoek aan voorafgegaan. Dat is niet mis.

De Schriftgeleerden en Farizeeën zitten ook op zo`n leerstoel. Die hebben het recht om mensen te onderwijzen over hun specialisme: de Wet van Mozes. Dáár ligt het niet aan.

Het probleem zit veel dieper: het probleem is er niet één van competenties, van vakkennis – van factoren die makkelijk op te lossen zijn, te behelpen met een paar boeken of een bijspijkercursus. Nee. Het probleem zit hem in het hart.

Alle kennis en competentie van de Farizeeën is niet gericht op de gemeenschap, op de mensen om hen heen. Het is gericht op het ego.
Nu kunnen we niet in het hart van mensen kijken. We weten vaak niet wat er in mensen omgaat. Maar gelukkig hoeft dat ook niet altijd, want wat er in het hart zit tóónt zich maar al te vaak. Zo ook bij de Farizeeën.
Voorname plekken, blinkende gewaden, ronkende titels. Mensen die zich daarop te veel laten voorstaan, bij die mensen is het ego een maatje te groot. En dat merk je. Mensen merken het als je niet werkelijk om hen geeft. Dat houd je niet verborgen.

In een ander evangelie is heel zichtbaar hoe het werkelijk zit. In het Johannesevangelie staat het verhaal van de Blindgeborene die wordt genezen door Jezus – en de Schriftgeleerden willen níet accepteren dat Jezus hem genezen heeft. Al gauw wordt duidelijk dat ze voor schut staan, en worden ze agressief. Dan zeggen ze: die Jezus, alleen simpele mensen volgen hem. “De massa die de wet niet kent, vervloekt zijn ze!”.

En opeens lijkt het alsof die Schriftgeleerden van glas zijn, je kijkt er dwars doorheen, en dan zie je het hart voor wat het is: een dorre leegte, een gapend gat. Al die geleerdheid, al dat gezag, al die toewijding komt hier op uit: gemene zelfverheffing en minachtend neerkijken op “de massa”. Want ja, hoogopgeleide farizeeën, dat kan in die tijd, in de eerste eeuw, nooit meer dan een kleine minderheid zijn geweest.

Nou, lieve mensen, ik kan u zeggen: al is je hele muur behangen met diploma’s en onderscheidingen – als dát het resultaat is, dan heeft het tot niet veel geleid.

Zo doen we het dus maar niet. Zo`n groot ego, dat past niet in het christelijke leven. Dat past niet in de christelijke gemeenschap. Dat past niet in de kerk.

Dus als Jezus zegt: “laat u geen Vader noemen, of Leraar” dan is het in deze context: de Farizeeën gebruikten titels die anderen wegdrukten. Een beetje als we in de Kerk opeens een voorganger zou hebben die zichzelf “Opperste Leider” laat noemen en eist dat iedereen hem salueert als hij langs komt lopen.

Zulke titels lijken je groot te maken, maar die grootte is schijn, je lijkt alleen maar groter omdat je anderen kleiner hebt gemaakt. In elke gemeenschap is dat een groot gevaar.

Samenleven is iets wat met vallen en opstaan geleerd moet worden, een snelle les hoe het níet moet is een goed begin.

Bij alles wat we doen moeten we ons dus afvragen: voor wie doe ik dit? Is dit ter meerdere eer en glorie van mijzelf, of doe ik dit om anderen tot nut te zijn? Probeer ik oprecht te zijn, of ben ik juist andere mensen aan het  
manipuleren? En natuurlijk, er zullen altijd mensen zijn die je meer of minder sympathiek vind, maar probeer ik hoe dan ook aan iedereen recht te doen met de mogelijkheden die ik heb? Behandel ik anderen zoals ik zelf behandeld wil worden?

We gaan nooit helemaal vrij zijn van ego, maar als we er elke dag op letten dat we geen misbruik maken van onze gaven, talenten en positie blijven we op weg, dan houden we ons hart vrij van onkruid en blijft het vrij om te doen wat God van ons vraagt.

Amen.



Thursday, 2 November 2017

Tussen Job en Simeon



Broeders en zusters,

Vandaag zijn we bij elkaar voor de Gedachtenis van Allerzielen, de dag waarop we met liefde terugdenken aan degenen die bij ons waren, de mensen die we nu moeten missen. We dragen onze herinneringen aan hen op aan God en zoeken onder zijn beschutting een plaats voor ons verdriet.
De eerste lezing die we gelezen hebben vanavond komt uit het boek Job. Het boek Job is een lastig bijbelboek. Het probeert iets te vatten van het probleem van het kwaad – hoe komt het dat het kwaad, dat dood en ellende juist onschuldige mensen treft? 

Job, u kent het verhaal misschien wel, was een rijk man die alles was kwijtgeraakt. Alles wat hij bezat en iedereen om hem heen. Door allerlei rampen raakt hij niet alleen zijn bezittingen kwijt maar komen ook zijn kinderen om. Een groter verdriet dan dat is nauwelijks denkbaar. Vanuit die put van verdriet probeert Job daarna de kracht te vinden om door te gaan.
Als Job aan het éne einde van het verdriet staat, zo kunnen we de dood ook op een geheel andere manier ervaren. 

Ik moest toen ik de eerste lezing las denken aan Simeon, een ander karakter uit de bijbel. In het Evangelie van Lucas staan de woorden van Simeon: laat nu Heer volgens uw woord uw dienaar in vrede heengaan. Simeon ontmoet het kind Jezus en weet: hiermee is Gods belofte vervuld. Mijn hele leven lang heb ik hier op gewacht – en nu is het goed geweest. Heer, sluit u mij de ogen maar. Ik ben er klaar voor om het leven uit handen te geven.

Job en Simeon geven de twee uiterste grenzen aan van onze omgang met de dood; Job zit in die diepe afgrond van het lijden, en Simeon staat op de hoogste hoogten van overgave aan God.

Toch staan ze niet tegenover elkaar. Hun plaatsen zijn verschillend maar hun gezicht staat dezelfde kant op: Job begint dan en zegt Ik weet dat mijn Verlosser leeft, al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lichaam.

En Simeon maakt het dan af als hij zegt: Laat nu Heer volgens uw woord uw dienaar in vrede heengaan, mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat gij hebt bereid voor de volken Het licht dat voor alle heidenen straalt, de glorie van Israël uw volk.

Wat Job verwachtte wordt door Simeon gezien, en in beide gevallen doet die ervaring wat met hen.

Job krijgt de kracht om door te gaan, hij geeft zich niet over aan wanhoop. Uiteindelijk breekt ook voor hem een nieuwe toekomst, een nieuw leven aan – zijn pijn en zijn lijden zijn niet zijn eindbestemming. Hij wordt niet opgesloten in zijn verdriet.

Simeon krijgt de rust om zijn leven uit handen te kunnen geven aan God, zich er niet meer aan vast te klampen.

Iedereen staat, als we treuren om wie we verloren hebben op een andere plaats. Niemands verdriet is hetzelfde als dat van een ander. Ieders rouw is anders en iedereen moet zelf een plaats geven aan de pijn, aan het gemis. Daar zijn geen trucs voor om dat makkelijk op te lossen, er is geen vast recept. Voor hoofdpijn kunt u een pil innemen, maar voor rouw niet. Rouw is de pijn die we voelen als mensen die ons leven zin gaven er niet meer zijn, dan moeten we onszelf als het ware opnieuw uitvinden – wie wij als mensen zijn, wat er werkelijk toe doet in het leven. Nee, dáár kan geen pil voor zijn. 

Het kan eenzaam zijn, rouwen, maar u staat er niet alleen voor. Er zijn mensen die om u heen staan. Er zijn mensen met u begaan. En zowel Job als Simeon zien op naar God. Job ziet naar hem uit, ergens in de verre toekomst, Simeon ziet Hem met eigen ogen, vleesgeworden in het kindje Jezus. 

We kunnen dicht bij Job staan, of dichter bij Simeon – we kunnen ons boos en opstandig, verscheurd worden door verdriet als Job, of juist de vrede van de overgave van Simeon tegenkomen, maar beiden worden geholpen en gesterkt door God. 

God is geen doekje voor het bloeden. Hij is de grond van al wat bestaat, het fundament van al het leven. Hij rust niet tot de gebroken wereld – waarin nog ziekte is, en dood – in Hem is hersteld. 

Hij is almachtig, dat wil zeggen: niets wat hij doet is tevergeefs – en hij zal alles, niet alleen ons mensen, maar alles, alle levende wezens, alle natuur, het hele universum vernieuwen.

Het boek Openbaringen beschrijft dat hoe dat zal zijn:

(Johannes schrijft) : Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht. Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn. Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.

Amen.