Saturday, 18 August 2018

Het Bloedende Lichaam van Christus

Broeders en zusters in Christus.

U zult het nieuws niet gemist hebben dat er veel beroering is ontstaan in de VS naar aanleiding van het rapport van het Openbaar Ministerie van de Staat Pennsylvania. In dat rapport staat dat zes bisdommen onvoldoende zijn opgetreden tegen priesters die misbruik hebben gepleegd – en 
onderzoeken hiernaar hebben tegengewerkt.

Het is een rapport dat veel consequenties zal hebben.

Waar men eerst geloofde dat het onrecht uit het verleden hersteld was bleek dat de bisschoppen daar vooral geïnteresseerd waren in hun reputatie. Er is op veel plaatsen nog geen recht gedaan aan slachtoffers.

De Kerk als geheel wordt in deze zaak geïmpliceerd, niet het minst omdat de slachtoffers zelf leden van de Kerk zijn die schrijnend onrecht is aangedaan. De slachtoffers zijn de Kerk, en als één deel van de Kerk lijdt, lijdt het hele lichaam.

De lezingen van vandaag geven ons een verder aanknopingspunt waarom iedereen zich deze situatie  dit moet aantrekken, en wat wij er aan kunnen doen.  

We lezen deze zondagen de Broodteksten uit het Johannesevangelie. Jezus wijst naar zichzelf als het ‘brood uit de Hemel’ en onthult wat dat betekent. Vandaag vertelt hij ons dat de weg naar het eeuwig leven slechts kan gaan met de gave van Zijn Lichaam en Zijn Bloed.

Met andere woorden, met zijn lijf en ziel. Want dat bloed, dat was voor de mensen uit de tijd van de Bijbel je essentie – je levenskracht, je ziel.
Alleen omdat Jezus Christus zichzelf helemaal weggeeft, met lichaam en ziel – kunnen we de betekenis van het leven vinden.

Je kan het jezelf niet toe-eigenen. Het geheim van het leven vinden we alleen in het geschenk. Wij kunnen tot God komen omdat Jezus zichzelf weggeeft. Wij kunnen het niet zelf pakken – dát is onze kernboodschap.  
Wat geldt voor God, geldt ook voor ons leven in de wereld. Alle goede dingen worden je uiteindelijk gegeven – de man of vrouw met wie je  getrouwd bent  geeft zichzelf aan je – je kan je huwelijkspartner niet dwingen van je te houden. Als je dat toch zou proberen dan is er geen huwelijk meer. In de huwelijksviering vragen we dan ook of de huwenden dat willen, zichzelf in vrijheid aan elkaar geven, elkaars vlees en bloed geven – lichaam en ziel om zo één vlees te zijn. Zonder vrije gave ontstaat er niets goeds. 

Alles wat wij in het leven hebben is ons uiteindelijk gegeven: gezondheid, talenten, een opvoeding, een stabiele gemeenschap, een land waar we mogen wonen – we moeten natuurlijk hard werken om voor die dingen te zorgen , maar we mogen nooit denken dat we recht hebben op die dingen, alsof we ze zelf gemaakt hebben.  

Dát is de boodschap van de Kerk: op aarde en in de Hemel vinden we alle goeds omdat ze ons gegeven worden, en daar mogen we dankbaar om zijn.
Elke keer dat een bisschop, of een priester, deze werkelijkheid ontkent – door zich in het ergste geval in de Kerk - meester te maken van andermans vlees en bloed, van het lichaam en ziel van een onschuldig mens, dan verscheurt die daad de Kerk zelf. Dan krijgen we geen Lichaam en Bloed, maar een Bloedend Lichaam, een kerk die lijdt onder diepe verwondingen. 

Dat is geen individuele zaak tussen een dader en een slachtoffer die derden niet raakt, nee. Als één deel van de Kerk lijdt, lijdt het hele lichaam van Christus, dat de Kerk is, mee. Als we niet mee-lijden onder het kwaad, zijn we geen Kerk.  

Niemand kan dus zeggen dat het ons niet aangaat. Bisschoppen die kiezen voor hun reputatie in plaats van recht, werken het getuigenis van de Kerk tegen – wrijven zelfs nog zout in de wonde.

Een misdrijf tegen een ander, een onschuldig slachtoffer, wordt dan ook een misdrijf tegen het Hart van de Heer, qq een misdrijf tegen de Kerk. Het Hart van de Heer immers wil alleen maar branden van liefde voor de wereld. Het kwaad breidt zich zo als een olievlek uit.

Gelukkig kan niet alleen het kwaad zich zo uitbreiden, en zijn we niet machteloos. Als christenen geloven we dat het goede het kwade fundamenteel overwonnen is, de dood is al verslagen aan het kruis van Jezus Christus.

Dit betekent voor de Kerk dat wij niet afhankelijk zijn van onze eigen pogingen om er wat van te maken. De Kerk is heilig omdat zij het lichaam van Christus is, verbonden met God de Vader en bezield door de Heilige Geest. God werkt altijd door de Kerk heen en geeft haar nieuwe kracht om zich te hervormen en te vernieuwen.

De Paus heeft donderdag een bericht laten uitgaan dat de slachtoffers van deze misdaden zijn volledige aandacht hebben. Hij kiest partij voor hen, dat is een goed teken, een begin. Er zullen verdere maatregelen genomen worden, maar het zal nog een lang helingsproces zijn.

Dit is niet iets nieuws. In tweeduizend jaar kerk zijn er veel grote crises geweest, en lange perioden van verval. Deze worden ook weer tijden van hervorming, herstel, vernieuwing en zuivering. Ook wij hebben daar een rol in, als we lijden onder het kwaad in de Kerk mogen wij ook werken aan het herstel van de Kerk. Maar er zal geen herstel zijn zonder bekering.

We kunnen helpen aan herstel door:

ons in de sacramenten, ons met het lichaam en bloed van Jezus Christus te verenigen, dat wij zo steeds meer op Hem mogen lijken.


ons in gebed te verenigen met allen die lijden en schreeuwen om recht. 


zelf zuiver te leven, naar het voorbeeld van Jezus Christus.


ons altijd in te zetten voor rechtvaardigheid, de waarheid te spreken, en daar onbevreesd in te zijn.

Als wij ons er op toeleggen om die dingen te doen, om zo te leven, dan werken we mee aan de gang van de Heilige Geest door de eeuwen, dan bouwen we mee aan de Kerk van Christus die mensen roept, dan worden wij ook tot brood – dat uitgedeeld wordt voor het leven van de wereld. 

Amen.

Sunday, 12 August 2018

De Reis van Dood naar Leven




Broeders en zusters, 

Een maand geleden was er heel veel te doen over een aantal jongens van een voetbalclub, die samen met hun trainer verdwaald waren geraakt in een grottenstelsel in Thailand. Vanuit de hele wereld kwam er hulp op gang en uiteindelijk wist men met veel inspanning en opoffering de jongens uit hun benarde positie te bevrijden.

Zo weinig aandacht er is voor andere mensen in moeilijkheden, zoveel aandacht was er nu. Dat was iets wat mij althans, erg opviel. Overal ter wereld zijn mensen in levensgevaar maar juist déze gebeurtenis grijpt de hele wereld aan, en doet ons meeleven op een manier die anders niet zomaar voorkomt.

Ik denk dat dat komt omdat er iets heel symbolisch in hun verhaal zat, in dit avontuur van deze jongens. Wat zij hebben meegemaakt is als het ware een her-beleving van andere oude verhalen – de reis van de dood naar het leven toe. In alle mythologieën van de oude volkeren, vind je verhalen over dergelijke reizen, vanuit het dodenrijk gaat de held naar het leven toe, en de dood wordt vaak voorgesteld als iets onder-aards. Dat verhaal van die jongens uit Thailand, dat raakt een diepe snaar bij ons mensen.

De gang van dood naar leven is een verhaal dat iedereen herkent, en er als vanzelf bij mee gaat leven, zo fundamenteel is dat verhaal.
De bijbel kent ook zo`n verhaal – het verhaal van de Exodus, de gang naar het beloofde land. We lezen deze zondagen uit Johannes, over hoe Jezus over zichzelf spreekt als het Levend Brood – en dát is het verhaal waar steeds naar teruggewezen wordt, de reis van het Joodse volk van Egypte vandaag, het Slavenhuis, het Rijk van de Dood, naar het nieuwe leven in Kanaän. Egypte ligt dan wel niet letterlijk onder de grond, maar het was nochtans dat, een dodenrijk. Het hart van Farao en de machthebbers was dood.

De duisternis die over Egypte kwam, maakte juist zichtbaar wat Egypte geworden was, een duistere grot, een hel voor het joodse volk.
De tocht door de woestijn maakt deel uit van die tocht; de woestijn is een doods gebied – je kan er met Gods hulp – water, Manna – wel overleven, maar je kan er geen bestaan opbouwen. Je kan er niet blijven – en je moet een ander volgen. Je kan er niet zelf uit – dat is ook een kenmerk van deze tocht. De held in de kinderverhalen vindt zijn eigen weg – maar wij zijn als kinderen in een grot, wij hebben hulp nodig van iemand die de weg weet – iemand die de Weg is.

Daarmee komen we op de reden dat Jezus steeds – in deze verhalen rond het brood – naar zichzelf wijst. Als Hij zegt “ik ben het brood des levens” wil dat ook zoveel zeggen als: je moet me geloven – alleen ik kan jullie op weg helpen naar een nieuwe toekomst, naar een nieuw leven met God. De oude reiskost – de manna – was goed voor toen, maar daar kun je niet meer terug naar toe. Een klok die je terugdraait, gaat stuk. Als je goed luistert naar de boodschap uit het verleden kun je horen wat God zegt – het is tijd voor een nieuwe reis.

De mensen die naar Jezus luisteren zullen dus hun keuze moeten maken en voor zichzelf beslissen: wát is het Woord van God? Is dat de as van het verleden, dat je goed moet opbergen in een urn opdat het niet verloren kan gaan, of is het het levende vuur van God dat licht en warmte geeft en de weg wijst naar een nieuwe toekomst, een nieuw leven met God? Het licht van God dat je de uitweg toont uit die grot, uit die duisternis?

Ook wij mogen onze keuzes maken. We hoeven niet meer naar Jezus te luisteren als rondrekkende leraar van wie we niet zeker weten wie hij is en waar hij vandaan komt, maar we mogen naar hem luisteren met de oren van het geloof – het geloof dat Hij onder de tekens van brood en wijn daadwerkelijk bij ons is, en Zijn Leven met ons wil delen.

Laten we dan daarvoor kiezen, dat wij altijd met Hem blijven optrekken, weg uit de duisternis – duisternis moeten we dagelijks van ons houden – en op naar het Licht, het rijk van vrijheid waar we mogen leven bij God.

Amen.




Sunday, 5 August 2018

Brood uit de Hemel.


Heilig Evangelie van Jezus Christus volgens Johannes 6,24-35.
Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren,
gingen zij in de boten en voeren in de richting van Kafarnaum op zoek naar Jezus.
Zij vonden Hem aan de overkant van het meer en zeiden: 'Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?'
Jezus nam het woord en zeide: 'Voor­waar, voorwaar, Ik zeg u: Niet omdat gij tekenen gezien hebt,
zoekt ge Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild.
Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft om eeuwig te leven
en dat de Mensenzoon u zal geven. Op Hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegen gedrukt.
Daarop zeiden zij tot Hem: 'Welke werken moeten wij voor God verrichten?'
Jezus gaf hun ten antwoord: 'Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.'
Zij zeiden tot Hem: 'Wat voor teken doet Gij dan wel, waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven?' Wat doet Gij eigenlijk?
Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.'
Jezus hernam: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven;
want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.'
Zij zeiden tot Hem: 'Heer, geef ons altijd dat brood.'
Jezus sprak tot hen: 'Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen

Broeders en zusters in Christus 

We leven in een wereld waarin we van alles genoeg hebben, er is zo`n enorme overproductie van voedsel dat het zelfs met tonnen te veel moet worden weggegooid, bijvoorbeeld als de pruimen een millimeter te klein zijn, of de tomaten een plekje of een rimpeltje hebben.

We hebben het letterlijk on-gelofelijk goed. Onze voorouders hadden honderd jaar geleden nooit kunnen verwachtingen hoe goed ons land, onze samenleving het nu zou hebben. 

De lezing van vorige en deze zondag komen voort uit een andere wereld, een wereld waarin mensen zelden teveel hadden, en vaak te weinig. Een broodwonder als dat van Jezus – we hebben vorige week gelezen over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging – baart dan nog meer opzien.
Misschien u het zich nog, het slaat zo in dat de mensen hem koning willen maken. Maar koning op hun voorwaarden, en dat kan niet. Jezus verdwijnt aan hun greep, maar nu hebben ze hem weer gevonden.

En er ontstaat een bijzonder gesprek, een gesprek over wonderen, wat ze betekenen, over wie Jezus is. En Jezus vertelt iets heel belangrijks over hemzelf.

Om te beginnen moet ik zeggen dat die Galileërs die nu achter Jezus aankomen, dat zijn een beetje ingewikkelde mensen. Het is niet gauw goed. In die zin lijken ze op ons. Ook onze samenleving is er één van groei, als we iets verworven hebben dan willen we er of méér van, of een grotere en betere. 

Dat wonderlijke brood van vorige week heeft de aandacht van het volk gevat, maar ze zijn duidelijk op zoek naar meer, en niet alleen meer – maar ook beter. Dat brood van Jezus, dat was maar doodgewoon gerstenbrood, een bruine boterham zouden wij zeggen,  – maar Mozes liet manna uit de hemel komen, kostelijk voedsel. Kan hij hen als teken dat Hij écht iemand is geen manna zenden? Of iets dat nóg beter is, dán zullen ze geloven. Maar je voelt het al aankomen, als je na een teken nóg een teken wil, en nóg één… daar komt geen einde aan.
  
Dan doet Jezus iets bijzonders, Hij wijst naar zichzelf en zegt “Ik ben het brood”. Het brood dat jullie gehad hebben, dat is maar een teken, een teken van leven, en je kan nog wel een teken willen, nóg lekkerder brood, brioche of zo, of een stokbroodje zalm. Maar dan ben je bezig met het teken, niet met de betekenis. Als je met je vinger ergens naar wijst, dan gaat het niet om de vinger. 

Jezus wijst niet alleen naar zichzelf, maar ook nog eens naar de hele wereld, het is echt bijzonders wat Hij doet. “Het Brood van God” zegt hij, is het “brood dat uit de Hemel komt, en de wereld leven geeft.” 

U weet nog, de week ervoor wilden de Galileërs Jezus koning kronen, koning van het Joodse land. Nu zegt hij duidelijk voor wie hij werkelijk komt: voor de hele wereld. Je kan hem niet beperken tot een politieke rol, vanuit een paleis in Jerusalem bezig met vragen hoe mensen meer moeten krijgen. Nee, het is te doen om leven voor de hele wereld.

Het doet denken aan een andere keer dat Jezus “ik ben” zei, namelijk bij de Samaritaanse vrouw, een niet-jodin, volgens de joden van die tijd zelfs een vijand.  Waar hij tegen zei “ik ben het levend water”, dat zien we ook terug in de laatste zin: “wij tot mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft geen dorst”.

Water en brood zijn de fundamenten van het leven, het gaat bij Jezus niet om je voordeel halen, het gaat niet om ‘steeds meer’. Het gaat om leven, om de kern van je bestaan.

En het gaat om die kern, voor iedereen. Niet er om dat jij meer hebt, ook al krijgt een ander dan minder. Het leven is er voor de hele wereld. Wij kunnen meer hebben, meer bezitten dan een ander, dat wil niet zeggen dat wij ook recht hebben op meer leven. Bij God is het in ieder geval niet zo.
Hij bekommert zich om ieders leven, waar ook ter wereld en als wij proberen te leven met hem, een levende relatie willen hebben met hem moeten wij ons ook bekommeren om het leven van anderen.

Die zorg kan vele vormen aannemen, bijvoorbeeld deze week hebben we gezien dat paus Franciscus het artikel in de catechismus over de doodstraf veranderd heeft. De leer daarover was al heel terughoudend, het was eigenlijk al niet meer toelaatbaar met nog een paar uitzonderingen. Nu zegt de paus: nu we al 2000 jaar geleefd hebben met het Evangelie realiseren we ons steeds meer dat we iemands leven nooit mogen afnemen, ook al geloven we nog zo dat hij dat recht verspeeld heeft. Ook dat is bekommernis om het leven.  

Voor ons kan het betekenen dat het leven, net als alle goede dingen, iets is wat je niet voor jezelf kan houden of oppotten – zo gauw je dat toch probeert – zoals sommige Israëlieten in de woestijn proberen het manna op te potten - dan wordt het “iets dat vergaat”, het gaat stinken. Pas als we de gave van ons leven willen delen, uit handen willen geven, wordt het voedsel tot eeuwig leven. Een bruine boterham kan dan 'brood uit de Hemel' worden.

Laten we zo vrij zijn, dat we ons niet meer gevangen laten nemen door alles wat we hebben, en de kwalijke zucht naar meer, maar leven van wat we krijgen uit de hand van God, ons dagelijks brood. 

Amen.