Saturday, 19 September 2026

25e zondag door het jaar a

 In die tijd

vertelde Jezus aan zijn leerlingen deze gelijkenis:

Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mens, een landheer,
die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag overeen
en stuurde ze naar zijn wijngaard.
Rond het derde uur ging hij weer uit
en zag anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard en ik zal u geven wat rechtvaardig is.’
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij weer uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij uit,
vond er anderen staan en zei tot hen:
‘Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?’
Ze zeiden hem:
‘Niemand heeft ons gehuurd.’
Hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard.’
Toen het avond werd,
sprak de heer van de wijngaard tot zijn beheerder:
‘Roep de arbeiders en betaal hun het loon,
te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’
Toen die van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie.
Toen de eersten kwamen,
meenden ze dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen elk een denarie.
Ze namen hem aan, maar morden tegen de landheer
en zeiden:
‘Die laatsten hier hebben één uur gewerkt en gij stelt hen gelijk met ons
die de last van de dag en de hitte hebben gedragen.’
Maar hij antwoordde een van hen:
‘Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neem het uwe en ga heen:
ik wil aan die laatste hetzelfde geven als aan u.
Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?
Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten eersten

en de eersten laatsten zijn.”


Beste vrienden,

We stellen ons graag voor als hardwerkende mensen. We staan de hele dag in de wijngaard, voor het overeengekomen loon van het dagelijks brood. Een denarie. Een denarie is het gebruikelijke bedrag daar voor. Wij zouden zeggen: een modaal dagloon. Er zijn zeker mensen die het beter hebben, maar daar vergelijken wij ons niet mee. En er zijn mensen die het minder hebben.

Die komen we misschien nog wel eens tegen. De mensen die het minder goed gedaan hebben dan wij. Die hadden die dag geen werk. Misschien dat we zelfs van onze denarie wat sestertieën, wat centjes, aan die mensen geven. Dan voelen we ons twee keer goed. Eens omdat we een denarie verdiend hebben met ons eigen werk, en de tweede keer omdat we ook nog omzien naar wie minderbedeeld is. “Goed zo, harde werker,” zeg je tegen jezelf terwijl je aan jezelf een schouderklopje uitdeelt.

God is in zijn hemel, en op aarde heeft ieder heeft zijn toegekende plek. En zo lang iedereen zijn plek blijft kennen – dan is het leven goed.

Totdat God besluit niet in de Hemel te blijven maar op aarde te komen wonen. Dan komt opeens van alles van zijn plek. Op zijn beurt maakt dat van alles in de mensen los. En het is niet allemaal even best, wat er loskomt. Wat we te zien krijgen. Leerzaam is het wel, ook voor ons. We gaan eens kijken wat er gebeurt.

De werkers in de wijngaard. Die hebben een afspraak met de Heer. Wij werken, jij betaalt. Een denarie. Het dagloon. Kennelijk is er zoveel werk in de wijngaard dat de Heer de hele dag door achter de werkelozen aanjaagt om ze maar er bij te krijgen. De ene voor een halve dag, de ander voor een kwartdag en dan als hoogtepunt van absurditeit: voor een los uur. De hele dag door komen daar half-werkers, kwart-werkers en minimumwerkers voorbij.

En dan wordt er uitbetaald. Het hoogtepunt van de dag: daar doe je het voor. En dan zie je een mooie omkering. De spanning wordt mooi opgebouwd. Eerst worden de minimumwerkers uitbetaald, die er op het laatst er bij kwamen. En die krijgen een denarie. De dagloners wrijven al in hun handen.

Maar dan de anticlimax.. Ze krijgen evenveel als een ander. En ze zijn het er niet mee eens. Ze morren. Ze zeggen “Gij stelt hen gelijk met ons”. Maar de Heer zegt terecht: je bent toch niks tekort gekomen? “Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?” zegt Hij. “Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?”. En dan is het verhaal uit. Er is geen oplossing. We blijven in die spanning zitten. De dagloners taaien af. Zijn ze overtuigd? Ik denk het niet. De spanning waar het in dit verhaal om gaat zal escaleren. Het gaat in de hoofdstukken die hierna komen van kwaad tot erger.

Maar dat komt dan wel. Één crisis tegelijk.

Zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?” – dat is een retorische vraag. Die vraag ligt niet open. Het antwoord is duidelik. Ze zijn kwaad. Ze zijn kwaad omdat de Heer goed is. Je bent ziek. God is leven en jij bent ziek.

Maar nu hebben we een probleem. De Heer stelt een diagnose vast. Mensen: je draagt een kwaad in je. Maar welk kwaad? Waar hebben we het over?

Als je bij de dokter komt, beste mensen, en de dokter zegt: “je bent ziek”, en verder niks.... Dan heb je daar niet zoveel aan. Je moet een diagnose krijgen: de aard van de ziekte kennen. Weet je niet wat de ziekte is, dan kun je de ziekte niet behandelen. Dan kan er geen medicijn worden voorgeschreven. De apotheker kan daar niks mee. Dan pak je misschien zelfs het verkeerde flesje. Je zou uit onwetendheid een antiwormenmiddel gebruiken om een besmettelijke longinfectie te behandelen. Dat kan niet. Dan word je dubbel zo ziek als je al was.

Maar wat is de diagnose? Welke ziekte woedt er onder de harde werkers? Vertel het ons, dokter Jezus. En Jezus vertelt het ons ook. Maar je ziet het niet terug in de vertaling. De aard van de ziekte is wegvertaald. We lezen “zijt ge kwaad, omdat ik goed ben”. In de woorden van mijn leermeester in de Bijbel, pastoor Gouw, “dat staat er niet”. Of althans, niet helemaal.

Wat letterlijker staat er: “heb jij soms het boze oog?”. Dat is de diagnose, die dokter Jezus stelt. Het boze oog. We lijden aan een oogziekte. Als we horen van 'het boze oog' denken we misschien aan bijgeloof. Dat de blik van bepaalde mensen anderen ziekmaken kan, of kan vervloeken. Maar ook onder bijgeloof kan een kern van waarheid liggen. Net zoals sprookjes, sagen, volksverhalen, grote literatuur altijd een waarheid spreken over de mens. Ze zijn misschien niet feitelijk, maar wel waar. Zo ook het beeld van het boze oog. Een ernstige kwaal waar iedereen aan lijden kan.

Wat is het boze oog. Wat is die ziekte? Het is de ziekte van de menselijke blik: de afgunst. Als iemand iets moois krijgt en je ziet het niet, dan zou je er niks bij kunnen voelen. Dat is onmogelijk. Je gaat naar huis met je denarie. Je gaat lekker eten met je gezin. 'S avonds kijk je naar de nieuwste serie op Netflix – net als iedereen – en er is niks aan de hand. En je helpt zelfs je werkeloze buurman die nergens goed in is, met een (kansloze) sollicitatiebrief. Je haalt er misschien wel drie taalfouten uit. Het zal niks uitmaken maar je kan je wel goed voelen over jezelf, dat je iets goeds gedaan hebt. God is in de hemel, op aarde heeft iedereen zijn plek – en zolang ieder zijn plek blijft kennen gaat het goed.

Maar God loopt rond op aarde. Hij is de Heer. En als jij een lange dag voor de Heer gewerkt hebt, en je buurman was er ook een uurtje, en die krijgt evenveel.... Dan ga jij als je gegrepen bent door de zonde van afgunst anders naar huis. Je hebt het gezien, en de blik maakt je ziek. En die ziekte vreet zich een weg door je lijf. Van je ogen, naar je hersens, je kan aan niks anders meer denken. Naar je hart, je voelt dat valse, hatelijke vuur, naar je ingewanden. Het rommelt, je hebt er buikpijn van. Het boze-oog-syndroom trekt je lijf door.

En welk instrument brengt die ziekte aan het licht?

De goedheid, de vrijgevigheid, van God. God is niet onrechtvaardig, dat hij je recht afpakt. Hij is veel meer dan rechtvaardig: hij scheldt onmogelijke schulden vrij, en geeft mensen meer waar ze op konden hopen. Maar als we alleen maar denken aan recht, gaat dat misschien minder over de liefde tot gerechtigheid en meer over de vrees dat een ander wel eens onverdiend wat krijgen kan.

Daarom moeten we ook nooit de dingen van God reduceren tot recht doen. Niet omdat het verkeerd is om recht te doen. Maar het recht is te klein om God te vatten. Als we zeggen: God is rechtvaardig dan spreken we geen onwaarheid. Maar toch moeten we zeggen met mijn leermeester pastoor Gouw. “Dat staat er niet”. Als we alleen praten over recht maken we God te klein. Je doet God tekort. Je doet God geen recht. God is goed, en dat wil zeggen vrijgevig. Overdadig. Meer-dan-rechtvaardig. Met andere woorden: genadig.

We denken dat we een rechtvaardige God willen, want dan denken we dat we indruk op Hem kunnen maken met ons harde werken. En het is goed om hard te werken, begrijp me niet verkeerd. Maar als we zo denken doen we God tekort.

We willen een rechtvaardige God – denken we - maar die we krijgen een genadige God.

Dat is veel moeilijker. Veel riskanter. Veel gevaarlijker voor ons leventje.

Een “rechtvaardige God” voelt beheersbaar. Je kan in- en uitklokken, werken naar de Wet, tienden geven van wat je hebt. Goed zijn. Gewoon goed. De morele lat ligt zo laag vandaag de dag dat het je nauwelijks moeite hoeft te kosten om een hele nette reputatie te krijgen. Een betere reputatie dan anderen. En wat is dat comfortabel. Niet gelijkgesteld te zijn aan anderen.

Of althans je denkt dat je goed bent omdat je geen moment

geloofde dat je wat tekort kwam. Tot het moment dat je onverdiende genade zag gebeuren in een ander. Iemand die God krijgt, werkelijk God krijgt, een echt, een levend, en levensveranderend geloof. En dan zonder jouw inzet. Iemand misschien wel beter begrijpt waar het bij God om gaat dan jij, of ik.

Die veilige rustige Regelgod, die blijkt een levensgevaarlijke genadige God te zijn, een onbeheersbare God. Een onbezweerbare God. Levensgevaarlijk: omdat jouw leventje niet kan blijven zoals het is.

Uiteindelijk wordt het nog ingewikkelder. Misschien sla je niet aan op de genade van de ander, maar wordt het spel echt: en ontmoet je zelf de onverdiende genade, en daar moet je dan antwoord op geven. Dan is er geen veilig regelboek meer. Leven volgens de regels, en dan kan alles een beetje hetzelfde blijven. Maar dat kan niet na het ontmoeten van Genade. Dan wordt alles anders. Dan moet je zelf veranderen. Met nieuwe ogen leren kijken. Een nieuw hart krijgen. Andere dingen belangrijk gaan vinden.

Als we zien wat de Heer heeft gedaan kunnen we zeggen het is wonderlijk in onze ogen (Psalm 118:23), en die verwondering is het begin van een nieuw leven. Kijken in blijde verwondering is het tegendeel van de blik met het boze oog. Beide ogen, het zieke en gezonde kijken naar Gods goedheid. Het ene oog wordt boos, afgunstig. Het andere oog verwondert zich in blijdschap om wat God doet. God verandert niet. Het is dezelfde God, waar we met andere ogen naar leren kijken.

Het doel van dat geestelijk leven is is niet alleen maar niet-ziek-zijn. Het is nieuw leven, en dat leven begint met het besef dat we het niet voor onszelf gaan regelen. Een religieuze ziekte als het boze oog houdt ons daarvan weg. Weten dat we ziek kunnen worden, op onze eigen manieren allemaal ziek zijn. Geen inzet van onze kant geneest ons, brengt ons nieuw leven. Dat moet van God komen, en hij is vrijgeviger dan wij ons kunnen of zelfs willen voorstellen.

Maar stel het je voor: vrij zijn in de wereld, gedragen door liefde. Onze inzet hoeft niks meer te fiksen. Het mag een antwoord zijn op die liefde. Vrij om te rouwen met wie verdriet heeft, blij te zijn met wie vreugde voelt. Langzaamaan meer groeien in die levende band met de Heer, de band die ons meer mens maakt. Levend maakt. Een band waar je misschien wel veel voor op moet geven, maar niks om zal verliezen.

Moge dat zo zijn.

Kom Heer Jezus.

Amen.