Saturday, 1 February 2025

Opdracht van de Heer 2025

 

Toen de tijd aanbrak
waarop Maria en het kind volgens de Wet van Mozes
gereinigd moesten worden,
brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem
om Hem aan de Heer op te dragen,
volgens het voorschrift van de Wet des Heren:
elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht
moet aan de Heer worden toegeheiligd,
en om volgens de bepalingen van de Wet des Heren
een offer te brengen,
namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven.
Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon,
een wetgetrouw en vroom man,
die Israëls vertroosting verwachtte,
en de heilige Geest rustte op hem.
Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest,
dat de dood hem niet zou treffen,
voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd.
Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen.
Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten
om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen,
nam Simeon het kind in zijn armen
en verkondigde Gods lof met de woorden:
“Uw dienaar laat Gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan:
mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd,
dat Gij voor alle volken hebt bereid;
een licht dat voor de heidenen straalt,
een glorie voor uw volk Israël.”
(Zijn vader en moeder stonden verbaasd
over wat van Hem gezegd werd.
Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit
en hij zei tot Maria, zijn moeder:
“Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël,
tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden,
en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.”
Er was ook een profetes, Hanna,
een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser.
Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd.
Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar.
Ze verbleef voortdurend in de tempel
en diende God dag en nacht door vasten en gebed.
Op dit ogenblik kwam zij naderbij,
dankte God en sprak over het kind tot allen
die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.
Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden,
keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug.
Het kind groeide op en nam toe in krachten;
het werd vervuld van wijsheid
en de genade Gods rustte op Hem.)


Beste vrienden,  

Als we aan iets nieuws beginnen maken we vaak ruimte voor onszelf en voor God om zegen te vragen voor deze nieuwe fase van ons leven. Het maakt niet echt uit of het gaat om een groot of klein begin. Elk nieuw begin biedt ons een opening voor hoop, verwachting maar ook onzekerheid. 

We maken goede voornemens aan het begin van het jaar. We vragen om zegen bij een huwelijk of de doop van een kind, maar ook als mensen, ondernemingen, of zelfs hele landen een nieuwe weg inslaan. Dat zijn plechtige momenten waar verleden en toekomst elkaar raken. Op zulke momenten kunnen we ook onze menselijke beperktheid voelen. Wij slaan een pad in, maar we kunnen het succes van onze ambities niet zélf garanderen.  

De toekomst is een onbekend land, oncontroleerbaar gebied. Het is een domein waar onze verwachtingen bewaarheid kunnen worden, maar ook een gebied waarvan dreiging uitgaat. Er kan van alles gebeuren, en het enige dat we zeker weten is dat het leven niet meer zal zijn zoals het was. En soms is het zelfs van tweeën één: de toekomst waar de één zo naar uitkijkt is tegelijkertijd waar de toekomst waar de ander tegenop ziet. 

Op sociale media en in de kranten vinden we een overvloed aan kristallenbolkijkers en tapkastprofeten die ons allemaal gaan uitleggen hoe het mis kan gaan of hoe de gouden bergen nét om de hoek liggen, zo voor de pak. 

Maar ik zal u een geheimpje verklappen: het is onmogelijk om de toekomst te voorspellen. Onze verwachtingen kunnen meer of minder realistisch zijn, maar échte voorspellingen zijn uiterst zeldzaam.

Als we het verhaal van vandaag lezen, over Maria en Jozef die naar de Tempel komen met het kind Jezus lijkt het alsof we een  toekomstverslag horen. Nieuwsberichten over wat komen gaat, maar er is toch echt iets anders aan de hand. 

Maria en Jozef ontmoeten in de Tempel twee bijzondere, geïnspireerde mensen. Simeon en Hanna – een man en een vrouw die vervuld zijn van levenservaring en betrokkenheid op het werk van God voor de mensen. 

Ze herkennen Jezus voor wie Hij is. Dat komt als het ware uit hun hart.  De Herders hadden engelen nodig om het hen te vertellen, de Wijzen moesten met veel omwegen via een ster er achter komen wie de nieuwe koning zou zijn, maar Simeon en Hanna – verblijvend in dat epicentrum van het joodse geloof, de tempel – herkennen Hem.

Hij, Hij ís het. Niet: wat een interessant kind is dat! Kijk eens naar die gedecideerde, koninklijke blik in zijn ogen, dat belooft wat!  Nee, herkenning: Hij is het.

Ze voorspellen niet dat Jezus de Messias zal worden. Hij is de Messias, en zij weten het. Niet omdat ze daar heel lang op gestudeerd hebben of omdat ze allerlei rapporten en prognoses opgesteld hebben, maar omdat ze de realiteit van God kennen, en weten hoe God in de wereld werkt. Hun afwegingen zijn niet van menselijke aard. Simeon en Hanna zijn profeten.

En dan moeten we even opletten. We denken vaak: “profeten, dat zijn toekomstvoorspellers”. Als ze voorspellen dat het volk in Ballingschap gaat, dan komt dat uit. En als ze de Bevrijding voorspellen, de terugkeer naar Jeruzalem, dan komt dat ook uit!

Maar dan missen we de kern van de zaak, als we op het niveau van prognoses en voorspellingen blijven. Daar gaat het de profeet niet om.

Profeten zijn niet in de eerste plaats voorspellers, profeten zijn begaan met het hier en nu. Als ze spreken over de toekomst, is dat de toekomst zoals die zich nu ontvouwt in Gods werkelijkheid. En Gods werkelijkheid is hier en nu.

Een profeet interesseert zich niet in de koers van de Romeinse Denarie of de Tyrische shekel. Hoe lang keizer Augustus nog aan de macht blijft, hoe de Verenigde Staten er over vier jaar uit gaat zien of hoe lang het kabinet blijft zitten.

Een profeet zal niet zeggen wie de verkiezingen wint, maar een profeet kan wel zeggen dat de samenleving geen permanente  wanorde, of voortdurend onrecht kan verdragen. Het kwaad trekt niet aan het langste eind, maar er zal veel kapot moeten vallen voor de rechtvaardigheid doorbreekt.

Het is de taak van de profeet om vanuit het hier en nu te spreken vanuit de blik van God. Die is ons niet onbekend. Met die blik is de hele Bijbel geschreven.

Ik noem drie consequenties bij name:

Ten eerste: Jezus Christus is de verlosser, niemand anders. We gaan niet worden bevrijd door keizers, hogepriesters, presidenten, of door referenda of burgerforums. Geen van die dingen brengt ons heil. Ze zijn misschien nuttig, voor een tijdje, maar niet meer dan dat. Zij mogen niet object van onze verering worden.

Als we horen dat we deze of deze persoon trouw moeten beloven buiten het strikt noodzakelijke of wettelijk voorgeschrevene, dan raken we op een verkeerd pad. Keizers die vinden dat ze God zijn, of vicepresidenten die doen alsof ze theoloog zijn,  raken makkelijk buiten het spoor.

Ten tweede: Jezus Christus openbaart zichzelf als God, maar de openbaring is geen dienstmededeling, een of andere afstandelijk bericht, zoals een email van overheid.nl . Als God zich aan ons openbaart, worden wij ook aan onszelf geopenbaard. In de nabijheid van Christus – en dus in de nabijheid van God - vallen alle maskers af.

Als we God zien voor wie Hij is, zien wij onszelf voor wie wij zijn. En dat inzicht kan wel eens tegenvallen.

Simeon zegt, en dat zijn woorden om stil van te worden: dit kind is bestemd tot val en opstanding van velen. Dan betekent dat in de eerste plaats: er gaan nogal wat mensen flink op hun gezicht gaan. Christus krijg je nooit om niet, er gaat nogal wat gebeuren. Wat voor de één een bevrijding is, zal voor de ander – die zijn hart heeft gezet op wat verkeerd is – een oordeel zijn. Er gaan er veel vallen.

Nu is het oordeel bij God niet bedoeld zoals bij ons, om mensen af te serveren, het oordeel over ons leven is bedoeld om ons te genezen. Het oordeel is niet iets nieuws, het is de doorbraak van de waarheid over de werkelijkheid van ons leven. Je kan pas balsem krijgen als je je eigen wonden ziet.

De toekomst van God is dus niet een soort Kokanje. Het is een plek waar ook wij ten diepste geconfronteerd worden met wie wij zijn, niet zodat we weggeworpen worden, maar opdat wij de weg naar genezing en vergeving in kunnen slaan.  

Ten slotte: elke betrokkenheid op de ander brengt dus ook mee dat we diens vreugde maar ook diens verdriet delen. Als we in gemeenschap zijn met Jezus Christus is er zowel val als opstanding, en dus voelen we zowel vreugde en verdriet voelen. Maria als eerste, want zij is als Moeder van de Kerk de eerste gelovige. Het voorbeeld van geloof.

Zoals Maria zowel de vreugde als het verdriet van Jezus deelt, zo mogen wij ons bewust zijn van de vreugde en het verdriet van anderen. We delen hun vreugde als een nieuw begin zich voor hen opent, we delen hun verdriet als grote ambities voor de toekomst stuklopen.

Jezus Christus wil ons bevrijden van extreme angst of overdreven verwachtingen voor de toekomst. Er is geen anoniem alle vermorzelend lot waar mensen aan onderworpen zijn, en er ligt ook geen Utopie om de hoek als we maar op de juiste ‘sterke man’ stemmen.

Maar elke dag opnieuw liggen er nieuwe wegen naar de toekomst voor ons klaar. Elke dag opnieuw mogen we zinvolle keuzes maken - ongeacht hoe ze uitwerken. Elke dag opnieuw mogen we kiezen hoe we in het leven willen staan. Elke dag vallen we en staan we op. En dat is niet erg, als we maar niet blijven liggen in de sloot van onze eigen helaasheid.

Laten we ons dan elke dag opnieuw verenigen met de Heer die ons vrijmaakt van onszelf. Amen.

Amen

 

Saturday, 4 January 2025

Driekoningen 2025

 

 Op de Eerste Kerstdag hebben we het begin van het Evangelie van Johannes gelezen. We hebben gelezen over het Woord dat van Eeuwigheid af bij God was. En God wil dat Woord aan ons openbaren, want dat Woord zegt wie Hij ten diepste is. 

 Één van de belangrijkere begrippen in de theologie is dat van de Goddelijke Pedagogiek. Als je een kind opvoedt, dan draag je niet alles wat je weet en kan in één keer over aan dat kind. Dat gaat stukje bij beetje. Maar op een gegeven moment nadert het dan toch de voltooiing. Dan vindt er een realisatie plaats en uiteindelijk besef je dan als kind waar het je ouders écht om te doen was. 

 Dit besef doordrenkt het hele christelijke denken over de Openbaring, over wat God ons zegt. Wat Hij ooit vertelde in beelden en tekenen wordt op een gegeven moment volledige werkelijkheid, een werkelijkheid die onder ons woont, Zijn leven met ons deelt, ons lijden volledig deelt en in zich opneemt. De openbaring van God wordt volledig zichtbaar in Jezus Christus. In het begin in het verborgene, maar later zichtbaar voor de hele wereld.

 Jezus Christus is de volledige zelfopenbaring van God. Die openbaring is wat we vandaag vieren. Op het Feest van Driekoningen. Drie is een universeel getal, en de traditie maakt de koningen, of de wijzen symbool van alle volkeren voor wie vanaf nu de weg naar God open ligt. En ze komen niet met lege handen, ze nemen geschenken mee. Uit deze ontmoeting kunnen we drie aspecten uitlichten: 

 1: Het Oude Testament doet er toe. Zoals men in het Engels zegt:  the child is the father of the man. Als je terugblikt op je leven als je gevraagd wordt je biografie te schrijven, of een verhaal, over wie je bent, dan begin je met je kindertijd. Je begint met wie je ouders waren, waar je vandaan komt, in welke streek je bent opgegroeid. Daarmee is niet alles gezegd over wie je bent, maar zonder achtergrondinformatie wordt het een ingewikkeld verhaal. De grondtrekken van wie je nu bent ligt al besloten in je kindertijd. Je kindertijd heeft niet het laatste woord, maar zonder kindertijd is een leven onbegrijpelijk. Zo ook met het Oude Testament. God openbaarde zich aan één volk, het Joodse volk, openbaarde zijn visie voor samenleven, door de Wet, en zijn liefde door zijn profeten.

Dit betekent ook dat Christenen het Jodendom niet vervangen, de Volken – dat zijn wij allemaal als we niet als Jood geboren zijn - worden toegevoegd  aan het Joodse volk. Dat kan je allemaal bij Paulus teruglezen hoe dat werkt. 

 We kunnen dit erfgoed, deze geschiedenis niet van ons afwerpen zonder ontrouw te worden aan wie zij zijn. Wij hebben onszelf niet teruggevonden. Christus is de vervulling van een belofte, niet het ongedaan maken van die belofte. 

2: De openbaring is er voor iedereen. Dat is wat Driekoningen, het feest van de Openbaring wil uitdrukken. We lezen het in de lezingen uit het Oude Testament. Ook de heidense volken, die toen nog hun afgoden hadden zullen worden opgenomen in de éne mensenfamilie , het éne volk van God. Dat volk van God, de kerk, kán dus ook alleen maar een wereldkerk zijn. En in de kerk is plaats voor iedereen. Ik denk dat er wel eens te makkelijk wordt gedacht over wat het betekent dat de Kerk universeel is. Het heeft verstrekkende gevolgen. De kerk is niemands eigendom. De kerk is niet van één tijdsperiode, het is niet voor mensen uit één land of gebied, het is niet voor mensen die behoren tot één min of meer gedefinieerde cultuur, zoals het Westen. Het is ook niet voor mensen van één ras, of alleen voor mannen, of mensen uit één of een paar sociale klassen. Dit verhaal van God is er voor iedereen. Je kan tegen niemand zeggen “dit is niet voor jou, dít zal jou wel niks zeggen.” Dat is onmogelijk. 

3: Een derde aspect van het bezoek van de Drie koningen is het geven van geschenken. De drie gaven van de koningen zijn Goud, Wierook en Mirre. Waardevolle dingen. En het staat ook al in de lezing uit het Oude Testament. 

 “Want de schatten der zee gaan over in uw bezit,
de rijkdommen der volkeren worden aan u afgedragen.
Een zee van kamelen bedekt u, jonge kamelen van Midjan en Efa.
Alle bewoners van Sjeba trekken naar u toe; ze voeren goud en wierook aan en verkondigen luid de roem van de Heer.”

 Als je naar iemand toe gaat die je kent, dan neem je vaak een cadeautje mee. Hoe groot of klein dat cadeau is hangt een beetje af van de omstandigheden, maar door het geven, laat je zien dat je een relatie hebt met iemand, dat je bevriend bent, of vrienden wilt zijn. Je geeft ook een geschenk vanuit een idee van wederkerigheid, vanuit het idee dat  je iets voor elkaar betekent. Dat is wat het betekent om persoonlijke relaties te hebben met andere mensen. Die relaties bestaan niet alleen maar tussen je oren, maar moeten ook zichtbaar zijn, zichtbaar in wat je voor elkaar doet. En de meest zichtbare manier, is het geven van een geschenk aan een ander.

 Het gaat er niet om dat je iets geeft wat een ander nodig heeft, liever niet zelfs. Het is goed mogelijk dat je bij Kerst een pak wasmiddel krijgt, of een paar sokken, maar je krijgt toch liever iets aardigs. God heeft per definitie niks van ons nodig. God heeft alles al. Maar wij kunnen onze liefde en dankbaarheid uitdrukken door het geven van een geschenk. 

 Als God zich aan ons openbaart is dat omdat hij een relatie met ons wil, en wij mogen daar antwoord op geven. Op de openbaring van God komt het antwoord van het geloof van de mensen. 

 Wij kunnen antwoord geven door Hem iets te geven. We hoeven niet per sé onze bankrekening te plunderen. We kunnen hem al wat kostbaars geven door elke dag tijd voor Hem te maken. Op die manier maken we de openbaring van God waar. Zonder relatie is er geen openbaring en zonder wederkerig geschenk is er geen relatie.

 De Brief aan de Hebreeën heeft het over het gebed als een geschenk, als een “offer van lofprijzing” – een offer is ook een geschenk – dat we aan God kunnen geven. Het kost ons niks, maar het is héél waardevol. En als we niet te zuinig zijn met onze geschenken dan komen we, net als de Koningen, steeds dichter bij de Heer zelf, tot we Hem mogen zien van aangezicht tot aangezicht. 

 

Geroepen vanuit ons eigen verleden, samenkomend met de hele wereld mogen we een nieuwe relatie aangaan. Gods geschenk ontvangen en zélf geschenken gevend vinden we dan nieuw leven. Amen.

Open het Archief

 

Franciskus Bernardus van Peperstraten staat er op het scherm. “De zaak is behandeld door een speciale openbaar aanklager en in de rechtbank”, staat er bij. Ik zit op de website Oorlog voor de Rechter. Dit is foute boel. Een blik in mijn genealogische bestand leert me dat het een neef van mijn grootvader was. Hij was 18 toen de oorlog uitbrak en is inmiddels overleden.

En zo, met één muisklik, kleeft er al dan niet een smet aan je naam. En of die smet groot of klein is ligt er aan of je wel of geen zeldzame achternaam hebt, en het zoekscherm van het Centraal Archief Bijzondere rechtspleging (CABR) wel of niet wat oplevert. In dit archief zitten de gerechtelijke stukken van bijna een half miljoen Nederlanders.

Omdat zelfs de overheid geen greep meer heeft op de steeds complexere privacyregels is er voor op het laatste moment, voor de openbaarmaking van dit oorlogsarchief, voor gekozen om de namenlijsten van alle verdachten online te zetten, maar de dossiers zelf af te schermen. Ze fysiek raadplegen, wat voor januari door belanghebbenden nog kon, is inmiddels praktisch onmogelijk vanwege de drukte. En dat maakt uit. Veel verdachten zijn immers nooit voor de rechter gekomen en er zijn er ook behoorlijk wat vrijgesproken. En er waren heel veel verdachten, want het net werd wijd uitgeworpen.

De situatie is er dus niet beter op geworden, maar juist slechter. Er is nu niet meer, maar minder openbaarheid. Wel verdenkingen, maar geen duidelijkheid. Was hij schuldig? Zo ja waaraan? Is hij vrijgesproken? Ik weet het niet.

Zo zijn we uit knulligheid de slechtste van twee werelden ingerommeld. Je familienaam wordt genoemd, zonder mogelijkheid om (op afzienbare termijn) duidelijkheid te krijgen over het hoe en wat. Mensen komen er plotseling achter wie het “zwarte schaap” in hun familie was, of waarom het verleden maar overgeslagen werd als gespreksonderwerp. Natuurlijk, wie het interesseerde en handig is met archieven en zoekmachines wist al eerder wat, maar dat is niet de meerderheid van de bevolking. En nu zitten we met de gebakken peren.

Anderen tonen juichend hun screenshots van de achternamen van de mensen door wie ze geobsedeerd zijn. Duk! Niemöller! Blommestijn! Zie je wel! Het zal wel familie wezen! NSB-genen!

Nee, wat hier nu het publieke belang van is, ontgaat me. De rotzooi wordt over de schutting gegooid en de burger zoekt het maar weer uit. Althans in theorie, want het daadwerkelijk uitzoeken kan dus voorlopig niet tot nauwelijks.

Het verrast me niet eens, want zo werkt het in Nederland met vrijwel alles. Beter had men het gelaten zoals het was, maar we kunnen niet meer terug naar vorige week. Wat je eenmaal weet kun je niet meer ont-weten.

En deze kennis raakt miljoenen burgers. Een kleine half miljoen verdachten laten immers een hoop nakomelingen achter, zowel als verdere familie. Hoeveel mensen hebben een foute opa? Dat zijn er zeker honderdduizenden, misschien wel meer dan een miljoen. En hoeveel mensen hebben een foute oudoom? Dat moet daar een veelvoud van zijn. Miljoenen? Het kan. Een opa met een foute neef? Misschien zit je dan al wel aan een derde of de helft van de autochtone bevolking. 

Het is nogal wat, zo`n moreel virus loslaten op een niet-immune samenleving, een stigmabesmetting zonder duidelijk pad naar genezing.

We kunnen goedbedoeld zeggen dat het natuurlijk niet uitmaakt wat opa al dan niet gedaan heeft, en in een beperkte zin is dat zo. Elke generatie mag het leven opnieuw aangaan, op eigen voorwaarden. Maar diep van binnen weten we ook waarom de Bijbel ons waarschuwt om “de zonden der vaderen” niet bij de kinderen neer te leggen. We worden gewaarschuwd, juist omdat we dit als vanzelf doen. Dat is hoe stigma’s werken. Hoe trauma’s werken. Zowel het goede als kwade werkt intergenerationeel door.

Zo beschouwd was het niet onverstandig dat er veel gezwegen werd over het verleden. Dan houd je de wolf van de deur, tenminste voor even. Achter alle goedbedoelde praat, en ja, jij bent je opa niet, suddert de realiteit van wat morele stigma’s zijn. We zijn verbonden met ons verleden. We staan niet los van de wereld die ons voorgegaan is. We zijn wel ieder van ons een nieuwe wereld, maar het is geen wereld die uit het niets geschapen is. En ons gedrag laat dit ook zien. We rekenen mensen af op hun afkomst. We doen dit in het groot en in het klein, we doen het als we links zijn of als we rechts zijn, dit behoort tot onze werkelijkheid. We rekenen mensen af op huidskleur, sociale achtergrond, dialect. Soms is dit een beetje risqué, maar er zijn groepen die je veilig mag haten. NSB’ers bijvoorbeeld. Of ‘tokkies’. En mensen die zeggen dat ze zich daar nooit schuldig aan maken kun je maar beter wantrouwen. Het is sociaal veilig om te zeggen dat we de zonden van de vaderen niet aanrekenen aan de kinderen, maar de ‘efficiënte werkelijkheid’ is dat we dit wel degelijk doen, en meerdere vormen ervan zijn sociaal geaccepteerd.

De enige weg uit een stigma, uit een morele verwonding is er doorheen, het verhaal terugvinden waar je buiten je schuld in verwikkeld bent en er op reflecteren. Zo verdwijnt de macht die een stigma over je heeft en herwin je je autonomie als mens.

De waarheid ónder de waarheid is dat we allemaal in staat zijn om verkeerde dingen te doen. We zijn niet allemaal NSB’ers, maar we zijn wel allemaal vatbaar voor een of ander kwaad. We kunnen lessen leren uit wat foute mensen aan foute dingen gedaan hebben. Als we dat met open ogen en open hart doen worden we meer mens.

Zo leren we iets over onze eigen morele kwetsbaarheid. Niet ieder van ons is een opportunist, would-be-oorlogswinstmaker of landverrader, maar er zijn meer dan genoeg mensen die een of ander kwaad zouden willen doen uit ‘goede bedoelingen’ of als ze toestemming zouden krijgen van hun omgeving. Ik ben zelf niet zo bang om landverrader te worden, want ik ben haast Hobbesiaans in mijn gezagsgetrouwheid. Maar ook die karaktertrek zou in crisistijd tot allerlei kwaad kunnen leiden.

En omdat iedereen moreel kwetsbaar is, houd ik ook niet zo van mensen die er al te prat gaan op over hoe opa in het verzet zat. Dat is een beetje als de mensen die zich tegenover Jezus  erop beroepen dat ze “kinderen van Abraham zijn” zonder dat die werkelijkheid in hun hart leeft (Johannes 8:30-59). Alsof dat je uiteindelijk gaat redden! Nee, daar was Jezus niet zo van onder de indruk. En wij moeten dat ook niet zijn. 

Nee vriend, je kan goed en kwaad uiteindelijk niet buiten jezelf plaatsen. Doe je dat toch, sorteer je voor op grote ongelukken. Deed je opa iets heldhaftigs, prachtig! Neem er een voorbeeld aan. Wees trots zonder het ijdel rond te strooien. Maak dat voorbeeld ook waar in je eigen leven, want een écht kind van Abraham doet als Abraham! Maar was je opa een boef, leer er van, dan was de narigheid die hij aanrichtte en de pijn die hij zèlf had niet voor niets. Daar mag het archief best voor open, om die lessen te kunnen leren. Maar nu? Nu blijft het hangen.

En zo blijven we nu achter met een naam. Franciskus Bernardus, de neef van mijn opa. Ik weet niet wat hij misdaan zou hebben. Als het dossier ooit werkelijk toegankelijk wordt zou ik er wel een blik in willen werpen. De verschillende zoekmachines schetsen wel een beeld. Hij is getrouwd in 1943. Hij was toen 21, zij 17. Hij is terug te vinden in de archieven van de Arbeitseinsatz als tewerkgesteld in Duitsland, al heb ik die stukken nog niet nagekeken. In 1945 staat hij vermeld in de overlijdensakte van zijn  kind, gestorven op 12 mei, een week na de bevrijding. In 1950 duikt hij op in de Staatscourant. Er is echtscheiding uitgesproken op verzoek van zijn vrouw. Veel triestigheid achter elkaar.

Toch is hij later hertrouwd, chauffeur geworden en heeft alsnog een gezin gesticht. Hopelijk heeft hij zijn leven weer op de rit gekregen. 

Hoe het ook zij, ook zijn verhaal zal de moeite waard zijn om met mededogen gelezen te worden. Ik hoop de gelegenheid eens te hebben.