Inleiding
Afgelopen week verschenen er in Trouw en ND artikelen
over de vermeende betrokkenheid van de voormalige paus Johannes Paulus II bij
het wegkijken bij misbruik, dit op grond van archiefonderzoek van de Nederlandse journalist Ekke Overbeek in de dossiers van de voormalige communistische geheime
dienst in Polen.
Nieuwsuur en het Journaal namen deze berichten zonder al
te veel navraag over. Zonder aanhalingstekens of verdere kwalificatie werd verkondigd
dat nu onomstotelijk bewezen was dat aartsbisschop Karol Wojtyla – de latere Johannes
Paulus II – van alles wist, en te weinig had gedaan.
Het vreemde is nu dat er week te voren in de Poolse
kwaliteitskrant Rzeczpospolita een zeer uitgebreid artikel van maar liefst 17
pagina’s verschenen is dat het geschetste beeld behoorlijk kwalificeert. Op grond
van zeer uitvoerig onderzoek ontwaren de onderzoekers van Rzeczpospolita geen “rokend pistool” in de handen
van de toenmalige aartsbisschop Wojtyla.
Ik probeer in dit artikel de strekking van het
onderzoek ik Rzeczpospolita weer te geven om zo recht te doen aan de historische context van de feiten. Een narratief dat namelijk
vooral op zoek is naar een zo’n groot mogelijke “dader” in de hoop hem van zijn
sokkel te stoten doet namelijk geen recht aan die feiten, en daarmee ook geen recht aan
de slachtoffers. Een dergelijk narratief is een schot in de cultuuroorlog, geen
stap op weg naar een cultuur van openheid, bekering en rechtvaardigheid.
Het onderzoek gaat over de priester Eugeniusz Surgent.
Hij overleed in 2008 op 77 jarige leeftijd. Het onderzoek laat er geen twijfel
over bestaan dat hij structureel seksueel misbruik heeft gepleegd en in vele
levens een spoor van verwoesting heeft achtergelaten. Hij is meerdere keren in
aanraking geweest met wereldlijke en kerkelijke instanties en er is vaker over
hem geklaagd. Toch heeft hij zijn priesterwerk kunnen voortzetten. Dat is een
ten hemel schreiende zaak.
Als we de gekende feiten over Surgent nemen vallen
veel dingen op. Naast grote morele tekortkomingen maakt hij ook geestelijk geen
stabiele indruk. Hij leidde een tragisch bestaan in de schaduw van zijn eigen
seksuele obsessies en menselijk falen, in de tang genomen door de Poolse
geheime dienst die hem voor hun eigen doeleinden inzette. Er speelden veel
factoren mee die er toe leidden dat hij in dit leven nooit definitieve
consequenties van zijn daden heeft ondervonden.
In de eerste plaats wil ik het hebben over de vraag
hoe bruikbaar de bronnen van de Poolse geheime dienst zijn, daarna kom ik te
spreken over wie in de kerk over welke bevoegdheden beschikte, de context
waarbinnen de bevoegdheden uitgeoefend werden. Was er op grond van de bronnen
sprake van nalatigheid en zo ja: wie is er dan nalatig geweest?
Er wordt wel eens gezegd dat er in dit soort zaken niet te veel aandacht
moet zijn voor de concrete toepassing van het kerkelijke recht en het functioneren van instituten.
Enkel het morele oordeel zou van belang zijn.
Net als elders in de samenleving bevindt de moraal niet in
een vacuüm. Het goede doen in een organisatie vraagt om regelgebonden
normering, en het functioneren van deze normering is afhankelijk van het functioneren van de desbetreffende gemeenschappen. Waar normering te kort schiet kan men niet het goede doen.
Dat “alles anders had gemoeten” is in ieder geval een
lege conclusie als er geen duidelijk zich is op waarom een norm in een gegeven
gemeenschap op een bepaalde tijd niet nageleefd werd en misschien niet
nageleefd kón worden.
Het belang van bronnenonderzoek
We beginnen met een Nederlands terzijde:
Drie jaar geleden deed ik archiefonderzoek in het
Geheim Archief van het “Departement van RK Eredienst”, het Nederlandse
overheidsorgaan dat in de negentiende eeuw toezicht hield op het katholieke
kerkelijke leven. Daar bevinden zich een groot aantal dossiers over misstappen
van geestelijken. Het is uiterst interessante materie. Toen ik een overzicht
maakte kwam ik tot de ontdekking dat vrijwel een kwart van alle dossiers over
priesters gingen die werkzaam waren in Zeeuws-Vlaanderen in de jaren 1830-40.
Dat is volledig buitenproportioneel. Waren Zeeuws-Vlaamse priesters zo extreem
misdadig? Niet per se, als we de historische context kennen:
In de nasleep van de Belgische afscheiding bleef
Zeeuws-Vlaanderen Nederlands. Kerkelijk maakte het echter deel uit van het
bisdom Gent en niet – zoals de rest van Nederland – van de “Hollandse Missie”.
Koning Willem I eiste dat de paus met één pennestreek
het gebied zou losmaken van de zetel van Gent. Dat is niet gebeurd om redenen
die ook voor een begrip van de latere situatie in Polen van belang zijn en daar
aan de orde zullen komen.
De Paus liet het “Zeeuwse Deel van het Bisdom Gent”
dus bestaan al werd het bestuur van deze regio opgedragen aan de pauselijke
ambassadeur in Den Haag. Willem I oefende door middel van zijn “Departement van
RK Eredienst” toezicht op het lokale kerkelijke leven.
Nu was het Departement van RK Eredienst natuurlijk
geen geheime dienst maar wél een overheidsorganisatie met eigen politieke
belangen. De strategische ligging van Zeeuws-Vlaanderen en de context van de
agressieve “volhardingspolitiek” naar België toe maakte dat de lokale
katholieke kerk onder streng toezicht stond. Het resultaat is tot op de dag van
vandaag terug te vinden in het Nationaal Archief, namelijk navenant veel
“Zeeuws-Vlaamse” dossiers aangaande disciplinaire vraagstukken.
Priesters die “lastig” waren werden op de voet gevolgd
en elke werkelijke of vermeende misstap geregistreerd met behulp van een groot
netwerk van informanten en verklikkers.
Het is zeer interessant om die dossiers te lezen. En
al is het vaak zo dat veel van wat er in die dossiers staat waar is,
moet je altijd bedenken dat het niet in zo`n dossier staat omdat het
waar is.
Wat geldt voor het toenmalige “Departement Eredienst”
geldt nog veel meer voor dossiers van de Poolse geheime dienst, die volledig
ten dienste stond van een totalitaire onrechtstaat.
Dossiers van een geheime dienst zeggen ons in de
eerste plaats iets over de denkwijze van die geheime dienst. Ze worden
opgesteld om de politieke belangen van die dienst veilig te stellen.
Bijvoorbeeld om een informant als Surgent verder klem te zetten. Zelfs als er
in de dossiers veel “feiten” vermeld staan is zonder een grote kennis van de
kerkelijke en historische context niet zomaar vast te stellen wat deze feiten
betekenen. Omzichtigheid en afstandelijkheid zijn dus geboden in de omgang met een
dergelijk archief.
Een groot probleem in de geschiedschrijving van de
onderhavige periode in Polen is dan ook de ontoegankelijkheid van de kerkelijke
archieven, en dit is een terecht punt van kritiek.
Het zou wenselijk zijn als daar onderzoek gedaan zou
worden. Angst voor wat men daar aan zou kunnen treffen is een verkeerde
raadgever. Christenen moeten sowieso nooit angst hebben voor de waarheid, want
de waarheid maakt ons vrij (Johannes 8:32)
Echter, in tegenstelling tot wat het artikel in Trouw
beweert, maakt de relatieve ontoegankelijkheid van de kerkelijke archieven de
SB-dossiers níet tot een in zichzelf altijd betrouwbare bron. Dat is
historisch wensdenken. De SB was geen
afstandelijke, wetenschappelijke feitenbeschrijver met een intrinsiek belang in
waarheidsvinding. Dat maakt SB-bronnen niet onbruikbaar, maar het is maar één
bronnenverzameling, samengesteld vanuit een zeer specifiek perspectief
Zonder kennis te nemen van de bredere context kan uit
een zo beperkte bronnenverzameling niet zomaar een verstrekkende conclusie
worden getrokken. Als we de professionele staat van de katholieke geestelijkheid
tussen 1830 en 1840 exclusief zouden proberen te duiden aan de hand van de
dossiers uit het Geheim Archief van het Departement van Rooms-Katholieke
Eredienst zouden we makkelijk een verkeerd beeld krijgen.
Kerkelijke regels, organisatie en bevoegdheden.
De katholieke kerk is een hiërarchische organisatie
gekenmerkt door een veelheid van regels en instanties. In theorie is duidelijk
wie waar over gaat en wat de regels zijn. Voor priesters en religieuzen die
zich misdragen is er ook een uitgebreid kerkelijk strafrecht dat in een reeks
van mogelijke sancties voorziet tot en met heenzending uit het priesterambt.
Tegenwoordig wordt deze sanctie vaker opgelegd bij misbruikzaken (al zitten
hier ook haken en ogen aan, maar dat is een andere discussie)
Een hiërarchische organisatie betekent niet, zoals soms
gedacht wordt, dat een bisschop mag doen wat hij wil en dat als een bisschop
niet zichtbaar optreedt tegen iemand hij dus laakbaar is. Bisschoppen zijn net
als iedereen gebonden aan het kerkelijk recht en mogen niet zomaar sancties
opleggen. Bisschoppen zijn gebonden aan het kerkelijk recht en priesters die
vinden dat zij onterecht een sanctie ontvangen mogen altijd beroep aantekenen
in Rome. (Dit is ook een helaas onvermijdelijke reden waarom veel
“misbruikdossiers”, ook waar het tot een kerkelijke rechtszaak komt, zich soms
jaren voortslepen.)
Het huidige kerkelijke wetboek is van 1983. De feiten waar Rzeczpospolita over schrijft
spelen zich voor het grootste deel af eind jaren zestig en in de jaren
zeventig. Toen was de zogenaamde Pio-Benedictijnse Codex van kracht (het Kerkelijk
Wetboek van 1917). Deze voorzag in een ander kerkelijk strafrecht en er is
specialistische kennis nodig om te duiden of en zo ja de kerkelijke wet goed is
toegepast. Verwachtingen uit 2022 mogen en kunnen niet worden
teruggeprojecteerd op, zeg, 1971.
De eerste vraag: wie was er verantwoordelijk voor
Eugeniusz Surgent?
De tweede vraag, gezien dat een bisschop niet heeft
gefaald als hij binnen zijn bevoegdheden optreedt, welke bevoegdheden waren er.
En zijn deze gebruikt?
Het wordt nog ingewikkelder als we ook moeten
overwegen hoe de regels daadwerkelijk werden toegepast. Regels en gezag bestaan
immers niet in een vacuüm. Hoe was, kort gezegd, de rechtspraktijk?
Allereerst: wie is er verantwoordelijk voor een
priester?
Elke priester die niet bij een orde hoort, behoort tot
een bisdom en valt onder een bisschop. Deze bisschop oefent het toezicht uit op
de desbetreffende priesters. Het is belangrijk om te weten dat dit losstaat van
waar een priester werkt. Dat een
priester in een zeker bisdom werkt betekent nog niet dat de bisschop van die regio ook het
uiteindelijke toezicht op die priester heeft.
Ook als een priester verhuist, bijvoorbeeld om een
andere taak op zich te nemen blijft hij toebehoren aan (“geïncardineerd zijn
in”) zijn eerdere bisdom. Als ik bijvoorbeeld terug zou verhuizen naar Zeeland
blijf ik priester van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Zou ik me in Zeeland
misdragen kan de bisschop van Breda mij niet bestraffen, dat moet de bisschop
van Haarlem-Amsterdam doen.
Deze observaties zijn relevant omdat Eugeniusz Surgent
wel in het aartsbisdom Krakau werkte, maar er niet aan toebehoorde. Hij
behoorde tot het aartsbisdom Lubaczów.
Dit is een pertinent feit dat historische toelichting behoeft. Het aartsbisdom
Lubaczów was zeker geen “gewoon” bisdom en de bijzondere situatie ervan kan alleen begrepen
worden met een beroep op de recente Poolse geschiedenis.
Als u een kaart ziet van Polen in 1938 ziet u dat dat
land er toen heel anders uitzag dan nu. Een groot deel van wat nu West-Oekraïne
is was Pools grondgebied, terwijl het huidige West-Polen tot Duitsland
behoorde. De Tweede Wereldoorlog heeft Polen niet alleen onnoembaar veel
verwoesting en ellende gebracht maar ook de structuren en zelfs de ligging van
de Poolse staat extreem veranderd. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en
de vestiging van definitieve grenzen werden miljoenen mensen gedeporteerd. Ook
alle resterende Poolse kerkelijke organisaties werden verjaagd in de door de
Sovjets geannexeerde gebieden. In het “nieuwe” Polen moest veel vanaf de grond
af worden opgebouwd.
Op een dergelijk moment botsen de harde politieke
feiten met de eeuwenoude regels en precedenten van de katholieke kerk. De
katholieke kerk is onafhankelijk en erkent geen politiek gezag over haar
interne organisatie. Zou zij dat wel doen zou zij geen wereldkerk kunnen zijn.
Ondanks dat in de praktijk hierin wel eens concessies
worden gedaan is de fundamentele regel duidelijk: bisdommen worden niet
opgericht, opgeheven, opgedeeld of samengevoegd op bevel van een overheid.
Kerkelijke grenzen worden dus nooit eenzijdig
aangepast ten gevolge van invasies, oorlogen, annexaties of revoluties. Pas als
er een vreedzame oplossing gevonden is voor het politieke geschil gaan de
kerkelijk en wereldlijke kaarten weer op elkaar lijken. Zo kunnen er in de
nasleep van oorlogen zeer ingewikkelde kerkelijke lappendekens ontstaan. We
hebben hier in de inleiding al een Nederlands voorbeeld van gezien.
Om ons Nederlandse voorbeeld aan te halen: hoewel het
“Zeeuwse Deel van het Bisdom Gent” slechts een kleine tien jaar bestaan heeft,
duurde het daarna nog ruim vijfentwintig jaar voor dat de kerkelijke grenzen
volledig samenvielen met de landsgrenzen. Zo ingewikkeld kan het zijn. En dat
is “klein bier” vergeleken met de enorme dissonans tussen kerkelijke en
wereldlijke grenzen die ontstond in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog.
Één van de Poolse bisdommen die extreem getroffen werd
door de grensverschuivingen vanaf 1939 was het Aartsbisdom Lwów (het huidige Lviv)
dat vrijwel geheel in het huidige West-Oekraïne ligt. Na 1945 bleef van dit
grote aartsbisdom slechts een schilfertje over dat in het huidige Polen lag. Dit
papieren restbisdom blijft, onder de naam aartsbisdom Lubaczów, voortbestaan.
(De communistische
overheden verboden het gebruik van namen uit voormalige Poolse gebieden die nu
in Sovjethanden waren. In het Annuarium Pontificium, het jaarboek van
het Vaticaan, stond het aartsbisdom Lubaczów ook na de Tweede Wereldoorlog nog als “Archidioecesis
Leopolitana Latinorum”, “het Latijnse aartsbisdom Lwów/Lviv” in de boeken. Het
huidige Latijnse aartsbisdom van Lviv in Oekraïne is de directe rechtsopvolger van zowel
het eerdere aartsbisdom Lwów als het aartsbisdom Lubaczów)
De priesters uit
dit aartsbisdom afkomstig waren gingen elders in Polen werken en studenten die in
dit gebied geboren waren bleven gewijd worden voor dit aartsbisdom.
Hierdoor ontstond
een zeer lastige situatie. Alleen al om praktische redenen is het onwenselijk dat
er honderden priesters behoren tot een bisdom van minieme omvang. Het is
voorstelbaar dat dat problemen geeft met overzicht en toezicht. In het geval
van Surgent is deze vreemde situatie één van de redenen waarom hij
kerkrechtelijk tussen wal en schip gevallen is.
Surgent was als
priester van aartsbisdom Lubaczów in ieder geval niet onderhorig aan het directe
gezag van aartsbisschop Wojtyla maar dat van de eindverantwoordelijke in
Lubaczów.
Dit is ook de
voornaamste reden waarom aartsbisschop Wojtyla niet rechtstreeks verantwoordelijk
kan worden gehouden voor hoe de kwestie Surgent afgehandeld is. Daar gaan we
straks nader op in.
Hoe is er door de
kerkelijke instanties omgegaan met de zaak Surgent?
Surgent kwam vanaf het begin van de jaren ’70
duidelijk in opspraak. Hoogstwaarschijnlijk had hij hiervoor ook misbruik
gepleegd. Hij had al een reeks benoemingen achter zich en bleef nergens langer
dan twee jaar. Dit kan ook te maken hebben met het feit dat hij continu
conflicten had met zijn collega’s. Kerkelijk archiefonderzoek zou meer duidelijkheid
kunnen brengen. Er zijn aanwijzingen dat hij in 1968 al een persoonlijke
schriftelijke berisping heeft gekregen door het aartsbisdom Lubaczów . Een dergelijke
berisping viel binnen de kerkrechtelijke normen van die tijd en zou volgens die
normen ook niet verder bekendgemaakt
zijn. Een dergelijke berisping was persoonlijk van aard. De SB lijkt deze
berisping te hebben onderschept en gebruikte die om hem onder druk te zetten om
voor hen te komen spioneren.
Ook de Poolse geheime dienst had ook zijn redenen om
Surgent niet voor het gerecht te laten komen. Rzeczpospolita schrijft: [ze] besloten, in plaats van hem te straffen, de
informatie [aanwijzingen van
het plegen van misbruik] te gebruiken om hem te rekruteren als een geheime
medewerker van de SB (geheime dienst). Een SB-officier verklaart: “Ik
heb hem uitgelegd dat we bereid waren om het dossier uit behandeling te nemen
in dit stadium (opzij te leggen – D.W.), wanneer hij er mee instemde om
permanent contact met ons te hebben en ons informatie te verstrekken die voor
ons van belang is.' Surgent stemde in met het voorstel en op 7 november 1969
tekende hij een belofte om met de SB samen te werken.
Deze samenwerking
was van korte duur, maar hij was nog niet van de SB af, de dienst zou hem tot
de val van het communistische regime blijven achtervolgen
In 1973 valt op
dat Surgent meerdere jongens en jongemannen seksueel belaagt. Hij trekt weer de
aandacht van de geheime dienst, en ook het bisdombestuur van het Aartsbisdom
Krakau bemoeit zich met de zaak.
Uit de dossiers
van de SB blijkt dat deze misbruikzaak teruggaat tot 1971, letterlijk het
moment dat hij aankomt in het dorp waar hij woont. Ook dit laat niet de indruk
na dat het zijn eerste delict was. Surgent is in 1971 al verhard in zijn perverse
gedrag.
Binnen een paar
maanden wordt Surgent ontslagen door het bisdombestuur van Krakau ontslag uit
al zijn functies en krijgt hij een werkverbod voor het hele territorium van het
aartsbisdom. Dit is een passende maatregel die de verantwoordelijken in het
aartsbisdom Krakau binnen hun bevoegdheden kunnen nemen. Hulpbisschop
Pietraszko deelt Surgent mondeling mee dat hij ontslagen is “in verband met
beschuldigingen van wangedrag”. Zijn ontslagbrief bevat geen ontslaggrond. Het
aartsbisdom kan geen verdere maatregelen nemen, zoals heenzending uit de
geestelijke stand omdat Surgent zoals eerder vermeld, toebehoort aan het aartsbisdom
Lubaczów.
Hoewel
hoogstwaarschijnlijk, het verslag doorgestuurd is naar het aartsbisdom Lubaczów
voor verdere maatregelen is het daar blijven liggen. Het noodlot sloeg namelijk toe toen bisschop Nowicki die het aartsbisdom
Lubaczów bestuurde in augustus van dat jaar overleed. Dit bericht kwam dus in
een “beslissingsvacuüm” terecht dat ontstaan is bij het overlijden van de
bisschop. Onkerkelijk gesproken is hier sprake van “domme pech”.
De onderzoekers
van Rzeczpospolita zijn van mening dat het bisdombestuur van Krakau correct
heeft opgetreden binnen de juridische normen van de Codex van 1917. Zij
schrijven:
Ervan uitgaande dat de opeenvolging van gebeurtenissen
was zoals beschreven in de getuigenissen van pater Surgent – en er zijn geen
redenen om die in twijfel te trekken – is het moeilijk om omissies of ernstiger
fouten in de acties van de hiërarchen van Krakau te zien. Nadat hij het nieuws
had ontvangen dat de priester kinderen had misbruikt, werd hij naar de curie
geroepen. Bisschop Pietraszko geloofde niet in zijn verzekeringen over zijn
onschuld. Aanvankelijk gaf hij toestemming voor verlof, maar het valt niet uit
te sluiten dat achter het woord 'verlof' een tijdelijke schorsing zat. Later –
na nog een gesprek van de priester met bisschop Pietraszko en kardinaal Wojtyła
– was er een onmiddellijk ontslag van het werk in het bisdom en een verbod om
in Kiczora te verschijnen. Dus: strafrechtelijke schorsing, verlies van ambt en
inkomen, evenals een verbod op werk in het aartsbisdom Krakau – allemaal
voorzien door [de toen geldende Codex, JJvP]
Waar de kerkelijke overheid in eerste nog welwillend
was om Surgent een tweede kans te geven en geloof te hechten aan zijn beloftes dat hij zich gaat beteren wordt in 1973 duidelijk en vrij snel
gekozen voor het opleggen van sancties. We kunnen slechts raden wat er gebeurd was
als bisschop Nowicki niet tijdens het verloop van deze zaak was overleden.
In november van dat jaar wordt Surgent door de Poolse
rechtbank veroordeeld tot drie jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hij zit
slechts een jaar van deze straf uit. Wanneer hij vrijkomt heeft hij nog steeds
een werkverbod. Dit duurt tot 1978 wanneer hij wordt overgeplaatst naar het
nieuw opgerichte bisdom Koszalin-Kołobrzeg in het noorden van Polen.
Waar het artikel in Trouw de inmenging van aartsbisschop
Wojtyla ontwaart in deze overplaatsing wijzen de onderzoekers van Rzeczpospolita
dit resoluut af. Zij schrijven:
In 1978 had pater Surgent vijf jaar lang niet het
recht gehad om in het aartsbisdom Krakau te werken. (…) Laten we niet vergeten: in 1969, toen een
brief over het verderven van een minderjarige door Surgent naar de Krakause
curie kwam, wisten de bisschoppen Pietraszko en Groblicki van de zaak,
kardinaal Wojtyła wist het ook, maar het was niet hij maar de toenmalige administrator
van Lubaczów die een brief aan Surgent schreef waarin hij hem voor deze daad berispte.
Er is geen reden om aan te nemen dat Lubaczów deze
keer niet op de hoogte was. Daarom werd de beslissing om Surgent in een ander
bisdom te laten werken buiten kardinaal Wojtyła genomen, en het moet
gezamenlijk zijn genomen door bisschop Marian Rechowicz (sinds 1974 de
administrator van het aartsbisdom in Lubaczów) en bisschop Ignacy Jeż - sinds
1972 de ordinarius van Koszalin-Kołobrzeg. De eerste moest toestemming geven
aan de priester die aan hem ondergeschikt was om officieel naar een ander
bisdom te verhuizen (de zogenaamde excardinatie), terwijl de laatste moest
instemmen met het accepteren van deze priester.
Het is
onduidelijk wat bisschop Jeż van Koszalin-Kołobrzeg
wist van het verleden van Surgent. Als er wat bekend was is het denkbaar dat ook
hij geloofde in tweede, en dit geval, derde kansen. De Codex van 1917 maakte
het ook mogelijk dat een uitgezeten straf het opleggen van verdere kerkelijke
sancties overbodig maakte. Een dergelijke interpretatie van het kerkelijke
recht kan meegespeeld hebben. Er bevinden zich in het bisdom Koszalin-Kołobrzeg
geen documenten over Surgent voor de tijd dat hij daar kwam te werken.
Zelfs als er feiten bekend waren is het verder
mogelijk dat gedacht werd dat hij al met al, met een korte gevangenisstraf en
een vijfjarig werkverbod al genoeg bestraft was en een tweede kans verdiende.
Hierbij moet vermeld worden dat in de jaren ’60-’80 de
zeer hoge recidive van kindermisbruikers niet goed onderkend werd. De balans
tussen rechtvaardigheid en genade sloeg in deze tijd wel érg vaak door in de
richting van genade.
Paus Benedictus XVI verhaalde in 2010 in een interview
dat het kerkelijke strafrecht zijns inziens functioneerde “tot eind jaren
vijftig” waarna de gestrengheid werd losgelaten en gekozen werd om een “kerk
van liefde” te zijn. Deze pijnlijke observatie dient ons ter illustratie van het
harde feit dat goed bedoeld niet altijd goed gedaan is.
Als Surgent in 1985 eindelijk een zelfstandige
benoeming in het bisdom Koszalin-Kołobrzeg
krijgt was ook zijn strafblad gedelgd. Volgens het toen
geldende wetboek van strafrecht gebeurde dit tien jaar na het uitzitten van de
straf.
Helaas is de
tijd van Surgent in Koszalin-Kołobrzeg in tegenstelling tot zijn verblijf in
het aartsbisdom Krakau de moeilijkste episode in dit treurige verhaal. Waar het
aartsbisdom Krakau indertijd ingreep lijkt er geen sprake te zijn van ingrijpen
in Koszalin-Kołobrzeg
Het is lastig
voorstelbaar dat bisschop Jeż hier
niet na verloop van tijd van op de hoogte is gesteld. De SB-dossiers stellen dat
hij op de hoogte was, maar zonder toegang tot de archieven van Koszalin-Kołobrzeg blijft het
gissen. We weten niet welke afwegingen bisschop Jeż maakte en op grond van welke informatie hij dit deed.
Een
mogelijke verklaring kan zijn dat Surgent inmiddels weer informant was geworden
van de geheime dienst. Hij heeft tot 1988 informatie over andere geestelijken
deelt met de SB. De SB had dus een belang bij om hem niet als recidivist te laten
vervolgen. Dit kan kerkelijk ingrijpen bemoeilijkt hebben. Als het wereldlijke
recht niet functioneert kan het kerkelijke recht de lacunes niet per se
opvangen, zeker niet in een context waarin de staat de kerk onderdrukt.
Maar
nogmaals: zonder toegang tot de archieven van Koszalin-Kołobrzeg is het onmogelijk
om de afwegingen van bisschop Jeż na te trekken.
Dat Surgent ook
in Koszalin-Kołobrzeg niet gewenst was wordt wel gesuggereerd door het feit dat
hij nogmaals wordt overgeplaatst. Hij wordt, begin jaren negentig na de val van het communisme toegewezen
aan een parochie die op het punt staat bij na een organisatorische herschikking bij het bisdom Pelplin (het vroegere diocees Chelmno)
gevoegd te worden. Door de kerkgeschiedenis heen is dit een geëigende manier om
zonder moeilijke procedures van ongewenste priesters af te komen.
In Pelplin
wordt hij echter niet opgenomen in de eigen priesterstand van het bisdom en
krijgt hij ook geen pastoorsbenoeming meer. Dat suggereert in ieder geval het
nodige.
Er is niet veel meer bekend over de laatste jaren die
Surgent in het bisdom Pelplin doorbracht. Tussen de regels lezend laat het
laatste decennium van het werkzame leven van priester Eugeniusz Surgent de
indruk na van een priester die onder zijn collega’s, bij de bisdombestuurders
en onder het kerkvolk in een kwade reuk stond. De weinige feiten uit de laatste
jaren suggereren dat hij hooguit geduld werd in de parochie waar hij werkzaam
was.
“Hoewel
hij tien jaar in [het dorp] Huta Kalna werkte, werd hij niet begraven op de plaatselijke
parochiebegraafplaats.”, besluit het artikel in Rzeczpospolita
veelzeggend.
Dit is niet
uitzonderlijk. In gemeenschappen waar de formele structuren niet (kunnen)
werken worden problemen informeel opgelost. Een zich misdragende priester die om
welke reden ook niet wordt aangepakt, kan (en wordt) wel genegeerd en buitengesloten.
Al met al schetst Rzeczpospolita een treurig verhaal
met veel misselijkmakende details over een priester die een spoor van
verwoesting nagelaten heeft. Maar hoe beantwoord je de vraag wie er
uiteindelijk schuld heeft. Wie is er verantwoordelijk?
Het is een zeer lastige vraag omdat we hier te maken
hebben met een systeemfalen. De toepassing van het katholieke kerkrecht schoot
fundamenteel tekort door een veelheid van factoren. Deze varieerden van een te
groot vertrouwen in goede bedoelingen en beloofde beterschap tot de uiterst moeilijke situatie van de katholieke kerk in een
totalitaire staat, in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog die zo’n catastrofale
uitwerking op Polen heeft gehad .
De Poolse staat en zijn geheime dienst hadden een
duidelijk gedocumenteerd belang om de kerk zoveel mogelijk schade toe te
brengen. Het wereldlijke strafrecht werd dan ook opportunistisch toegepast. De communistische
Poolse overheid heeft Surgent meerdere keren, zowel in 1970 als in de jaren
tachtig de hand boven het hoofd gehouden.
"Ondanks het feit” schrijft een SB agent in 1970 “dat we materiaal hebben dat kan worden
gebruikt om hem in diskrediet te brengen, laten we dit rusten, omdat hij door
zijn gedrag meer schade kan toebrengen aan de geestelijkheid."
De meest in het oog springende vragen aangaande kerkelijk
falen bevinden zich zoals gezegd ook niet in de eerste plaats in Krakau maar in
het bisdom Koszalin-Kołobrzeg. Het gebrek aan kerkelijk optreden is misschien
verklaarbaar, maar kan niet worden verklaard zonder kerkelijk archiefonderzoek.
Slechts in de meest algemene termen kunnen we zeggen
dat in een onrechtstaat het moeilijk, zo niet onmogelijk, is om in een
organisatie consistent het goede te kunnen doen, zelfs als de wil daartoe er
is. Verder historisch onderzoek uitwijzen hoe de kerk (dis)functioneerde in deze
unieke politieke context.
Tenslotte, ook al is het onterecht om in deze concrete
zaak aartsbisschop Wojtyla, de latere paus Johannes Paulus II, persoonlijke of
formele verantwoordelijkheid toe te dichten is het ook historisch onterecht om
de zaak om te keren. Dat aartsbisschop Wojtyla híér geen verantwoordelijkheid
droeg betekent niet dat hij in alles onfeilbaar was of geen bestuursfouten
gemaakt heeft. We weten dat aartsbisschop Wojtyla in een aantal gevallen, snel
en resoluut opgetreden heeft, maar één of twee zwaluwen maken nog geen zomer.
De laatste berichten vanuit het Vaticaan geven aan dat
er alsnog een onderzoek komt naar hoe aartsbisschop Wojtyla in het aartsbisdom
Krakau zorg gedragen heeft voor slachtoffers van misbruik en het nemen van
maatregelen tegen priesters die delicten plegen tegen minderjarigen.
Dat onderzoek had eerder plaats moeten vinden
en het feit dat het juist het Vaticaan is die hier het voortouw neemt komt
omdat de Poolse bisschoppen zélf nog steeds hun archieven gesloten houden voor
legitiem historisch onderzoek. Hierin verzaken ze mijns inziens een morele
plicht naar de Poolse gelovigen en de wereldkerk. Dat Vaticaans ingrijpen
noodzakelijk blijkt geeft aan hoe onhoudbaar deze Poolse houding is.
Deze houding leidt immers niet alleen tot serieuze
geloofwaardigheidsproblemen maar blokkeert ook de weg naar een cultuur van
erkenning, genoegdoening en bekering. Het huidige beleid van de Poolse bisschoppen
bewijst niemand een dienst.
Een open, historische houding naar de afwegingen die bestuurders
maakten moet wars zijn van heldenverering enerzijds en een zucht tot om koste
wat kost een zo prominent mogelijke “dader” aan te wijzen anderzijds.
Wie dat toch doet stapt in de dramadriehoek van de
Poolse polarisatiepolitiek. Daar moet iedereen ver weg van blijven.
Een laatste observatie ter afsluiting:
We begonnen bij de
onwaardige priester Eugeniusz Surgent. Een getroebleerd man die zijn medemens
veel kwaad berokkend heeft, waartegen niet goed opgetreden is, en die niet tegen
zichzelf beschermd werd. Hij is nu voorbij elke aardse rechtspraak. Het
uiteindelijke oordeel is aan God.
We eindigen bij de
mensen die onze aandacht moeten hebben, de vele slachtoffers die Surgent – en anderen
- gemaakt hebben, bij uitstek weerloze jonge mensen. Hoewel de waarheid in
zichzelf al goed en waardevol is zijn wij bij uitstek aan zijn slachtoffers
verplicht dat de vele resterende vragen worden opgehelderd.
Pastoor Jan-Jaap
van Peperstraten is pastoor in het bisdom Haarlem-Amsterdam, hij studeerde in
2015 af als kerkhistoricus
Het zeer uitvoerige onderzoek in de Poolse krant Rzezcpospolita
is verricht door de journalisten Tomasz
Krzyżak en Piotr Litka. Diederik Wienen verzorgde een Nederlandse werkvertaling van het artikel.