Friday, 14 September 2018

Op de Drempel van de Hoop?



Drempels zijn bijzonder. 

De drempel is een afscheiding tussen binnen en buiten, tussen de éne orde en een andere. Het zijn grensgebiedjes waarop je kort mag staan. Word je binnengenodigd? Mag je buiten blijven? Mag je er eindelijk overheen, naar buiten - de vrijheid in?  
Een drempel van een heiligdom is al helemaal met een bijzondere betekenis geladen: als grens tussen het heilige (fanum) en het wereldse (pro-fanum) zijn ze kwetsbare overgangsgebieden waar mensen kleur bekennen, gevolg geven aan hun keuzes, en binnen of buiten gaan. Drempels zijn zèlf dunne strookjes heilige grond. De omgang met drempels en drempelmomenten tekent ons. Hoe je binnenkomt of buitengaat, hoe je onthaald wordt en hoe de deur voor je wordt opengehouden als je afscheid neemt, dat zijn belangrijke elementen van onze levensverhalen.

De kerk kent pastoraat in alle soorten en maten. Er is pastoraat voor elk scharniermoment in het leven: voor geboorte, volwassenheid, ziekte en dood. Er is pastoraat voor op de weg, er is pastoraat voor op bed, en er is ook pastoraat voor mensen die op de drempel staan . Op de drempel van de kerk.
Mensen die naar binnen willen, of juist naar buiten. Drempelpastoraat. 

Drempelpastoraat tekent een begin of een einde. Als iemand binnen komt, wordt een relatie met een mogelijke toetreder begonnen - die zijn levensverhaal en het verhaal van de kerk op elkaar ziet rijmen. Als iemand buitengaat, nemen we afscheid van elkaar - we beëindigen een relatie. Soms hebben mensen pijn, soms voelen ze dat ze nog even met een deur moeten slaan. Anderen willen hun verhaal nog even kwijt aan de drempelwachter.

Die deurwachter, dát ben ik. Als iemand naar binnen wil, ben ik degene met wie ze eerst het gesprek aangaan. Als ze willen gaan ben ik degene die zijn handtekening moet zetten onder de brief waarin we afscheid van elkaar nemen. Het is sinds een paar weken drukker op de drempel. Geen eenrichtingsverkeer, dat niet, maar er wordt wel consistent aan mij gevraagd om de deur naar buiten  open te maken. Ik ben naar eer en geweten verplicht om deze gang mogelijk te maken. Ik heb geen recht om iemand tegen te werken, en ik probeer als het enigszins mogelijk is tussen de opzeggingsbrief en de definitieve administratieve stappen niet langer dan een week te laten zitten. En als mensen niet uit het formulier komen, dan help ik ze daarbij. Dat voelt dubbel, maar soit. Zij hebben hun keuze gemaakt, en aan mij om er voor te zorgen dat hun laatste (?) ervaring met de kerk geen hatelijke of negatieve is.

De drempel heeft zijn eigen tempo, en zoals met alle pastoraat is het aan de pastorant - niet aan de pastor - om ritme en richting aan te geven. Elke vorm van geestelijke dwang is uit den boze. Je moet de persoon op weg naar binnen of buiten respecteren, zijn of haar keuzes zijn leidend, en zeker als iemand gekozen heeft om te gaan past het niet om nog drempels op te werpen. 

Tegelijkertijd is het ook niet fris mensen over de drempel heen te trekken , alsof die drempel er eigenlijk niet is. De gang over de drempel is deel van de weg die iemand gaan moet, en niemand anders kan die weg voor hem gaan. De drempel zou bij uitstek een manipulatievrije zone moeten zijn. 

Terwijl ik een uitschrijfformulier opzocht voor een parochiaan kwam ik een voorbeeld tegen van hoe het mijns inziens in ieder geval niet moet:

Bah.

De remonstranten zijn een religieus genootschap van vrijzinnige snit, en zijn met graagte actief op de religieuze marktplaats. Ze prijzen hun waren luidkeels aan. "Mijn God maakt graag Reclame" zou een alternatief motto voor dit gezelschap kunnen zijn.

Enfin, terug naar de arme bijna-ex-katholiek, die op zoek is naar de deur. De man of vrouw die zich gereed maakt om de drempel over te gaan, de wijde wereld in. Hij of zij staat nog niet op die drukke jaarmarkt van de Zingeving. Die is nog niet omringd door vuurspugers, jongleurs, vrouwen met baarden en honderden marktkramers met dé patente oplossing voor alle existentiële noden. Morgen wellicht, maar nu nog niet. Hij googelt naar een formulier, om de drempel over te kunnen gaan. Vandaag, morgen, overmorgen staat hij of zij op dat smalle lijntje heilige grond..

Hij print zijn formulier uit en vult deze in, misschien houdt hij of zij wel even halt, en denkt over verleden, heden of toekomst. De levende kerststal lang geleden, pijn over dingen die gezegd of gedaan zijn, een herinnering aan de geur van wierook dringt zich wellicht op, misschien is er een min of meer omlijnde verwachting voor de toekomst...

Misschien blijft het formulier nog even liggen, misschien blijft het liggen en gaat toch de prullenbak in, misschien wordt het met een diepe zucht (frustratie? bevrijding?) ondertekend en morgen in de bus gedaan. Ter attentie van mij. De drempelwachter.

Daar lawaaiig tussen willen komen -met een jolige reclameboodschap- verdraagt zich niet met de drempelpositie van de pastorant. Een reclameboodschap op een heilige drempel gekalkt, dat noemen we met rechte eerder graffiti. Dat is geen helpende hand, maar eerder een smoezelig pootje dat al te gretig door de brievenbus wordt gestoken, tastend naar een nieuwe klant. 

Je zou er wat onpasselijk van worden. Het zal wel heel modern zijn, en horen bij 2018, en een uiting zijn van de nieuwste guerilla-marketingideeën... Maar ik hoop dat we hier nooit aan mee gaan doen. Ik hoop dat ik me er nooit toe zal laten verleiden.  

Ik heb verhaal gehaald, maar ik vond deze keer een dichte deur. Een bekende remonstrant vond dat mijn eigen kerk wel genoeg problemen had om me druk over te maken (Dankjewel Tom, ik was dat feit bijna vergeten! Bedankt dat je me er aan herinnert!). Zo was er van achter die dichte deur nog wat gegrinnik. Enfin. Ik ben blij dat het mijn deur niet was.

Maar als je je ergens aan ergert, dan betekent dat, dat iets betekenis heeft en reflectie vraagt. Zo levert deze stunt wellicht toch nog wat positiefs op. Voor mij is weer duidelijker geworden waarom ik doe wat ik doe en dat blijf ik doen. 

Het is op dit punt in de geschiedenis druk op de drempels. Misschien zal dat nog een tijd zo blijven, misschien keert de richting zich ooit om, ik weet het niet.

Aan welke kant van de drempel u zich ook bevindt, ik beloof dat ik altijd zal proberen uw gang over de drempel met alle zorg te begeleiden, hoe kort of lang deze tocht ook duurt. 
En als ik hier niet aan voldoe, dan hoop ik daar altijd op aanspreekbaar te zijn. Juist als ik fouten maak. 

Waar u ook heen gaat, het ga u goed.
         

Saturday, 8 September 2018

Wonderdoener


"Christus geneest de doofstomme van de Dekapolis" Bartholomeus Breenberg, 1635


Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Marcus 7:31-37: 

In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus
en begaf zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekápolis.
Men bracht een doofstomme bij Hem
en smeekte Hem, dat Hij deze de hand zou opleggen.
Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren
en raakte zijn tong met speeksel aan.
Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel,
zuchtte en sprak tot hem:
“Effeta”,
wat betekent:
Ga open.
Terstond gingen zijn oren open,
en werd de band van zijn tong losgemaakt,
zodat hij normaal sprak.
Hij verbood het aan iemand te zeggen;
maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood,
des te luider verkondigden zij het.
Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit:
“Hij heeft alles wel gedaan,
Hij laat doven horen en stommen spreken.”

Broeders en zusters

Deze zondag is ziekenzondag , de zondag in het jaar waar we bijzondere aandacht hebben voor mensen die lijden onder kwalen van het lichaam of de geest. Dat is een belangrijk moment.

We leven in een samenleving waar niet alleen verwacht wordt dat je lang gezond blijft, maar ook in een wereld waarin wat we doen steeds belangrijker wordt gevonden dan wie wij zijn. Ik las een artikel in de krant een tijdje geleden dat er een onderzoek was geweest naar hoe mensen hun identiteit beleefden. Daar kwam uit, uit dat onderzoek, dat door de jaren heen steeds meer mensen zich identificeerden met hun beroep in plaats van met iets anders. Vroeger zeiden mensen misschien als eerste dat ze katholiek waren bijvoorbeeld, of hervormd – omdat dat heel belangrijk voor ze was. Nu zeggen mensen misschien “ik ben verpleegkundige” of “ik ben manager”.

Maar wat als je niet zoveel meer kan, of misschien nooit zo veel hebt aangekund? Wie ben je dan nog? Heb je dan nog wel een plek? We hebben het evangelie over de doofstomme gelezen – en ik denk wel eens: als iemand pijn heeft of ziek is, dan worden we zelf wat doofstom. We kunnen dan vaak niet goed luisteren en niet goed spreken. En als we een ander niet meer kunnen verstaan is het eind zoek.  

In de tweede lezing en in het Evangelie lezen we dan een bijzondere raadgeving en een mooi verhaal. Ze lijken in eerste instantie niet op elkaar, maar hebben toch veel met elkaar te maken. En het leert ons een les wie wij ten diepste mogen zijn.

In het Evangelie lezen we over een wonder dat Jezus doet: er wordt iemand bij hem gebracht – en dat is een complete buitenstaander. Hij is doofstom – hij kan niet spreken, niets horen – dan ben je dus echt buitengesloten uit het maatschappelijk leven. En eigenlijk is hij nog uitgestotener dan dat. We lezen dat Jezus in de streek van de Dekapolis is. Dat is een heidense streek. De man valt (naar alle waarschijnlijkheid) ook nog eens buiten het Verbond van God met het Joodse volk. Hij kan zich nergens meer op beroepen.

Maar als Jezus hem geneest is het hek ook van de dam. Hij houdt niet meer op met spreken. Misschien wordt dat wel zijn nieuwe beroep. Veilingmeester of zo. Of Stadsomroeper. Maar wat hij ook gaat doen met zijn nieuwe talent: Jezus zag hem al aan voor wie hij was. Hij hield niet minder van hem.  En als zijn carrière als veilingmeester of stadsomroeper er opzit, blijft hij nog steeds wie hij altijd al was. Een geliefd kind van God. Iemand die wel een wonder waard was.

In de tweede lezing, de Jakobusbrief lezen we de opdracht van de apostel dat men in de kerk geen ereplaats moet zoeken voor een rijk mens  terwijl we de arme maar een beetje in de hoek wegduwen. Kennelijk gebeurde dat dus ook in de Vroege Kerk, in de tijd van de apostel Jacobus zelf!
We zien het al voor ons hè, zo’n rijke man – een alleskunner – met vast een belangrijk beroep – Senator of zo – en die verblijdt ons met een bezoek, nou daar maak je een mooie plek voor gereed. Je rent expres naar de buren om de mooiste stoel uit de huiskamer even te mogen lenen. Je kan toch niet verwachten dat Senator Crassus op zo`n houten bankje moet gaan zitten net als de rest? Straks vertelt hij nog bij het golfen aan al zijn rijke vrienden hoe schabouwelijk het er allemaal aan toe gaat in de kerk. Nee! Dat kan niet!
  
En dan komt er tegelijkertijd iemand binnen die.. nouja, waar je wat minder aan hebt. Die is niet zo handig, of misschien niet zo handig meer. En ja, zo`n arme man, die is alleen maar lastig. Straks zegt hij nog gekke dingen, of vraagt hij die keurige rijke man om geld…  Nee, ehm, ga jij maar in dat hoekje staan. Nee, niet daar, ietsje meer bij de deur of zo. En daar staat die arme man dan, in een hoekje,  terwijl het openingslied gezongen wordt, zo`n mooi en vroom lied over hoe we plaats maken voor iedereen. Tja.  

Zo gaat dat dus niet. Als je er als kerk niet bent voor iedereen, dan ben je er uiteindelijk voor niemand – want je maakt je opdracht niet waar. We mogen daarentegen leren kijken met de ogen van de Heer, de ogen waarmee Jezus zelf de mensen aankijkt. We hoeven niet blind te zijn voor de buitenkant, en voor wat mensen allemaal kunnen. Want dat is allemaal goed en mooi, maar het vat niet samen wie iemand is.

Als we ons willen laten aanraken door de Heer, dan gebeurt er ook in ons een wonder.  Dan houden we op doofstom te zijn, en leren we ook luisteren en spreken.

Dan kunnen we andere mensen verstaan – horen wat ze nodig hebben, luisteren naar hun verhaal, over hun moeilijkheden, hun pijn – maar ook hun blijdschap en wat er mooi is in hun leven.

En we kunnen dan spreken : woorden van bemoediging en hoop, woorden van nabijheid. En soms kun je zelfs spreken zonder iets te zeggen: dan zegt je liefdevolle aanwezigheid al genoeg.

Laten we ons dan aanraken door die bijzondere man, door de Heer, door zijn voorbeeld. Dan mogen we aandachtig in het leven staan en de goede gaven doorgeven die ons toegevallen zijn. Dan maken we nog wonderen mee. Hij laat doven horen, en stommen spreken!

Amen.

Sunday, 2 September 2018

Echte Schoonheid zit van Binnen.


 
Uit: The Twits van Roald Dahl, afbeelding Quentin Blake

Evangelie (Mc. 7, 1-8.14-15.21-23)

Eens kwamen de Farizeeën
en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus tezamen,
en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine,
dat wil zeggen, ongewassen handen aten.
De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen;
komen ze van de markt,
dan eten ze niet voordat zij zich gereinigd hebben;
zo zijn er nog vele dingen
waaraan ze bij overlevering vasthouden:
het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.
Daarom
stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag:
“Waarom gedragen uw leerlingen zich niet
volgens de overlevering van de voorvaderen,
maar eten zij met onreine handen?”
Hij antwoordde hun:
“Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd!
Zo staat er geschreven:
Dit volk eert Mij met de lippen
maar hun hart is ver van Mij.
Zij eren Mij, maar zonder zin,
en mensenwet is wat zij leren.
Gij laat het gebod van God varen
en houdt vast aan de overlevering van mensen!”
Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen:
“Luistert allen naar Mij en wilt verstaan:
niets kan de mens bezoedelen
wat van buiten af in hem komt.
Maar wat uit de mens komt,
dat bezoedelt de mens.
Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen
komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord,
echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog,
losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.
Al die slechte dingen komen uit het binnenste
en bezoedelen de mens.”



Broeders en zusters in Christus 


We zien in dit evangelie twee groepen mensen, mensen die zich bezighouden met de buitenkant – met hoe dingen er uit moeten zien , en hoe het allemaal hoort – en mensen die zich bezighouden met de binnenkant, met de essentie van de zaak, de geest die ons voortdrijft. 

Het is een spanning tussen twee opvattingen over wát er het meest toe doet – de letter of de geest.


Jezus en zijn leerlingen zijn duidelijk niet meer bezig met “hoe het hoort”, met de buitenkant, met de vaste rituelen van het joodse geloof. Ze zeggen: die zijn een lege huls geworden – de inhoud is al lang zoek geraakt, en als je niet uitkijkt ben je alleen nog maar bezig met het najagen van schaduwen en vormendienst. Ga liever naar de essentie toe, dan komt de buitenkant vanzelf wel. 


In moderne woorden: je wordt niet mooi omdat je make-up draagt, of dure merkkleding draagt, echte schoonheid zit van binnen. Dat klinkt als een cliché, maar toch is het zo.


De bekende kinderboekenschrijver Roald Dahl legt dit in zijn boek De Griezels heel goed uit. We komen meneer en mevrouw Griezel tegen: en ze zijn onverdraaglijk lelijk. In de baard van meneer Griezel zit van alles en nog wat, en mevrouw Griezel ziet er nog erger uit. Ze zijn ook nog eens heel gemeen tegen elkaar, andere mensen maar vooral tegen dieren - toch was mw. Griezel nooit zo lelijk als nu.


Roald Dahl legt uit hoe het komt dat ze zo afstotelijk zijn: 



Als iemand lelijke gedachten heeft, ga je dat aan zijn gezicht zien. En wanneer iemand aldoor lelijke gedachten heeft, elke dag, elke week en elk jaar, dan wordt dat gezicht lelijker en lelijker tot het zo lelijk wordt, dat het niet meer om áán te zien is. Iemand die mooie gedachten heeft, kan nooit lelijk zijn. Al heb je een knobbelneus, een scheve mond, een onderkin en konijnentanden ; als je mooie gedachten hebt, schijnen ze uit je gezicht als zonnestralen en zul je er altijd even mooi uitzien.



Wat Roald Dahl beschrijft is niet alleen maar zo in kinderboeken, het is echt waar. Als je iemand tegenkomt die altijd heeft geprobeerd te leven uit liefde en goedheid, dan zie je dat aan iemand af. Dan straalt er iets door iemand heen wat ze anders maakt dan andere mensen. Iets wat ze bijzonder maakt. 


Als je hart echter een andere kant op gaat, als dat hart vol zit met list en bedrog, of eigenwaan, of agressie, dan merk je daar wat van. Ook al gaat die persoon vaak naar de sportschool en draagt hij of zij dure kleren en merkparfum. Je voelt dat er iets niet klopt, dat buitenkant en binnenkant niet op elkaar passen. 


Over die mensen heeft Jezus het vandaag, hij zegt met zoveel woorden. Als je hart niet op de goede plek zit, dan maakt het niet uit hoeveel plamuur je op de buitenkant smeert – het is als het overschilderen van rot hout: dat werkt niet. Hoeveel je er ook overheen smeert, uiteindelijk valt het zaakje toch uit elkaar. 


Wij mogen ons gelukkig richten op de andere kant van de medaille, als wij goed willen zijn, echt proberen vanuit liefde te leven dan zorgt de rest voor zichzelf. 

Het evangelie doet wat dat betreft een beetje denken aan die mooie lezing in Matteus over de Leliën des Velds. Ze zijn uit zichzelf al goed en mooi door wat ze zijn en doen – en hoeven zich niet druk te maken over de buitenkant.


Zo mogen wij dus ook door het leven gaan, met een zuiver hart en daarmee minder zorgen op onze schouders. Dan maken ook wij Gods bedoelingen waar.


Amen.