Saturday, 7 December 2019

De Stilte van God


In die tijd trad Johannes de Doper op
en predikte in de woestijn van Judea:
“Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.
Deze toch is het, die de profeet Jesaja bedoelde
toen hij zei:
een stem van iemand, die roept in de woestijn:
bereidt de weg van de Heer,
maakt zijn paden recht.”
Johannes nu droeg een kleed van kameelhaar
en een leren gordel om zijn lenden.
Zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.
Toen trok Jeruzalem, Judea en heel de Jordaanstreek
naar hem uit
en zij lieten zich door hem dopen in de rivier, de Jordaan,
terwijl zij hun zonden beleden.
Maar toen hij vele Farizeeën en Sadduceeën zag komen
om gedoopt te worden,
sprak hij tot hen:
“Adderengebroed, wie heeft u voorgespiegeld,
dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten?
Brengt liever vruchten voort, die passen bij bekering,
en neemt niet een houding aan alsof ge bij uzelf zegt:
Wij hebben Abraham tot vader!
Waarachtig, ik zeg u,
dat God de macht bezit
voor Abraham uit deze stenen kinderen te verwekken!
Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen.
Elke boom dus, die geen goede vrucht draagt,
wordt omgehakt en in het vuur geworpen.
Ik doop u met water, opdat ge u zoudt bekeren.
Maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik,
en ik ben niet waardig Hem van zijn sandalen te ontdoen.
Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.
De wan heeft Hij in zijn hand
en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren;
zijn tarwe zal Hij in de schuur verzamelen,
maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur.”
Broeders en zusters,  

We lezen in de eerste lezing een visioen van Jesaja over het einde der tijden, wanneer de liefde van God zich over de aarde verspreidt heeft als de wateren over de diepte van de zee.

In het Evangelie lezen we over Johannes de Doper. Hij roept de mensen op tot bekering. Hij noemt zichzelf de “roepende in de woestijn” en hij spreekt een aanklacht uit over de farizeeën en sadduceeën, de belangrijke mensen van hun tijd.

Johannes beschuldigt ze er van dat ze zich niet écht willen bekeren, dat wat ze doen maar schijn is. Een harde aanklacht!

Vervolgens wijst Hij vooruit – naar Jezus Christus – en verkondigt dat na hem Jezus Christus zal komen. Hij verkondigt niet zichzelf , hij spreekt namens en voor iemand anders.

Als we lezen over de roepende in de woestijn, zien we een man voor ons die het uitschreeuwt tegen het onrecht, tegen alles wat de liefde van God wil tegenhouden in ons leven. Dat is niet iets van lang geleden, een groot onrecht kan ons nog steeds oproepen om uit te roepen dat het anders moet.
Toen het Joodse volk in Egypte was en daar als slaaf gehouden werd, riepen ze het uit naar God. Maar ook vandaag kunnen we daar voorbeelden van zien.

Deze week zagen we bij het debat over de Belastingdienst daar een voorbeeld van, dat een man het vanaf de publieke tribune had uitgeschreeuwd over het onrecht dat hem en zijn familie was aangedaan.

De roep, de schreeuw om het onrecht is soms een schreeuw in de woestijn, je kan roepen en roepen maar niemand hoort je.  Dat kan als een vloek voelen. 

De oude Grieken voelden dat zo:  die hadden een verhaal over de vrouw Cassandra. Zij werd volgens het verhaal  vervloekt door de god Apollo en haar vloek was dat ze de toekomst kon zien maar dat niemand haar zou geloven als ze mensen probeerde te waarschuwen voor het onheil. Als niemand antwoord op je roepen, of op je waarschuwingen, en er komt alleen maar stilte en afwijzing op terug, dan is dat een vloek. 

Het kan zelfs voelen dat hoe de mens ook roept, die roep in het duistere niets verdwijnt. Zelfs God blijft  stil.

We hebben een roep, en we hebben stilte. De stilte van God. Wat is die stilte van God?

We kunnen zeggen, als God stil is, dan is Hij er niet. Maar dat is niet juist, de ene stilte is de andere niet. De stilte van God is niet de stilte van de grafkuil, de stilte van de dood. Het is eerder de stilte van het klooster, de stilte van de overweldigende sterrennacht. De stilte van God is een zwangere stilte. 

De stilte van God is de stilte van het leven, de stilte van de Aanwezigheid.  Het is een stilte die naar je luistert.

God hoort de roep van de mens. God luistert naar wat wij zeggen, fluisteren, roepen, uitschreeuwen. Je kan roepende in de woestijn zijn in de zekere kennis dat je ook in de woestijn gehoord wordt.

En als de volheid van de tijd gekomen is, dan zal God spreken. Hij hééft gesproken. Hij spreekt door de profeten, maar in de volheid van de tijd spreekt Hij uit wie Hij werkelijk is. Hij geeft ons Zijn Woord, de Zoon die de Vader zichtbaar moet maken in de wereld. En dat Woord, die Zoon wordt mens, en woont onder ons. Jezus Christus.

Jezus Christus is het énige Woord van God dat boven alle mensenwoorden gesproken wordt, boven al onze stilten, boven ons spreken, boven ons roepen.

Hij is het woord dat bevrijd van onrecht, kwaad en dood. Hij is het antwoord op een gevallen en gebroken wereld. Hij maakt ons nieuw.
En elke kerst opnieuw mogen wij dat Woord weer horen. Elke Advent mogen wij er weer op wachten, terwijl de wereld nog kermt en mensen hun pijn uitschreeuwen mogen wij wachten op dat verlossende Woord

En dat wij dan ook op dat Woord mogen luisteren, het in ons hart sluiten en er naar leven.

Amen.




Saturday, 30 November 2019

Meegaan naar het Grote Feest



In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals de mensen in de dagen vóór de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging, en zij niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon.
Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten: twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.
Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.”

Broeders en zusters, beste kinderen, papa’s en mama’s, opa’s en oma’s.
We vieren vanavond/vandaag de eerste zondag van de Advent, we beginnen aan de periode van vier weken, vier zondagen, waarin we uitkijken naar de Kersttijd.

Maar het Evangelie van deze zondag is best moeilijk. Het lijkt wel alsof Jezus zegt dat als Hij komt niet iedereen mee mag doen.
Op de dag dat Hij komt, lezen we, staan er twee mensen in het veld, één wordt meegenomen en één blijft achter. Twee staan er te malen in de molen, één wordt meegenomen en één blijft achter.

Ik moet dan toch uit mezelf een beetje terugdenken aan al die keren dat je als laatste gekozen werd bij gym. Of gewoon overgeslagen. Of voor de grote mensen: stel je voor dat je hele straat de postcodeloterij wint, en dat alleen jij geen lootje hebt gekocht. Anderen mogen mee naar het grote feest, en jij blijft achter.

Daar is niks leuks aan. Dat is dan als een Kerstfeest waarin maar de helft van het land mee mag doen en de andere helft maar buiten in de sneeuw moet blijven staan en naar binnen kijken. Dat kan de bedoeling niet zijn!

Nu lazen we een paar weken geleden lazen we hier in de kerk het verhaal van een belangrijke man, een soort van Koning zeg maar, die een Groot Feest wilde houden voor heel veel mensen. Dat verhaal helpt ons misschien te begrijpen wat Jezus bedoelt. 

Maar de mensen die waren uitgenodigd wilden toen het eten klaar was en het drinken ingeschonken niet komen. Omdat ze het te druk hadden met van alles en nog wat: de één moest zijn nieuwe auto uitproberen, en de ander was net baas geworden van een fabriek in Limburg en de derde moest op zakenreis naar China. Of althans, zoiets was het.

Daarom kwamen ze niet, en heeft de Koning allemaal andere mensen uitgenodigd die andere mensen altijd oversloegen: Mensen die ziek waren, of oud, en mensen die altijd als laatste werden gekozen bij gym, of elke week het verkeerde lootje kochten.  Zo werd het toch nog een gezellig feest!

Maar stel je nu voor dat die mensen die weggegaan waren toch gebleven waren, mopperend om die uitnodiging terwijl ze zoveel belangrijke grotemensendingen te doen hadden.

Ik stel me voor dat die dan onder het Grote Feestdiner helemaal niet genieten van het lekkere eten en drinken, en niet te praten met de mensen om hem heen.

De een zit dan onder het eten alleen maar te Facetimen met China. En de ander is in zijn hoofd alleen maar aan het autorijden in zijn nieuwe auto – zo`n Tesla Cybertruck misschien - en als iemand wat vraagt zegt hij alleen maar “euhm, huhu” , en de derde zit de hele avond op zijn mobieltje naar plaatjes van fabrieksmachines te kijken.

Dat wordt dan ook geen leuk feest. Denk ik dan.

Dus misschien is dat wat het betekent, dat ‘meekomen en achterblijven’ als Jezus komt.

Als Jezus komt om het Grote Feest met alle mensen te vieren dan kun je alleen meedoen als je … dat leuk vindt.

Als je dat helemaal niet leuk vindt, omdat je alleen maar bezig bent met een nieuwe auto, of een nieuwe windmolen, of met hoe je aan nog meer grond kan komen en niet wilt denken aan andere mensen om je heen, dan kun je niet meer kan laten verrassen door het mooiste cadeau ter wereld….  Dan wordt het geen leuk feest.

Niet voor jou, en niet voor alle andere mensen. Voor niemand.
Wat betekent het dan om mee te kunnen naar het Grote Feest van God?
Het betekent dat iedereen mee mag. Hoe je er ook uitziet, en of je ouders nu wat meer of minder geld hebben. Of je in een groot of in een klein huis woont, of je in een rolstoel zit of niet. Iedereen mag mee!

Dat betekent dus ook dat als je meegaat je het ook mee gezellig moet maken voor iedereen. Als je naar het feest gaat en je zegt “ik wil alleen maar praten met die en die” of “ik wil niet naast iemand in een rolstoel zitten” of “ik ben zo belangrijk dat ik op een gouden stoel moet zitten en alle andere mensen niet", dan wordt het niks met dat feest. En als je niet naar het feest wil omdat je bang bent dat je dan een voordeeltje misloopt, tja, dat schiet ook niet op.

Het wordt feest voor iedereen, of het wordt  helemaal geen feest. Dat is de keuze.

Als we kiezen om feest te vieren met iedereen, dan worden we niet teleurgesteld. In de Bijbel lezen we in het boek Openbaringen in beelden en symbolen wat dat zal zijn. Mensentaal kan het niet onder woorden brengen. Hoeveel woorden je uit je hoofd gaat leren op school, het gaan er nooit genoeg zijn om uit te kunnen leggen hoe mooi dat gaat zijn.

Laten we ons dus gereed maken, de komende weken om Kerst te vieren – de geboorte van Jezus – en daarna zo leven dat we altijd gereed zijn om het Grote Feest mee te vieren wanneer de Heer weer naar de wereld komt.

Amen.

Saturday, 23 November 2019

Een koning zonder applaus.


Toen Jezus aan het kruis hing,
stond het volk toe te kijken,
maar de overheidspersonen lachten Hem uit en zeiden:
“Anderen heeft Hij gered;
laat Hij zichzelf eens redden
als Hij de Messias van God is,
de uitverkorene!”
De soldaten brachten Hem zure wijn,
en ook zij voegden Hem spottend toe:
“Als Gij de koning der Joden zijt,
red dan uzelf.”
Boven Hem stond als opschrift
in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters:
“Dit is de koning der Joden.”
Ook een van de misdadigers die daar hingen hoonde Hem:
“Zijt Gij niet de Messias?
Red dan uzelf en ons.”
Maar de andere strafte hem af en zei:
“Heb zelfs jij geen vrees voor God
terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat?
En wij ondergaan dat vonnis terecht,
want wij krijgen wat wij door onze daden verdiend hebben;
maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.”
Daarop zei hij:
“Jezus,
denk aan mij,
wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt.”
En Jezus sprak tot hem:
“Voorwaar, Ik zeg u:
vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.”

Broeders en zusters,

We zijn aangekomen bij de laatste zondag van het kerkelijk jaar: het feest van Christus Koning: een feestdag waarop we bijzonder er aan denken dat alles in de wereld uiteindelijk is gericht op onze verlossing door Jezus Christus. Hij is de werkelijke Heer van alle dingen in de hemel en op aarde. Christus Koning wil dát zeggen: alles is in zijn handen.

Toch als we het Evangelie van vandaag lezen voelen we dat niet direct aan: Jezus als Koning, dat lijkt hier maar een spotwoord te zijn. Jezus hangt aan het kruis tussen rovers – we zouden misschien tegenwoordig zelfs zeggen: terroristen. Koning, Messias – het zijn scheldwoorden geworden in de monden van de leiders van het volk waarmee ze de stervende Jezus nog eens beschimpen.

Het contrast kan niet groter zijn met hoe we met machtige mensen omgaan. Ik heb de afgelopen weken een boek gelezen over een andere heerser. De Franse keizer Napoleon en zijn veldtocht tegen Rusland in 1812. U weet waarschijnlijk wel dat die veldtocht catastrofaal afgelopen is. Het leger was niet voorbereid op de Russische winter en vier op de vijf soldaten van het Franse leger zijn niet teruggekomen. 

Het boek maakt duidelijk dat Napoleon niks gaf om mensenlevens, zijn honderdduizenden soldaten joeg hij er zonder enige compassie doorheen. En als hij in december tenslotte zijn leger in de sneeuw achterlaat en terugkeert naar Frankrijk is hij maar met één ding bezig: níet denken aan wat hij allemaal fout heeft gedaan, níet denken aan of hij wel geschikt was voor deze taak: nee, hij was alweer bezig met voorbereidingen te treffen voor een nieuwe oorlog tegen Rusland.

Het bijzondere is nu dat de soldaten van Napoleon, hoe gehavend ze ook uit de strijd kwamen, geen kwaad woord over hem wilden horen. Zelfs toen hij twee jaar later voor de tweede keer werd afgezet en verbannen had hij nog miljoenen aanhangers in Frankrijk. Het boek waarin hij zijn ideeën over de samenleving laat opschrijven wordt zelfs een bestseller. Ongelofelijk!

Een man die anderen alleen maar voor zijn eigen belangen gebruikte wordt verheerlijkt, en Jezus – die alleen maar het goede wil voor alle mensen – wordt verraden, vermoord en bespot. Een enorme hoeveelheid macht die aan een mens gegeven wordt geeft die persoon als het ware iets magisch. Gewone mensenregels zijn dan niet meer van toepassing op hem of haar. Wie machteloos is, daarentegen wordt om het minste of geringste vermorzeld.

Wat een vreemde koning is Jezus Christus dan. Hij heeft geen leger van honderdduizend man om zich heen. Hij gaat geen verwoestende veldtochten aan. Hij gebruikt geen andere mensen op een cynische manier. Hij jaagt niemand de dood in, maar wordt zélf ter dood gebracht . Maar zelfs aan het kruis is hij Koning. Juist aan het kruis is hij Koning.  

Andere koningen hebben gewaden, gouden kronen en koetsen en blinkende tronen nodig om indruk te maken – om te laten zien wie ze zijn.
Jezus heeft alleen het kruis nodig om te laten zien wie Hij is. En vanaf het kruis spreidt Hij zijn handen uit om de hele wereld te omvatten: te beginnen bij de rover, de moordenaar die naast hem hangt.

Zo mag het ook zijn voor ons. Laten we kijken in ons hart of we niet zelf ook ons hebben laten verblinden door de macht of invloed van andere mensen. Of erger nog: dat we zelf vinden recht te hebben op bijval of applaus omdat we onszelf zo bijzonder vinden.

Laten we ook zien in ons hart of we nog wel sympathie willen hebben voor mensen die machteloos gemaakt zijn door ziekte, armoede, slechte keuzes of een sociaal isolement. Het is makkelijk te juichen voor machtigen, maar werkelijke zielenadel toont zich pas in het toesteken van een hand aan iemand die verworpen is door anderen.

Als we zo willen leven: niet mensen de hemel in prijzen omdat ze machtig of invloedrijk zijn, en geen mensen verachten omdat ze aan de rand van de samenleving geraakt zijn dan is ons hart vrij om de signalen van de Geest op te vangen. De Geest is de Heraut van koning Jezus. Koning Jezus die ons elke dag weer – uit liefde voor ons – zichzelf wegschenkt zodat wij mogen leven.

Amen.



Saturday, 16 November 2019

Als het dak naar beneden komt...


In die tijd merkten sommigen op hoe de tempel daar prijkte
met zijn fraaie stenen en wijgeschenken.
Toen zei Jezus:
“Wat ge daar ziet:
er zal een tijd komen,
dat er geen steen op de andere gelaten zal worden:
alles zal verwoest worden.”
Zij vroegen Hem nu:
“Meester, wanneer zal dat dan gebeuren?”
Maar Hij zei:
“Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt.
Want velen zullen optreden in mijn Naam
en zij zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij.
Loopt niet achter hen aan.
En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten,
laat u dan niet uit het veld slaan.
Dat alles moet wel eerst gebeuren,
maar het einde volgt niet terstond.”
Toen sprak Hij tot hen:
“Er zal strijd zijn van volk tegen volk
en van koninkrijk tegen koninkrijk;
er zullen hevige aardbevingen zijn,
en hongersnood en pest,
nu hier dan daar,
schrikwekkende dingen
en aan de hemel geweldige tekenen.
Maar nog vóór dit alles geschiedt
zullen zij u vastgrijpen en vervolgen;
zij zullen u overleveren aan de synagogen en gevangen zetten,
u voor koningen en stadhouders voeren
omwille van mijn Naam.
Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis.
Welnu, prent het u in,
dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden.
Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven,
die geen van uw tegenstanders
zal kunnen weerstaan of weerspreken.
Ge zult zelfs door ouders en broers,
door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden
en sommigen van u zullen ze ter dood doen brengen.
Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen
omwille van mijn Naam:
geen haar van uw hoofd zal verloren gaan.
Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.”

Broeders en zusters

Stelt u zich voor dat uw leven aardig op de rails staat. U heeft net uw opleiding afgerond en alles om u heen begint vorm te krijgen. U heeft een huis, een baan, een relatie, en naarmate de tijd verstrekt lijkt het alsof het altijd zo zal zijn. Als iemand u dan zou zeggen: er komt een tijd waarop je dat alles kwijt raakt- baan, relatie, huis - en helemaal opnieuw moet beginnen, dan is het moeilijk om die persoon te geloven. Want hoe fragiel het leven ook is: het komt op ons vaak over als iets dat op granieten fundamenten gebouwd is.

En als het leven moeilijk wordt, als onze relaties haperen of we onze baan dreigen kwijt te raken, dan staan er altijd mensen klaar om ons advies te geven. Over hoe we sneller, sterker of slimmer kunnen worden, zodat we elke crisis te boven kunnen komen. Er zijn boekenkasten vol over geschreven, met van dat soort “zelfhulpboeken”.

Jezus vraagt ons deze week om die zorgen opzij te zetten. Zelfs als het leven moeilijk is, moeten we misschien andere lessen leren dan hoe we de snelste of de slimste kunnen zijn. Het Evangelie is geen  zelfhulpboek. Het Evangelie is een Godhulpboek.

We lezen over Jezus en zijn leerlingen terwijl Jezus praat over de verwoesting van de Tempel. En wat geldt voor ons eigen kleine leventje, gold des te meer voor hoe de Joden in de tijd van Jezus keken naar de Tempel in Jeruzalem. De Tempel was het kloppende hart van het joodse geloof.  Daar werden de offers gebracht, daar was het levende teken van Gods aanwezigheid in het Beloofde Land. Als de Tempel er niet meer zou zijn: dan zou het zijn alsof God er niet meer was!

Het was haast ondenkbaar dat de Tempel zomaar verwoest zou kunnen worden. Net zo ondenkbaar als het de vorige keer was – toen het Joodse volk in ballingschap naar Babylonië werd gebracht.  Maar dat is een wrede waarheid. Er gebeuren continu ondenkbare dingen.

Heel veel dingen waar we ons aan vastklampen, of van geloven dat het altijd zal blijven of nooit voorbij zal gaan zijn toch maar tijdelijke zaken. Ze hebben een houdbaarheidsdatum – al zien we die niet.

Als we realiseren dat dingen eindig zijn, willen we ook weten wanneer het zover is. Dat is wat de leerlingen nu doen. Maar Jezus noemt geen namen en rugnummers, geen data. Hij zegt niet: je hebt nog honderd dagen, of veertig jaar. Het is niet de bedoeling dat de leerlingen zo`n aftelklok op hun laptop installeren en daar dan steeds naar kijken hoe lang het nog duren moet tot de verwoesting van de Tempel. Nee.

Dat is niet Jezus’ bedoeling. Hij is geen toekomstvoorspeller, of zelfs maar een trendwatcher.  Als hij spreekt over het einde van dingen en plaatsen dan is dat om je te sterken voor de toekomst. Jezus vertelt niks over de toekomst om je bang te maken. Dat is het omgekeerde van zijn bedoelingen.
Hij zegt ook niet: ik vertel je de toekomst zodat je je kan voorbereiden. Je moet leren survivallen, en op karate-les, zodat je je kan verdedigen; en nuttige skills leren voor wanneer je – heel agile – als expat in een vreemd land leven moet.

Integendeel.

De toekomst waar Jezus naar wijst is ontegenzeggelijk een moeilijke toekomst. Zijn leerlingen zullen het moeilijk krijgen, en het hele land zal in vuur en vlam komen te staan. Er zullen oorlogen komen en conflicten waar niemand een antwoord op heeft.

Het is dan mooi om te lezen wat de raad van de Heer is. Hij zegt niet: zorg er voor dat je de slimste of de sterkste bent zodat je kan winnen. 

Integendeel.

Hij zegt met zoveel woorden dat je alle gedachte aan succes los moet laten: de tijd zal moeilijk zijn maar je bent niet alleen. Je hebt mensen om je heen en je hebt God die je steunt. De boodschap in moeilijkheden, in crisis, en zelfs als het dak naar beneden komt is dus niet wees de sterkste, wees de slimste, maar: wees trouw.

Wees trouw aan de mensen om je heen. Wees trouw aan de inspiratie in je hart. Wees trouw aan jezelf, je eigen integriteit, je geweten. Wees trouw aan God. Hij zorgt voor een nieuw begin, al lijkt het alsof alles op zijn einde loopt.

Hij geeft je in wat je zeggen moet. In je trouw mag je standvastig zijn, dat wat er ook gebeurt, zelfs al gebeuren er rampen,  zodat je altijd mag voelen dat God naast je loopt, God je vasthoudt, God je draagt.
Want Liefde is sterker dan de Dood.

Amen.



Sunday, 3 November 2019

Van Hart tot hart.


In die tijd ging Jezus Jericho binnen.
Terwijl Hij er doorheen trok
poogde een zekere Zacheüs,
hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man,
te zien wie Jezus was.
Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte,
want hij was klein van gestalte.
Om Hem toch te zien liep hij hard vooruit
en hij klom in een wilde vijgenboom,
omdat Jezus daar langs zou komen.
Toen Jezus bij die plaats kwam
keek Hij omhoog en zei tot hem:
“Zacheüs, kom vlug naar beneden,
want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn.”
Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap.
Allen zagen dat en merkten morrend op:
“Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!”
Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak:
“Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen;
en als ik iemand iets afgeperst heb,
geef ik het hem vierdubbel terug.”
Jezus sprak tot hem:
“Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen,
want ook deze man is een zoon van Abraham.
De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken,
en om te redden wat verloren was.”

Broeders en zusters,

Een paar jaar geleden was ik met de Bisdombedevaart mee naar Rome. Het was een prachtige reis. Één van de hoogtepunten was de algemene audiëntie op het Sint Pieterplein waar paus Franciscus de groepen begroette die naar Rome gekomen was, een inspirerend woord spreekt, en daarna – u heeft het wel eens gezien – rijdt hij met zijn pausmobiel over het plein.

Je neemt je voor dat je niet als andere mensen gaat juichen en op en neer springen als hij voorbij komt. Dat is maar overdreven. Maar dat is dus exact wat je gaat doen. Juichen en op en neer springen. Paus Franciscus is nu eenmaal een bijzonder charismatische man met een kostbare boodschap.

Maar stel je nu voor dat de paus opeens zijn pausmobiel een grote bocht laat maken en hij rijdt naar de rand van het plein. Hij laat de mensen even voor wat het is en rijdt naar een grote boom waarin een klein mannetje zit.

En je hoort dat het onrustig wordt om je heen, er wordt gemompeld. De Romeinen kennen hem, het  is Zachisi, de beruchte belastinginner van Rome. Hij is meestal druk in de weer om de flitscamera’s van Rome zo af te stellen dat je er altijd bij bent, en anders is hij wel belastingaanslagen aan het opstellen die veel te hoog zijn. En dat grote huis, dat Palazzo waarin hij woont, nou, dat doet hij vast niet van zijn salaris.

Hij durft niet onder de mensen te komen, hij heeft al een paar keer een blauw oog opgelopen! , maar wilde toch horen wat die paus nu te zeggen had.

En stel je voor dat de paus nu Zachisi in zijn pausmobiel laat en ze samen wegrijden, naar dat nare protserige huis van die oplichter. Om daar gezellig te gaan eten.

Misschien dat daar toch wat commentaar op zou komen. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen. Dan sta je daar, na een verre reis met een pausvlaggetje in je handen, en dan rijdt hij weg. Op weg naar die oplichter.

Ik denk dat daar wel wat commentaar op zou komen. Weer boze stukken op Facebook. Over hoe slecht de paus wel niet is. “Zie je wel dat hij niet deugt!”

Zo stel ik me een beetje het verhaal van vandaag voor, maar dan met Jezus, zonder pausmobiel, maar mét een menigte mensen en achteraf, de tollenaar Zacheus.

Allereerst het is mooi dat er veel mensen op de been zijn om Jezus te zien. Hij brengt mensen bij elkaar, het is een belevenis om dat mee te maken! Ik stel het me voor als die keer op het Sint Pietersplein bij de paus, maar dan keer tien of keer honderd.

Maar grote mensenmassa’s kunnen je ook afleiden. Als je in een grote groep mensen bent ga je je anders gedragen dan je normaal doet. Je kunt volledig worden meegesleurd door de kracht van de groep. Dat groepseffect is zo sterk dat je alleen al daardoor meegesleurd wordt, nog los van wie in het centrum van de aandacht staat.

De kracht van een mensenmassa kan ook beangstigend zijn, dat zullen we ook zien als we opgaan naar Pasen. Dan is er geen juichende groep meer, maar een dreigende menigte. En zelfs de geharde Romein Pilatus is niet tegen die macht opgewassen.

De druk van een grote groep kan ook misleidend zijn. Het kan ons het gevoel geven dat we ergens bij betrokken zijn terwijl dat niet zo is. Een paar dagen geleden lazen we in het Evangelie dat de Heer tegen boosdoeners zegt: “ik ken u niet” terwijl zij zeggen: “maar Heer weet u dan niet meer dat u in onze straat onderwezen hebt?”.  Misschien hebben ze zelfs  toen Jezus door de Dorpsstraat of het Damrak liep wel meegesprongen en -gejuicht en met een Jezusvlaggetje gezwaaid.

Maar hun hart juichte niet mee. In hun hart is niets gebeurd, en nu staan ze voor de dichte deur. Het enkele feit dat er vandaag heel veel mensen om Jezus heen staan is dus wel aardig, maar niet zo belangrijk. Wat is wel belangrijk? Dat je je kunt laten raken door wie Jezus is, en wat Hij doet.

Voor sommige mensen is dat makkelijker dan voor anderen. Voor Zacheus-in-de-Boom is het moeilijk. Hij is niet zo goed in goed zijn. Integendeel.
Maar hij staat er wel voor open. Voor het goede. Voor Jezus. Hij weet niet hoe hij het aan moet pakken. Hij staat nu eens een keer niet vooraan. Maar hij wil het wel aan zich voorbij zien trekken.

En dan gebeurt het ongelofelijke dat hij niet alleen Jezus ziet, maar Jezus ziet hem ook.

Wanneer zou de laatste keer zijn geweest dat iemand naar Zacheus had gekeken als mens? Niet als belastinginner, of als zondaar, of als corrupte man die je weer kan gebruiken voor je eigen plannetjes… Maar als mens? Aangezien van hart tot hart? Wanneer zou dat geweest zijn. Misschien is het hem wel nooit eerder gebeurd.

En als Jezus dan zegt dat Hij bij hem in zijn huis moet komen om te verblijven valt hij haast van schrik uit de boom.

En nu Jezus bij hem komt voelt hij zich ook vrij. Vrij om uit zijn verkeerde keuzes te stappen. Vrij om zich niet meer te laten gebruiken door anderen. Vrij om zelf anderen met respect en integriteit te behandelen. Vrij om nieuwe wegen in te slaan.

Dit verhaal van Jezus is opgetekend om ons die les te leren. Je bent nooit zo slecht, zo ver weg dat je niet meer geraakt kan worden door het voorbeeld van een ander, door het voorbeeld van Jezus. En dat door een ontmoeting met de levende God je de moed en de kracht kan krijgen om andere wegen in te gaan.

Het leven met God is geen deugparade in zonneschijn, waarin wij op ons paasbest aangekleed al vlaggetjeszwaaiend gezien mogen worden terwijl Jezus voorbij loopt. Het leven met God is vaker gevonden kunnen worden terwijl wij ons een beetje halfbeschaamd verstoppen in een boom, omdat we weten dat we er niet echt bijhoren, dat we niet voldoen aan de eisen die wij onszelf opleggen, of aan de verwachtingen van de samenleving.

Maar als wij naar Jezus opzien mogen we ook weten dat Hij terugkijkt, zijn blik op de onze valt. En uit zijn ogen, vol van liefde, spreken zijn woorden: “vandaag moet ik bij jou te gast zijn”

Zo vindt en redt Hij wie verloren was.

Amen.






Saturday, 2 November 2019

Opgerold als een herderstent..


Het was nu omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe,
doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhang­sel van de tempel scheurde middendoor. Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest. Nu was er een zekere Jozef, lid van de Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man. 
Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Na het van het kruis genomen te hebben, wikkelde hij het in een lijkwade. Vervolgens legde hij Hem in een graf, dat in een steen was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand was neergelegd. 
Op de eerste dag van de week echter gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. 
Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: ‘Wat zoekt ge de levende bij de doden? 
Hij is niet hier, Hij is verrezen.’

Broeders en zusters

Vandaag zijn we bij elkaar voor de Gedachtenis van Allerzielen, de dag in het jaar dat we bijzonder denken aan alle mensen die ons dierbaar waren en ons zijn voorgegaan in de dood. De mensen die we goed kenden, familie of vrienden.

Soms iemand die oud is, zijn of haar leven geleefd heeft en waarvan we kunnen zeggen: het is goed geweest. Maar soms ook mensen die onverwachts uit ons leven zijn weggerukt, door een ongeluk of een andere tragedie, en wiens overlijden een diep gat slaat in ons leven.
Een gat zo diep dat het jaren kan duren voordat het litteken zich gevormd heeft. Want het leven slaat littekens. De wond kan dan wel uiteindelijk genezen zijn, maar we kunnen nog steeds zien waar de wond zat. En ook na jaren kan het allemaal nog wat rauw voelen.

Rouw is een gevoel dat ons niet alleen treft als we mensen moeten missen, maar ook als er een einde komt aan plaatsen, zaken of relaties die betekenis gaven aan ons leven. Als we afscheid moeten nemen van een huis, of een baan. Of een plaats die ons nauw aan het hart lag. We denken bijvoorbeeld bijzonder aan de Jozefkerk die een paar maanden geleden heeft moeten sluiten.

Natuurlijk, het is van een andere orde. Maar ook dat gevoel van gemis is écht. Want rouw of verdriet is de andere kant van het gevoel van liefde en genegenheid. Daar horen gevoelens van verdriet en rouw bij. Dat is niet vreemd of raar. En het kan ons veel vertellen over wat er écht toe doet in het leven.
Maar onze gevoelens van rouw of verlies zijn ook niet het einde van het verhaal.  

Ik was vandaag in de sacristie van de Jozefkerk waar de gewaden en het vaatwerk werden weggegeven aan andere kerken. U kunt zich voorstellen dat dat wel even een moeilijk was voor de vrijwilligers van de Jozefkerk die er bij waren. Het was best even een verdrietig moment.
Mijn oog viel  was een oud vierstel – een koorkap, kazuifel en twee dalmatieken, nog van voor het Concilie - dat opgevouwen werd en zou worden meegenomen.

Ik moest toen denken aan de woorden van Jesaja: “Mijn leven” schrijft hij “is afgebroken, opgerold als een herderstent. Als een wever heb ik mijn leven gesponnen, bij de schering snijdt Hij (God) het af.”

Daar ligt het leven dan,als we aan het eind gekomen zijn.  Als een vierstel opgevouwen. Afgedaan. Klaar om opgehaald te worden. Wat zou er mee gebeuren?

Toen het vierstel werd opgehaald door vrijwilligers vertelden ze me dat het een nieuw begin zou krijgen. Het zou naar de missie gaan, en de kostbare stof  zou gebruikt worden om nieuwe gewaden te maken voor de kerk in Ethiopië. Wat je dierbaar was krijgt een nieuw leven op een onverwachtse plaats. Als je dat hoort, voel je je toch al weer iets minder verdrietig.

Toen moest ik denken aan de woorden uit de prefatie voor de Overledenen, die we bidden bij de Uitvaartmis. “Gij neemt het leven God niet van ons af. Gij maakt het nieuw.”

In het Evangelie lezen we over de dood en de verrijzenis van Jezus.  Hoe hij van het kruis wordt afgenomen, begraven. We kunnen ons voorstellen hoe er toen over Hem gepraat is door de mensen uit Jeruzalem. Hoe hij is afgedankt, afgesneden, zijn groep opgerold – en nu was het voorbij.
Het verhaal van Jezus zou het verhaal van alle mensen zijn. Als je leven voorbij is wordt je opgehaald en meegenomen en dat is het dan. En als je naam niet meer genoemd wordt, als je sporen zijn uitgewist dan is alles voorbij. Dan rest alleen nog een betekenisloze leegte.  

Maar Jezus laat zien dat het anders gaat. Hij doorbreekt de vanzelfsprekendheid van de dood en geeft het leven een nieuwe inhoud en betekenis.

Zo wordt het verhaal van Jezus het verhaal voor alle mensen. 
Want alle mensen zijn geroepen om te mogen leven bij God. Jezus is de “eerstgeborene van vele broeders”. Dat mag ons helpen als wij verdriet voelen. Er is een plaats voor ons gereedgemaakt in Gods Huis om daar te mogen wonen. De herderstent van ons leven wordt opgerold, maar alles wat goed was in ons leven krijgt een nieuwe plek in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. 

Als ons leven afgelopen is, gaan we dus niet als oude lappen op de hoop.

Wij worden nieuw gemaakt, gereinigd, zorgvuldig hersteld. Zo hersteld dat we meer zullen zijn dan we waren. Prachtig, nieuw, bij God, als een juweel in zijn hemels Jeruzalem. Amen.

Saturday, 26 October 2019

Waar het hart vol van is...

In die tijd zei Jezus tot hen die
– overtuigd van eigen gerechtigheid –
de anderen minachtten,
de volgende gelijkenis:
“Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden;
de een was Farizeeër en de andere een tollenaar.
De Farizeeër stond met opgeheven hoofd
en bad bij zichzelf als volgt:
God, ik dank u dat ik niet ben als de rest van de mensen,
rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers,
of ook als die tollenaar daar.
Ik vast tweemaal per week
en geef tienden van al mijn inkomsten.
Maar de tollenaar bleef op een afstand
en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel;
maar hij klopte zich op de borst en zei:
God, wees mij zondaar genadig.
Ik zeg u:
deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere;
want al wie zich verheft zal vernederd,

maar wie zich vernedert zal verheven worden.”

Broeders en zusters.

We lezen deze zondag een beroemde parabel. De Farizeeër en de Tollenaar bevinden zich beiden in de Tempel en de Farizeeër betuigt zijn dank aan God dat hij geen echtbreker, rover of slechterik is, zoals “die tollenaar daar” en beroept zich op wat hij allemaal goed gedaan heeft.

De tollenaar buigt zijn hoofd en vraagt God om hem genadig te zijn.
In de afgelopen dagen hebben we in de Mis uit de Romeinenbrief gelezen, vrijdag was de lezing uit Romeinen 7. Paulus heeft het daar over dat hij het goede wil doen, hij weet wat het goede is. Maar hij ontdekt in zijn hart ook een “andere wet” die hem er toe drijft om niet het goede te doen.

Paulus ontdekte hier het grote conflict, de existentiële strijd tussen onze kennis van goed en kwaad, en onze goede wil aan de ene kant en de realiteit van onze gebroken, gevallen menselijke natuur aan de andere kant.
Ik had die lezing nog in mijn hoofd toen ik aan deze preek begon, dus u moet het mij maar niet kwalijk nemen dat ik dat idee van Paulus even leen voor deze zondag.

Paulus drukt namelijk een grote waarheid uit die ons ook veel kan vertellen over de lezing van deze zondag, over de grote risico’s waar ook gelovige mensen aan ten prooi kunnen vallen. We moeten ons realiseren dat de kritiek van het christendom, de kritiek van Christus zelf niet naar buiten gericht is – naar een ongelovige, heidense wereld toe, maar naar binnen.
Jezus Christus richt zich als hij iemand bekritiseert, in de eerste plaats tot de insiders , het religieuze establishment, schriftgeleerden en wat dies meer zij.
Hij zegt niet zozeer dat wat ze doen altijd verkeerd is, of dat hun leer niet klopt, maar dat hun gezinning verkeerd is.  Het goede wat ze doen en de onderwijzing die ze geven staat uiteindelijk niet ten dienste van God en de naaste, maar ten dienste van zichzelf.

De Farizeeër in de Tempel heeft – dat weten we uit zijn eigen woorden – veel goede dingen gedaan. Hij vast, hij geeft geld aan de armen, hij bidt in de Tempel. Maar hij doet al die dingen om zichzelf te verheffen ten opzichte van de naaste. Hij is zich niet bewust van de “andere wet” in zijn hart die een heel andere inhoud aan zijn daden heeft gegeven.

Hij doet wel goede dingen, maar daar mee is hij nog niet beter dan een ander. Want hij doet wat hij doet – zo te lezen – om zichzelf boven een ander te verheffen.  Hij houdt zichzelf dus voor de gek.

Wij kunnen onszelf als mensen heel goed voor de gek houden. Wij kunnen er van overtuigd raken dat we onze zaakjes prima op orde hebben. Niet zoals die andere mensen die niet geven om god of gebod. Het is een bijzondere valstrik in het geestelijk leven dat als je werkelijk slagen maakt, bent opgehouden met kwaad doen en regelmatig goede dingen doet – dat je dan denkt dat je er bent.

Integendeel ben je dan ver van de waarheid, zelfs nog verder dan de tollenaar. Die waarschijnlijk minder goede dingen doet.
We weten het natuurlijk niet zeker, want hij heeft het er niet over. Maar hij weet het wel. En God weet het ook. En hij vraagt God om hem genade te verlenen. Hij weet heel goed van die andere wet, en hoe vaak hij ondanks zijn goede bedoelingen de verkeerde weg ingeslagen is.

Hij weet het, God weet het. De Farizeeër weet het niet, want het interesseert hem niet. Maar dit verhaal gaat niet over hem. Hij moet nog veel leren in dit leven.

Maar de Tollenaar, hoe krom het hout ook is waaruit hij gemaakt is, weet het wel. Hij heeft die grote ontdekking gemaakt en is hard op weg naar een leven met God. Een leven waar de Farizeeërs hem graag van zouden uitsluiten.

We mogen dus met drie conclusies afsluiten:

Ten eerste: Hoe goed je ook denkt dat je bent, je bent nooit goed genoeg om neer te kijken op iemand anders

Ten tweede: Hoe slecht je ook denkt dat je bent, je bent nooit zo slecht dat je geen stap naar God kan zeggen – of dat God zich voor je wil afsluiten.

Ten derde:  God verwerpt niemand die hem wil vinden. Zolang je hart niet vol is van jezelf is er plaats voor Hem en kun je Hem jou laten vinden. En dat is de grote waarheid waar we mee moeten leven. God kan en wil in ieders hart wonen, maar kan dat enkel doen als ons hart niet vol is van zichzelf.

De enige grendel die God buiten kan houden is de grendel die wij zelf toeschuiven in ons hart als wij ons afkeren van God en de naaste.

De Heer staat voor de deur en hij klopt.

Laat ons open doen.

Amen.