Sunday, 14 October 2018

Laat alles achter..


We lezen deze zondag over de Rijke Jongeling. 
Hij doet wat goed is, hij houdt zich aan de geboden, maar als Jezus hem voorstelt alles achter zich te laten om Hem te volgen wordt hij bedroefd, want hij had te veel.

Toch is het een verhaal met een open einde, wie weet wat er later nog gebeurt met de rijke jongeling? Misschien komt hij nog wel eens terug. Het verhaal sluit dat zeker niet uit. In die zin is het geen deprimerend verhaal met een slechte afloop, maar een verhaal met een open toekomst; wat dat betreft is dit verhaal een beetje als ons eigen leven. 

Terwijl ik deze week wat kauwde op het verhaal van de rijke jongeling, las ik dat aartsbisschop Oscar Romero vandaag heilig wordt verklaard. Oscar Romero was de aartsbisschop van San Salvador in Midden-Amerika: de hoofdstad van een land dat werd (en wordt) geteisterd door armoede en geweld.

Hoewel Oscar niet met een zilveren lepel in zijn mond geboren werd was hij tegen de tijd dat hij benoemd werd tot aartsbisschop van San Salvador een machtig en invloedrijk man geworden. Dat mag je ook wel een soort rijkdom noemen.

Hij stond in ieder geval op dat moment in zijn leven wel aan de kant van de rijkdom. El Salvador was een verscheurd land, maar mgr. Romero was qua temperament een conservatieve man. De kerk moest zich inzetten voor de mensen, natuurlijk – maar het was niet de taak van de kerk om zich uit te spreken over onrecht in de samenleving. De kerk moest sowieso niet teveel kabaal maken. Daar kwam maar ellende van. Het was beter als de kerk niet teveel in het nieuws kwam, dan gaan machtige mensen zich maar aan de kerk ergeren. En dan is het niet zoals in Nederland, waar dan lelijke dingen over je worden gezegd op de televisie, maar dan wordt het nog een stuk gevaarlijker. 

Hij was dan wel van eenvoudige komaf, zijn vader was postbezorger en meubelmaker, een handwerkman. Maar hij had door zijn kerkelijke carrière geleerd te denken als een rijk mens. Hij was niet van kwade wil, hij haatte de armen niet, maar accepteerde de zaken zoals ze waren. Als de rijke jongeling hield hij zich aan de geboden, hij was een diepgelovig mens, en was ook zo wel een redelijk goede bisschop geweest. Maar hij had de volgende stap niet kunnen zetten. En dat zou verdrietig zijn.

Dat verdriet, niet de volgende stap kunnen zetten, is ook het verdriet van de rijke jongeling. In zijn hoofd kan hij niet anders dan de zaken accepteren zoals ze zijn. Al het andere is voor hem onvoorstelbaar.

In zijn hoofd zullen de zaken altijd zijn zoals ze waren, zal hij altijd aan de bovenkant van de samenleving staan en zal er altijd een groot verschil zijn tussen arm en rijk, en heerst de een met bruut geweld over de ander.
De jongeling draagt de onvrijheid van de samenleving als het ware mee in zijn in zijn hoofd. Hij zich hier niet zomaar uit bevrijden als Jezus hem vraagt het leven anders aan te pakken.  

Met Oscar Romero zou dat anders gaan. Juist als aartsbisschop werd hij zich echt bewust van de extreme nood waar de bevolking in leefde en besloot hij dat hij niet langer weg kon kijken. Hij begon zich uit te spreken tegen het geweld waar ook steeds meer geestelijken, religieuzen en actieve katholieken slachtoffer van werden.

Hij verkondigde dat de armen recht hadden op een waardig leven, en dat een samenleving waarin de arme met geweld arm gehouden werd een mens-verachtende samenleving is.

Hij verkondigde deze waarheid zo luid dat niemand hem kon negeren. Hij was een beroemd en vurig predikant en liet zijn preken uitzenden over de radio. Miljoenen mensen hoorden hem, en hoorden zijn evangelische boodschap.

Mgr. Romero kwam in gevaar. Machtige mensen wilden niets meer met hem te maken hebben en probeerden hem zwart te maken,maar niets hield hem tegen.

Niets hield hem tegen omdat hij geen rijke jongeling meer was, hij was eerder een goed christen, maar nu was hij écht een volgeling van Jezus Christus geworden. Hij had verkocht wat hij had om het aan de armen te geven en was met Jezus op weg.

Op de dag dat mgr. Romero vermoord werd preekte hij over een tekst uit het Johannesevangelie, over het zaad dat in de aarde moet vallen om te sterven – en zó leven te geven.

Het waren profetische woorden. Nog voor het einde van de mis werd hij doodgeschoten.

De machtigen hoopten dat ze samen met mgr. Romero ook zijn woorden in de diepten van de dood konden werpen, maar het vuur dat hij in de harten aangestoken had ging niet meer uit.

Het zaad dat in de aarde viel om te sterven heeft vrucht gedragen, duizend keer op duizend keer.

Wij mogen op onze beurt ons met deze vruchten voeden, ons hart richten op de noden van mensen. De geestelijke noden, de lichamelijke noden. Dat we ook de moed ontvangen om te kunnen spreken waar mensen in hun rechten geschonden worden, waar de platte macht zich verheft in de hoop onaantastbaar te zijn.

Als we niet berusten in onrecht, als we niet denken dat een menswaardige samenleving onvoorstelbaar is, dan maken we ons los van de rijke jongeling die in ons hoofd woont en ontvangen wij ook de vreugde van de vrijheid van de kinderen Gods.

Amen.

Sunday, 7 October 2018

De Lieve Kerk


Broeders en zusters,

De eerste lezing valt vandaag gelijk met de deur in huis: de eerste lezing vertelt het verhaal over de schepping van de eerste mens, en hoe God voor hem een metgezel maakt. “Het is niet goed voor mensen om alleen te zijn”, zegt God. (Gen 2,18-24). Daar zijn wij – letterlijk – niet op gemaakt.  
Mensen kunnen op allerlei manieren samenleven in gezins- en familieverband, in gemeenschappen, in de samenleving als geheel, maar al die gemeenschappen hebben iets met elkaar gemeen. Ze bestaan uit mensen die bij elkaar horen.  Je hebt elkaar misschien niet altijd uitgezocht, maar je bent wel bij elkaar geroepen met de opdracht om er samen wat van te maken. 

Wat dat betreft is het niet heel veel anders of je een familie bent, een kloostergemeenschap, een parochie, een dorp of de Kerk als geheel. Ze bestaan uit unieke mensen die worden wie ze zijn door deel te nemen aan de groepen waar ze bij horen.

Dat gaat niet altijd even makkelijk. Samenleven is altijd een opdracht. Je kan jezelf niet altijd op de eerste plaats zetten, je kan niet altijd krijgen wat je wil. Je moet concessies doen. Samenleven is iets wat we moeten leren. Als we het niet kunnen, of als ons samenleven mislukt dan merken we dat ook dan worden we ongelukkig. Het is belangrijk voor ons om te blijven leren hoe het wel moet.  

Vaak gaat het ook goed, dan mogen we gelukkig zijn om wie we samen mogen zijn. Dan ben je daar trots op. We doen het hier goed, we zijn blij met elkaar en samen doen we de dingen die ons leven zinvol maken. Dat gaat soms heel diep.

Wat het betekent als je als gemeenschap bij elkaar hoort, is denk ik goed uitgelegd door een bekend persoon, die een tijdje geleden is overleden: de vorige burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan.

Toen hij afscheid moest nemen van zijn functie omdat hij al ernstig ziek was had hij het over Amsterdam als een “lieve stad”. Zijn woorden hebben destijds heel veel indruk gemaakt en ik moest er ook aan terugdenken aan dat interview toen ik deze preek voorbereidde.

Wat betekent het om een lieve stad te zijn? Een lieve familie, een lieve gemeenschap? Een lieve parochie?

Waarschijnlijk niet dat er nooit wat gebeurt, of dat er men nooit woorden heeft met elkaar, of dat er nooit spanningen zijn, of geen wrijving, of dat dingen nooit ontzettend mis gaan. Families waarin niet gekibbeld wordt bestaan niet, en steden en landen waarin alles alleen maar goed gaat noemen we niet voor niets een utopie – een nergensland.

Wat het wel betekent is denk ik het volgende:
Dat je een familie, gemeenschap, kerk of stad bent waar de mensen niet als los zand aan elkaar hangen, waar mensen niets bijzonders voelen bij de gemeenschap waar ze bij horen; als ze zouden zeggen – het maakt mij niet uit, ik zou ook net zo makkelijk bij een andere gemeenschap horen, een andere kerk, een andere familie.

U hoort het al, zo makkelijk gaat dat niet. Als dat zo maar zou gaan, als je een gemeenschap zo maar in kon ruilen tegen een ander, dan was er iets mis. Dan is het je om het even. Maar als dingen je om het even zijn, dan zit de liefde niet diep.

Dus misschien is dat wat het betekent, als je in een lieve stad woont, misschien wel in Amsterdam, of hier in Heemstede, of waar dan ook, zeg je eigenlijk: deze plek is me dierbaar, ik zou hem voor geen goud willen inruilen voor een andere plek – en zelfs als ik ergens anders zou moeten wonen is dat nog steeds de plaats waar mijn hart naar uitgaat.

Zo mag het ook voor ons zijn, hoeveel er ook verandert, wij horen als parochie en als kerk bij elkaar. Deze plek, deze groep is ons dierbaar – het is de plek waar ons hart naar uitgaat en waar we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar.

De taak om van onze kerk een lieve kerk te maken is het werk van alledag, elke dag opnieuw moeten we die opdracht proberen waar te maken. Als we ons daarvoor inzetten geven we inhoud aan onze roeping.

Amen.







Saturday, 29 September 2018

In vuur en vlam...


In die tijd zei Johannes tot Jezus:
“Meester, we hebben iemand, die ons niet volgt,
in uw Naam duivels zien uitdrijven,
en we hebben getracht het hem te beletten,
omdat hij geen volgeling van ons was.”
Maar Jezus zei:
“Belet het hem niet,
want iemand, die een wonder doet in mijn Naam,
zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken.
Wie niet tegen ons is, is voor ons.
Als iemand u een beker water te drinken geeft,
omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u:
zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.
Maar als iemand
een van deze kleinen die geloven, aanleiding tot zonde geeft,
het zou beter voor hem zijn
als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp.
Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven,
hak ze af;
het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan
dan in het bezit van twee handen in de hel te komen,
in het onblusbaar vuur.
Het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan
dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen.
Het is beter voor u met één oog het Rijk Gods binnen te gaan
dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen,
waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.”


Broeders en zusters in Christus, 

Een pittige lezing deze zondag. De vorige paar zondagen gingen de lezingen over de leerlingen, en hoe ze niet begrepen dat Jezus zijn lijden moest ondergaan. Deze zondag zij het ons vergeven dat wij het niet begrijpen. Jezus spreekt opeens schokkende woorden, handen die afgehakt moeten worden – en voeten en ogen waar we wel zonder moeten kunnen – want dat alles is beter dan in de hel geworpen te worden.

Oef!

Jezus, wat doe je nu? Je zei allemaal van die aardige dingen. Over dat we goed moeten zijn voor elkaar en dat we gereed moeten zijn om te lijden onder onrecht, de andere wang toekeren en nu opeens schieten de vlammen eruit.

Letterlijk!

Het zijn taferelen die thuishoren in een horrorfilm. Niet in de goede boodschap!
Wat is hier aan de hand? 

De lezing begint met Johannes die zich er over beklaagt dat iemand anders wonderen doet in Jezus’ naam, zonder dat hij bij de leerlingen van Jezus hoort. We beginnen dus met Johannes, een niet verder genoemde buitenstaander en Jezus.

Johannes, weten we uit de andere passages in het Evangelie, is ook een beetje een opgewonden standje.  Samen met zijn broer Jacobus vraagt hij later aan Jezus of ze vuur uit de hemel moeten laten neerdalen als de Samaritanen – ook buitenstaanders -  lelijk zijn tegen Jezus.

En terwijl ik me dat bedacht viel me in, misschien gaat deze lezing wel niet over die buitenstaander – daar heeft Jezus het ook nauwelijks over: laat hem maar doen waar hij mee bezig is, dat is even niet onze zorg. Maar de lezing gaat over Johannes. En de harde taal van Jezus, gaat misschien juist over Johannes. Want Johannes kan ook erg hard zijn. In dat geval krijgt Johannes een koekje van eigen deeg. Het vuur dat hij graag over anderen uitstrooit, krijgt hij nu even terug.

Het is niet vreemd of verkeerd om boos te zijn. Als je nooit boos wordt in je leven dan is de kans groot dat je óók nergens meer om geeft. Boos zijn is  een reactie op onrecht. En nooit meer boos zijn betekent dan ook dat je nooit meer onrecht ziet, of je je er niet meer druk om maakt.

Dat is geen gezonde houding.

Maar ook boosheid moet haar maat houden. De reactie op onrecht kan, als je niet uitkijkt, je hele persoonlijkheid met zich mee sleuren. Uiteindelijk ben je dan alleen nog maar boos, op iedereen. Of erger nog: verandert je boosheid in haat. In afkeer. In een wens om anderen pijn te doen.
Maar als je je overgeeft aan die wens, aan woede en boosheid, dan ben jijzelf de eerste die zich er aan verbrand. Je ziet hetzelfde met zoiets als jaloezie of afgunst. Degene op wie men jaloers is heeft nergens last van, terwijl degene die jaloers is elke dag wordt gemarteld door zijn eigen afgunst.  
Zo werkt het ook met haat en afkeer. Iemand zei eens tegen mij: als je iemand haat, dan is dat hetzelfde als een fles vergif opdrinken in de hoop dat een ander doodvalt. De enige die je kapot maakt ben je zelf.

Dus misschien is dat wel wat Jezus probeert te zeggen. Als je een ander in het vuur wilt storten ben jij zelf de enige die zich er aan gaat branden, en die pijn is zo erg dat je zelfs beter een voet of een oog kan kwijtraken.

In het ergste geval raak je heel wat meer kwijt dan een arm of een been, maar word je helemaal opgegeten door je eigen emoties, door je angst, woede en haat, en wat blijft er dan van je over? Helemaal niks! Een hoopje smeulend as!

Een wijze les dus, van Jezus. Geen horrorverhaal maar een gezond steuntje in de rug. Denk om je geestelijke hygiëne Johannes. Laat je niet opjagen door alles en iedereen waarvan je denkt dat ze het fout doen. Als je dat niet doet ben jij zelf de gene die pijn moet lijden, en daar wordt niemand beter van.

Dit alles blijft een opdracht – ook voor ons. In onze zoektocht naar rechtvaardigheid mogen we boos zijn, maar moeten we het voorbeeld van Jezus Christus altijd voor ogen houden. Hij gooide ook wel eens een tafel omver, maar vergaf wie Hem kwaad wilden doen.

Mogen wij ook de weg naar vergeving vinden, zonder de rechtvaardigheid uit het ook te verliezen.

Amen.