Wednesday, 17 April 2019

Grenzen aan de Eerlijkheid

Dit opinie-artikel verscheen op 18 april 2019 in het Nederlands Dagblad 


De afgelopen weken was mijn collega, pastoor Pierre Valkering, behoorlijk in het nieuws. In zijn niets verhullende boek en  interviews in kranten en tijdschriften vertelde hij de lezers over zijn omgang met het celibaat – en dan vooral hoe hij dat níet beleefd heeft.  

Nu zijn bekentenissen op straat liggen is  het is nu aan de bisschop om te bepalen hoe het verder moet met het priesterschap van Pierre Valkering.  Ik kan me voorstellen dat dit behoorlijk wat tijd en reflectie in beslag zal nemen.

Ik heb vorige week zijn boek aangeschaft en deels gelezen. Ik dacht dat ik er kennis van moest nemen omdat het boek publiek besproken wordt, en je moet je informeren om een goed standpunt in te nemen.  Ik heb de afgelopen week geleerd dat dit niet zo werkt.

Één van de dingen die ik vreemd vond was dat een aantal mensen Pierre Valkerings boek en interviews prezen omdat hij zo eerlijk was. Onder die lofprijzing verschuilt zich echter een verwijt: als je niet zo openhartig over je seksleven en intieme gedachten schrijft als Pierre Valkering ben je dus eigenlijk oneerlijk naar jezelf en anderen toe.

Het is geen onbegrijpelijk standpunt. We worden in onze samenleving vaak gevraagd om zo transparant mogelijk te zijn en door het gebruik van sociale media zijn er waarschijnlijk meer mensen op de hoogte van ons persoonlijke leven dan ooit tevoren. Ook leven we in een tijd waarin “alles gezegd moet kunnen worden”, hoe onaangenaam het gezegde ook is. Pim Fortuyn’s uitspraak : “ik zeg wat ik denk” zijn profetische woorden geweest.

Toch vond ik het geen verrijkende of bevrijdende ervaring om zijn proza te lezen. Ik voelde me integendeel als iemand die onuitgenodigd deelgenoot werd gemaakt van de diepste intimiteiten van een ander, tot aan zijn seksuele fantasieën toe. Het is ongetwijfeld waar dat Pierre Valkering dit of dat zo voelt of beleeft maar het enkele feit dat iets waar is, betekent ook nog niet dat de rest van de wereld het ook moet weten.

Eerlijkheid heeft zijn grenzen. Er is een groot verschil tussen waarachtigheid, d.w.z. leven uit de waarheid, vanuit een respect voor zowel de feiten als onze zelfkennis en een ongedisciplineerde openheid waarmee alles maar op straat gegooid wordt. Het leven mag zijn geheimen hebben, en het is een grote rijkdom om een paar goede vrienden te hebben met wie je delen van je levensverhaal in vertrouwen delen mag. Alles op elk moment zonder schroom tegen iedereen zeggen maakt het samenleven moeilijker.

De klassieke katholieke ethiek ziet een deugd zoals eerlijkheid  als een midden tussen twee ondeugden. Ondeugden kenmerken zich door een te weinig of een te veel van een bepaalde deugd. Zoals tegenover moed lafheid en overmoed staan, zo staan tegenover eerlijkheid de ondeugden van leugenachtigheid, of zelfs overmatige geslotenheid (te weinig eerlijkheid) en ongedisciplineerde openheid (te veel eerlijkheid). Zo`n publieke bekentenis heeft dus weinig met eerlijkheid te maken.
Maar deugden en ondeugden bestaan ook  niet in een vacuüm. Schrijvers die geen maat kunnen houden in hun bekentenissen zijn afhankelijk van lezers zijn die hun verhaal opnemen, ook als het  om intimiteiten gaat die niet voor hun oren bedoeld zijn, hierbij geholpen door een ongedisciplineerde media die het ook niet laten kan ons deze ontboezemingen voor te schotelen.
Tegenover de ongedisciplineerde openheid van de schrijver – die vertelt wat niet voor onze oren 

bestemd is, staat de ongedisciplineerde consument. Ik dacht ook dat ik kennis moest nemen van dit boek. Ik had het mis. Ik heb geen recht op zijn ontboezemingen, niemand buiten zijn nauwste vrienden en familie heeft dat recht.  Ik betreur het zijn boek te hebben gekocht en deels gelezen te hebben.  Ook ik ben slachtoffer geworden van een ondeugd, namelijk degene die de katholieke traditie curiositas noemt: nieuwsgierigheid. Niet het soort gezonde nieuwsgierigheid dat tot nieuwe kennis leidt, maar onwaardige nieuwsgierigheid, de neiging om onze neus te steken in zaken die ons niet aangaan.

Het is de vraag of het duveltje weer terug in zijn doosje kan. Wat gezegd is kan niet worden ontzegd, wat geschreven is kan niet worden ontschreven. Wellicht is het het beste als de ontboezemingen van pastoor Valkering langzaamaan uit de nieuwscyclus verdwijnen, en een aanleiding worden tot nadere reflectie over wat het werkelijk betekent om waarachtig te zijn.









Saturday, 6 April 2019

Een Ontmoeting van Vergeving

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerste een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
” Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”


ad destinatum persequor

We lezen het Evangelie van de Overspelige Vrouw. Een bekend verhaal, zwanger van betekenis. Een verhaal met vele lagen – over een diepe ervaring van vergeving. Het begin van een nieuw leven.

We zijn met Jezus in de Tempel, waarschijnlijk één van de voorhoven en hij onderwijst de mensen die om hem heen staan, we kunnen ons voorstellen dat dat allerlei mensen uit alle standen zijn, inclusief die mensen waar anderen niks mee te maken willen hebben. Zondaars, tollenaars.

Dan marcheren de farizeeën binnen met een vrouw die ze hebben betrapt op overspel. "Op heterdaad!" zeggen ze er triomfantelijk bij. Dat betekent: er kan geen misverstand zijn, en geen verzachtende omstandigheden, onder de Wet. Het is bewezen! Daarop staat de doodstraf! Nou Jezus, zeg het maar! Wat ga je doen? Stem je in met het oordeel?

Het is de farizeeën natuurlijk niet echt te doen om de zonde of de heiligheid, het is ook nog maar de vraag of ze echt gechoqueerd zijn. Ze brengen haar niet naar de politie, maar naar Jezus. Als Hij haar veroordeelt, nou dan is het duidelijk: Jezus is helemaal geen vriend van de zondaars, hij is precies zoals de farizeeërs, en daar hebben ze geen problemen mee!

Als Jezus haar niet veroordeelt, dan is hij geen vriend van de zondaars, maar een vriend van de zonde! Dan laat Hij zien dat de Wet en de Profeten en alle geboden van het geweten voor hem niks waard zijn, en ook dat vinden ze dan niet erg. Dan laat iedereen Jezus vallen.

Wat een gemene val. Het gaat ze niet ééns echt om de vrouw, of om de Wet, of om de moraal. De wet, de moraal is hier een wapen geworden om een gevaarlijke concurrent de nek om te draaien. Het is niet langer een richtingwijzer van God geworden, een handreiking voor de mensen dat ze zó kunnen leven dat ze recht doen aan God en aan elkaar, maar haast zoiets als een dik boek met spelregels voor een heel ingewikkeld politiek spel, en degene die de regeltjes best uit zijn hoofd kent en te pas en te onpas kan gebruiken en misbruiken wint. Wat een cynisme!

En als Jezus schrijft in het zand. Wat gebeurt daar? Jezus schrijft in het zand. Het is het enige moment in alle Evangeliën dat we lezen dat Jezus iets schrijft. Wat het ook is, de een na de ander druipt af, nadat hij tweemaal op de grond geschreven heeft zijn ze verdwenen, er is geen discussie over welk artikel van de wet wel of niet van toepassing is, en wie welke bevoegdheid heeft om een klacht over een zondaar in te dienen: Jezus schrijft in het zand, en de aanklager druipt af.

Een uitleg is dat Jezus niet hardop zegt wat de farizeeërs op hun geweten hebben maar het ze zichtbaar maakt , in woorden die niet beklijven, woorden die zo door de wind weggevaagd zullen worden. Hij zegt niet hardop: jij Piet, of jij Klaas ik weet wat jij de afgelopen zomer gedaan hebt, en ik zal het hier eens hardop zeggen. Hij schrijft in het zand, met verdwijnende beelden en woorden. Als de farizeeën het hadden toegelaten zou Jezus het hen liefdevol in het oor gefluisterd hebben. Waar jij een ander van beschuldigt, leeft ook in jouw hart – weet je zeker dat je dit wilt doen? Als je een oordeel uitspreekt, veroordeel je ook jezelf.  

Jezus koppelt altijd de mogelijkheid om te oordelen aan de gesteldheid van de persoon. Zoals Hij elders zegt, met de maat waarmee je oordeelt zal je geoordeeld worden, zo ook hier, wie zonder zonde is werpe de eerste steen maar. Het is een uitgebreide manier om te zeggen dat alleen God het definitieve oordeel toekomt, niet de mensen. Zeker niet mensen die zelf zo beperkt en beschadigd zijn.

Je hoeft geen boek te schrijven over alles wat je niet goed gedaan hebt. Dat is niet wat God van ons vraagt. Voor het geval we het nodig hebben mogen we onze tekortkomingen, onze fouten, ons kwaad uittekenen in het zand. En daarna waaien die beelden en woorden ook weer weg. Ze definiëren ons niet, ze maken ons niet tot wie we zijn. Ze worden niet op ons voorhoofd getatoeëerd en dat hoeven we zelf ook niet te doen. Hij veroordeelt de vrouw niet, hij veroordeelt de farizeeërs niet. Ze zijn geconfronteerd met hun fouten en mogen verder. De toekomst is nu in hun hand.

Jezus Christus maakt ons vrij van wat er achter ons ligt en opent de deur naar wat voor ons ligt. We mogen andere wegen en nieuwe paden gaan. Het is de ontmoeting met Jezus Christus die ons vrij maakt, en vanuit die vrijheid mogen we getuigen van Hem, leven uit Hem. Zoeken Zijn Wil te doen. Elke ervaring van vergeving, elke ervaring van vernieuwing mag dan ook een ervaring van bekering worden: een oproep om ons leven te veranderen, ons geloof te verdiepen en geen kwaad te doen.

In de woorden van Paulus uit de Filippenzenbrief die we vandaag gelezen hebben:  

ik vergeet wat achter me ligt
ik reik naar wat voor me ligt
ik storm af op het doel:
de prijs van Gods heerlijke roeping.

Amen.

Sunday, 17 March 2019

Gedaanteverandering

In die tijd nam Jezus
Petrus, Johannes en Jacobus met zich mee
en besteeg de berg Tabor om er te bidden.
Terwijl Hij in gebed was veranderde zijn gelaat van aanblik
en werden zijn kleren verblindend wit.
En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek;
het waren Mozes en Elia
die in heerlijkheid verschenen waren,
en zij spraken over zijn heengaan
dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken.
Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand.
Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid
en de twee mannen die bij Hem stonden.
Toen dezen van Hem heen wilde gaan zei Petrus tot Jezus:
“Meester, het is goed dat wij hier zijn.
Laten wij drie tenten bouwen,
een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”
Maar hij wist niet wat hij zei.
Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde.
Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bevangen.
Uit de wolk klonk een stem die sprak:
“Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene,
luistert naar Hem.”
Terwijl de stem weerklonk
bemerkten zij dat Jezus alleen was.
Zij zwegen erover
en verhaalden in die tijd aan niemand iets
van wat zij gezien hadden.



Op sommige zondagen is het moeilijker om te preken dan op andere. Vaak sluit een lezing mooi aan bij wat er gebeurt in de wereld of wat er op dat moment leeft in je hart – maar soms is het ook lastiger te zien. 

Vrijdagochtend werden we opgeschrokken door het nieuws van een grote aanslag op twee moskeeën in Nieuw-Zeeland waarbij bijna vijftig doden gevangen zijn. Mannen, vrouwen en kinderen – niet anders dan wij. Die op naar hun gebedshuis gingen zoals wij naar het onze en daar slachtoffer zijn geworden van een terreurdaad.

We kunnen en moeten nu in onze gebeden nabij zijn met allen die door deze aanslag getroffen zijn. Maar daar mag het niet bij blijven. We worden in deze vastentijd uitgenodigd om kritisch naar onszelf te kijken , te zien waar er nog duisternis leeft in ons eigen hart. Want het is niet onze roeping om in de duisternis te blijven zitten. We zijn mensen van het Licht. 

Toen het verhaal van God met de mensen nog jong was, in de dagen van Abraham, werd hem de belofte van God gegeven dat zijn nageslacht even groot zou zijn als het aantal sterren in de hemel. In alle verwikkelingen, moeilijkheden en ook rampen die het Joodse volk zou meemaken, die belofte droegen ze altijd bij zich. Die konden ze niet kwijtraken omdat God zelf er garant voor stond. Dat die belofte waarheid zou worden stond vast.

Maar zoals dat gaat met beloftes van God - de vervulling er van wordt pas bij stukjes en beetjes duidelijk. In Jezus Christus werd de belofte letterlijk zichtbaar. Hij trekt zich terug met zijn naaste vrienden op de berg Tabor en daar op een bijzonder moment openbaart Hij zich voor wie Hij is. Hij laat zien dat Hij meer is dan een eenvoudig mens, een wijze leraar of een interessante zelfhulpboekenschrijver.  Hij brengt geen nieuwe Tafels van de Wet. Je zal vruchteloos zoeken naar een bundeltje met Jezus’ Twaalf Regels voor het Leven!

Hij is geworteld in eeuwigheid, hij is God zelf die de wereld komt bevrijden. Hij is de vervulling van de beloften van het Oude Testament en de ontmoeting met Hem verandert ook ons. Zijn gedaanteverandering loopt vooruit op onze verandering. 

Hij laat zich als eerste zien in Zijn Heerlijkheid aan zijn meest naaste vrienden. Hij laat zichzelf na Zijn Verrijzenis zien aan de bredere kring van leerlingen. Dat Hij degene is die de dood heeft overwonnen en de poorten opent naar nieuw leven bij God. Als mensen die levende ontmoeting hebben gehad gaan ze anderen ook in een ander licht bekijken. Er gaat er een ander licht schijnen in ons hart. Dan blijft niets hetzelfde. 

Dan weten we dat de duisternis niet het laatste woord heeft, niet in ons leven, en niet in de wereld. We hoeven niet tastend op zoek naar goedheid en waarheid die ergens ver weg verstopt ligt. We hoeven niet naar God op zoek alsof Hij een spreekwoordelijke zwarte kat in een donkere kamer is. 
Hij is onder ons – Hij leeft in ons hart, in de Sacramenten van de Kerk, in elk moment dat mensen elkaar in liefde ontmoeten.

Als we dan leven uit dat Licht brengt dat ook verantwoordelijkheden met zich mee. Om te beginnen de verantwoordelijkheid voor andere mensen om ons heen, ongeacht of ze landgenoten of geloofsgenoten zijn. De dingen van deze wereld zijn niet meer maatgevend voor ons. We mogen anderen benaderen in vrijheid en in liefde voor wie ze zijn. Zelfs onze vijanden mogen we (moeten we!) liefhebben. Het is onbegrijpelijk maar waar.

En als we onze vijanden moeten liefhebben, zelfs de mensen die ons naar het leven staan. Hoeveel liefde zijn we dan verschuldigd aan mensen die ons nooit kwaad hebben berokkend?

En liefde mag niet blijven bij een warm gevoel van binnen. Het heeft niets van doen met sentimentaliteit. Het roept ons op tot concrete daden van naastenliefde. Het roept ons op tot geduld, tot vriendelijkheid, tot hoop. Ook in duistere dagen hoeven we het licht van Christus niet uit het oog te verliezen.

Laten we dan gewapend met dat licht dan de aanzet geven aan die “revolutie van de liefde” waar Paus Franciscus over spreekt. Maken we van dat licht een lucifer die de hele wereld in vlam zal zetten – geen vlammen van haat en verwoesting , maar vlammen van liefde, een nieuw begin.
Mogen we ook deze weken dat licht in ons bewaren en versterken.

Amen.

Tuesday, 26 February 2019

De Liefde maakt Vrij


De Liefde Maakt Vrij 

OT-lezing: Genesis 45:3-11,15

Jozef zei tot zijn broers: 'Ik ben Jozef. Maakt vader het nog goed?' Maar zijn broers konden geen woord uitbrengen, zo ontsteld waren zij over hem. Jozef echter zei tot zijn broers: `Kom toch dichterbij.' Toen ze dichterbij gekomen waren, zei hij: `Ik ben Jozef, de broer die jullie naar Egypte verkocht hebben. Je hoeft niet zo terneergeslagen te zijn en jezelf niet meer te verwijten dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie in leven te houden. Er heerst nu al twee jaar hongersnood in het land en er komen nog vijf jaren dat het ploegen geen oogst oplevert. God heeft mij vooruit gezonden, om jullie voortbestaan op aarde te verzekeren en om velen het leven te redden. Niet jullie hebben mij hier gebracht, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over heel Egypte. Ga haastig naar mijn vader en zeg hem: Zo spreekt uw zoon Jozef: God heeft mij aangesteld tot heer over heel Egypte; kom zonder uitstel naar mij toe. U kunt zich in Gosen vestigen; dan zult u dicht bij mij wonen, samen met uw kinderen en kleinkinderen, uw schapen en runderen en uw hele bezit. Ik zal zorgen, dat u daar niets te kort komt, want er komen nog vijf jaren van hongersnood; dan zult u niet tot armoede vervallen, noch uw familie of iemand van de uwen. Hij kuste zijn andere broers en schreide toen hij ze omhelsde. Toen pas durfden zijn broers met hem spreken.

Evangelie: Lucas 6: 27-38

Tot u die naar Mij luistert zeg Ik: Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen. Als iemand u op de ene wang slaat, keert hem ook de andere toe; en als iemand uw bovenkleed van u afneemt, belet hem niet ook uw onderkleed te nemen. Geeft aan ieder die u iets vraagt, en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eist het niet terug. Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen. Als gij bemint wie u beminnen wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de zondaars ook. Als gij leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars lenen aan zondaars met de bedoeling evenveel terug te krijgen. Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder erop te rekenen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten. Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.'

Broeders en zusters, goedemorgen

Wat fijn om hier te mogen zijn, met jullie mee te vieren op deze zondag. En hier te mogen preken. Een bijzondere gelegenheid. En ook wel een beetje een uitdaging – want wij katholieken zijn van huis uit gewend wat beknopter te preken!

Gelukkig maken de lezingen voor deze zondag veel goed. Er is genoeg om het over te hebben, we lezen uit het Oude Testament over de verzoening tussen Jozef en zijn broeders, en dat als opmaat voor de passage uit de Bergrede volgens Lucas, de opdracht om onze vijanden lief te hebben.
De opdracht om onze vijanden lief te hebben lijkt soms een mooi woord te zijn, maar een onmogelijke opdracht. We kunnen in de krant lezen over mensen die ons kwaad willen doen, in vreemde landen of nare politici dichter bij huis. Of zelfs over jonge mensen die naar Syrië zijn afgereisd om daar bij ISIS te gaan horen en zo medeplichtig te worden aan de ergste misdrijven tegen de menselijkheid. En nu hun griezelige sprookje uit is vragen ze om terug te komen. Tja.

Ik zal heel eerlijk zijn broeders en zusters, als ik die verhalen lees is vergeving niet de eerste gedachte die in mij opkomt.
Maar ook dichter bij huis kunnen we misschien wel voorbeelden vinden van mensen die we moeilijk vergeven kunnen om wat ze ons aangedaan hebben. Misschien in onze jeugd of later. De wonden die we in het leven oplopen laten toch vaak littekens na, en degenen die ons bewust of onbewust die verwondingen hebben toegebracht dragen we makkelijk nog wat na.

In organisaties en gemeenschappen waar conflicten heersen is de situatie nog ernstiger, niet alleen zijn er negatieve gevoelens over en weer, maar die versterken zichzelf ook telkens weer. Conflicten kunnen op een onmenselijke manier escaleren, waarbij partijen steeds geloven dat ze door de andere partij gedwongen worden om steeds feller te reageren. Conflicten die niet getemperd worden maken onmenselijke energieën los in de mens.  Partijen laten zich vaak van hun ergste kant zien.  In het ergste geval, als niemand de conflictcirkel weet te kan een conflict er op eindigen dat de hele gemeenschap stuk wordt gemaakt. Terugkijkend zegt dan bijna iedereen: dit wilde ik helemaal niet, hoe heeft het zover kunnen komen? Ik ben zo teleurgesteld in mezelf – dat ik me zo heb laten gaan. Zo heb laten meesleuren.

De Oostenrijkse conflicttheoreticus Friedrich Glasl noemt de laatste fase van een conflict “wederzijdse vernietiging” – en zegt ook dat dat is wat niemand wil, maar wat toch gebeurt omdat men zich gedwongen voelt om mee te blijven gaan in zo`n onmenselijk proces. Door het hele conflict heen, door alle pijn die men uitdeelt en ontvangt voelt men zich steeds onvrijer.
Haat, conflicten, vergelding houden ons gevangen. Vergeving maakt ons vrij.

Dat zien we ook terug in deze lezingen. In het Oude Testament vallen midden in het verhaal binnen. Jozef, ontroerd, openbaart zich aan zijn broeders – die hem het nodige hebben aangedaan in zijn jeugd, en er vindt een prachtige verzoening plaats.
Maar daar gaat wel wat aan vooraf.

Het verhaal zal u zeker kennen maar voor de zekerheid lopen we het nog heel even door. Na alle ellende die Jozef heeft doorgemaakt met zijn broers en in Egypte wordt hij om zijn bijzondere talenten een belangrijke raadgever van Farao en uiteindelijk zelfs Onderkoning. Door zijn wijsheid weet hij niet alleen Egypte te behoeden voor hongersnood, maar ook de landen om Egypte heen.

Zo komen ook de broers in aanraking met Jozef, en Jozef zet zijn plan in werking. Hij bedelft hen met voedsel en gunsten en laat hen vertrekken – maar doet het zo lijken alsof Benjamin, het oogappeltje, er met Jozefs Onvervangbare Waarzegbeker vandoor wilde gaan.
Jozef plaatst de broers weer in eenzelfde positie: laten ze vaders favoriete zoon achter in de put van Egypte om hun eigen hachje te redden of niet? Als Juda dan aanbiedt zelf maar alle gevolgen te dragen van wat Benjamin misdaan zou hebben dán zijn we op het moment van openbaring aangekomen.

Toch leuk, dat zo`n waarzegbeker toch iets laat zien hè? Ik ben dol op dat soort spelletjes in de Bijbel. Iets heidens wordt gebruikt om aan het doel te voldoen waar het voor bestaat maar net op een andere manier. Niet door magie of occultisme maar door wijsheid. Goed, dat is een zijpaadje.
Er zitten een aantal wijze lessen in dit verhaal en in dit evangelie, ik wil er drie uitlichten.

Ten eerste:
Vergeving is altijd gericht op het herstel van gemeenschap met mensen, het moet geven en nemen zijn. Jozef steekt zijn hand uit naar de broers als hij er zeker van is dat de broers een verandering hebben ondergaan, dat ze hebben leren leven uit liefde. Dan is het veilig. Bij Jezus gaan we echter nog een stapje verder. We worden gevraagd om een vergevende houding aan te nemen ook als er niet op geantwoord wordt, of er niet om gevraagd wordt, of zelfs als we geen aanwijzing hebben dat de vergeving aanvaard of zelfs maar gewaardeerd wordt. Jezus’ radicale oproep tot vergeving mag ons wel wat verontrusten – het verontrust mij althans. Het voelt als koorddansen zonder vangnet. Je legt je pantser af en maakt je kwetsbaar, maar wie zegt dat de vijand dan niet nog harder toeslaat?
Jozef had tenminste nog een waarzegbeker. Wij hebben dat niet. We worden gevraagd om open in het leven te staan. Kwetsbaar in het leven te staan. En we weten niet of we de goede afloop mee gaan maken. Dat is moeilijk. En we zijn zo verslaafd aan resultaat, en gelijk oversteken, en voor wat hoort wat. Dat zit zo`n beetje in onze genen ingebakken. Zó openstaan voor het herstel van gemeenschap met anderen, daar zo radicaal in kunnen staan dat het ons eigen individuele bestaan overstijgt is een uiting van grote liefde, de liefde van Jezus zelf, de liefde ook van God zelf.

Daarmee komen we op het tweede punt: leren vergeven is ook een opgaan naar God. Leren kijken met de ogen van God, leren liefhebben met het hart van God. Wij zijn niet God maar wij mogen door ons leven heen en door ons geloof steeds meer op hem gaan lijken. Steeds meer met zijn ogen kijken.
We leren zien in kansen, gaan openingen zien naar de toekomst toe en beseffen dat waar we nu zijn en wat we nu voelen misschien niet voor de eeuwigheid in beton gegoten is. Hij leert ons door zijn liefde altijd uit te zien naar een brokje goedheid in de ander. Hij scherpt onze ogen.
We leren leven uit hoop dat onze moeilijkheden, onze conflicten de spanningen in onze omgeving niet voor altijd zijn. We leren denken in mogelijkheden. En misschien dat we het woord nooit langzamerhand uit ons vocabulaire leren schrappen. Waar ook maar een mespuntje zuurdeeg van goedheid en liefde is, ziet God kansen. En wij leren ze ook zien.
Ook als de tijd moeilijk is, er geen uitweg leidt. Zelfs in de diepten van de Egyptische slavernij toen alle mooie verhalen over Jozef en zijn broeders voorgoed verleden tijd leken te zijn was het absoluut zeker dat God bevrijdt, dat hij de zaken niet laat zoals ze zijn.

God bevrijdt, daarmee komen we op ons derde punt, onze conclusie. God bevrijdt. God bevrijdt door zijn liefde. God bevrijdt door zijn genade, zijn vergeving, zijn liefde. En ook wij worden vrije mensen als wij leren genadig te zijn, leren te vergeven, leren lief te hebben, zo radicaal lief te hebben dat die liefde ook mensen kan raken die ver van ons af staan, die ons zelfs pijn willen doen of bestrijden.
Jozef heeft het ons voorgedaan. Hij had het goed gedaan in Egypte een fantastische carrière doorlopen. De schande van de slavernij was volledig weggewist en hij was nu één van de rijkste en machtigste mannen in een wereldmacht. Maar hij was nog niet vrij. Zolang de pijn van vroeger nog een plaats had in zijn hart was hij niet vrij. Macht en geld maken je niet vrij. Als je macht en geld hebt maar je hart zit nog gevangen in pijn en haat, dan ben je niet vrij. Dan kun je twintig keer Onderkoning van Egypte, of Vice-President van de Verenigde Staten of Premier van China zijn, of gewoon multi-miljardair. Dan ben je niet vrij.
Als Jozef niet uitkijkt, zit hij als Onderkoning alleen maar naar den lijve op een gouden troon – maar in zijn hart zit hij nog steeds gevangen in een diepe put. Maar als hij met Gods kracht, Gods genade een stap zet, bevrijdt hij niet alleen zichzelf, maar ook de mensen om hem heen.
Misschien kun je zelfs zeggen: de eerste stap van de Exodus – die lange weg van bevrijding door de woestijn heen – werd gezet in de troonkamer van het paleis van Jozef. De eerste stap op de weg van Genade begint met één daad van liefde.
Enkel genade, vergeving en liefde haalt ons uit de putten waar we ingegooid zijn, of onszelf in hebben laten vallen. Proberen te leven uit een houding van liefde, dát is de opdracht die we meekrijgen. Er zit geen waarzegbeker bij ingesloten we weten niet hoe het gaat aflopen. Dat is spannend, en ook een beetje eng. Maar we hebben ons hele leven om het te leren. Ons hele leven om stapjes te zetten , die put uit en de paden op. Op weg naar Gods Vrijheid, de Ruimte die Hij voor de mensen maakt om in te leven.

Amen.





Sunday, 17 February 2019

Rijkdom en Armoede


In die tijd daalde Jezus samen met de twaalf van de berg af. Hij bleef staan op een vlak terrein. 
Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land, uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon. Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: “Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods. Zalig die nu honger lijdt, want gij zult verzadigd worden. Zalig die nu weent, want gij zult lachen. 
Zalig zijt gij wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten en u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. Als die dag komt, springt dan op van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel. Op dezelfde manier behandelden hun voorvaders de profeten. 
Maar wee u, rijken, want wat u vertroost hebt ge al ontvangen. Wee u, die nu verzadigd zijt, want ge zult honger lijden. Wee u, die nu lacht, want ge zult klagen en wenen. Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken, want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten.

Broeders en zusters in Christus ‘

Deze zondag lezen we een variant op de zaligsprekingen. Bij Lucas staat het er allemaal net een beetje anders dan we gewend zijn. In het Evangelie van Mattheus staan er acht zaligsprekingen vermeld, en hier zijn het er vier. Verder worden er naast de vier zaligsprekingen van Lucas ook nog vier Weeroepen toegevoegd. Als er wordt gezegd: “Zalig de mensen die arm zijn” wordt er een Wee uitgeroepen, een waarschuwing gegeven, aan de mensen die rijk zijn, bijvoorbeeld.

Wat betekent dit allemaal? Het is niet helemaal wat we gewend zijn. En de woorden van Jezus zouden ons zelfs wat onrustig kunnen maken. Zeker als we straks weer teruggaan naar ons leuk ingerichte huis en we met onze mooie auto’s nog een uitje gaan maken. Zijn wij niet ook rijk? Wat staat ons dan allemaal wel niet te wachten?

Jezus spreekt hier over onze relatie. Onze relatie met God en onze relaties met de mensen om ons heen. Rijkdom en armoede moet je hier niet letterlijk nemen – het zijn woorden die betrekking hebben over hoe we in relatie tot anderen staan.

Misschien dat het wat makkelijker uit te leggen is aan de hand van een voorbeeld. Afgelopen donderdag was het Valentijnsdag. Heel romantisch is dat. Een dag van de liefde, een dag om vriend of vriendin of man of vrouw in het zonnetje te zetten iets leuks te doen – maar vooral om dankbaar te zijn voor wat je voor elkaar betekent. En je kan pas blij zijn met wat je voor elkaar betekent als je beseft dat liefde niet iets is wat je verdiend hebt – omdat je er zoveel voor betaald hebt bijvoorbeeld – maar omdat je het zomaar krijgt. Van iemand die heel bijzonder is.

Ik denk dat we de woorden van Jezus pas goed kunnen begrijpen als we beseffen dat God liefde is, en liefde niet te koop is. En dat als we denken dat we er recht op hebben we meestal naast het doel schieten.

Wat liefde betreft is het goed te bedenken dat we allemaal arm zijn. We hebben allemaal een gat in ons hart die door iemand anders gevuld moet worden. Door God, door andere mensen om ons heen, die om ons geven. Maar die leegte in onszelf kan alleen door de vrijgegeven liefde van een ander worden opgevuld. We kunnen geen hartvulsel kopen, we kunnen geen voorraadje liefde aanleggen. Hoe rijk je ook bent, als je denkt dat je liefde kan kopen sta je alleen maar vruchteloos met je creditcard te zwaaien.

Jezus heeft het hier dan over de liefde van God voor de mensen. God houdt heel veel van mensen en wil zichzelf met hen delen. Maar dat kan alleen als de mensen beseffen dat ze God nodig hebben en hun hart voor Hem openstellen. Met andere woorden: als ze weten dat ze arm zijn. Dat ze de gaten in hun hart niet zélf kunnen vullen.

Er zijn mensen die denken dat het heel anders zit, dat ze Gods liefde en aandacht kunnen kopen. Door zich erg voor iets in te zetten, of door veel geld te geven aan de Tempel of zo. Maar dat getuigt van de verkeerde houding. Wie denkt dat hij God in zijn binnenzak kan stoppen komt bedrogen uit.

De woorden van Jezus nodigen ons deze zondag uit om ons eens bezig te houden met onze relatie met God. Zoals we Valentijnsdag hebben voor de man of vrouw van wie we houden, zo hebben we ook ze zondag om die samen met God door te brengen, van zijn liefde en aanwezigheid te genieten en tegelijkertijd ook om de zoveel tijd kritisch naar onszelf te kijken.
Ben ik nog dankbaar dat God in mijn leven is? Neem ik Hem niet te makkelijk aan. Of voel ik misschien zelfs dat ik recht op Hem heb. Dat Hij er altijd maar moet zijn wanneer het mij uitkomt?

Als we ons die vragen blijven stellen dan blijven we ons altijd een beetje arm voelen. Goed arm. Dan blijven we voelen dat we God nodig blijven hebben in ons leven, dat niet alles altijd maar om ons eigen ego, ons eigen ikje draait.

Als we dat beseffen, dan ligt de weg naar de vrede, de vreugde, het leven bij God wijd voor ons open.

Amen 

Sunday, 10 February 2019

Ontzettend Mooi


De lezingen van deze zondag kunt u hier teruglezen. 

Broeders en zusters in Christus

Misschien heeft u ook wel eens een ontmoeting gehad met iemand, met een ander persoon, waardoor alles anders werd. Iemand die eenvoudigweg zo bijzonder inspirerend was dat die ontmoeting ons op een ander, beter pad gezet heeft.  Een ontmoeting die ons bewust maakt dat we met andere ogen naar onszelf en andere mensen moeten kijken.  Een ontmoeting die misschien ook wel een beetje confronterend was. Een ontmoeting waardoor we beseften dat we de dingen anders moeten gaan doen.

Dat zijn geen ontmoetingen van alledag, maar als je er een paar van in je leven hebt, dan ben je een rijk mens.

De drie lezingen van vandaag gaan over zulk soort ontmoetingen. En het zijn alle drie ontmoetingen met God, en in het Evangelie een ontmoeting met Jezus Christus, de Zoon van God. Het mooie is dat al die ontmoetingen hetzelfde patroon doorlopen.  Als er een ontmoeting met God plaatsvindt, zo zeggen de lezingen, dan ontstaat er een drieslag aan reacties:

Ontzetting. Bemoediging. Zending.

Waar je ook kijkt in de Bijbel, als mensen God ontmoeten als God zich aan hen openbaart krijg je die drieslag er gratis bij. Als je God ontmoet gebeuren er dingen, dan blijft niks bij het oude.  Ook de Mensenzoon is niet alleen maar mens onder de mensen. Ook de ontmoeting met Jezus Christus leidt ergens toe, maakt mensen wakker. Zet ze op een nieuw pad.
Laten we even iets dichter op die ontmoetingen zitten. 

De eerste reactie: Ontzetting. God ontmoeten gebeurt niet gratis en voor niks. Het is confronterend. Het is alsof iemand de kamer binnen komt lopen terwijl we bezig zijn met iets wat niet door de beugel kan. We kunnen ons heel betrapt voelen. Doorzien. En dat klopt. We zijn doorzien. God doet dat altijd, dat is hoe hij is. Hij is ons té nabij om iets anders te kunnen doen. Hij is té nabij om te doen alsof Hij ons eigenlijk niet kent. Maar als Hij ons ontmoet worden wij ons daar ook van bewust. God ontmoeten is ook de realisatie dat God ons ziet, God ons doorziet, en dat wij ook opeens onszelf zien zoals we zijn.

Broeders en zusters, dat is wel degelijk een openbaring, maar niet altijd feest. Wij schieten namelijk altijd tekort. En naast God gezet worden we ons daar pijnlijk van bewust. We voelen dan ontzetting, en misschien wel vluchtgedrag. Het komt te dichtbij. Ik verdraag het niet. En we worden misschien ook wel bang, voor een oordeel – want we oordelen zelf al zo makkelijk. En als we onszelf opeens zien voor wie we zijn en de oordeelmachine in ons hoofd zich nu eens niet naar buiten maar naar binnen richt.. O God! Wat nu! Jesaja riep uit van angst, Paulus – die terugdenkt aan zijn verleden – kan alleen maar zeggen dat hij een misgeboorte was – en Petrus vraagt zelfs aan Jezus om van hem weg te gaan. Het komt té dichtbij.

Maar God blijft niet hangen in die verschrikkelijke ontzetting. Hij wil die wegnemen. En zo komen we op het tweede deel van de drieslag. God bemoedigt.

De angst die wij voelden, wat als de maat die wij gebruiken om anderen te oordelen over anderen op onszelf slaat? Beantwoordt God met zijn ontferming en liefde. Met genade, met vergeving, met de oproep om geen angst meer te hebben. Bij God is meer genade dan er kwaad in ons is.  Bij God is meer liefde dan er zonde in ons is. Bij God is meer vergeving, dan wij verkeerd kunnen doen.  God neemt ook onze eigen veroordelingen weg die wij over onszelf uitspreken.

Dat we het niet altijd goed doen is een gezonde overtuiging. Dat we ons tekort voelen schieten is zelfs gezond. Als we zouden denken altijd alleen maar goed te doen en geen genade nodig te hebben, daar zouden we letterlijk genade-loze mensen van worden.

Als we God ontmoeten hoort daar naast de eerste schok ook bemoediging bij. God zet ons weer recht op onze plaats. Hij maakt ons door zijn genade tot wie wij zijn. Hij sterkt ons, Hij troost ons. Hij laat ons niet in de put die wij voor onszelf gegraven hebben.

Als we dan tenslotte uit die put getakeld zijn door Gods liefdevolle ontferming, dan krijgen we tenslotte, dat is de derde fase,  onze zending. Wij krijgen onze taak toebedeeld. God toont zich niet aan ons zodat alles maar hetzelfde blijft – zoals het “altijd was”. En God doet ook niet aan bezigheidstherapie. God zendt ons. Hij zendt ons allemaal. Op onze eigen manier.

Hij zendt ons om Goed Nieuws te brengen aan de mensen om ons heen, door ons leven, door ons voorbeeld, door ons getuigenis van wie Jezus Christus voor ons is. Om andere mensen te vertellen over ons geloof.

Hij zendt ons om goede werken te doen, mensen te helpen voor wie het leven moeilijk is, om de werken van barmhartigheid te doen

Hij zendt ons zodat iedereen Hem kan leren kennen, dat iedereen God mag komen ontmoeten. Zodat de rest van de wereld niet blijft steken in de duisternis maar vergeving en genade mag leren kennen.

Daartoe zendt Hij ons.

Nu kan het zijn dat u denkt. Dat is allemaal een tijdje geleden voor mij dat ik zo`n ontmoeting had. Zo’n ervaring van God. Dat vuur brandt niet meer zo hard in mij. Het dagelijks leven is al ingewikkeld genoeg. Zo`n ontmoeting met God, dat schudt de zaken wel heel erg op. Moet dat nou?
Ik zou dan zeggen, niks moet. Maar je weet niet wat je mist. De laatste ontmoeting is misschien al lang geleden. Misschien zelfs iets te lang. We kunnen ontmoetingen niet afdwingen, maar we kunnen er wel om vragen, ons er open voor stellen.

We kunnen aan God vragen: 

God, laat Uzelf weer aan ons zien, kom naast ons staan, ook als het weer even schrikken is. Heer: bemoedig ons. Spreek ons vrij van alles wat er nog aan ons kleeft, al onze pijn, onze onhebbelijkheden, onze tekortkomingen.
Heer: maak ons dan tot uw instrument. Mensen die Uw woorden spreken, mensen die voor U op tocht gaan, en die andere Mensen laten zien wie U bent, wat U voor ons betekent.

Dat vragen wij U door Christus onze Heer.

Amen.

Sunday, 3 February 2019

Hij ging midden tussen hen door...

In die tijd begon Jezus in de Synagoge te spreken: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan.” 

Allen betuigden Hem hun instemming en verbaasden zich, dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden. Ze zeiden: “Is dat dan niet de zoon van Jozef?” 

Hij zei hun: “Natuurlijk zult ge Mij dit spreekwoord voorhouden: Geneesheer, genees uzelf: doe al wat, naar wij vernamen, in Kafarnaüm gebeurd is, nu ook hier in uw vaderstad.” Maar Hij gaf er dit antwoord op: “Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad. En het is waar wat Ik u zeg: in de tijd van Elia immers, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood uitbrak over het hele land, waren er veel weduwen in Israël; toch werd Elia tot niemand van haar gezonden dan tot een weduwe te Sarepta, in het gebied van Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israël; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syriër Naäman.” 

Toen ze dit hoorden werden allen die in de synagoge waren woedend. Ze sprongen overeind, joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.


Misschien heeft u het wel eens meegemaakt dat u aan een nieuwe taak begon, een nieuwe baan missschien, en dat uw reputatie u al vooruitsnelde. De verwachtingen die de mensen in uw nieuwe omgeving hebben zijn dan levensgroot. Uw eerdere professionele successen worden groter en groter gemaakt, er wordt misschien nog wat bijverzonnen – want zo gaat dat als er druk over mensen gepraat wordt… En voor u het weet wordt u binnengehaald als de redder van de onderneming. Die euforie duurt dan tot de eerste moeilijke beslissingen moeten worden genomen en de verwachtingen stuk slaan op de harde realiteit.

Heel vaak zien we dan dat mensen boos worden. Niet op zichzelf, omdat ze de verkeerde verwachtingen koesterden en daar hardnekkig aan vast bleven houden, maar op degene waar ze zoveel van verwachtten. Dat die hij niet degene is die zij gehoopt hadden. Hij is een slappeling! Hij heeft gefaald!

Zoiets gebeurt er vandaag in de synagoge van Nazareth. Het is het vervolg op de lezing van vorige week, maar die eindigde in vreugde. Nu willen mensen Jezus van de rots gooien. Laten we even teruggaan naar vorige week. Jezus is terug in het dorp waar hij is opgegroeid. Dat is waar de mensen hem kennen, de zoon van Josef de Timmerman. Ze kennen zijn familie. Jezus is naar de grote stad gegaan en daar gebeuren allemaal bijzondere dingen. Wonderen. Genezingen. Het kwaad wordt weggestuurd en uitgebannen.

En dan komt hij terug naar Nazareth. U begrijpt wel, de spanning stijgt ten top. En als Hij dan ook nog zegt dat hij komt om de beloften van God te vervullen schiet het dak bijna van de synagoge. Als Hij al die grote dingen heeft gedaan in de grote stad Kapernaum, wat gaat hij hier dan wel niet doen?

Jezus echter ziet het hart van de mensen. Hij voelt hoe ze als het ware achterover gaan zitten om al die prachtige dingen mee te gaan maken. Maar Jezus is niet op zoek naar zelfverzekerde verwachting, maar op geloof. En dát vindt Hij niet.

Hij vindt mensen die denken dat ze recht hebben op wonderen . Dat is het tegendeel van geloof. Wonderen zijn net als Vergeving en de Genade van God zaken waar je per definitie geen recht op hebt. Je mag er op hopen, je mag er om vragen. Maar je kan niet zeggen. Ik heb er recht op.

Dat kan ook voor ons wel eens moeilijk te accepteren zijn, want we leven in een samenleving waarin de magische bezwering “Ik heb recht op” te pas en te onpas van stal wordt gehaald. Mensen geloven dat ze op bijzonder veel recht hebben. En dan vooral recht hebben om hun zin te doen.

Als Jezus vertelt over de profeten uit de Bijbel, die naar de weduwe in Sarefta ging, en die de Syriër Naäman genas, dan zegt hij: “ik kijk net als de profeten niet naar wie er het meeste “recht” op iets denkt te hebben. Ik kijk naar de mensen zelf, en waar hun hart ligt.” De weduwe en de Syriër waren in de wereld van de Bijbel bij uitstek mensen die nergens recht op hadden, absolute buitenstaanders waar je eigenlijk niet eens mee om mag gaan.
God gooit alle verwachtingen van de mensen omver.

En dan zegt Jezus met zoveel woorden: ik ga verder aan deze plaats voorbij want jullie begrijpen niet waar het echt om gaat. Ik ben niet van jullie omdat ik hier vandaan kom.

Dán worden ze boos, en als ze hem niet kunnen grijpen om Jezus voor hén te laten werken dan proberen ze hem te grijpen om hem van de hoogte van het dorp af te gooien. Wat ze niet voor zichzelf kunnen inpikken, proberen ze dan maar kapot te maken. Het dorp Nazareth werd inderdaad niet bewogen door liefde en geloof, en verwachting op de komst van de Heer, maar door rancune en jaloezie, en de giftige, bittere angst om iets tekort te komen.

Maar Jezus ging midden tussen hen door. We kunnen Jezus niet voor ons karretje spannen, hem dwingen te gaan waar Hij niet moet zijn, dan gaat Hij langs ons heen.  En weer op weg , door het Joodse land en daarbuiten. Op zoek naar mensen die willen openstaan voor Hem. Voor wie Hij echt is.

We kunnen God niet voor ons karretje spannen. We kunnen hem niet grijpen en hem ónze wil te laten doen. Wij kunnen ons slechts laten vinden. Dát is ónze taak. Niet krampachtig vasthouden waar je denkt op recht te hebben maar open staan voor alle goede dingen die de mensen en God zelf ons willen geven.

Amen.