Saturday, 14 September 2019

Verloren en weer teruggekomen


In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. 
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.” Hij hield hun deze gelijkenis voor: “Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één verliest, laat hij dan niet de negen-en-negentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene totdat hij het vindt? En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en hij gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap, dat verloren was geraakt, heb ik gevonden. Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negen-en-negentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben. 
Of welke vrouw, die tien zilverstukken bezit en er één verliest, steekt niet een lamp aan, veegt niet het huis en zoekt niet zorgvuldig totdat ze het vindt? En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde, want het zilverstuk, dat ik had verloren, heb ik gevonden. Zo, zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen van God over één zondaar die zich bekeert.” 

[Jezus] sprak: “Een man had twee zonen. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld instuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen, die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is teruggekomen, die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles van mij is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden.”

Broeders en zusters in Christus

Misschien heeft u het wel eens meegemaakt dat u een vriend of vriendin had, met wie u veel leuke dingen samen heeft gedaan, en waarvan u dacht dat u elkaar heel nabij was. Maar dat dan toch blijkt dat die vriend of vriendin in zijn of haar hart toch op grotere afstand stond. Misschien is er wat gebeurd, of heb je elkaar te lang niet gezien. Of maak je verschillende levenskeuzes die je van elkaar niet goed kan accepteren. En op een moment merk je dat de nabijheid die je dacht te voelen er niet meer is. Er is alleen nog maar een afstand. Verwijdering. Een gat.

Mensen die zoiets overkomen is gebruiken wel eens woorden en uitdrukkingen als “het is alsof er een masker afgevallen is”. Alsof de realiteit van de afstand werd vermomd door woorden van nabijheid. Dat is verdrietig.

Als u zoiets heeft meegemaakt heeft u daar vast pijn van gehad. Als we hopen op nabijheid en we vinden juist afstand en verwijdering. Dan doet dat pijn. We kunnen ons dan tot in het diepst van onze persoon afgewezen voelen. Alsof we het niet waard zijn.

Dan voelen we zelf ook een diepe verwijdering in ons hart jegens de andere persoon, de voormalige vriend. Soms komt het later nog een keer goed. Maar soms ook helemaal niet. De verwijdering verhardt zich dan.
Zo`n verharding kan voorkomen tussen mensen, maar ook tussen groepen. In het groot en in het klein. Ik denk dat we allemaal wel voorbeelden kunnen noemen van verwijdering.

Het verhaal van de verloren zoon is zo`n verhaal over verwijdering en nabijheid. Maar het leert ons een les, over vergeving – ja – maar vooral over liefde. De kwetsbaarheid ervan, maar ook over hoe de liefde altijd sterker is dan wat mensen er van bakken.

Het verhaal begint met de jongste zoon die op een dag zijn erfdeel opeist en naar een ver land vertrekt.

Voor ons zijn de symbolen en bijbetekenissen minder zichtbaar geworden. Maar de toehoorders uit de tijd van Jezus zouden het verstaan hebben. Je erfdeel opeisen terwijl je vader nog leeft, vertrekken naar een ver land. Dat zijn allemaal tekenen dat je je banden met je familie helemaal opzegt. Zó radicaal opzegt dat niemand nog maar de minste verplichting heeft om je terug te nemen.

Jezus kleedt het verhaal zo in dat de toehoorder elk brokje sympathie voor de jongste zoon verliest.

We zeggen wel eens, als we vinden dat we niet teveel medelijden met iemand moeten hebben: hij heeft er zelf naar gemaakt.

Nou, de jongste zoon heeft het er wel naar gemaakt.

Om te beginnen is hij de jongste zoon, hij is degene in de familie die zijn plaats moet kennen. In plaats daarvan blaast hij de familiegemeenschap op door zich er van af te scheiden.

Hij eist zijn erfdeel op. Met andere woorden. Hij zegt tegen zijn vader: voor mij ben je dood.  Hij scheidt zich af van zijn familie.

Hij gaat naar een ver land. Voor een trouwe jood betekent dit maar één ding: hij gaat naar een plaats waar God niet te vinden is. Hij scheidt zich af van zijn familie én van zijn volk.

Dan verbrast hij ook nog zijn geld, en niet eens aan iets wat nog waardig zou kunnen zijn, maar ook nog eens aan “een losbandig leven”, hij scheidt zich af van zijn familie, zijn volk en van de gemeenschap van alle fatsoenlijke mensen.

En daarna escaleert het nog verder. Als hij alles kwijt is en tussen de varkens beland is (je hoort de luisteraars van Jezus al bijna “net goed!” roepen) keert hij platzak terug. Hij heeft wel spijt, maar je proeft toch ook nog ándere dan edele motieven. 

Hij hoopt toch ook nog op een baantje als dagloner. Als hij het echt niet meer weet gooit hij zich op de genade van zijn vader. Zonder al te veel verwachtingen, maar dan heb je tenminste iets te eten.  Één ding echter zullen alle luisteraars van Jezus het roerend mee eens geweest zijn: de woorden van de jongste zoon – ik ben het niet meer waard uw zoon te heten. Hier knikt iedereen instemmend!

Hij is het niet waard! Daar is iedereen het over eens.

Dan gebeurt er iets heel anders, de jongste zoon krijgt niet eens de kans om zijn zin af te maken en te beginnen over zijn idee over daglonerschap voor minimumloon. Hij wordt gelijk weer als zoon aangenomen en volledig in zijn rol hersteld. Er is geen ondervraging, geen schadeclaim, geen langdurig onderzoek naar hoeveel slechte vrouwen er wel niet in zijn leven zijn geweest, het wordt weggeveegd.

De zoon was tussen alle dansfeesten op Ibiza en ritjes in een privéjet de Vader wel vergeten en was op een schier eindeloze afstand van de Vader komen te staan. Maar de Vader was altijd dichtbij. De Vader zélf is de zoon geen moment vergeten. Hij heeft hem laten gaan – zonder protest, zonder beschuldigingen, zonder zijn geboortebewijs voor zijn ogen te verscheuren. Maar ondanks dat Hij hem nu niet ziet staat hij Hem altijd voor ogen. Hij wacht op hem. Hij rent naar hem toe wanneer Hij hem ziet en overstelpt hem met gaven.

Dan openbaart zich de oudste zoon, als iemand die net zo ver weg geraakt is. Iemand die ook leeft uit de verwijdering. Hij is niet naar een ander land gereist om het geld van zijn vader op te maken. Integendeel. Hij is altijd trouw aan de zijde van de vader gebleven. Lichamelijk dan toch.
Zijn hart is heel ver weg, nog verder dan het verre land waar de jongste zoon verzeild is geraakt.

Hij zit vol verwijten. “Ik doe hier alles en ik krijg nooit wat”, ontploft de oudste zoon. En nu is die lapzwans ook nog terug!!

De jongste zoon is niet echt een rolmodel, maar het is de oudste zoon die het hardst van zijn schild valt. 

De modelzoon, de trouwe broer. De aanpakker. Het is buitenkant. Achter de buitenkant van nabijheid, plichtgetrouwheid, schuilt een pijnlijke realiteit. Hij is verveemd van zijn broer en vervreemd van zijn vader. Er gaapt een diepe en wijde kloof tussen de oudste zoon en zijn familie.

Hij ervaart zijn vader als tiran, een man vol willekeur. Iemand die strenge opdrachten geeft, en zijn gunst even willekeurig laat neervallen op de een of de ander, ongeacht wat ze gedaan hebben. Ongeacht hoe hard ze werken. Als een tiran. Dat is hoe de oudste zoon de vader ervaart.

En onder zijn verwijten loert het ressentiment,  je proeft het. De afgunst naar de jongere zoon toe, degene die het leven ten volle opgezogen heeft. De oudste zoon zit vol verwijdering . Hij is  de Vader niet nabij, en daarmee dus ook zijn jongere broer niet.

Het is de vader die woorden van nabijheid en woorden van liefde spreekt. “Wat van mij is, is ook van jou”, en omdat hij leeft uit liefde en barmhartigheid moet het nu feest zijn. De vader is niet gekwetst of boos over de diepe verwijdering in het hart van de oudste zoon, net zo min als hij de jongste veroordeeld heeft.  

De vader heeft maar één liefde in zijn hart. Die liefde is onverdeeld. De vader houdt van losbollen en fanatici, van lauwwarme mensen van prutsers en klunzen. Van mensen die fouten maken en mensen die alles goed doen.
Onze liefde is kwetsbaar, onze liefde kan stuk. Vriendschappen eindigen soms – door moedwil of door misverstand – en relaties kunnen stuk. De liefde en genegenheid die mensen voor elkaar voelden is niet in steen gebeiteld. Het is een levend iets, het kan verdorren, of zelfs met wortel en tak uitgerukt worden. Maar de liefde van de vader houdt nooit op. Die kan niet uitgaan of verdorren.

Dus zelfs als de oudste zoon zou weglopen, woedend over zoveel onrecht, en naar een ver land gaat waar hij zijn leven zelf in zal richten, heel precies  naar de normen die hij belangrijk vindt. Dan zal de vader op hem wachten.
En als al zijn harde werk en al zijn plannen, en protocollen over hoe alles altijd even eerlijk moeten verlopen krakend vastlopen. Dan zal de vader op hem wachten.

En als hij weer berooid terugkomt, uit dat vreemde land. Met in zijn versleten aktentas de verfromfraaide blauwdrukken van zijn ideale leven. Dan zal de vader op hem wachten.

En als ook wij terugkeren uit onze ballingschap, onze wereld, die we zo hebben opgevuld met hoop en angst, ambities en mislukkingen, met succesjes en nederlagen. Dan zal de vader op ons wachten.

Je krijgt sandalen een ring, en een nieuw gewaad. En er zal feest en muziek zijn. We waren dood en zijn weer levend geworden,  verloren en weer teruggevonden. 

Gevonden door die éne liefde.

Van de vader.

Amen.




Sunday, 18 August 2019

Brandstichters van de Liefde


Preek 20e zondag door het jaar C – 17/18 augustus 2019

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!
Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik mij, totdat het volbracht is.
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.
Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader;
de moeder tegenover de dochter
en de dochter tegenover de moeder,
de schoonmoeder tegenover de schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.

In dit evangelie voor de zondag lezen we een korte toespraak van Jezus. Hij wijst vooruit naar de tijd dat Gods Geest over de hele wereld gaat waaien, maar legt ook uit dat zijn lijden en dood daar niet los van te zien is. Sterker nog, ook wij zullen te maken krijgen met de pijn van verdeeldheid. Deze toespraak van Jezus draait dus om drie begrippen: het vuur dat op de aarde moet neerdalen, de doop van het lijden en de dood die hij moet ondergaan, en de verdeeldheid waar de leerlingen – en u en mij – mee te maken zullen krijgen.

Jezus spreekt over het vuur met de woorden: "Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!"

Jezus spreekt hier niet over een vuur dat dood en verwoesting brengt, zoals het vuur dat de leerlingen over de Samaritanen wilden afroepen, maar het vuur van de Heilige Geest. De scheppende kracht die alles wat slecht in ons is verteert en ons deelgenoot maakt van de kracht van de liefde. Het is het vuur dat alle angst, al onze kleinheid als onze berekening in ons wegbrandt en ons zuivert. Het geeft ons de kracht om over onze grenzen heen te stijgen, te durven wat we eerst niet waagden.

Bezield door dit vuur kunnen we gemeenschap zijn, krijg je de kracht om naar elkaar om te zien ook al komt het even niet uit. Door dit vuur verandert de kerk van een soort lokaal religieclubje in het lichaam van Christus, een plaats waar bijzondere dingen kunnen gebeuren, waar we zelfs van wonderen kunnen spreken als we God in ons laten werken.

Dit zijn allemaal mooie dingen, maar ze komen niet voor niks. Dat vuur daalt niet neer als op commando, alsof er een toverspreuk wordt uitgesproken. Dat kunnen we heel oneerlijk vinden, maar het kan niet anders. Liefde komt ook niet voor niks. Als liefde zó uit de kraan of uit het stopcontact zou komen zouden we het niet zo op waarde kunnen schatten. Liefde moet blijken. Liefde bestaat alleen binnen de context van mensen die elkaar ontmoeten, en die moeite doen voor elkaar. Liefde zonder moeite is een lege wensdroom.

Zo komen we bij het tweede begrip, het doopsel .

Jezus koppelt het vuur dat over de Aarde, de hele aarde, over alle mensen, neer moet dalen aan zijn “Doop” die hij moet ondergaan. Het is een bijzonder woord dat hij hier gebruikt. Als Jezus spreekt over de doop wil hij zeggen: Hij moet het lijden ondergaan. Het is een weerspiegeling van de oude beelden uit Jesaja en de Psalmen. Hier gaat het niet over het vriendelijke lauwwarme water dat van de doopschelp af over het hoofdje van het kindje klatert, maar de onmetelijke duistere diepten van de zee, de “waterdiepten, de vloed die mij overspoelen”  zegt de Psalmist in Psalm 69. Het is een schreeuw om hulp als je in de put zit.

Het zijn de wateren van de dood waarvan God belooft dat Hij ons er uit zal redden. Uit de “rivieren, dat zij u niet zullen overspoelen” (Jesaja 43:2)
Maar je kan pas uit de duisternis worden getrokken als je er midden in zit! Er kan pas redding zijn als het water je aan de lippen staat. Er kan pas liefde zijn, als iemand laat zien dat Hij door de duisternis van de dood wil gaan voor jou en mij.

Als liefde moeite kost, is Jezus’ lijden de moeite waarmee hij Zijn liefde voor ons zichtbaar maakt.

Dan komen we bij het derde woord, de Verdeeldheid.

Het is een confronterend woord. Jezus confronteert de leerlingen niet alleen met zijn eigen lijden, de Passie die Hij moet ondergaan, maar ook met hun verlangen naar een makkelijk leventje. De leerlingen verlangen naar een machtige koning Jezus die al hun problemen gaat oplossen, de Romeinen wegjaagt en hen zal binnenleiden in de “messiaanse tijd” zoals de Joden die zich voorstellen: een soort Aards paradijs.

Het confronteert ons ook met het dat als wij uit liefde willen leven wij ook te maken zullen krijgen met  allerlei moeilijkheden. Zoals Jezus het lijden moet ondergaan hebben wij te maken met de dagelijkse pijn van verdeeldheid. 

Verdeeldheid is de meest voorkomende pijn binnen en buiten de kerkelijke gemeenschap.

Dat je het goede wil en je best er voor doet, maar dat je afgewezen wordt. 

Dat is verdeeldheid.

Dat niemand je kan of wil begrijpen. Dat is verdeeldheid.

Dat mensen leugens over je vertellen om je zwart te maken. Dat is verdeeldheid.  

Dat mensen die niet beter of slechter zijn dan een ander elkaar niet meer kunnen luchten of zien. En niemand weet goed waarom. Ooit is het begonnen, en nu zitten we er in vast. Vastgezogen in de modder. Dat is de verdeeldheid.

Verdeeldheid is een kruis dat de leerlingen – en wij - moeten dragen. Op hun manier – om ons te leren dat liefde nooit gratis is, dat je er elke dag weer moeite voor moet doen om de liefde – doodgewone liefde – handen en voeten te geven.

Als we verlangen naar een rustig leventje in de kerk waar nooit wat verandert of gebeurt en iedereen het altijd eens is met elkaar , dan zijn we als de leerlingen van Jezus – de leerlingen die het niet begrepen hebben. Dat is ook een plek waar de liefde niet kan wonen.

En toch zijn we geraakt door dat vuur, en we mogen het aanwakkeren, we mogen Brandstichters van de Liefde zijn, en fikkie stoken in het kreupelhout van de verdeeldheid en de onmin. We mogen – moeten - altijd doorgaan.

Dat zal elke dag weer een opdracht zijn. Een hoopvolle opdracht. Ik wil om te af te sluiten de een paar woorden van de Heilige moeder Teresa van Calcutta. Want het vuur van de liefde, is altijd sterker dan het razende water van de haat.

 Zij zegt:

Mensen zijn vaak onredelijk,
onlogisch en egoïstisch
vergeef ze toch maar.
Als je vriendelijk bent,
kunnen mensen je beschuldigen van egoïstische bijbedoelingen
Wees toch maar vriendelijk
Als je succesvol bent,
zul je soms valse vrienden krijgen, en echte vijanden
wees toch maar succesvol
Als je eerlijk en oprecht bent
zullen er mensen zijn die je bedriegen
blijf toch maar eerlijk
Wat je jaren heeft gekost om op te bouwen
kan iemand anders van de een op de andere dag vernietigen
blijf toch maar bouwen.
Als je sereniteit en geluk vindt
kunnen anderen jaloers zijn
Blijf toch maar gelukkig.
Het goede dat je vandaag doet
Zullen mensen morgen zijn vergeten
Blijf toch maar goed doen.
Geef de wereld het beste dat je hebt
en ook al zal het nooit genoeg zijn
Geef de wereld toch maar het beste dat je hebt.

Amen.

Sunday, 11 August 2019

Goede en slechte dienaren


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Weest niet bevreesd, kleine kudde;
het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken.
Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen;
verschaft u beurzen, die niet verslijten,
en verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel,
waar geen dief komt en geen mot hem bederft.
Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend!
Gedraagt u als mensen,
die wachten op de terugkomst van hun heer,
die naar de bruiloft is
om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.
Gelukkig de dienaars,
die de heer bij zijn komst wakende zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u:
Hij zal zich omgorden
en hij zal hen aan tafel nodigen
en langs hen gaan om te bedienen.
Al komt hij ook in de tweede of de derde nachtwake,
gelukkig die dienaars, die hij zo aantreft.
Begrijpt dit wel:
als de eigenaar van het huis wist
op welk uur de dief zou komen,
zou hij niet laten inbreken in zijn huis.
Weest ook gij bereid,
omdat de Mensenzoon komt
op het uur waarop gij het niet verwacht.”
Petrus vroeg Hem nu:
“Heer, bedoelt Gij deze gelijkenis voor ons of voor iedereen?”
De Heer sprak:
“Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn,
die de heer over zijn dienstvolk zal aanstellen
om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven?
Gelukkig de knecht,
die de heer bij zijn aankomst daarmee bezig vindt.
Waarlijk, Ik zeg u:
Hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit.
Maar zegt die knecht bij zichzelf:
Mijn heer blijft nog wel een poosje weg,
en begint hij de knechten en dienstmeisjes te slaan,
en gaat hij zich te buiten aan spijs en drank,
dan zal de heer van die knecht komen
op een dag, dat hij hem niet verwacht
en op een uur, dat hij niet kent;
en hij zal hem met het zwaard straffen
en hij zal hem zo het lot doen ondergaan van de ontrouwen.
De knecht, die de wil van zijn heer kende,
maar geen beschikkingen trof noch handelde volgens diens wil,
zal zwaar getuchtigd worden.
Wie echter in onwetendheid
dingen heeft gedaan, die tuchtiging verdienen,
zal slechts licht gestraft worden.
Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist;
en van hem aan wie veel is toevertrouwd,
zal des te meer worden gevraagd.”

Broeders en zusters,

Jezus gebruikt hier in dit evangelie het beeld van de afwezige heer, in wiens afwezigheid de dienaren geacht worden bezig te zijn, te waken, op hem te wachten. 

Als de dienaren zo aangetroffen worden als de heer terugkeert, dan zien we een bijzondere omkering van de rollen. De goede dienaren zullen bediend worden door de Heer. Omdat het een parabel is drukt het een waarheid over God uit: God zelf buigt zich neer om voor de goede dienaren te zorgen. Het is een beeld van hoe God voor de mensen wil zijn, dienend en hen toegewend. 

Petrus ziet de bui al een beetje hangen en vraagt dan aan de Heer of deze vergelijking voor iedereen geldt of alleen voor de naaste leerlingen.
Dan wordt Jezus een beetje strenger en zegt dat het ook mogelijk is dat de dienaren zich slecht gedragen. Niet alleen gedragen ze zich dan slecht naar de Heer toe, maar in de eerste plaats naar elkaar. De verantwoordelijken van de gemeenschap hebben ook een grotere verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun naaste.

Jezus schetst dan het beeld van een slechte dienaar die het er van gaat nemen, en zich in alles gaat gedragen als de afwezige Heer, met dat verschil  dat – omdat het een slechte dienaar is – hij ook een slechte interimheer zal zijn. De mens die zichzelf verheft wordt een soort valse god.
Hij wordt beschreven als iemand die eet en drinkt , het er van neemt alsof alles wat daar ligt van hem is. En zijn mede-dienaren en dienaressen mishandeld. Dat geeft ons een aanwijzing wat een slechte dienaar doet.

Als we willen weten hoe een goede dienaar zich gedraagt mogen we omzien in deze afgelopen week naar twee bijzondere heiligen. 

De heilige Edith Stein en de diaken Laurentius. Laurentius was een diaken van het bisdom Rome en belast met de armenzorg. Hij had de zorg opgedragen voor de kas zodat hij zijn werk goed kon doen. Toen hij bedreigd door de hebzuchtige keizer van Rome had hij allemaal slimmigheidjes kunnen verzinnen, maar hij koos er integendeel voor om liever het lijden te ondergaan dan een slechte dienaar te zijn. Uit liefde voor de armen.

Edith Stein was één van de grote geleerden van haar tijd en werd als joodse atheïste gegrepen door het geheim van de liefde dat de ziel is van het katholieke geloof. Na haar bekering is ze in de jaren dertig van de vorige eeuw ingetreden in de Karmel en heeft ze vele diepzinnige theologische werken geschreven die voor ons nog steeds de betekenis van het Kruis, het teken van Gods liefde, voor ons ontsluiten.

Vanwege het getuigenis van de kerk tegen de waanleer van het nazisme werd Edith Stein samen met andere joodse religieuzen gearresteerd en vermoord. Zij heeft haar kruis op zich genomen en haar leven uit handen gegeven uit liefde voor anderen. Ze probeerde haar lot niet te ontlopen, of veiligheid te zoeken ten koste van anderen.

Twee goede dienaren. Als we willen weten wat een goede dienaar is moeten we opzien naar de Heiligen. Zij zijn van alle tijden en alle plaatsen.
Maar om te weten wat een slechte dienaar is, hoef je nog minder ver weg. Je hoeft maar de krant open te slaan om te zien wat een contrast er is als we lezen over slechte mensen.

Gisteren hoorden we het nieuws dat de beroemde speculant Epstein, die naar alle waarschijnlijkheid vele misdrijven tegen de eerbaarheid op zijn geweten heeft, zelfmoord heeft gepleegd.

Een man die werkelijk alles had, waarschijnlijk zeer getalenteerd en intelligent, en al deze rijkdom in de korte tijd van zijn leven alleen heeft gebruikt om zijn eigen kwaadaardige verlangens na te jagen.
En als het spel uit is, en hij weet dat het luxe leventje nooit meer terugkomt, werpt hij zijn leven weg als een paar oude schoenen.

Alles, om maar geen verantwoordelijkheid te moeten nemen voor alles wat hij gedaan heeft.

Alles om maar niet aangesproken te kunnen worden.

Boosdoeners vrezen één ding vaak nog meer dan straf, en dat is in het gezicht gekeken worden, de ander moeten aankijken, de ander wiens gelaat, wiens integriteit je geschonden hebt.  Velen zullen er alles aan doen om die ontmoeting te voorkomen.

Nu, Epstein heeft gegeten, gedronken, zijn dienaressen mishandeld. En als hij eindelijk gegrepen wordt en vastgezet denkt hij te ontsnappen door in de duisternis van de dood te springen.

Maar wie zal hij daar tegen komen?

 Niet de wereldse rechter meer. De kans dat hij zijn boze daden in dit leven nog uitboeten kan is voorbij.

Dus wie zal hij daar tegen komen?

Voor God kun je niet weglopen. Niet omdat hij je achtervolgt, als een soort drone met een camera, maar omdat alle leven voortkomt uit God en al het leven tot hem zal terugkeren.

Hoe vaak je je verantwoordelijkheid ook afwijst, hoe vaak je ook weigert rekenschap af te leggen: zelfs een wanhopige sprong in de dood zal je niet redden van de gevolgen van het onrecht dat je anderen hebt aangedaan.
We spreken niet graag en vaak over het oordeel. Maar dat is onterecht. 

Het oordeel betekent immers ook dat alle goede mensen, door liefde verenigd, mogen aanzitten bij de Heer. In eeuwige vreugde met Hem en met elkaar samenzijn. Voor alle goede mensen is dát het oordeel. Er is geen heil zonder dat de waarheid van ons hart aan het licht wordt gebracht.

Maar de onthulling van die waarheid van het hart betekent ook dat je slagen kan krijgen. 

En als je heel slecht bent, zegt het Evangelie, krijg je veel slagen. De mensen die  niet goed willen zijn, wie tot het laatst alles om zich heen verzwelgen wil, en zijn naaste kwellen om er zelf beter van te worden. Broeders en zusters, die mensen hebben wat uit te leggen. 

We mogen daar niet op vooruitlopen, het oordeel is niet aan ons. Maar alles heeft zijn consequenties. Voor de consequenties kun je niet wegrennen.

Alles heeft zijn consequenties. Geen goede daad zal onbeloond blijven. Geen daad van liefde zal worden overgeslagen. Geen uiting van hoop, vertrouwen of liefde gaat onopgemerkt. Elk moment van berouw over wat we verkeerd doen helpt ons op de weg naar God.

Maar het kwaad wat we in onszelf laten verharden, dat zet zich vaster en vaster, en het verwondt  onze ziel tot dat er in het ergste geval nauwelijks wat van overblijft.  Het kwaad verwondt ons en anderen om ons heen. In zekere zin hoef je niet eens kwaad te worden op mensen die verkeerd doen, ze zijn namelijk niet te benijden.

Ze denken dat ze het geluk kunnen bereiken door het verkeerde te doen. Dat kan nooit goed aflopen.

Broeders en zusters we moeten dus ook eerlijk zijn naar onszelf. We zijn waarschijnlijk geen grote  boeven, maar ook nog geen grote heiligen.  We hoeven dan wel niet in vrees uit te kijken naar het oordeel - de Heer belooft ons immers het Koninkrijk - maar we weten ook, we voelen ook, in het binnenste van ons hart waar het nog aan mist.

Een gebrek aan liefde, of de agressie de we voelen – in het verkeer misschien,  of we hebben een probleem met trouw zijn aan elkaar.
 Of we voelen ons steeds tekortgedaan, en zijn jaloers op het succes van een ander. En als die anders onze buurman is voelen we het twee keer zo erg.
Wat het ook is, het zal ons niet gelukkig maken. Het kwaad brengt ons nooit dichter bij het geluk. Afgunst niet. Haat niet. Bedrog niet.

Maar elke keer als wij ons oefenen in liefde, oefenen in dienstbaarheid, ons oefenen in geduld met de ander, iedere keer als wij onszelf wat ontzeggen uit liefde tot God en de naaste wordt de ziel sterker, kan God meer aan met ons hart. En mogen wij steeds meer vreugde voelen.

Vreugde in afwachting van de komst van de Heer.

Amen.

Sunday, 4 August 2019

Kwetsbaarheid leren


In die tijd zei iemand uit het volk tegen Jezus: “Meester, zeg aan mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt.” Maar Jezus antwoordde hem: “Man, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld?”
En Hij sprak tot hem: “Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit, – al is dit nog zo overvloedig – kan uw leven veilig stellen.” Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: “Het land van een rijk man had een grote oogst opgeleverd.
Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren opbergen. Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan!
Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen, die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.”

Broeders en zusters,

Ik was de afgelopen dagen nog even in Duitsland, om precies te zijn in Leipzig – in Oost-Duitsland.

Een stad waar de afgelopen dertig jaar veel veranderd is, maar waar ook nog veel te zien is van de communistische staat die er toen was, de DDR
Het is bijna dertig jaar geleden dat in Leipzig de demonstraties begonnen die het begin van het eind waren van de heerschappij van de communistische partij.

Er staan deze zomer dus veel artikelen in de Duitse kranten en tijdschriften die daarover gaan. Over wat mensen hebben meegemaakt, dertig jaar geleden. Voor veel mensen werd het beter, maar anderen raakten weer veel kwijt. Hun baan, hun huis of hun maatschappelijke positie die ze in de DDR hadden opgebouwd en die verdween na de vereniging met de Bondsrepubliek.

Al hun geploeter en gezorg had niks opgeleverd. Jonge mensen kwamen nog wel op hun pootjes terecht, maar veel veertigers en vijftigers die al lang hadden geïnvesteerd in de schijnbare veiligheid van hun carrière bleven met lege handen achter. Zij hadden uiteindelijk niets aan hun “geploeter en zorgen”.  Dat heeft nog steeds veel consequenties voor de samenleving als geheel. Er zijn binnenkort weer verkiezingen, dus we zullen het zien.
Er zijn veel mensen die zeggen: wij Oost-Duitsers zijn schraal behandelt door de West-Duitsers, we worden nog altijd achtergesteld. Daar zit een kern van waarheid in. Maar de West-Duitsers zeggen dan weer: wij hebben alle DDR-rommel moeten opruimen en het kost ons al genoeg. Ook dat is niet onwaar.

Een soort broedertwist dus. Zo een als Jezus wordt gevraagd op te lossen aan het begin van het Evangelie. Daar zijn er heel veel van. De ene broer voelt zich tekort gedaan door de ander en wendt zich tot iemand waarvan hij hoopt dat hij het voor hem oplost.

In dit geval Jezus. Jezus: zeg tegen mijn broer dat wat hij doet oneerlijk is. Dat ik recht heb op meer dan ik nu krijg.

Varianten daarop hoor je nog steeds, in allerlei discussies. “Jezus zou dit doen”, “Jezus zou op die en die stemmen”. “Van Jezus moet je meer zonne-energie gebruiken” en zo voort.

Nu is het niet verkeerd om dingen te doen, te gaan stemmen en zonne-energie te gebruiken. Maar daar moeten we niet op elk moment Jezus aan vastplakken. Alsof we hem in onze broekzak hebben.

En Jezus wijst de vraag direct weer terug: “wie heeft mij tot rechter over jullie gemaakt”, of ombudsman zouden we tegenwoordig zeggen, of kamerlid, of Minister van Justitie.  Hoed u liever voor de hebzucht. En dan vertelt hij het verhaal van de rijke man. De rijke man die dacht dat hij er was, dat hij de rest van zijn leven rustig achterover kon zitten – terwijl het einde van zijn leven hem al onverwachts nadert.

Veel mensen, of ze nu arm zijn of rijk, proberen koste wat kost greep te krijgen op hun leven. Proberen veiligheid te zoeken in een onzekere wereld. We hebben daar vaste arbeidscontracten voor verzonnen, en beleggingsfondsen, koophuizen, verzekeringspolissen en pensioenen om maar greep te krijgen op de wirwar van het bestaan.

Dit is allemaal niet verkeerd, en het is ook niet verboden. Totdat mensen gaan denken dat ze onkwetsbaar geworden zijn. Dat is denk ik wat hebzucht het meeste is.  De zucht naar onkwetsbaarheid. “Wie maakt me nog wat!”.
Want wie zelf onkwetsbaar is, wie zich kan verstoppen achter grote schuren, hoge hekken, hardhandige beveiligers. Heeft ook meestal geen geduld meer met mensen die nog wel het klappen van de zweep voelen. Die voelt zich ook niet meer geroepen om te zorgen dat zijn broeder krijgt waar hij recht op heeft.

Kijk maar eens goed om u heen. Hoe meer je je afsluit voor anderen, hoe onbereikbaar je wordt als mens, hoe meer je in de gevarenzone zit.
In Oost-Duitsland woonden de partijtop in een apart dorpje waar gewone mensen niet mochten komen, of alleen als ze er als bediende werkten.
Op veel plekken wonen rijke en machtige mensen net zo afgescheiden van de wereld. In “gated communities”. Dorpjes met een hek er omheen. Waar gewone mensen niet mogen komen. Tenzij als bediende. Soms lijken dingen meer op elkaar dan ons lief is.

De waarschuwing van Jezus geldt niet alleen voor rijke of invloedrijke mensen, want niet iedereen is een rijke man, maar veel mensen zouden wel een rijke man willen zijn. Het verlangen naar onkwetsbaarheid kan iedereen hebben.

Dat verlangen is verkeerd. Want het leidt ons af van onze medemens, het leidt ons weg van God. Jezus was heel veel dingen, maar niet onkwetsbaar.
Jezus was niet rijk, naar wereldse maatstaven. Hij had geen steen om zijn hoofd op te leggen. Hij zwierf door het land met zijn leerlingen om mensen het Goede Nieuws te brengen en de zieken te genezen. Hij verspreidde geen onkwetsbaarheid.

De apostelen waren niet onkwetsbaar, na Jezus Hemelvaart en na Pinksteren trokken zij ook de wereld in. Ook zij kregen te maken met tegenwerking, met geweld. Maar alle macht in de wereld kan het Goede Nieuws niet tegen houden.  We hebben geen onkwetsbaarheid nodig.

Er zijn ook tijden dat het later goed ging met de Kerk, zo goed dat er zelfs Prins-Bischoppen waren die over enorme gebieden regeerden! Dat ging goed tot die Prins-Bisschoppen grote schuren begonnen aan te leggen en denken dat ze onkwetsbaar waren. En dan opeens begint de hele wereld te schudden en stort het hele Prinsbischoppelijke bouwwerk ineen.  Zo gauw de kerk gelooft dat ze onkwetsbaar is, en moet zijn, gaat het mis.

Rijk zijn bij God, betekent kwetsbaar zijn onder de mensen. Betekent los te laten wat niet wezenlijk is. Telkens opnieuw nieuwe wegen te gaan. Het Goede Nieuws te brengen aan kleine en grote mensen. Zodat iedereen mag leren kwetsbaar te zijn.

Amen.


Saturday, 20 July 2019

Afwasheibel



In die tijd kwam Jezus in een dorp,
en een vrouw die Marta heette, ontving Hem in haar woning.
Ze had een zuster, Maria die
– gezeten aan de voeten van de Heer –
luisterde naar zijn woorden.
Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen,
maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei:
“Heer, laat het u onverschillig
dat mijn zuster mij alleen laat bedienen?
Zeg haar dan, dat ze mij moet helpen.”
De Heer gaf haar ten antwoord:
“Marta, Marta,
wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.
Slechts één ding is nodig.
Maria heeft het beste deel gekozen
en het zal haar niet ontnomen worden.”

Broeders en zusters,

De lezing van deze zondag deed me terugdenken aan de tijd dat ik op het seminarie zit. Dat kwam zo:

Op een grootseminarie, de priesteropleiding, zitten allerlei soorten studenten. De één studeert wat meer, de ander zet zich meer in voor de gemeenschap, maar er zijn ook priesterstudenten die nogal lui zijn.

Toen ik nog seminarist was werden we bijzonder geplaagd door één exemplaar. Ik noem geen namen. Hij wist zich werkelijk altijd uit de voeten te maken als er wat te doen was. Hij had de gave om werkelijk binnen een seconde uit je gezichtsveld te verdwijnen en vervolgens ook werkelijk onvindbaar te zijn.

Van de grote heiligen wordt soms gezegd dat ze de gave van bilocatie hadden: de gave om op twee plekken tegelijk aan het werk te zijn. Hij had daarentegen de gave om werkelijk nergens te zijn als er een (vervelend) klusje was.

Één keer mislukte zijn ontsnappingspoging– toen hij probeerde zich te onttrekken aan de afwas – en ik heb hem de mantel uitgeveegd over zijn drukgedrag.

Hij keek mij minzaam aan, schudde zijn hoofd en zei: “Marta, Marta, Marta, wat maak je toch bezorgd en druk over veel dingen”.
Daarna begon hij zo tergend langzaam aan de afwas dat ik hem van ellende maar weer weggestuurd heb. Je zou haast zeggen: Jezus, zeg `r eens wat van.

Het gevoel van ergernis dat Marta had komt ons in ieder geval bekend voor. Zeker in een land als Nederland, waar hard werken altijd belangrijk wordt gevonden, heb je de schijn gauw tegen als je andere dingen belangrijk vindt.

Het verhaal van Jezus die bij Marta en Maria mag ook voor ons een kritische ontmoeting met onszelf zijn. Wij kunnen voelen dat we het druk hebben, maar zijn we ook druk met de juiste dingen?

Het is altijd mooi om bij de lezingen het Evangelie en het Oude Testament naast elkaar te leggen – ze vullen elkaar heel goed aan.

In het verhaal van Genesis en in het Evangelie gaat het in de eerste plaats om gastvrijheid. De drie mysterieuze mannen komen bij Abraham, en Abraham – goede man als hij is – gaat hard werken, of laat hard werken , om het zijn gasten naar de zin te maken.

Als ze lekker in de schaduw hebben gegeten en gedronken brengen ze goed nieuws. Abraham zal binnenkort vader van een zoon worden. Hij krijgt een toekomst. Op gastvrijheid rust een zegen!

Eeuwen later komt Jezus bij Marta op bezoek – en Marta gaat zelf hard aan het werk om het Jezus zo genoeglijk mogelijk te maken. Maar haar zus Maria is niet bezig met de potten en de pannen en de bakjes met olijven en de toastjes met brie.

Ze zit daar maar een beetje te keuvelen met Jezus, en Marta ziet het al voor zich. Als het tijd wordt voor de afwas is Maria vast ook in geen velden of wegen te bekennen.

Jezus, zeg ‘r ’s wat van!

Maar Jezus stuurt Marta met een kluitje het riet in. Zij heeft het beste deel gekozen.
Wat betekent dat?
Hoe moeten we dat begrijpen?

Ik denk dat gastvrijheid hier meer betekent dan zorgen dat er genoeg te drinken is, en schaaltjes met manchego-kaas of gedroogde worst. Gastvrijheid betekent ook, of misschien juist, aandacht hebben voor iemand, luisteren naar wat hij te vertellen heeft.

Terwijl Marta druk in de weer is met het klaarmaken van allemaal lekkere dingen geeft Maria datgene waar Jezus het meest om vraagt: onze aandacht.
Zonder aandacht geen gastvrijheid.

Stelt u zich voor dat u bij een receptie bent. Ze hebben daar de heerlijkste dingen. Oesters en zilte zaligheden, weg te spoelen met echte Zeeuwse zeewierjenever. Fantastisch. Maar hoe lekker het ook allemaal is, als er daar niemand is die je kent, niemand die tegen je praat, dan zou het toch een hele vervelende receptie zijn. Al dat harde werk van de organisatoren en de obers en de medewerkers van de oesterbar…. Is dan toch eigenlijk een beetje voor niets. Die prachtige receptie valt in het water.

Zonder aandacht geen gastvrijheid.

Het is onze aandacht, onverdeelde aandacht is het meest kostbare cadeau dat we aan een ander kunnen geven. We hoeven niet steeds bezig te zijn, als we ons maar richten op wat het belangrijkst is.

Hier is ook een les voor de kerk, waar het soms – net als in de samenleving – vooral lijkt te gaan om hoeveel we wel niet doen. Hoeveel avonden we wel niet in de weer zijn, voor de parochie.

Daar is niks mis mee natuurlijk, en wat zijn we er blij mee. Veel mensen die hun schouders er onder willen zetten. En hadden we er maar meer van. Het verhaal van Marta en Maria is absoluut geen excuus om de afwas maar te laten staan. Mijn mede-student was ook een luie theoloog. Ik was misschien wel een Marta, maar daarmee was hij nog geen Maria!

Maar hard werken, zelfs al is het voor de ander, is niet het beste deel. Het is niet zaligmakend. Het is niet het belangrijkste wat je kan doen. Dát deel namelijk, dat beste deel, krijg je niet door nóg harder de handjes te laten wapperen. Dat krijg je alleen als je radicaal plaats maakt in je hart. Voor waar het echt om gaat. Door het stil te maken in onszelf, en aandachtig te luisteren wat de Heer en onze medemens ons zeggen wil.

Amen.

Sunday, 14 July 2019

Afscheid en een Nieuw Begin

Beste parochianen van het Klaverblad, 

Na bijna vier jaar in verschillende functies werkzaam te zijn geweest in onze Klaverbladparochies heeft onze bisschop mij gevraagd om per 1 oktober een nieuwe benoeming aan te nemen in  de regio Alkmaar.

Ik had gehoopt nog enige tijd in het Klaverblad te kunnen blijven, maar door andere ontwikkelingen in het bisdom is dit helaas niet mogelijk gebleken. Deze zomer krijgen door ontstane vacatures in ons bisdom bovengemiddeld veel priesters overplaatsing.

Concreet betekent dit voor mij dat ik in september afscheid zal moeten nemen van onze vier parochies. Ik zal in die maand ook verhuizen naar Alkmaar.

Mijn opvolgers komen zelf juist uit de Alkmaarse parochies. De uit Argentinië afkomstige paters Diego en Tristan - van het Instituut van het Mensgeworden Woord - zullen hier hun taken voortzetten.
Beide paters zijn al lange tijd in Nederland en zijn ervaren priesters. Ik heb er alle vertrouwen in dat ze het pastoraat in onze parochies goed vorm zullen geven. Pastoor Eric Fennis zal tijdelijk het voorzitterschap van het parochiebestuur op zich nemen zodat de paters hierin nog even kunnen worden ontzien.

Ik begrijp dat dit nieuws teleurstellend zal zijn voor veel parochianen. Het is de afgelopen jaren een komen en gaan geweest van pastoors .  Ik hoop echter ook dat jullie teleurstelling mag omslaan in vreugde over een fijne samenwerking met paters Diego en Tristan.

Ik zal altijd met waardering terugkijken op mijn tijd in de parochies van Bennebroek, Heemstede en Vogelenzang en ik hoop dat het ingeslagen pad van samenwerking veel vrucht zal dragen.

Ik wens jullie alle zegen voor jullie gemeenschappelijke toekomst.

In Christus,

Pastoor Jan-Jaap van Peperstraten





Saturday, 13 July 2019

Daar heb ik recht op!


Ik las laatst op het internet een stukje van iemand die boos was omdat ze geen belangrijke rol kreeg in de eindmusical van de basisschool. Ze schreef daar heel emotioneel over, in groot detail. Ze kon nog hele stukken uit de liedjes citeren die ze allemaal uit haar hoofd geleerd had om zo indruk te maken op de onderwijzer. En toch kwam ze niet verder dan een bijrol als Boom, of Derde Schaap. Ik ben het vergeten. Woedend was ze, het had haar voor het leven getekend!

Toen las ik onderaan het artikel hoe oud ze was. De schrijfster van het stukje was ongeveer zo oud als ik. Om en nabij de veertig.

Onder het artikel stond dan het commentaar dat mensen hadden geschreven. Dat heb je tegenwoordig onder stukjes op internet. Er waren veel boze reacties – men was boos op de onderwijzer die nu toch al wel met pensioen zal zijn.  Hij had ontslagen moeten worden, of er hadden nog ergere dingen met hem moeten gebeuren! Ze had erkenning moeten krijgen. Ze had recht op die rol!

Ik schrok daarvan. Als jij, of ik, of anderen, nog zó beheerst kunnen worden door iets vervelends van dertig jaar geleden, iets wat toch welbeschouwd geen halszaak is, en bovendien niet terug te draaien is. Als vrouw – of man – van in de veertig kun je nu eenmaal niet meer schitteren in de schoolmusical. Die kans is voorgoed verkeken!

En als je dan niet uitkijkt wordt de eindmusical niet Spoken op Griezelsteyn, maar Een Spook in je Hoofd, en eindigt het als Soldaat van Oranje – namelijk, nooit!

Zulk soort geluiden als van die mevrouw hoor ik echter vaker. Mensen die vinden dat ze tekort gedaan zijn door het verleden. En dat anderen daar de schuld van zijn. Ik vat al die geluiden even samen onder de noemer: daar heb ik recht op.

Daar heb ik recht op.

Deze of deze positie – daar heb ik recht op! Die taak, die rol in de schoolmusical, die kans, die beurs, die baan, daar heb ik recht op. Die erkenning heb ik recht op.  

En wat van mij is, mijn recht, daar mag niemand aankomen. En als daar iemand aangekomen is, aan mijn recht, hoe lang dat ook geleden is, dan blijf ik hem dat nadragen. Mijn recht is aangetast. Hoe lang geleden dat ook gebeurd is. Mensen kunnen boos zijn over wat er vijf jaar geleden, dertig jaar geleden is gebeurd, of vijftig jaar geleden. Of zelfs tachtig jaar geleden. En daar houdt het niet op, een grief kan nog door de generaties heengaan. Wat je voorouders is overkomen. Honderd jaar geleden. Tweehonderd jaar. Vierhonderd jaar. En dat is een drama. Er komt letterlijk geen einde aan.

Wij hopen met het gevoel dat we ergens recht op hebben orde aan te kunnen brengen in de chaos van ons leven. En wat zou het een mooi idee zijn als wat we kregen en wat we verdienden perfect op elkaar aan zou sluiten. Dat er geen onrecht zou zijn, of alle onrecht door de eeuwen heen rechtgetrokken kan worden. En dat we zelf nooit onrecht zouden doen. Zelf nooit fouten zouden maken.

Maar het is een illusie, een puberale illusie.

De vorige zondag hebben we gelezen over de zeventig leerlingen die door de Heer op pad werden gestuurd. Hun tocht, zo vertelt de Heer, is als die van een schaap onder de wolven. Dat wil zeggen: bij alles wat je doet  als je Gods werk wilt doen – zul je moeten rekenen op tegenwerking en tegenslag. Met onrecht.

Een groot deel van het christelijk leven bestaat er in dat je leert omgaan met dingen die anders gaan dan je gepland had.  Dat je gewoon pech hebt, maar ook dat je tegengewerkt zult worden. En waar je recht op denkt te hebben is niet wat je gaat krijgen. God geeft ons veel verrassingen. En één ding is zeker, als mensen met modder gaan gooien heeft het geen enkele zin om te zeggen:

Zeg, zeg, mannetje! Weet jij wel wie ik ben, en waar ik allemaal recht op heb? Nou, `k zal Jezus er eens van vertellen. Als Hij hier van hoort dan zwaait er wat! O zo!

Maar het gaat niet allen maar om acceptatie. Het gaat verder en dieper dan dat.

We geloven als christenen dat je de zin van het leven slechts dan vindt als je door de tegenslagen heen je roeping vindt, je weg in het leven.
Het is niet zo dat je de slagen van het lot passief moet accepteren, maar juist in tegenslag verlossing en vrijheid kan vinden. Maar als je teveel met jezelf bezig bent, en je “rechten” . Dan komt daar niet veel van terecht.

Ik hoor u denken, wat heeft dit allemaal te maken met de Barmhartige Samaritaan?

We komen vandaag de priester en de leviet tegen –  levieten dat zijn kosters en koorzangers  in de Tempel , we zouden ze tegenwoordig “de vrijwilligers” noemen –en die laten de gewonde man langs de kant van de weg liggen. Ik ben er vast van overtuigd broeders en zusters. De priester en de leviet zijn ontzettend op de hoogte van wat hun rechten zijn.

Want als je éénmaal gaat geloven dat je hartstikke recht hebt op je positie, dat niks en niemand je daar van mag afleiden, dan ga je ook geloven dat je recht hebt op een ongestoord leventje. Maar in een ongestoord leventje kom je alleen maar jezelf tegen. En dat is niet de ontmoeting waarmee God jou kan bevrijden. Het is een doodlopende weg.

Ik heb recht – denken priester en leviet - op een ongestoorde positie, als ik priester of leviet ben van de Tempel heb ik er recht op niet verontreinigd te raken . Misschien gaat die man wel onder mijn handen dood, dan ben je volgens de Wet ritueel verontreinigd – dan kun je een tijd lang je werk niet meer doen. Dat is heel vervelend.

Erger nog, je bent niet alleen rechten kwijt: er komen tot overmaat van ramp ook nog eens plichten bij!  Volgens de Joodse Wet moet je de man, als hij komt te overlijden terwijl je hem aan het  verzorgen bent, ook nog eens begraven!

Dat kost heel veel tijd, geld en moeite! Nee. Beter van niet! En de priester en leviet spoeden zich weg.

De Samaritaan die dan komt zou er ongetwijfeld volgens veel mensen recht op hebben de gewonde man te laten liggen – want Joden en Samaritanen, dat is al eeuwen bittere vijandschap. Wat zij ons hebben aangedaan! Honderd jaar geleden! Tweehonderd jaar geleden! Vierhonderd jaar geleden!

Nog maar een paar weken geleden lazen we in het Evangelie over hoe Johannes en Jacobus het Vuur uit de Hemel over het Samaritanendorp waar ze langs kwamen wilden laten neerkomen. Ze hadden er vast recht op dat de doen, zo voelden ze dat toch. Zó doortrapt waren die Samaritanen namelijk! Altijd al geweest!

De kans is groot dat de Samaritanen er net zo over dachten. Over de Joden dan.

Toch laat de Samaritaan zich niet meeslepen door alle oude haat maar doet hij wat juist is. Op het juiste moment. Het komt hem niet uit. Het kost hem tijd. Het kost hem geld. Het kost hem misschien zelfs meer geld dan hij nu kan voorzien. Hij weet niet eens of hij een bedankje gaat krijgen van de man die hij heeft geholpen. En wie weet moet hij straks ook nog op het matje komen bij de Samaritaanse Opperbaas. En krijgt hij een standje. 

Omdat hij de verkeerde mensen geholpen heeft.  

Al met al is de Samaritaan als enige in dit verhaal een volledig vrij. Hij klampt zich niet vast aan wie hij is, waar hij vandaan komt, en waar hij recht op heeft. Hij volgt zijn roeping die God in zijn hart gelegd heeft:  het leven uit naastenliefde. Alleen hij is vrij.

Hij is vrij te bepalen wie hij is. Een naaste van zijn medemens, iemand die van God houdt. Dát is wie hij is. Hij wordt dat, door concrete daden van barmhartigheid. Hij wordt dat niet door geboorte, door afkomst, ras of achternaam. Hij wordt dat niet omdat hij staat ingeschreven in de Interkerkelijke Samaritanenadministratie. Hij ís dat, omdat hij geholpen door Gods genade een vriend van God en de mensen wil zijn.

Hij is werkelijk vrij.

En ik denk toch dat ook het naamloze slachtoffer, door alle pijn van de overval heen een bevrijdende ontmoeting heeft gehad. Ook al ligt hij nu met schrammen en bulten in bed. En is hij zijn geld en goed kwijt. Hij is op een weg naar vrijheid gesteld.

Hij is gered door iemand die hem niks verschuldigd was. Thuis had hij misschien een grote mond over wat die gemene Samaritanen honderd jaar geleden gedaan hadden, of schrijft hij boze commentaren op Facebook als er in de groep “Weg Met Samaritanen” weer filmpjes staan over wat die naarlingen nu weer gedaan hebben. En misschien stemde hij wel op een samaritaankritische partij. Maar opeens, nu hij in dat bed ligt – op kosten van de Barmhartige die hem gered heeft – vindt er misschien wel een moment van bevrijding plaats. Dan kan hij oude haat naast zich neerleggen, werken aan vrede.

De Volkskrant-columnist Erdal Balci zei in één van zijn columns een paar jaar geleden: “Identiteit is wat er na het slagveld dat het leven heet van jou is geworden”.  Ik vond dat een scherpe opmerking. Het ligt niet van te voren vast wie je zal zijn, en wie je als mens bent openbaart zich vaak pas als je een keer met een bloedneus in de goot gelegen hebt.

En nu deze mens, de gewonde man, uit het slagveld gehaald is, kan er door de ontmoeting met concrete naastenliefde iets nieuws ontstaan. Is er ruimte voor een nieuwe identiteit. Kan hij een nieuwe identiteit krijgen.  In de woorden van de Bijbel: een nieuwe schepping worden (Galaten 6:15 ev) :

Je kan geen nieuwe schepping zijn als je je met alle kracht vastklampt aan al je oude rechten. Aan al je oude pijn. En hoe meer je los kan laten, hoe meer vrede en barmhartigheid er over je neer kan dalen.

Amen.