Wednesday, 16 October 2019

Breek Door de Deuren


Broeders en zusters

We hebben het verhaal gelezen van de Weduwe en de Onrechtvaardige Rechter

Een verhaal dat niet zover van ons afstaat. Sommige dingen blijven door de eeuwen heen toch aardig hetzelfde.

De afgelopen week zijn er veel demonstraties geweest in Nederland – van mensen van allerlei snit – links en rechts die onrecht voelden en aandrongen dat er wat gaat gebeuren. Er rijden trekkers over de snelweg en er worden Amsterdamse bruggen geblokkeerd en er wordt gestaakt voor het klimaat. 

Alles om maar de aandacht te trekken van de – zo voelen ze het – onrechtvaardige overheid die hen recht moet verschaffen of iets moet doen.
En soms, heel soms, als je adem lang genoeg is, dan gebeurt er wat.

Ik probeer het me ook zo een beetje voor te stellen. De arme weduwe – ik stel me haar voor op een geleende trekker – die met een bord met – in grote letters - VERSCHAF MIJ RECHT erop. En dat ze dan rondjes rijdt om het kantoor van de onrechtvaardige rechter, net zo lang dat hij denkt. “Laat ik haar maar zin geven, anders rijdt ze mijn deuren er nog uit”.

In onze vertaling staat namelijk wel “anders blijft ze maar aandringen”, maar het oorspronkelijke Grieks is wat directer, en wordt misschien beter vertaald met “straks krijg ik nog een mep van haar”.

Maar hoe het ook zou zijn, de weduwe is geen katje om zonder handschoenen beet te pakken.  Ze is niet afgezonderd, ze is niet wereldvreemd – integendeel ze staat midden in het leven en is luidkeels aanwezig!  Ze is assertief en voor de duvel niet bang. Een sterke vrouw.
En de Heer haalt haar als voorbeeld aan voor ons geestelijk leven. Ons gebedsleven.  

Daar kunnen we een aantal lessen uit trekken.  Ik noem er drie

Hier en nu is het te doen

Gods deur blijft niet dicht

Het gebed draagt vrucht

Allereerst: hier en nu is het te doen.

Ik vind het voorbeeld van de opstandige weduwe een bijzonder voorbeeld voor het geestelijk leven.  Bij een begrip als “geestelijk leven” denken we namelijk vaak aan iets heel vredigs, iets met meditatie. Of retraites in het klooster waar je even helemaal tot je zelf kan komen. Even los van alle zorgen en problemen van de wereld.

Maar dat is niet wat het is. En elke monnik of moniale uit een klooster kan je vertellen dat als je naar een klooster wil – langer dan een paar dagen - om definitief te ontsnappen aan de moeilijkheden van het leven – dat je daar niet op de goede plaats zal zitten.

Het geestelijk leven vindt integendeel plaats op die plek waar je met je kaplaarzen in de blubber staat.  Het is niet ergens ver weg, in een bos, op een rots in de woestijn of ergens in de bergen. Het is hier en nu. Je kan dus niet denken – ik heb het te druk, er gebeurt te veel om me heen. Ik kan mij niet vrijmaken om uren te bidden – dus ik doe maar niks.

Niks is geen optie.  Het is niet alleen een mogelijkheid om aan God te vragen wat we nodig hebben, voor wat we zien dat anderen nodig hebben. 
Het moet een gewoonte zijn om te bidden, en elke gewoonte begint met een klein stapje. Je bidt zoals je kan, en je bidt niet zoals het niet kan.

God deur blijft niet dicht.

Maar hoe dan, wat vermogen onze kleine gebedjes die we kunnen zeggen? Leggen die het niet af tegen al het kabaal van de wereld? Worden die niet weggedrukt, verdwijnen die niet in het niets?

Hoe krijgen onze woorden kracht? We hebben niet allemaal een trekker in de schuur staan waarmee we onze woorden kracht kunnen bijzetten. God zelf staat borg voor de kracht van ons gebed. Wijzelf vinden het misschien niet indrukwekkend wat er gebeurt, maar wat er gebeurt is zeker indrukwekkend.

Thérèse van Lisieux, de grote Franse heilige uit de negentiende eeuw sprak er eens over dat mensen vroeger altijd trap moesten lopen, maar dat er nu liften waren die je moeiteloos mee naar boven namen.  We kunnen zelf wel ploeteren, maar God heeft voor ons een lift gereedgemaakt, of een tractor zo je wil, die onze woorden, onze hoop, onze moeilijkheden brengt waar die moeten zijn.  Bij God. Gods deuren blijven nooit gesloten. Als we ze willen openbreken dan kan dat. Dat is wat er op de deuren van het Koninkrijk staat: “breek mij open!”

Het doet denken aan woorden uit  het Mattheusevangelie: “Van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Rijk der hemelen zich met geweld baan en geweldenaars maken het buit. (Mt 11:12). Iedereen die een greep wil doen naar het Koninkrijk van God kan het buitmaken.

Het gebed draagt vrucht

Wat komt er dan door die deuren heen als we die openmaken?  De vruchten van het gebed, geloof, genade. Dat een gebed verhoord wordt wil niet altijd zeggen dat je krijgt wat je wil – zo werkt het niet. Maar we kunnen wel krijgen wat we nodig hebben. Nieuwe inzichten krijgen – ontdekken dat ook als het leven tegenzit we een beroep kunnen doen op mensen om ons heen. Soms betekent het ook leren leven met moeilijkheden waar we graag van verlost waren geweest (2 Kor. 12:7)

Een gebed is nu immers geen toverspreuk, en Gods geest is geen geest uit een fles die al onze kinderlijke wensen komt vervullen.  We bidden temidden van de moeilijkheden van ons leven, niet om altijd maar van die moeilijkheden bevrijd te worden – maar om kracht om ze te kunnen dragen. Om te kunnen beseffen dat het leven niet altijd om onze wensen draait, maar dat we ook in zwakte en kwetsbaarheid Gods aanwezigheid in ons leven kunnen voelen, tegenwoordig kunnen stellen.

Samen dan met God, en met alle andere mensen om ons heen mogen wij dan weer op onze beurt doen wat we kunnen om het Koninkrijk weer een stukje dichterbij te brengen in ons dagelijks leven.

Elke dag opnieuw.

Amen.




Saturday, 12 October 2019

Vrij Gegeven


Achtentwintigste Zondag in Gewone Tijd, Jaar C

Op zijn reis naar Jeruzalem
trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea.
Toen Hij een dorp binnenging
kwamen Hem tien melaatsen tegemoet
zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels:
“Jezus, Meester, ontferm U over ons!”
Hij zag hen en sprak:
“Gaat u laten zien aan de priesters.”
En onderweg werden zij gereinigd.
Eén van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was,
en hij verheerlijkte God met luide stem.
Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer,
en deze man was een Samaritaan.
Hierop vroeg Jezus:
“Zijn niet alle tien gereinigd?
Waar zijn dan de negen anderen?
Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen
dan alleen deze vreemdeling?”
En Hij sprak tot hem:
“Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.”

Broeders en zusters

Stelt u zich eens voor dat u een zeer kostbaar geschenk krijgt van iemand, een geschenk dat niet alleen heel kostbaar is, maar ook nog eens precies wat u nodig had. Bijvoorbeeld dat u op het punt staat om uw woning kwijt te raken en iemand zou een huis voor u kopen. Dat zou een onvoorstelbare gunst zijn. Zelfs mensen die bijzonder rijk zijn, hebben niet de gewoonte om huizen weg te geven aan mensen die ze nodig hebben!

Als we zo`n geschenk zouden krijgen zouden we ons dankbaar voelen. Althans, dat hoop ik toch. We zouden toch minstens de gulle gever een ereplaats geven op onze house-warming!  Hopelijk blijven we dan toch ook na die tijd gevoelens van dankbaarheid houden jegens onze weldoener.
Als we geen gevoelens van dankbaarheid zouden voelen zouden we ons toch een beetje zorgen moeten maken. We moeten ons dan afvragen of er misschien iets niet klopt. En als er met het geschenk niets mis is, dan ligt het euvel misschien bij ons.

Het Evangelieverhaal van deze zondag gaat over dankbaarheid, of het ontbreken daarvan.  We komen Jezus en zijn leerlingen tegen terwijl ze op weg zijn naar Jeruzalem. Ze lopen door het grensgebied tussen Samaria en Galilea. Grensgebieden zijn vaak de plekken waar je mensen tegenkomt die nergens bij horen

In dit geval een samengeraapt tiental van – zo lijden we af uit de context - negen Joodse en één Samaritaanse leproos. Leprozen lijdden aan een ernstige en besmettelijke ziekte die maakte dat ze uitgedreven werden naar de uiterste randen van de samenleving. Ze mochten nergens meer bijhoren. Leprosie was niet alleen maar een akelige ziekte, het was ook een sociaal en religieus doodvonnis. Je was afgesneden van je medemens en afgesneden van God – want je kon ook niet met andere mensen in de synagoge of de Tempel samen bidden.

Het enige voordeel lijkt te zijn dat mensen door het lijden wel even bij elkaar worden gebracht. De Joden en Samaritanen, die normaal altijd kibbelen met elkaar vergeten nu hun verschillen even.  Als ze Jezus voorbij zien komen roepen ze Hem aan. Ze moeten gehoord hebben, ook in hun isolement, dat Jezus wonderen doet, dat Hij in naam van God mensen geneest van hun ziekten om ze zo hun plaats in het leven terug te geven. Genezing in de Bijbel moet je nooit alleen maar medisch begrijpen, als een verlossing van pijn of ongemak. De bijbetekenis is ook dat je weer mee kan doen met het Volk van God waar je bij hoort.

Als Jezus ze naar de priesters stuurt – de mensen die volgens de Joodse Wet – de genezing vast moeten stellen raken ze onderweg genezen. Maar maar één van de tien komt terug naar Jezus. Van de andere negen ontbreekt elk spoor. Degene die terugkomt is een Samaritaan. Een buitenstaander, zelfs een vijand van het Joodse volk als je veel Joden mag geloven!
Terwijl de Joden, degenen die het geloof van Jezus delen, schitteren door afwezigheid. 

Ze hebben misschien het gevoel dat ze een lot uit de loterij getrokken hebben. Een winnend lot! Maar als je de Staatsloterij wint hoef je geen dankbaarheid te voelen naar de Staatsloterij, nee. Maar Jezus is geen lot uit de Loterij. Hij is geen onpersoonlijke kracht, wat Hij aan ons wil geven is geen willekeur of toeval.

Wat Hij geeft is gewild, het is persoonlijk, het vraagt om antwoord

Het is gewild.
Jezus wil ons de dingen geven die wij nodig hebben. Als we niet uitkijken raken ook wij onze plaatsen in de gemeenschap kwijt. Door de verkeerde dingen die wij doen, door de zonde. Onze ziel kan ziek worden, wegkwijnen. Jezus wil ook ons genezen, onze plaats in het Volk van God teruggeven. Hij is geen abstract principe of anonieme kracht. Hij is geen loterij die haar gaven willekeurig op het éne of het andere lot laat vallen.

Dat betekent ook dat elke gave van God, elke gave van Christus een persoonlijke gave is. Hij kent ons, Hij weet wat we nodig hebben, waar de grond van ons bestaan ligt. Hij kent onze pijn, hij weet waar onze wonden zijn. Ookal zijn ze niet zichtbaar aan de buitenkant, al houden we die pijn diep verstopt. Hij wil die pijn, dat lijden van ons wegnemen. Hij werkt daaraan.

Zijn gave en inzet vragen om antwoord. Om dankbaarheid, om geloof – om een diepere relatie met hem.

Want welbeschouwd is er niks wat wij niet hebben ontvangen. We hebben ongetwijfeld allemaal hard gewerkt voor alle zaken die we hebben. Maar zonder gaven van anderen, zonder gaven van God, waren we niet ver gekomen. Genoeg grond voor dankbaarheid dus.

Laten we dus blijven openstaan voor alle goede dingen die God ons geeft, voor zijn inzet in ons leven. En laten we elke keer als we zijn hand in ons leven ontdekken die gevoelens van dankbaarheid en openheid een ruime plaats geven.

Dan worden we stap voor stap weer ingeleid in onze plaats, maken we onze roeping waar, als lid van het Volk van God. Amen.


Saturday, 5 October 2019

Preek voor de Kerkwijding van de Laurentiuskerk in Alkmaar


Broeders en zusters, 

Als je leeft in tijden van verandering – je begint bijvoorbeeld aan een nieuwe baan of je gaat verhuizen – dan kom je er vaak achter hoe belangrijk het is om op een vaste plek te leven en vaste bezigheden te hebben.
Ieder mens heeft een plek nodig die je een “thuis” kan noemen. Mensen zijn er niet op gebouwd om elk jaar of elke twee jaar ergens anders naar toe gestuurd te worden. Net zo min als dat ze elke paar jaar van familie kunnen wisselen.

We hebben stabiliteit nodig in ons leven. De dingen moeten een vaste plek hebben. Anders wordt het een rommeltje in ons leven. Ik weet er alles van, want ik ben zelf afgelopen week verhuisd. Ik ben nu nèt op het punt dat ik niet meer elke ochtend op zoek moet naar mijn bril, of alweer op jacht naar de koffiefilters omdat mijn lichaam nu wel in Alkmaar is, maar mijn hoofd – zeker om half zeven ’s ochtends – nog een beetje in Heemstede woont.

Zonder vaste plekken in ons leven dreigt ons leven vormeloos te worden. Onze levens krijgen hun vorm pas door de vaste plekken in ons leven. Ons huis, de stad waarin we wonen, de kerk waar we bij horen. We hebben verantwoordelijkheden tegenover die plekken. We mogen voor ze zorgen, maar ze zijn nooit helemaal van ons. 

Onze huizen, steden en kerken kunnen en zullen ons overleven – en weer een huis worden voor een volgende generatie, zodat ook die weer hun leven op deze plaatsen vorm kunnen geven.  

Hoe bijzonder dan dat we op dit weekend zowel het feest van de kerkwijding vieren, als dat we dinsdag uitzien naar Alkmaars Ontzet: het grote feest van de stad waarin we mogen vieren dat we hier thuis mogen zijn.

Ook God wil in ons leven op een vaste plek zijn. De oude Israëlieten, het eerstgeroepen volk van God was een volk onderweg – zonder vaste woon- of verblijfplaats trokken ze door de woestijn. Maar ze hadden wel een belofte en een doel. Het Heilig Land. Toen ze dat land in bezit hadden genomen werd het hun thuis, en op de plaatsen waar ze diepe Gods-ervaringen hadden gehad richtten ze heiligdommen op.  Langzamerhand besefte men dat de ene God ook een eigen huis verdiende, en geen losse plaatsen hier en daar. De Tempel in Jeruzalem.  Een vaste plaats die als het ware de as kan worden waarom de wereld draait.

Maar ook de Tempel was niet het laatste woord, want God is de God van iedereen, en Hij kan niet enkel maar op één plek bijzonder aanwezig zijn. God kan maar even wonen in een Tempel, we zien in de Godmens Jezus Christus dat Hij wil thuiskomen in iedereen. Dat is de finale stap.
We lezen hierover in het Evangelie. God laat zich zien in Jezus Christus, en in Jezus Christus zegt hij tegen mensen die nauwelijks de Tempel hadden ingemogen – mensen zoals Zacheus – bij jou moet ik verblijven. Bij jou moet ik thuis zijn.

Zoals ieder mens recht heeft op een huis, zo wil ook God bij iedereen kind-aan-huis zijn.  Hij wil bij iedereen zijn, maar niet op zo`n manier dat iedereen dan maar ieder-voor-zich blijft leven. God roept mensen altijd samen.

Daarom hebben we ook een kerk, waar we op bijzondere dagen en op zondag bij elkaar komen. Om Gods aanwezigheid te blijven voelen, om elkaar te ontmoeten, om als gemeenschap van de Heer samen te komen rond het sacrament, waarin wij de Heer zelf mogen ontmoeten.

Net als ons huis is ons kerkgebouw een unieke plek met een eigen verhaal, een eigen geschiedenis. Er is een officiële geschiedenis – van architecten en inwijdingen, het verhaal van wie het orgel heeft gebouwd en wie de glas-in-lood-ramen heeft ontworpen, en welke priesters hier allemaal gestaan hebben. Dat is allemaal heel belangrijk.

Maar zeker even belangrijk is het verhaal daaronder. Van de mensen die hier gedoopt zijn, getrouwd en uitgevaren. Mensen die hier hun geestelijk huis hadden. De mensen die hier door de kerk hun katholieke geloof vorm hebben gegeven, en dat nog steeds doen.

En als we daaraan denken, ons huis in de wereld en ons kerkelijke huis in dankbaarheid waarderen, mogen we ook bijzondere aandacht hebben voor allen voor wie dat niet zo vanzelfsprekend is. Wiens leven – dat vraagt om worteling en stabiliteit – dat niet zo makkelijk vindt, of misschien wel kwijtgeraakt is.

In ons dagelijks leven moeten we denken aan mensen die geen geschikte woning kunnen vinden, of die nergens lang kunnen blijven.

Mensen die door omstandigheden afscheid moeten nemen van huis en haard en in een vreemd land een nieuw bestaan moeten opbouwen.

Mensen die dakloos zijn.

Maar we willen vandaag ook denken aan mensen wiens kerkelijke thuis onder druk is komen te staan.

Bijvoorbeeld door kerksluiting, waar we ook in onze parochie niet van verschoond zijn gebleven. Dat we hier ook een plek mogen zijn waar de gelovigen van de Jozefkerk zich thuis mogen voelen.

Maar we denken ook aan mensen die zich niet meer thuisvoelen in de kerk omdat ze vervelende dingen hebben meegemaakt, mensen die lijden aan de kerk. 

En tenslotte willen we ook denken aan alle mensen die op een afstand staan van de kerk en die als het ware als Zacheus in de boom van een afstandje naar Jezus en de mensen om hen heen kijken. Naar ons kijken, en zich afvragen of God misschien ook in hun leven thuishoort.

Wij kennen het antwoord, het woord van de Heer, ja – ik ook moet ook bij jou zijn, ook in jouw huis verblijven.

Laat ons dan niet in de weg lopen, wanneer de Heer op iemand afstapt.

Amen.
  

Bid en Werk

In die tijd zeiden de apostelen tot de Heer:
“Geef ons meer geloof.”
De Heer antwoordde:
“Als ge een geloof had als een mosterdzaadje,
zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen:
Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee,
en hij zou u gehoorzamen.
Wie van u zal tot de knecht,
die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder
bij diens thuiskomst van het land zeggen:
Kom meteen aan tafel en tast toe?
Zal hij niet eerder zeggen:
Maak mijn maaltijd klaar;
omgord je en bedien mij, terwijl ik eet en drink;
daarna kun je zelf eten en drinken?
Moet hij die knecht soms dankbaar zijn,
omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?
Zo is het ook met u:
wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd,
zegt dan: Wij zijn maar gewone knechten;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.”



Broeders en zusters

Als je een nieuwe baan krijgt dan is het heel vanzelfsprekend om te vragen: waar doe ik dit voor? Ga ik er wel genoeg op vooruit? Is dit een promotie die ik maak, of word ik misschien juist op een doodlopend spoor gezet? Wat wordt mijn salaris en wat zijn mijn secundaire arbeidsvoorwaarden? Krijg ik wel een mooie nieuwe titel?  Wat komt er op mijn visitekaartje te staan?

De leerlingen van Jezus waren daar ook erg in geïnteresseerd. In hun – we zullen het maar een “kerkelijke carrière” noemen. Ze kibbelen vaak onderling over wie er voorop mag lopen en wie het belangrijkst is. Dat Jezus ze een heel andere les probeert te leren gaat een beetje langs hen heen.
Soms duurt het gewoon erg lang voordat je de juiste les leert, dat de meest vanzelfsprekende vragen van het leven soms helemaal niet zo vanzelfsprekend zijn.

Jezus probeert ze daar te brengen, op die plek waar zijn boodschap tot hen mag doordringen. Hij gebruikt dan woorden, teksten en voorbeelden die best een beetje schrijnen – die een beetje pijn doen aan je oren.
We treffen Jezus en de leerlingen nét nadat Jezus zijn leerlingen uitgelegd heeft dat ze geroepen zijn om mensen altijd te vergeven als ze spijt hebben van wat ze gedaan hebben, wel zeven keer zeven keer zegt Jezus. Dat is Bijbeltaal voor “altijd”.

De leerlingen zijn daar een beetje confuus van. Dát is wanneer ze vragen: “Heer, geef ons meer geloof”. “Als we maar genoeg geloven, genoeg overtuigd zijn van dat we dat kúnnen, dan kúnnen we dat misschien” zie je ze denken.  “En Jezus moet ons die overtuiging maar geven”

Maar dan spreekt Jezus even geen bemoedigend woord. Met zijn vergelijking met het mosterdzaadje zegt hij eigenlijk: dát kan wel wezen, maar dát niveau van overtuiging, zo`n diepe overtuiging – die hebben jullie helemaal niet.  Het verhaal van het mosterdzaadje is geen leuk romantisch verhaal over iets kleins en kwetsbaars dat een mooie grote boom wordt waarin allemaal vogels in kunnen schuilen en die veel schaduw geeft. 

Eigenlijk zegt Jezus: als je écht geloof had zou je de wereld in vuur en vlam kunnen zetten, en kijk nu eens naar jullie, jullie zijn al benauwd om een ander te vergeven. Auw. Jezus is een beetje onaardig voor de leerlingen. Dat hebben ze soms nodig, zullen we maar zeggen. Het christendom is niet altijd een geloof van “een warm gevoel van binnen”. Of wachten tot iemand anders ons als het ware een injectiespuit met inspiratie geeft zodat wij aan de slag kunnen.  

Dat is niet de weg die we moeten gaan. Jezus wijst in het evangelie een andere weg.  Dat je gewoon moet doen wat je móet doen, en niet moet wachten op grote golven inspiratie van boven. Gewoon de schouders eronder.

Hoe dit dan moet is best een lastige vraag. Het is niet zo gek bedacht van de leerlingen. Hoe kun je nou goede dingen doen zonder dat je er helemaal klaar voor bent?  

In het begin van de week had ik het Evangelie gelezen en dan ga ik graag wat wandelen om op ideeën te komen voor de preek van zondag. Toen ik begin deze week hier in de buurt wandelde, kwam ik langs een boerderij waar de woorden Ora et Labora opstonden. Bid en Werk. Woorden die oorspronkelijk uit de kloostertraditie komen.

De oorspronkelijke uitspraak, waarvan “Bid en Werk” de samenvatting is, is “Bid en Werk, dan is God zonder uitstel bij je”.

Ik denk dat die spreuk ons drie aanknopingspunten geeft voor het leven:
Allereerst: Bid

De Leerlingen hadden wel een beetje gelijk. Het werk van alledag kan niet alleen maar uit jezelf komen. Als je geen contact zoekt met God dan wordt al je harde werk uiteindelijk een soort steriele bezigheid – dan wordt het een bezigheid die op zichzelf gericht raakt. Dan raken mensen in zichzelf opgesloten, en denken bijvoorbeeld alleen nog maar aan hun carrière. Het gebed leert ons elke dag opnieuw dat we alles wat we doen mogen opdragen aan Hem die ons op weg wil helpen en ons naar Hem toeroept.

Ten tweede:  Werk

Er is geen ontsnappen aan. Het hele leven bestaat uit hard werken. Wie op zoek is naar een rustig leventje komt meestal bedrogen uit. Zeker als je leerling van Jezus wilt zijn. Je gaat altijd te maken krijgen met moeilijkheden, met tegenslagen en met zaken die niet liepen zoals je gepland had. Dat is allemaal niet erg. Elke dag weer mogen we de schouders er onder zetten en zien hoe we het beste kunnen maken van onze situatie. Werk mogen we hier niet alleen zien als bezigheid in de wereld, maar ook het werk dat behoort bij ons christen-zijn. Op zoek gaan naar wie het moeilijk heeft, kwaad met goed vergelden, elkaar ondersteunen en onderrichten. Verantwoordelijkheid nemen voor de gemeenschap. Het is niet altijd een dankbare bezigheid, maar het moet allemaal gebeuren.

Ten derde: God is erbij

God steunt ons in wat we doen, daar mogen we zeker in geloven. Maar hij doet dat op vele manieren, en we mogen niet verwachten dat we de hele daag geloof, hoop en liefde in literverpakkingen toegediend krijgen. God de mogelijkheid geven om ons te kunnen helpen is hard werken. Daar gaat gebed aan vooraf, en inzet. En de wegen van God zijn niet altijd inzichtelijk voor ons. Toch mogen we uit dat geloof leven, en daar steun in vinden als we het moeilijk hebben.

Als we proberen onze plicht te doen, dan staan wij nooit alleen. We vinden mensen om ons heen die ons steunen, en God zelf die ons helpt.
Dan hoeven we ons niet druk te maken of we wel genoeg waardering krijgen, of wat er op onze rekening of ons visitekaartje staat. 

Want wij zijn in Zijn Handen.

Amen.   

Saturday, 14 September 2019

Verloren en weer teruggekomen


In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. 
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen.” Hij hield hun deze gelijkenis voor: “Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één verliest, laat hij dan niet de negen-en-negentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene totdat hij het vindt? En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en hij gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap, dat verloren was geraakt, heb ik gevonden. Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negen-en-negentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben. 
Of welke vrouw, die tien zilverstukken bezit en er één verliest, steekt niet een lamp aan, veegt niet het huis en zoekt niet zorgvuldig totdat ze het vindt? En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde, want het zilverstuk, dat ik had verloren, heb ik gevonden. Zo, zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen van God over één zondaar die zich bekeert.” 

[Jezus] sprak: “Een man had twee zonen. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld instuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen, die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is teruggekomen, die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles van mij is ook van jou. Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden.”

Broeders en zusters in Christus

Misschien heeft u het wel eens meegemaakt dat u een vriend of vriendin had, met wie u veel leuke dingen samen heeft gedaan, en waarvan u dacht dat u elkaar heel nabij was. Maar dat dan toch blijkt dat die vriend of vriendin in zijn of haar hart toch op grotere afstand stond. Misschien is er wat gebeurd, of heb je elkaar te lang niet gezien. Of maak je verschillende levenskeuzes die je van elkaar niet goed kan accepteren. En op een moment merk je dat de nabijheid die je dacht te voelen er niet meer is. Er is alleen nog maar een afstand. Verwijdering. Een gat.

Mensen die zoiets overkomen is gebruiken wel eens woorden en uitdrukkingen als “het is alsof er een masker afgevallen is”. Alsof de realiteit van de afstand werd vermomd door woorden van nabijheid. Dat is verdrietig.

Als u zoiets heeft meegemaakt heeft u daar vast pijn van gehad. Als we hopen op nabijheid en we vinden juist afstand en verwijdering. Dan doet dat pijn. We kunnen ons dan tot in het diepst van onze persoon afgewezen voelen. Alsof we het niet waard zijn.

Dan voelen we zelf ook een diepe verwijdering in ons hart jegens de andere persoon, de voormalige vriend. Soms komt het later nog een keer goed. Maar soms ook helemaal niet. De verwijdering verhardt zich dan.
Zo`n verharding kan voorkomen tussen mensen, maar ook tussen groepen. In het groot en in het klein. Ik denk dat we allemaal wel voorbeelden kunnen noemen van verwijdering.

Het verhaal van de verloren zoon is zo`n verhaal over verwijdering en nabijheid. Maar het leert ons een les, over vergeving – ja – maar vooral over liefde. De kwetsbaarheid ervan, maar ook over hoe de liefde altijd sterker is dan wat mensen er van bakken.

Het verhaal begint met de jongste zoon die op een dag zijn erfdeel opeist en naar een ver land vertrekt.

Voor ons zijn de symbolen en bijbetekenissen minder zichtbaar geworden. Maar de toehoorders uit de tijd van Jezus zouden het verstaan hebben. Je erfdeel opeisen terwijl je vader nog leeft, vertrekken naar een ver land. Dat zijn allemaal tekenen dat je je banden met je familie helemaal opzegt. Zó radicaal opzegt dat niemand nog maar de minste verplichting heeft om je terug te nemen.

Jezus kleedt het verhaal zo in dat de toehoorder elk brokje sympathie voor de jongste zoon verliest.

We zeggen wel eens, als we vinden dat we niet teveel medelijden met iemand moeten hebben: hij heeft er zelf naar gemaakt.

Nou, de jongste zoon heeft het er wel naar gemaakt.

Om te beginnen is hij de jongste zoon, hij is degene in de familie die zijn plaats moet kennen. In plaats daarvan blaast hij de familiegemeenschap op door zich er van af te scheiden.

Hij eist zijn erfdeel op. Met andere woorden. Hij zegt tegen zijn vader: voor mij ben je dood.  Hij scheidt zich af van zijn familie.

Hij gaat naar een ver land. Voor een trouwe jood betekent dit maar één ding: hij gaat naar een plaats waar God niet te vinden is. Hij scheidt zich af van zijn familie én van zijn volk.

Dan verbrast hij ook nog zijn geld, en niet eens aan iets wat nog waardig zou kunnen zijn, maar ook nog eens aan “een losbandig leven”, hij scheidt zich af van zijn familie, zijn volk en van de gemeenschap van alle fatsoenlijke mensen.

En daarna escaleert het nog verder. Als hij alles kwijt is en tussen de varkens beland is (je hoort de luisteraars van Jezus al bijna “net goed!” roepen) keert hij platzak terug. Hij heeft wel spijt, maar je proeft toch ook nog ándere dan edele motieven. 

Hij hoopt toch ook nog op een baantje als dagloner. Als hij het echt niet meer weet gooit hij zich op de genade van zijn vader. Zonder al te veel verwachtingen, maar dan heb je tenminste iets te eten.  Één ding echter zullen alle luisteraars van Jezus het roerend mee eens geweest zijn: de woorden van de jongste zoon – ik ben het niet meer waard uw zoon te heten. Hier knikt iedereen instemmend!

Hij is het niet waard! Daar is iedereen het over eens.

Dan gebeurt er iets heel anders, de jongste zoon krijgt niet eens de kans om zijn zin af te maken en te beginnen over zijn idee over daglonerschap voor minimumloon. Hij wordt gelijk weer als zoon aangenomen en volledig in zijn rol hersteld. Er is geen ondervraging, geen schadeclaim, geen langdurig onderzoek naar hoeveel slechte vrouwen er wel niet in zijn leven zijn geweest, het wordt weggeveegd.

De zoon was tussen alle dansfeesten op Ibiza en ritjes in een privéjet de Vader wel vergeten en was op een schier eindeloze afstand van de Vader komen te staan. Maar de Vader was altijd dichtbij. De Vader zélf is de zoon geen moment vergeten. Hij heeft hem laten gaan – zonder protest, zonder beschuldigingen, zonder zijn geboortebewijs voor zijn ogen te verscheuren. Maar ondanks dat Hij hem nu niet ziet staat hij Hem altijd voor ogen. Hij wacht op hem. Hij rent naar hem toe wanneer Hij hem ziet en overstelpt hem met gaven.

Dan openbaart zich de oudste zoon, als iemand die net zo ver weg geraakt is. Iemand die ook leeft uit de verwijdering. Hij is niet naar een ander land gereist om het geld van zijn vader op te maken. Integendeel. Hij is altijd trouw aan de zijde van de vader gebleven. Lichamelijk dan toch.
Zijn hart is heel ver weg, nog verder dan het verre land waar de jongste zoon verzeild is geraakt.

Hij zit vol verwijten. “Ik doe hier alles en ik krijg nooit wat”, ontploft de oudste zoon. En nu is die lapzwans ook nog terug!!

De jongste zoon is niet echt een rolmodel, maar het is de oudste zoon die het hardst van zijn schild valt. 

De modelzoon, de trouwe broer. De aanpakker. Het is buitenkant. Achter de buitenkant van nabijheid, plichtgetrouwheid, schuilt een pijnlijke realiteit. Hij is verveemd van zijn broer en vervreemd van zijn vader. Er gaapt een diepe en wijde kloof tussen de oudste zoon en zijn familie.

Hij ervaart zijn vader als tiran, een man vol willekeur. Iemand die strenge opdrachten geeft, en zijn gunst even willekeurig laat neervallen op de een of de ander, ongeacht wat ze gedaan hebben. Ongeacht hoe hard ze werken. Als een tiran. Dat is hoe de oudste zoon de vader ervaart.

En onder zijn verwijten loert het ressentiment,  je proeft het. De afgunst naar de jongere zoon toe, degene die het leven ten volle opgezogen heeft. De oudste zoon zit vol verwijdering . Hij is  de Vader niet nabij, en daarmee dus ook zijn jongere broer niet.

Het is de vader die woorden van nabijheid en woorden van liefde spreekt. “Wat van mij is, is ook van jou”, en omdat hij leeft uit liefde en barmhartigheid moet het nu feest zijn. De vader is niet gekwetst of boos over de diepe verwijdering in het hart van de oudste zoon, net zo min als hij de jongste veroordeeld heeft.  

De vader heeft maar één liefde in zijn hart. Die liefde is onverdeeld. De vader houdt van losbollen en fanatici, van lauwwarme mensen van prutsers en klunzen. Van mensen die fouten maken en mensen die alles goed doen.
Onze liefde is kwetsbaar, onze liefde kan stuk. Vriendschappen eindigen soms – door moedwil of door misverstand – en relaties kunnen stuk. De liefde en genegenheid die mensen voor elkaar voelden is niet in steen gebeiteld. Het is een levend iets, het kan verdorren, of zelfs met wortel en tak uitgerukt worden. Maar de liefde van de vader houdt nooit op. Die kan niet uitgaan of verdorren.

Dus zelfs als de oudste zoon zou weglopen, woedend over zoveel onrecht, en naar een ver land gaat waar hij zijn leven zelf in zal richten, heel precies  naar de normen die hij belangrijk vindt. Dan zal de vader op hem wachten.
En als al zijn harde werk en al zijn plannen, en protocollen over hoe alles altijd even eerlijk moeten verlopen krakend vastlopen. Dan zal de vader op hem wachten.

En als hij weer berooid terugkomt, uit dat vreemde land. Met in zijn versleten aktentas de verfromfraaide blauwdrukken van zijn ideale leven. Dan zal de vader op hem wachten.

En als ook wij terugkeren uit onze ballingschap, onze wereld, die we zo hebben opgevuld met hoop en angst, ambities en mislukkingen, met succesjes en nederlagen. Dan zal de vader op ons wachten.

Je krijgt sandalen een ring, en een nieuw gewaad. En er zal feest en muziek zijn. We waren dood en zijn weer levend geworden,  verloren en weer teruggevonden. 

Gevonden door die éne liefde.

Van de vader.

Amen.




Sunday, 18 August 2019

Brandstichters van de Liefde


Preek 20e zondag door het jaar C – 17/18 augustus 2019

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!
Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik mij, totdat het volbracht is.
Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.
Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader;
de moeder tegenover de dochter
en de dochter tegenover de moeder,
de schoonmoeder tegenover de schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.

In dit evangelie voor de zondag lezen we een korte toespraak van Jezus. Hij wijst vooruit naar de tijd dat Gods Geest over de hele wereld gaat waaien, maar legt ook uit dat zijn lijden en dood daar niet los van te zien is. Sterker nog, ook wij zullen te maken krijgen met de pijn van verdeeldheid. Deze toespraak van Jezus draait dus om drie begrippen: het vuur dat op de aarde moet neerdalen, de doop van het lijden en de dood die hij moet ondergaan, en de verdeeldheid waar de leerlingen – en u en mij – mee te maken zullen krijgen.

Jezus spreekt over het vuur met de woorden: "Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!"

Jezus spreekt hier niet over een vuur dat dood en verwoesting brengt, zoals het vuur dat de leerlingen over de Samaritanen wilden afroepen, maar het vuur van de Heilige Geest. De scheppende kracht die alles wat slecht in ons is verteert en ons deelgenoot maakt van de kracht van de liefde. Het is het vuur dat alle angst, al onze kleinheid als onze berekening in ons wegbrandt en ons zuivert. Het geeft ons de kracht om over onze grenzen heen te stijgen, te durven wat we eerst niet waagden.

Bezield door dit vuur kunnen we gemeenschap zijn, krijg je de kracht om naar elkaar om te zien ook al komt het even niet uit. Door dit vuur verandert de kerk van een soort lokaal religieclubje in het lichaam van Christus, een plaats waar bijzondere dingen kunnen gebeuren, waar we zelfs van wonderen kunnen spreken als we God in ons laten werken.

Dit zijn allemaal mooie dingen, maar ze komen niet voor niks. Dat vuur daalt niet neer als op commando, alsof er een toverspreuk wordt uitgesproken. Dat kunnen we heel oneerlijk vinden, maar het kan niet anders. Liefde komt ook niet voor niks. Als liefde zó uit de kraan of uit het stopcontact zou komen zouden we het niet zo op waarde kunnen schatten. Liefde moet blijken. Liefde bestaat alleen binnen de context van mensen die elkaar ontmoeten, en die moeite doen voor elkaar. Liefde zonder moeite is een lege wensdroom.

Zo komen we bij het tweede begrip, het doopsel .

Jezus koppelt het vuur dat over de Aarde, de hele aarde, over alle mensen, neer moet dalen aan zijn “Doop” die hij moet ondergaan. Het is een bijzonder woord dat hij hier gebruikt. Als Jezus spreekt over de doop wil hij zeggen: Hij moet het lijden ondergaan. Het is een weerspiegeling van de oude beelden uit Jesaja en de Psalmen. Hier gaat het niet over het vriendelijke lauwwarme water dat van de doopschelp af over het hoofdje van het kindje klatert, maar de onmetelijke duistere diepten van de zee, de “waterdiepten, de vloed die mij overspoelen”  zegt de Psalmist in Psalm 69. Het is een schreeuw om hulp als je in de put zit.

Het zijn de wateren van de dood waarvan God belooft dat Hij ons er uit zal redden. Uit de “rivieren, dat zij u niet zullen overspoelen” (Jesaja 43:2)
Maar je kan pas uit de duisternis worden getrokken als je er midden in zit! Er kan pas redding zijn als het water je aan de lippen staat. Er kan pas liefde zijn, als iemand laat zien dat Hij door de duisternis van de dood wil gaan voor jou en mij.

Als liefde moeite kost, is Jezus’ lijden de moeite waarmee hij Zijn liefde voor ons zichtbaar maakt.

Dan komen we bij het derde woord, de Verdeeldheid.

Het is een confronterend woord. Jezus confronteert de leerlingen niet alleen met zijn eigen lijden, de Passie die Hij moet ondergaan, maar ook met hun verlangen naar een makkelijk leventje. De leerlingen verlangen naar een machtige koning Jezus die al hun problemen gaat oplossen, de Romeinen wegjaagt en hen zal binnenleiden in de “messiaanse tijd” zoals de Joden die zich voorstellen: een soort Aards paradijs.

Het confronteert ons ook met het dat als wij uit liefde willen leven wij ook te maken zullen krijgen met  allerlei moeilijkheden. Zoals Jezus het lijden moet ondergaan hebben wij te maken met de dagelijkse pijn van verdeeldheid. 

Verdeeldheid is de meest voorkomende pijn binnen en buiten de kerkelijke gemeenschap.

Dat je het goede wil en je best er voor doet, maar dat je afgewezen wordt. 

Dat is verdeeldheid.

Dat niemand je kan of wil begrijpen. Dat is verdeeldheid.

Dat mensen leugens over je vertellen om je zwart te maken. Dat is verdeeldheid.  

Dat mensen die niet beter of slechter zijn dan een ander elkaar niet meer kunnen luchten of zien. En niemand weet goed waarom. Ooit is het begonnen, en nu zitten we er in vast. Vastgezogen in de modder. Dat is de verdeeldheid.

Verdeeldheid is een kruis dat de leerlingen – en wij - moeten dragen. Op hun manier – om ons te leren dat liefde nooit gratis is, dat je er elke dag weer moeite voor moet doen om de liefde – doodgewone liefde – handen en voeten te geven.

Als we verlangen naar een rustig leventje in de kerk waar nooit wat verandert of gebeurt en iedereen het altijd eens is met elkaar , dan zijn we als de leerlingen van Jezus – de leerlingen die het niet begrepen hebben. Dat is ook een plek waar de liefde niet kan wonen.

En toch zijn we geraakt door dat vuur, en we mogen het aanwakkeren, we mogen Brandstichters van de Liefde zijn, en fikkie stoken in het kreupelhout van de verdeeldheid en de onmin. We mogen – moeten - altijd doorgaan.

Dat zal elke dag weer een opdracht zijn. Een hoopvolle opdracht. Ik wil om te af te sluiten de een paar woorden van de Heilige moeder Teresa van Calcutta. Want het vuur van de liefde, is altijd sterker dan het razende water van de haat.

 Zij zegt:

Mensen zijn vaak onredelijk,
onlogisch en egoïstisch
vergeef ze toch maar.
Als je vriendelijk bent,
kunnen mensen je beschuldigen van egoïstische bijbedoelingen
Wees toch maar vriendelijk
Als je succesvol bent,
zul je soms valse vrienden krijgen, en echte vijanden
wees toch maar succesvol
Als je eerlijk en oprecht bent
zullen er mensen zijn die je bedriegen
blijf toch maar eerlijk
Wat je jaren heeft gekost om op te bouwen
kan iemand anders van de een op de andere dag vernietigen
blijf toch maar bouwen.
Als je sereniteit en geluk vindt
kunnen anderen jaloers zijn
Blijf toch maar gelukkig.
Het goede dat je vandaag doet
Zullen mensen morgen zijn vergeten
Blijf toch maar goed doen.
Geef de wereld het beste dat je hebt
en ook al zal het nooit genoeg zijn
Geef de wereld toch maar het beste dat je hebt.

Amen.

Sunday, 11 August 2019

Goede en slechte dienaren


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Weest niet bevreesd, kleine kudde;
het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken.
Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen;
verschaft u beurzen, die niet verslijten,
en verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel,
waar geen dief komt en geen mot hem bederft.
Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend!
Gedraagt u als mensen,
die wachten op de terugkomst van hun heer,
die naar de bruiloft is
om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.
Gelukkig de dienaars,
die de heer bij zijn komst wakende zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u:
Hij zal zich omgorden
en hij zal hen aan tafel nodigen
en langs hen gaan om te bedienen.
Al komt hij ook in de tweede of de derde nachtwake,
gelukkig die dienaars, die hij zo aantreft.
Begrijpt dit wel:
als de eigenaar van het huis wist
op welk uur de dief zou komen,
zou hij niet laten inbreken in zijn huis.
Weest ook gij bereid,
omdat de Mensenzoon komt
op het uur waarop gij het niet verwacht.”
Petrus vroeg Hem nu:
“Heer, bedoelt Gij deze gelijkenis voor ons of voor iedereen?”
De Heer sprak:
“Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn,
die de heer over zijn dienstvolk zal aanstellen
om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven?
Gelukkig de knecht,
die de heer bij zijn aankomst daarmee bezig vindt.
Waarlijk, Ik zeg u:
Hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit.
Maar zegt die knecht bij zichzelf:
Mijn heer blijft nog wel een poosje weg,
en begint hij de knechten en dienstmeisjes te slaan,
en gaat hij zich te buiten aan spijs en drank,
dan zal de heer van die knecht komen
op een dag, dat hij hem niet verwacht
en op een uur, dat hij niet kent;
en hij zal hem met het zwaard straffen
en hij zal hem zo het lot doen ondergaan van de ontrouwen.
De knecht, die de wil van zijn heer kende,
maar geen beschikkingen trof noch handelde volgens diens wil,
zal zwaar getuchtigd worden.
Wie echter in onwetendheid
dingen heeft gedaan, die tuchtiging verdienen,
zal slechts licht gestraft worden.
Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist;
en van hem aan wie veel is toevertrouwd,
zal des te meer worden gevraagd.”

Broeders en zusters,

Jezus gebruikt hier in dit evangelie het beeld van de afwezige heer, in wiens afwezigheid de dienaren geacht worden bezig te zijn, te waken, op hem te wachten. 

Als de dienaren zo aangetroffen worden als de heer terugkeert, dan zien we een bijzondere omkering van de rollen. De goede dienaren zullen bediend worden door de Heer. Omdat het een parabel is drukt het een waarheid over God uit: God zelf buigt zich neer om voor de goede dienaren te zorgen. Het is een beeld van hoe God voor de mensen wil zijn, dienend en hen toegewend. 

Petrus ziet de bui al een beetje hangen en vraagt dan aan de Heer of deze vergelijking voor iedereen geldt of alleen voor de naaste leerlingen.
Dan wordt Jezus een beetje strenger en zegt dat het ook mogelijk is dat de dienaren zich slecht gedragen. Niet alleen gedragen ze zich dan slecht naar de Heer toe, maar in de eerste plaats naar elkaar. De verantwoordelijken van de gemeenschap hebben ook een grotere verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun naaste.

Jezus schetst dan het beeld van een slechte dienaar die het er van gaat nemen, en zich in alles gaat gedragen als de afwezige Heer, met dat verschil  dat – omdat het een slechte dienaar is – hij ook een slechte interimheer zal zijn. De mens die zichzelf verheft wordt een soort valse god.
Hij wordt beschreven als iemand die eet en drinkt , het er van neemt alsof alles wat daar ligt van hem is. En zijn mede-dienaren en dienaressen mishandeld. Dat geeft ons een aanwijzing wat een slechte dienaar doet.

Als we willen weten hoe een goede dienaar zich gedraagt mogen we omzien in deze afgelopen week naar twee bijzondere heiligen. 

De heilige Edith Stein en de diaken Laurentius. Laurentius was een diaken van het bisdom Rome en belast met de armenzorg. Hij had de zorg opgedragen voor de kas zodat hij zijn werk goed kon doen. Toen hij bedreigd door de hebzuchtige keizer van Rome had hij allemaal slimmigheidjes kunnen verzinnen, maar hij koos er integendeel voor om liever het lijden te ondergaan dan een slechte dienaar te zijn. Uit liefde voor de armen.

Edith Stein was één van de grote geleerden van haar tijd en werd als joodse atheïste gegrepen door het geheim van de liefde dat de ziel is van het katholieke geloof. Na haar bekering is ze in de jaren dertig van de vorige eeuw ingetreden in de Karmel en heeft ze vele diepzinnige theologische werken geschreven die voor ons nog steeds de betekenis van het Kruis, het teken van Gods liefde, voor ons ontsluiten.

Vanwege het getuigenis van de kerk tegen de waanleer van het nazisme werd Edith Stein samen met andere joodse religieuzen gearresteerd en vermoord. Zij heeft haar kruis op zich genomen en haar leven uit handen gegeven uit liefde voor anderen. Ze probeerde haar lot niet te ontlopen, of veiligheid te zoeken ten koste van anderen.

Twee goede dienaren. Als we willen weten wat een goede dienaar is moeten we opzien naar de Heiligen. Zij zijn van alle tijden en alle plaatsen.
Maar om te weten wat een slechte dienaar is, hoef je nog minder ver weg. Je hoeft maar de krant open te slaan om te zien wat een contrast er is als we lezen over slechte mensen.

Gisteren hoorden we het nieuws dat de beroemde speculant Epstein, die naar alle waarschijnlijkheid vele misdrijven tegen de eerbaarheid op zijn geweten heeft, zelfmoord heeft gepleegd.

Een man die werkelijk alles had, waarschijnlijk zeer getalenteerd en intelligent, en al deze rijkdom in de korte tijd van zijn leven alleen heeft gebruikt om zijn eigen kwaadaardige verlangens na te jagen.
En als het spel uit is, en hij weet dat het luxe leventje nooit meer terugkomt, werpt hij zijn leven weg als een paar oude schoenen.

Alles, om maar geen verantwoordelijkheid te moeten nemen voor alles wat hij gedaan heeft.

Alles om maar niet aangesproken te kunnen worden.

Boosdoeners vrezen één ding vaak nog meer dan straf, en dat is in het gezicht gekeken worden, de ander moeten aankijken, de ander wiens gelaat, wiens integriteit je geschonden hebt.  Velen zullen er alles aan doen om die ontmoeting te voorkomen.

Nu, Epstein heeft gegeten, gedronken, zijn dienaressen mishandeld. En als hij eindelijk gegrepen wordt en vastgezet denkt hij te ontsnappen door in de duisternis van de dood te springen.

Maar wie zal hij daar tegen komen?

 Niet de wereldse rechter meer. De kans dat hij zijn boze daden in dit leven nog uitboeten kan is voorbij.

Dus wie zal hij daar tegen komen?

Voor God kun je niet weglopen. Niet omdat hij je achtervolgt, als een soort drone met een camera, maar omdat alle leven voortkomt uit God en al het leven tot hem zal terugkeren.

Hoe vaak je je verantwoordelijkheid ook afwijst, hoe vaak je ook weigert rekenschap af te leggen: zelfs een wanhopige sprong in de dood zal je niet redden van de gevolgen van het onrecht dat je anderen hebt aangedaan.
We spreken niet graag en vaak over het oordeel. Maar dat is onterecht. 

Het oordeel betekent immers ook dat alle goede mensen, door liefde verenigd, mogen aanzitten bij de Heer. In eeuwige vreugde met Hem en met elkaar samenzijn. Voor alle goede mensen is dát het oordeel. Er is geen heil zonder dat de waarheid van ons hart aan het licht wordt gebracht.

Maar de onthulling van die waarheid van het hart betekent ook dat je slagen kan krijgen. 

En als je heel slecht bent, zegt het Evangelie, krijg je veel slagen. De mensen die  niet goed willen zijn, wie tot het laatst alles om zich heen verzwelgen wil, en zijn naaste kwellen om er zelf beter van te worden. Broeders en zusters, die mensen hebben wat uit te leggen. 

We mogen daar niet op vooruitlopen, het oordeel is niet aan ons. Maar alles heeft zijn consequenties. Voor de consequenties kun je niet wegrennen.

Alles heeft zijn consequenties. Geen goede daad zal onbeloond blijven. Geen daad van liefde zal worden overgeslagen. Geen uiting van hoop, vertrouwen of liefde gaat onopgemerkt. Elk moment van berouw over wat we verkeerd doen helpt ons op de weg naar God.

Maar het kwaad wat we in onszelf laten verharden, dat zet zich vaster en vaster, en het verwondt  onze ziel tot dat er in het ergste geval nauwelijks wat van overblijft.  Het kwaad verwondt ons en anderen om ons heen. In zekere zin hoef je niet eens kwaad te worden op mensen die verkeerd doen, ze zijn namelijk niet te benijden.

Ze denken dat ze het geluk kunnen bereiken door het verkeerde te doen. Dat kan nooit goed aflopen.

Broeders en zusters we moeten dus ook eerlijk zijn naar onszelf. We zijn waarschijnlijk geen grote  boeven, maar ook nog geen grote heiligen.  We hoeven dan wel niet in vrees uit te kijken naar het oordeel - de Heer belooft ons immers het Koninkrijk - maar we weten ook, we voelen ook, in het binnenste van ons hart waar het nog aan mist.

Een gebrek aan liefde, of de agressie de we voelen – in het verkeer misschien,  of we hebben een probleem met trouw zijn aan elkaar.
 Of we voelen ons steeds tekortgedaan, en zijn jaloers op het succes van een ander. En als die anders onze buurman is voelen we het twee keer zo erg.
Wat het ook is, het zal ons niet gelukkig maken. Het kwaad brengt ons nooit dichter bij het geluk. Afgunst niet. Haat niet. Bedrog niet.

Maar elke keer als wij ons oefenen in liefde, oefenen in dienstbaarheid, ons oefenen in geduld met de ander, iedere keer als wij onszelf wat ontzeggen uit liefde tot God en de naaste wordt de ziel sterker, kan God meer aan met ons hart. En mogen wij steeds meer vreugde voelen.

Vreugde in afwachting van de komst van de Heer.

Amen.