Saturday, 24 November 2018

Mijn Rijk is niet van deze wereld

(De lezingen voor deze zondag kunt u hier vinden.)



Broeders en zusters in Christus,


We naderen het einde van het Kerkelijk Jaar en daarmee ook een nieuw begin. In de protestantse traditie noemt men de aanstaande zondag “zondag Voleinding”, en dat is een mooie vondst. 

In de katholieke traditie vieren we het Hoogfeest van Christus Koning. In de lezingen hoorden we over Gods bekommernis om alle mensen, van alle volken, rassen en talen – en over zijn belofte om alle mensen samen te brengen onder Jezus Messias. De Grote Koning die de scheidslijnen tussen mensen, en de scheidslijn tussen God en mens doorbreekt.



In het Evangelie lezen we dan wat voor soort Koning Jezus zal zijn. Geen koning zoals heersers van toen. Geen koning zoals heersers van nu. Maar een koning van het koninkrijk van de waarheid. Een koninkrijk dat niet van deze wereld is, maar waar allen die uit de waarheid aan deelhebben.

Maar wat kan dat betekenen, een koninkrijk dat niet van deze wereld is?

Nu was ik vorige week in het Rijksmuseum, daar is een mooie tentoonstelling gaande over de Tachtigjarige Oorlog. Er staan allemaal schilderijen en objecten tentoongesteld uit zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden. Het Smeekschrift der Edelen ligt er bijvoorbeeld, en het Koningsglas uit Gouda, en een exemplaar van het Verdrag van Munster waarin Spanje in 1648, na tachtig jaar conflict en burgeroorlog in de Nederlanden de onafhankelijkheid van de Republiek erkende.

Achter de vitrine waar het Verdrag van Munster in ligt hangt een schilderij dat me aan het denken zette. Het was een vanitas. Een vanitas is een stilleven dat de tijdelijkheid en sterfelijkheid van alle dingen wil uitdrukken. Het is een genre in de schilderkunst die we vandaag de dag node missen.

Op een vanitas-stilleven zijn objecten te zien die die tijdelijkheid uitdrukken, of door hun opname in een vanitas wordt zichtbaar gemaakt dat daar ook geen vaste grond te vinden is. Op een vanitas kan men dus van alles vinden, een muziekinstrument met een gebroken snaar, een paar geldstukken, een boek, een schedel, een lamp die is uitgegaan of een opgebrande kaars, een versleten muziekboek, een schil van een opgegeten vrucht, een globe, juwelen, medailles, of soms zelfs een kroon.

Op het stilleven dat bij het Verdrag van Munster hangt staat een schedel, symbool van sterfelijkheid, en een aantal boeken, en een officieel document, misschien wel een verdrag, voorzien van een groot wassen zegel met het Wapen van Holland er op: de Hollandse leeuw.

Dat schilderij raakte mij. Het is geschilderd in Noord-Nederland na het tekenen van het verdrag van Munster, je zou zeggen iets triomfalistischer was niet vreemd geweest – maar in plaats van triomfalisme kiest de schilder er voor om na de overwinning op Spanje met dat schilderij te zeggen. Ook deze staat waarin wij nu leven, lijkt de schilder te zeggen, de Republiek der Nederlanden, dit Graafschap Holland met zijn trotse steden, zijn rijkdom, zijn macht en flonkerende glans, dat gaat ook ooit weer eens voorbij, het hoort bij het rijk van het ondermaanse, bij al die dingen die opkomen, schitteren en vergaan.

Het is misschien artistiek niet het meest vooraanstaande kunstwerk van de zeventiende eeuw, toegegeven, maar in wat het probeert te zeggen is het een haast theologisch commentaar op alle claims van de politieke macht van zijn tijd. Ook dit alles gaat voorbij.

Het is een sentiment dat ook erg thuishoort bij deze dagen, de laatste dagen van het kerkelijk jaar, waarin wij bijzonder worden uitgenodigd om te reflecteren op alles wat niet de eeuwigheid in zal gaan, de geldstukken in onze al dan niet digitale buidels, alles waarmee wij ons vermaken en alle macht en zekerheid waarin wij ons in deze wereld vastklampen. Dat alles gaat niet mee naar de eeuwigheid, dat alles gaat niet mee naar God.

Dat alles hoort niet bij het Koninkrijk van Jezus Christus. Wereldse macht en invloed heeft zo`n soort Koning niet nodig. Sterker nog: de wereldse overheid veroordeelt hem, stelt hem terecht.

De wereldse macht is niet alleen sterfelijk, maar soms ook dodelijk. Sterfelijk, want haar domein bestrijkt de wereld van dingen die voorbij gaan. Augustinus, de grote kerkvader uit de vijfde eeuw, schreef over de staat dat zij haar grondslag en noodzaak vindt in de zondeval. Als mensen niet uit zichzelf goed willen zijn, dan moet een overheid een publieke orde handhaven, om erger te voorkomen. Maar als God en mens zich uiteindelijk, buiten de grenzen van ruimte en tijd zich met elkaar verzoenen verdwijnt ook alles wat hier mee te maken heeft. De overheid is er niet voor niets, en heeft een belangrijke rol in deze wereld voor het handhaven van orde en recht. Romeinen 13, zouden we kunnen zeggen.

Maar een staat kan ook in zichzelf gekeerd raken, en denken dat haar grondslag niet buiten haar ligt, dat hij zelf het fundament van de rechtvaardigheid kan zijn, dat er niets meer buiten hem ligt. Maar alles wat zich afsluit, sluit zich ook af voor waarheid en goedheid. Dan wordt de staat iets anders, geen degelijk ordehandhaver van Romeinen 13. Maar het Beest van Openbaringen 13; voorzien van een berg koppen met evenveel kronen. Zo`n staat is geen zegen maar een vloek.

We zien iets hiervan terug in het Evangelie, als Jezus Pilatus ontmoet. We zien de hoogste koning, Jezus Messias en die wordt geconfronteerd met Pilatus, een dienaar van de keizer. Jezus spreekt de waarheid, ís de waarheid; terwijl we van Pilatus weten dat hij met 'waarheid' niet zoveel kan schelen. Jezus kijkt op naar zijn Vader, is in alles verbonden met zijn Vader die Hem gezonden heeft. Pilatus is gezonden door de Keizer, een onberekenbare man van wiens gunst je nooit zeker bent. Jezus wordt veroordeeld door Pilatus, maar dat oordeel is uiteindelijk machteloos tegen de oneindige kracht van de Verrijzenis die zich zal uitstrekken over alle tijd een eeuwigheid. Jezus is de naam door wie allen gered zullen worden. Pilatus naam zou goeddeels vergeten zijn als hij in de Evangelies niet werd genoemd. Beiden openbaren zichzelf voor wie ze werkelijk zijn. Jezus is slachtoffer – maar Koning. Pilatus spreekt haast soeverein een oordeel uit, maar is zelf een werktuig van machten die vér buiten hem liggen.

Wat betekent dit alles dan nu voor ons?

Wij worden gevraagd ons te verenigen in geloof, in gebed, met de Koning. Om Zijn stem te horen, Hem te herkennen. Want “al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem”. Jezus Christus blijft tot ons spreken, door de schriften, in de gave van het geloof, door het gebed, door al wat hij ons geweten ingeeft. Dat alles maakt ons per definitie vrije mensen.

Wij zijn niet afhankelijk van politici om ons te vertellen wat goed en kwaad is. Integendeel. Het is de kerk, de vergadering van alle mensen die gedoopt zijn en geloven, die moet getuigen van de hoop die in ons leeft.

In de zaken die voorbijgaan zijn geen eeuwige waarden, geen eeuwige waarheden te vinden. De plechtige waszegels, de oordelen van de wet, zullen ooit tot stof verkruimelen samen met alle opgebrande kaarsen, sinaasappelschillen en dof geworden munten die we op een vanitas kunnen aantreffen.

Één is er die blijft, en Hij is met allen die bij Hem willen horen. Hij is:

De Alfa en de Omega
Hij die is en die was en die komt,
de Albeheerser

Amen.



Sunday, 11 November 2018

Geven en Nemen


eerste lezing (1 Kon. 17, 10-16)

In die dagen stond de profeet Elia op
en vertrok naar Sarefat.
Toen hij bij de stadspoort kwam
was daar een weduwe hout aan het sprokkelen.
Hij riep tot haar:
“Wees zo goed en haal voor mij in uw kruik een beetje water;
ik zou graag wat drinken.”
Toen zij het ging halen, riep hij haar na:
“Wees zo goed en breng ook een stuk brood mee.”
Zij antwoordde:
“Zowaar de Heer uw God leeft, ik heb geen brood meer;
alleen nog maar een handvol meel in de pot
en een beetje olie in de kruik.
Ik sprokkel nu wat hout en ga dadelijk naar huis
om voor mij en mijn zoon voor het laatst eten klaar te maken;
daarna wacht ons de dood.”
Elia antwoordde:
“Vrees niet,
ga naar huis en doe wat u van plan bent,
maar maak van het meel en de olie
eerst een broodje voor mij en breng mij dat;
voor uzelf en uw zoon kunt u daarna zorgen.
Want zo zegt de Heer, de God van Israël:
De pot meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput,
totdat de Heer het weer laat regenen.”
Toen ging zij heen en deed wat Elia gezegd had
en dag aan dag hadden zij te eten, zij en haar gezin.
De pot met meel raakte niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput
naar het woord dat de Heer gesproken had door Elia.

evangelie (Mc. 12, 38-44)

In die tijd gaf Jezus bij zijn onderricht ook deze waarschuwing:
“Wacht u voor de schriftgeleerden,
die graag in lange gewaden rondlopen,
die zich laten groeten op de markt,
belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden,
maar die de huizen der weduwen opslokken,
terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten; over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken.”
Hij ging tegenover de offerkist zitten
en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen.
Er kwam ook een arme weduwe,
die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp.
Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak:
“Voorwaar, Ik zeg u:
die arme weduwe heeft het meest geofferd
van allen die iets in de offerkist wierpen;
allen wierpen ze er iets in van hun overvloed,
maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat,
alles waar ze van leven moest.”



Broeders en zusters in Christus,

Misschien heeft u wel eens gehoord, of iets gezien, van Amerikaanse televisiedominees. Een aantal onder hen hebben een boodschap die er op neer komt dat als je hen veel geld geeft God jou met nog veel meer geld gaat zegenen. Ik vat het even samen. 

Nu is het makkelijk voor ons om te denken dat je dáár toch niet intrapt. Maar toch is het heel succesvol. In de krant stond een paar maanden geleden een artikel over zo`n televisiedominee die inmiddels zijn tweede privéjet heeft gekocht. 

Kennelijk zijn er toch genoeg mensen te vinden die hem genoeg geloven dat ze hem geld willen geven, zoveel geld dat hij niet alleen maar in een mooi huis kan wonen, en in een mooie auto kan rijden, maar zoveel dat hij inmiddels privévliegtuigen in zijn garage heeft staan. 

Iets soortgelijks zien we terug in het Evangelie van vandaag. Jezus spreekt een oordeel uit over de Schriftgeleerden, die zijn belust – zegt hij – op de uiterlijkheden, mooie kleren, vooraan zitten bij de burgemeester aan tafel. Hij zegt niet, dat dát verkeerd is. Je mag best mooie kleren hebben en naast de burgemeester zitten, en wat hem betreft zit je elke week op een versierde stoel. Al die dingen zijn niet in zichzelf verkeerd. 

Wat wel verkeerd is, is de manier waarop die Schriftgeleerden aan al die mooie dingen komen. Ze zuigen andere mensen uit, ze “slokken de huizen van weduwen op”, en “spreken voor de schijn lange gebeden uit”. Ze zijn geen herders, maar huurlingen. Ze staan in een uitbuitingsrelatie tot de mensen voor wie ze zogenaamd in de weer zijn. 

En niet alleen de Schriftgeleerden zijn dat, het is breder dan dat. Ook de Tempel in Jeruzalem, dat is waar Jezus en zijn leerlingen op bedevaart, is in de praktijk zo`n uitbuitingsmachine geworden.

De geldkisten van de tempel waarin niet zomaar geldkisten zoals bij ons, daar zat een hele trukendoos aan vast. Je munten ging door een soort ronde trechter naar beneden en bleven een hele tijd ronddraaien, en aan het geluid dat er dan uitkwam kon je horen wat voor munt het was. 

Er is vaak gezegd: de weduwe wordt hier als voorbeeld aangehaald. Geven uit je rijkdom is één ding, maar geven uit je armoede toch echt iets anders, iets wat veel dieper gaat. Dat is zeker waar, maar er zit nog veel meer verpakt in de lezing. 

De lezing houdt op bij deze gave, maar je zou kunnen zeggen – het verhaal gaat verder op de volgende bladzijde, Marcus 13, en laat iets zeer verontrustends zien: 

Toen Jezus de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tot Hem: “Meester, kijk eens, wat een stenen en wat een gebouwen!” Maar Hij zei: “Ziet ge die grote gebouwen? Geen steen zal op de andere gelaten worden, alles zal worden verwoest.”

De leerlingen zijn nog steeds enorm onder de indruk van al dat blinkende goud, van die uiterlijkheden. Daar was de Tempel ook beroemd om, om haar rijkdommen.  

En hoe kwamen ze aan die rijkdommen? Van de grote gaven van de rijken, van de vele gaven van het volk, en uiteindelijk ook uit de zakken van de weduwen die haar allerlaatste cent bij de tempel afgeeft. Als de Schriftgeleerden de huizen van de weduwen verzwelgen dan zuigt de Tempel als een soort vergulde spons de laatste muntjes op. 

Het verhaal van vandaag is misschien geen verhaal van liefde, maar een verhaal van onmacht, uitbuiting en verdrukking. En het “wee gij Schriftgeleerden” geldt dan eigenlijk ook voor de Tempel.
Want al die tempelgaven dienen nergens meer voor. Al die zakken goud, en al die rijen rijke mensen die hun grote gaven luid rinkelend in de kist laten vallen. Díe gaven zijn voor niks. De gaven van het volk, met al hun koperstukken, zijn voor niks. De gave van de weduwe, die schilfertjes brons, alles waar ze van leven moet, is voor niks. 

Dát is waar Jezus kwaad om wordt.

Als we dan de bijbehorende lezing uit het OT lezen, dan zien we in de profeet Elia het tegendeel van de Schriftgeleerden en de Tempel. Hij vraagt een serieus offer aan de weduwe, zoals zij het kan voorzien vraagt hij om een plaats aan de tafel bij hun laatste maaltijd, hij brengt alleen maar een wonderlijke belofte mee: maar het is een belofte die wél wordt ingelost. De belofte van Elia is een belofte die leven geeft. Hij zegt: vrees niet, dat is belangrijk. Hij probeert niet te imponeren of te dreigen, of mensen te chanteren maar zegt mensen vrede aan.

We kunnen in nog drie punten een groot contrast zien tussen de profeet Elia en de religieuze machthebbers van later.

Ten eerste: Elia vraagt een deel van wat de weduwe heeft, een broodje. De Schriftgeleerden en de Tempel verzwelgen alles wat de weduwe heeft.
Ten tweede: zowel Elia als de Schriftgeleerden en de Tempel doen beloften – wat je offert zal je ten goede komen. Wat je offert zal je vele malen terugzien, maar alleen Elia spreekt de waarheid. De Schriftgeleerden en de Tempel zijn machteloos, en de laatste zelfs de verwoesting toegewijd. De schone schijn – de lange gewaden, de vergulde stenen – bedekken het zicht op de machteloze leegte die er achter schuil gaat. Net zoals nu het privévliegtuig van de televisiedominee veel kracht uitstraalt – en zo zijn machteloosheid verbergt. Want wat de televisiedominee ook verzonnen heeft, ook hij heeft geen macht over Gods zegen, hij heeft God niet aan een touwtje. Hij voegt niets toe aan wat God zal doen of laten. Hij kost alleen maar heel veel geld.  

Ten derde: je kan als goed mens verzeild raken in situaties die goed of slecht zijn, zonder dat het jouw schuld is. Geen van de weduwen denkt in de eerste plaats aan zichzelf, vanuit de goedheid van hun hart offeren ze dat laatste beetje wat ze hebben. En God kijkt naar de zuiverheid van het hart, we kunnen niet zeggen dat de tweede weduwe iets verkeerd doet. Als Jezus een oordeel uitspreekt is dat over mensen die verantwoordelijk zijn voor iets, dan kijkt hij naar de machtigen, niet naar de machtelozen. 

We mogen dan dus ook niet zeggen, 'die weduwe had beter moeten weten' – dat kon ze niet. Haar zuiverheid zal haar worden aangerekend, maar alles wat die zuiverheid aantast, corrumpeert, verzwelgt dát zal verdwijnen.
Waar laat dit alles ons? Het gaat hier nu niet in de eerste plaats om de gevers maar om de nemers. Wat vragen we van mensen, wat eisen we van mensen? Maken we anderen tot ons werktuig, leven we van de inzet van anderen? Wat geven we daarvoor terug? Maken we ons groot en belangrijk, als Schriftgeleerden? Of maken we deel uit van een lege huls zoals de Tempel? Dan moeten we ons dringend beraden op waar we mee bezig zijn. Ook als we geven moeten we uitkijken, maar als we vragen moet we dat zeker. 

Als we zuiver van hart mogen zijn bij alles wat we geven, zo moeten we nóg zuiverder zijn als we vragen, alleen dan rust er wérkelijk zegen op wat we doen
.
Amen.



Saturday, 3 November 2018

Strijd en Ontmoeting


Marcus 12:28b-34:
In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe
en legde Hem de vraag voor:
“Wat is het allereerste gebod?”
Jezus antwoordde:
“Het eerste is:
Hoor, Israël!
De Heer onze God is de enige Heer.
Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart,
geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.
Het tweede is:
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
Er is geen ander gebod voornamer dan die twee.”
Toen zei de schriftgeleerde tot Hem:
“Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd:
Hij is de enige, en er bestaat geen andere buiten Hem;
en Hem beminnen met heel zijn hart,
heel zijn verstand en heel zijn kracht
en de naaste beminnen als zichzelf,
dat gaat boven alle brand- en slachtoffers.”
Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem:
“Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.”
En niemand durfde Hem nog een vraag stellen.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Broeders en zusters in Christus, 

Ik had een tijdje geleden een gesprek met een islamitische jongeman. Hij is nogal orthodox in zijn geloofsbeleving en praat daar ook heel open over. Ik had niet direct veel verwachtingen bij het gesprek. Ik spreek wel eens vaker met mensen die heel anders in het leven staan en vaker dan niet worden het dan toch vaak welles-nietes gesprekken waar niemand wat bij wint.
Maar dit was een heel interessant gesprek, we bleken toch ook veel gemeen te hebben – we konden elkaar ontmoeten als mensen van geloof die wisten dat het geharrewar van de samenleving ons geen eeuwige waarden kan bieden.

Er ontstond een echte ontmoeting, boven de polemiek uit. Het was een waardevol moment. Ik weet niet of het nog ergens toe leidt, maar dat is het mooie aan ontmoetingen, ze zijn zelf waardevol – ongeacht wat er nog uit moet komen.

Zo`n soort ontmoeting zien we vandaag terug in de lezing uit het Evangelie: Jezus die een schriftgeleerde ontmoet – zo`n schriftgeleerde waar normaal zoveel strijd mee is – maar er ontstaat deze keer geen strijd, maar een ontmoeting.

We vallen binnen aan het einde van het verhaal, dat is een beetje lastig deze zondag. Er gaat namelijk nogal wat aan vooraf. Dit gesprek wordt voorafgegaan door een waarlijke polonaise van tegenstanders die tegen Jezus optreedt. Ze zijn samen opgetrokken om Jezus klem te zetten. Maar er gebeurt heel iets anders.

Eerst komen de Herodianen, dat zijn mensen die zich hebben verkocht aan de macht. Het kerkelijk leven, zo zeggen zij, heeft als eerste doel om de macht te handhaven. Anders gebeuren er maar ongelukken. De Romeinen zijn de baas, en die hebben er voor gezorgd dat Herodes koning kon worden – en ze hebben door dat Jezus iets heel anders komt brengen, iets nieuws. Maar als ze hem nu een uitspraak kunnen ontlokken die tegen de Romeinen ingaat, en dan vooral tegen de keizerlijke belasting …. Dan zijn ze van die onruststoker af, en dat is goed voor de mensen die aan de knoppen zitten, althans dat denken ze. Misschien zouden we ze tegenwoordig een soort cultuurchristenen noemen. Geloof is goed, want het zorgt voor orde in de samenleving, daar gaan mensen beter van gehoorzamen, en dat scheelt weer werk voor de belastingdienst.

En Jezus zet hen op hen plek, “welke beeltenis staat er op die belastingmunt van jullie?”, “die van zijne hoogmogende majesteit de keizer natuurlijk!”, “nou, dan geef je hem maar wat van hem is”. Pats! Dat waren de Herodianen.  

Dan komen de Sadduceeën. Wat zijn dat? Mensen die heel goed zijn opgeleid, die veel moeilijke boeken lezen over filosofie en wetenschap, en dan zeggen: alles wat in de Bijbel staat wat wij niet begrijpen , dat halen wij maar weg.

Geloof is mooi en aardig, als het er niet was konden we niet vooraan staan met mooie gewaden, onze dure woorden en gekalligrafeerde diploma’s van de chicste universiteiten. Maar het moet wel redelijk blijven, wetenschappelijk – anders nemen onze buitenlandse collega’s ons niet meer serieus. Dan worden er neerbuigende stukjes over ons geschreven in de Atheense Boekengids of de Rome Review of Books. Zoiets raars als de opstanding uit de doden bijvoorbeeld. Daar geloven Sadduceeën niet in. De laatste nieuwe Griekse filosofie zegt dat dat ondenkbaar is, dus kan dat niet.  
Dan stellen ze hem een rare strikvraag over zeven broers die allemaal ons te beurt met dezelfde vrouw zijn getrouwd, wie wordt dan in de hemel de man van die vrouw? Een slimmigheidje om te laten zien hoeveel slimmer je bent dan gewone mensen, en hoe absurd het is om te geloven in een leven na de dood.

Maar bij Jezus vangen ze bot. Hij gaat direct tot de kern en zegt. Sadduceeën, het is er jullie alleen om te doen dat jullie die hoop van de gewone mensen, dat ze ooit bij God mogen komen als ze alle moeilijkheden van het leven doorleefd hebben, willen afpakken. God is geen God van doden, Hij is een God van de levenden. Jullie willen het geloof krachteloos maken, omdat jullie denken niks van boven nodig te hebben. Het eindresultaat is voor jullie precies dat: niks.

Dan komt onze lezing van vandaag aan de beurt. Als laatste komt er een schriftgeleerde, een farizeeër zouden we nu zeggen. Dat zijn mensen die het vaak oneens zijn met Jezus – we kunnen in het evangelie veel pittige meningsverschillen teruglezen – maar in het beste geval waren de farizeeën wel er van overtuigd dat godsdienst niet moest gaan over eigenbelang, of over invloed en macht in deze wereld. En daar ontstaat een opening. De Schriftgeleerde stelt een goede vraag: waar gaat het nu om Jezus? Wat is het belangrijkste, waar draait ons religieuze leven nu om
God en de naaste. Dat is de wet en de profeten. 

God en de naaste. Daar vinden Jezus en de Schriftgeleerde elkaar. Het geloof is er niet om de keizer ter wille te zijn, hoe teleurstellend de keizer en zijn zetbazen dat ook vinden. Het geloof is er niet voor je zelfverheffing, hoe mooi je dat ook hebt ingekleed – of aangekleed. Het is niet om er zelf beter van te worden in het grote of in het kleine. 

Het gaat om God, en om de naaste. Het gaat om wat zij van ons vragen, het gaat om de levende ontmoeting die wij met hen kunnen hebben. Zij alleen zijn van waarde. En alles wat zelf waarde heeft mag niet voor een ander karretje gespannen worden. God is er voor zichzelf, en God is er voor ons. Als we God gaan gebruiken om mensen aan te sporen om belasting te betalen. Dingen zeggen als je moet doen wat ik wil, anders wordt God boos. Dan maken we misbruik van God. Dan maken we van Gods Heilige Naam een toverspreuk om anderen te bezweren. 

Zo mogen we ook de naaste niet voor onze eigen doeleinden gebruiken. We moeten wegblijven van alles wat riekt naar bedrog en manipulatie, wegblijven van het kleineren van anderen in de naam van God.

Als we dat niet doen en in plaats daarvan ons proberen open te stellen voor God en de ander is er ruimte voor ontmoeting. Een werkelijke ontmoeting met God, een werkelijke ontmoeting met de ander. En als we God of de ander echt ontmoeten, vrij van alle bedoelingen, dan gebeuren er dingen die we zelf niet hebben zien aankomen. Dan worden we vrij en kunnen we die weg volgen die God van ons vraagt. Dan zijn we niet ver van het Rijk van God.  

Amen.