Friday, 14 February 2020

Hart, hoofd en handen


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Denk niet dat ik gekomen ben
om Wet of Profeten op te heffen.
Ik ben niet gekomen om op te heffen,
maar om de vervulling te brengen.
Want voorwaar, Ik zeg u:
Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan,
dan dat één jota of haaltje vergaat uit de Wet,
voordat alles geschied is.
Wie dus een van die voorschriften,
zelfs het geringste,
opheft en zo de mensen leert,
zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen,
maar wie ze onderhoudt en leert
zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.
Ik zeg u: Als uw gerechtigheid
die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft,
zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen.
Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is gezegd:
Gij zult niet doden.
Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht.
Maar Ik zeg u:
Alwie vertoornd is op zijn broeder,
zal strafbaar zijn voor het gerecht.
En wie tot zijn broeder zegt: raka,
zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin;
en wie zegt: dwaas,
zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.
Als gij uw gave komt brengen naar het altaar
en daar schiet u te binnen,
dat uw broeder iets tegen u heeft,
laat dan uw gave voor het altaar achter,
ga u eerst met uw broeder verzoenen
en kom dan terug om uw gave aan te bieden.
Haast u het eens te worden met uw tegenpartij,
zolang ge nog met hem onderweg zijt;
anders zou uw tegenpartij
u weleens aan de rechter kunnen overleveren,
en de rechter u aan de gerechtsdienaar,
en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ge zult daar niet uitkomen,
voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.
Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult geen echtbreuk plegen.
Maar Ik zeg u:
Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren,
heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.
Indien uw rechteroog u tot zonde dreigt te brengen,
ruk het uit en werp het van u weg;
want het is beter voor u,
dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat
dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
En als uw rechterhand u tot zonde dreigt te brengen,
hak ze dan af en werp ze van u weg;
want het is beter voor u,
dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat
dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt.
Ook is er gezegd:
Wie zijn vrouw verstoot,
moet haar een scheidingsbrief geven.
Maar Ik zeg u:
Wie zijn vrouw verstoot,
behalve in geval van ontucht,
brengt haar ertoe echtbreekster te worden;
en wie een verstoten vrouw huwt,
begaat echtbreuk.
Eveneens hebt gij gehoord,
dat tot onze voorouders gezegd is:
Gij zult geen valse eed doen,
maar gij zult voor de Heer uw eden houden.
Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren;
noch bij de hemel, want dat is de troon van God;
noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank;
noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning.
Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren,
want gij kunt niet een haar wit of zwart maken.
Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen;
en wat daar nog bij komt is uit den boze.”

Broeders en zusters,

Misschien heeft u wel eens meegemaakt op uw werk of elders in de samenleving dat er een verkeerd besluit wordt genomen. Een besluit dat heel erg onrechtvaardig is. Iemand wordt bijvoorbeeld onterecht ontslagen, maar het bedrijf zo`n slimme jurist aan boord heeft dat ze er toch mee wegkomen.
Of iemand krijgt niet de zorg die ze nodig hebben, en elke keer verzint de instantie weer een nieuwe uitvlucht om maar niet te hoeven helpen. 

Ongeacht hoe erg de situatie is.  

Stelt u zich voor dat als u zich beklaagt over dit onrecht er dan wordt gezegd: “het is keurig volgens de procedures gegaan, alle regels zijn perfect gevolgd”, zegt de communicatiemedewerker dan.

Ik denk dat u daar een onbevredigend gevoel bij zou krijgen. De procedures zullen inderdaad gevolgd zijn, in zekere zin, maar is er recht gedaan? Dat kunnen we toch niet zeggen als we het onrecht zo duidelijk voor onze ogen zien?

Er kan een groot verschil zijn tussen wat de regels zijn en wat rechtvaardig is. Dat is het onderwerp waar Jezus deze zondag over spreekt.  

In de afgelopen weken hebben we in het Evangelie veel gehoord over discussies die Jezus had met de religieuze machthebbers van zijn tijd. Schriftgeleerden en farizeeën. De schriftgeleerden uit de tijd van Jezus waren vaak heel goed in het volgen van de wet, maar op een manier die alleen betrokken is op de buitenkant. Soms maakten de schriftgeleerden een hele show van hoe precies ze de wet volgen terwijl we ondanks al die drukdoenerij heel duidelijk kunnen zien dat hun hart een andere kant op gaat. Je kan zelfs zien dat ze de wet gebruiken, misbruiken, om mensen te beschadigen, of in de hoek te zetten.

Daar moet Jezus niets van weten.

Jezus is zelf zó kritisch op de schriftgeleerden van zijn tijd dat ze hem er van beschuldigen dat hij een soort nihilist is, dat de Wet – die toch van God komt - er voor Hem helemaal niet toe doet. En dat volgens Jezus iedereen maar moet doen waar hij of zij zin in heeft. Het tegendeel is waar.
Jezus vertelt dat Hij de wet komt “vervullen” dat betekent zoveel als dat Jezus de diepste betekenis van de Wet zichtbaar maakt. De Wet is geen doel op zich, geen onnavolgbare opdracht uit langvergeten tijden die blind moet worden nagevolgd – hoe onduidelijk het oorspronkelijke doel ook voor ons geworden mag zijn.

De Wet van God is niet los te zien van de opdracht om rechtvaardig in het leven te staan. Als je de Wet daar los van maakt doe je de Wet geweld aan. Dan maakt het niet meer uit hoe goed je de Wet uit je hoofd kent of hoe zeer je die in alle details toepast. De Wet is niet los verkrijgbaar. Je kán de Wet niet goed volgen als je hart tot aan de nok toe volzit met emoties of dagdromen die niks met recht of liefde te maken hebben.

Jezus noemt drie voorbeelden van situaties waarin je je aan de wet kan houden terwijl je hart toch ver van God kan zijn. Jezus noemt moord, overspel en het zweren en legt ons uit dat het niet echt lovenswaardig is ja je aan de wet te houden terwijl je aan het dagdromen bent over dingen die allesbehalve rechtvaardig zijn

De meeste mensen zullen nooit iemand doden. Gelukkig maar. Maar de drempel om in het hart ruimte te laten om andere mensen te minachten en te belasteren is een stuk minder hoog. Als je die gevoelens vrij baan laat sta je ander als het ware naar het leven. Je kan het leven van de ander dan niet meer op waarde schatten.

En als je geconfronteerd zou worden met de minachting die je voor een ander voelt kun je je moeilijk beroepen op het feit dat je niemand vermoord hebt.

Hetzelfde geldt voor overspel. Het ondermijnen van je relatie die je beloofd hebt in trouw naar elkaar te beleven. Als je gedachten elke keer opnieuw weer afdwalen naar een andere man of een andere vrouw zijn we niet meer in gedachten aanwezig bij degene van wie we houden. Dat is ongezond en je kan je niet laten voorstaan op dat je niet echt overspelig bent geweest.

Tenslotte het zweren. Het is op zich niet zondig om een plechtig moment te bezegelen met een eed. Als we een publiek of kerkelijk ambt aanvaarden, of als we als getuige in een rechtszaak onder ede een verklaring moeten afleggen. Een eed moet een zeldzaamheid zijn, een moment waar enige huiver van uit gaat. Bij het afleggen van een eed brengen we onze taak of ons spreken in een bijzondere relatie tot God die de Waarheid is. Door alle eeuwen heen is het breken van een plechtige eed gezien als een vergrijp dat afschuw opwekt. Je vraagt God immers om de waarheid van je woorden en de trouw aan je belofte te borgen!

Als we dan te pas en onpas met eden strooien maken we ons woord goedkoop en maken we ook God goedkoop, we gaan leven in de fantasie, de dagdroom, dat we God altijd voor ons karretje kunnen spannen. Dat God ons doen en laten altijd zal ondersteunen. Ook dat is een kwalijke dagdroom.

En dat is wat Jezus nu doet, ons waarschuwen tegen dagdromen over dat wij God steeds aan onze kant hebben terwijl wij wegdromen

Als we een ander minachten of haten dagdromen we over een wereld waarin die lastige personen er niet meer zijn.

Als we ons overgeven aan begeerte dagdromen we over een wereld waarin we straffeloos ontrouw kunnen zijn

We kunnen ons nooit verschuilen achter keurig gevolgde regels als ons hart een andere kant op gaat. De Wet van God, samengevat: de tien geboden, zijn er namelijk voor de wereld, maar als we kwalijk dagdromen verhuizen we ins ons hoofd naar een ándere wereld, een pseudowereld waarin we alles naar ons hand kunnen zetten. Een pseudowereld waarin we niet meer goed hoeven te zijn, geen moeite meer hoeven te doen om ons leven op de rails te houden.

We moeten rechtvaardig zijn, dat betekent, we moeten méér zijn dan ‘mensen die regels volgen’. Hart, hoofd en handen moeten samen een eenheid zijn, zodat we consistent in het leven kunnen staan, op weg naar het Koninkrijk waar ons hart uiteindelijk de rust mag vinden die het zoekt.  




Saturday, 8 February 2020

Een licht voor alle mensen


Broeders en zusters in Christus.

We horen deze zondag de woorden van Jezus dat we “zout en licht” moeten zijn voor de wereld om ons heen. Deze woorden sluiten normaal aan op de Zaligsprekingen. Deze zouden normaal vorige zondag gelezen zijn, maar de vorige zondag viel weg omdat we toen het feest van Maria Lichtmis gevierd hebben.

Zout en licht. Krachtige woorden en tekens. Zout is de smaakmaker bij uitstek, en zonder licht zie je niet veel. Wat willen deze woorden zeggen. Om te beginnen is het belangrijk op te merken, we zouden vorige week normaal de Zaligsprekingen hebben gelezen. De grote oproep van Jezus. Laten we ze nog even doornemen:

‘Gelukkig wie nederig van ​hart ​ zijn, want voor hen is het ​koninkrijk van de hemel.
Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar ​gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen ​barmhartigheid​ ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van ​hart​ zijn, want zij zullen God zien.
Gelukkig de vredestichters, want zij zullen ​kinderen​ van God genoemd worden.
Gelukkig wie vanwege de ​gerechtigheid​ vervolgd worden, want voor hen is het ​koninkrijk van de hemel

Vier van de zaligsprekingen zijn gericht op gevoelens, of liever  emotionele houdingen die we kunnen hebben. We beginnen met het besef dat de wereld niet om ons draait – nederig van hart zijn – Dat plaatst onze eigen emoties in perspectief. 

Dan horen we over de treurenden en zachtmoedigen – dat zij getroost en bevestigd zullen worden. 

Hierna, een mooie wending, gaat ons gevoel naar buiten – de mensen die hongeren en dorstigen naar gerechtigheid hongeren en dorsten naar iets dat iedereen aangaat. Gerechtigheid is nooit voor je eentje, of kan niet betekenen dat je altijd gelijk moet krijgen (al heb je het natuurlijk wel!). Gerechtigheid is er – het meest radicaal gezegd- voor iedereen of voor niemand
.
De honger en dorst naar gerechtigheid leidt drie “werken” in die per definitie naar buiten zijn gericht. Barmhartig zijn, zuiver van hart zijn, vredesstichter zijn. 

Uiteindelijk is de laatste zaligspreking voor degenen die dat alles gedaan hebben en geconfronteerd worden met geweld, vervolging of zelfs de dood. God staat voorbij alle succes en mislukking in de wereld. Hij staat borg.

Er zit een hele mooie structuur in de zaligsprekingen: 3-1-3-1 , Drie persoonlijke karaktertrekken, dan de as van de honger en dorst naar gerechtigheid die de mens actief maakt, dan drie “opdrachten” die we in de wereld te vervullen hebben als slotakkoord dat als jouw goed met kwaad vergolden wordt het Koninkrijk voor je open ligt.

Als wat wij doen zin heeft zal het altijd vrucht dragen, ook al zien we die vrucht in de wereld niet terug.

Jezus’ woorden over zout en licht versterken de woorden van de zaligsprekingen.

Laat je licht schijnen voor de mensen, zegt hij, zodat ze je goede werken zien, en je Vader in de Hemel zullen prijzen.

Wij kunnen niet worden herkend als leerlingen van de Heer, als christenen, als ons geestelijk leven zich alleen binnenskamers afspeelt. Het geloof is geen breekbaar erfstuk dat we af en toe eens afstoffen maar daarna weer gauw terug in de kast of op de schouw zetten.

Integendeel: geloof moet altijd naar buiten toe gericht zijn. In het bijzonder, vanuit die honger en dorst naar gerechtigheid, in de opdracht om zichtbare barmhartige en zuivere vredesstichters te zijn.

Niet alleen wij hebben immers goede werken nodig, ook de wereld zit dringend op God, en daarmee op ons te wachten. De wereld wacht er op dat dat licht van God in de duisternis gebracht wordt.

Wij móeten geven wat anderen nódig hebben.

Wat geldt voor het licht – de zichtbare gerichtheid op anderen – geldt ook voor het zout. Zout is niet alleen smaakmaker maar was ook het middel waarmee bederf voorkomen werd.

Als wij ons geloof handen en voeten geven maken wij ons geloof sterker. Een uitsluitend innerlijk geloof verdort en verduistert, wordt onderhevig aan bederf. Dan wordt het zout smakeloos en dient het nergens meer toe.

Barmhartigheid, zuiverheid van hart en het stichten van vrede – als consequente houding – beschermt ons tegen het bederf van egoïsme, afgunst, haat. De strijd tegen bederf gaat elke dag door. We zijn er niet in één keer klaar mee.

Wij hebben als christenen opdrachten naar onszelf, naar God en naar onze medemens. We kunnen geen enkel punt van die drie-hoek exclusieve rechten geven. Als we zeggen: Het geloof is uiteindelijk, fundamenteel iets dat goed is voor mij , dan veranderen we Jezus in een soort psychotherapeut. Als we zeggen: Ik en God en verder niks, dan maken we ons blind voor het feit dat God welbedoeld in deze tijd en op deze plaats gebracht heeft. Tenslotte, als we alleen maar zeggen: wij en de wereld zijn belangrijk, enkel onze activiteit is belangrijk, dan verwereldlijken we, dan verrafelt onze band met God – zonder wie wij uiteindelijk geen goed kunnen doen.

Wij horen – als kerk – er voor de wereld te zijn, steunend op Gods belofte dat alles wat wij doen in Zijn Naam zin en betekenis heeft: want het wordt door Hem gedragen. 

Amen.

Saturday, 1 February 2020

Het Onbekende Land



Toen de tijd aanbrak waarop Maria en het kind volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem om Hem aan de Heer op te dragen, volgens het voorschrift van de Wet des Heren: elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, en om volgens de bepalingen van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven. 

Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon, een wetgetrouw en vroom man, die Israëls vertroosting verwachtte, en de heilige Geest rustte op hem. Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest, dat de dood hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd. 
Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen. Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen, nam Simeon het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de woorden: “Uw dienaar laat Gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd, dat Gij voor alle volken hebt bereid; een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.” Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd. Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit en hij zei tot Maria, zijn moeder: “Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden, en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.” 
Er was ook een profetes, Hanna, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser. Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd. Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar. Ze verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed. Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God en sprak over het kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten. 
Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden, keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug. Het kind groeide op en nam toe in krachten; het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem.
 

Broeders en zusters,

Als we aan iets nieuws beginnen maken we vaak ruimte voor onszelf en voor God om zegen te vragen voor deze nieuwe fase van ons leven. Het maakt niet echt uit of het gaat om een groot of klein begin. Elk nieuw begin biedt ons een opening voor hoop, verwachting maar ook onzekerheid. 

We maken goede voornemens aan het begin van het jaar, we vragen om zegen bij een huwelijk of de doop van een kind, maar ook als mensen, ondernemingen, of zelfs hele landen een nieuwe weg inslaan is dat een plechtig moment waar verleden en toekomst elkaar raken. Een moment waarin we ook onze kleinheid als mens kunnen voelen. Wij slaan een pad in, maar kunnen het succes van onze ambities niet zelf garanderen.  

De toekomst is per definitie een onbekend land, oncontroleerbaar gebied – een rijk waar onze verwachtingen bewaarheid kunnen worden, maar ook een gebied waarvan dreiging uitgaat. Er kan van alles gebeuren, en het enige dat we zeker weten is dat het leven niet meer zal zijn zoals het was. En soms is het zelfs van tweeën één: de toekomst waar de één zo naar uitkijkt is soms ook de toekomst waar de ander zo tegenop ziet. 

Op sociale media en in de kranten vinden we een overvloed aan kristallen-bol-kijkers en tapkastprofeten die ons allemaal gaan uitleggen hoe het mis kan gaan of hoe de gouden bergen nét om de hoek liggen, praktisch voor de pak. 

Maar ik zal u een geheimpje verklappen: het is onmogelijk om de toekomst te voorspellen. Onze verwachtingen kunnen meer of minder realistisch zijn, maar echte voorspellingen zijn uiterst zeldzaam.

Als we het verhaal van vandaag lezen, over Maria en Jozef die naar de Tempel komen met het kind Jezus lijkt het alsof we toekomstvoorspellingen horen, maar er is toch echt iets anders aan de hand. 

Maria en Jozef ontmoeten in de Tempel twee bijzondere en geïnspireerde mensen. Simeon en Hanna – een man en een vrouw die vervuld zijn van levenservaring en betrokkenheid op het werk van God voor de mensen. 

Ze herkennen Jezus voor wie Hij is. De Herders hadden engelen nodig om het hen te vertellen, de Wijzen moesten met veel omwegen via een ster er achter komen wie de nieuwe koning zou zijn, maar Simeon en Hanna – levend in het hart van het joodse geloof, de Tempel – herkennen Hem.  

Ze voorspellen niet dat dit kind de Messias zal worden. Hij is het, en zij weten het. Niet omdat ze daar heel lang op gestudeerd hebben of omdat ze allerlei rapporten en prognoses opgesteld hebben, maar omdat ze de realiteit van God kennen, en weten hoe God in de wereld werkt. Hun afwegingen zijn niet van menselijke aard. Het zijn profeten.

Profeten zijn geen voorspellers, profeten zijn begaan met het hier en nu. Als ze spreken over de toekomst, is dat de toekomst zoals die zich nu ontvouwt in Gods werkelijkheid die hier is, en nu is. Een profeet zal zich niet uitspreken over wat de financiële markten gaan doen, of hoe lang keizer Augustus nog aan de macht blijft, of wie de voorverkiezingen in Iowa gaat winnen of hoe het Verenigd Koninkrijk er over tien jaar uit gaat zien. Dat is niet de taak van de profeet.  

Wat is dan wel de taak van de profeet? Om vanuit het hier en nu te spreken vanuit het perspectief van God. De profeet spreekt over de vreugde die God voelt nu het werk van de verlossing in werk is gezet en welke consequenties dat heeft.  

Ik noem drie consequenties bij name:

Ten eerste: Jezus Christus is de verlosser, niemand anders. We gaan niet worden bevrijd door keizers, hogepriesters, politici, of door referenda of samenwerkingsverdragen. Geen van die dingen brengt het heil. Ze zijn misschien nuttig, voor een tijdje, maar niet meer dan dat. Zij mogen niet object van onze verering worden.

Ten tweede: Jezus Christus openbaart zichzelf als God, maar hij openbaart ook onszelf aan onszelf. In de nabijheid van Christus vallen de maskers af. Als Simeon zegt: dit kind is bestemd tot val van velen dan betekent dat in de eerste plaats: er gaan nogal wat mensen flink op hun gezicht gaan. 

De toekomst van God is niet een soort Kokanje maar een plek waar we ook ten diepste geconfronteerd worden met wie wij werkelijk zijn, niet om ons te veroordelen, maar om de weg naar genezing en vergeving in te kunnen slaan.  

Ten derde: elke betrokkenheid op een ander brengt ook mee dat we diens vreugde maar ook verdriet delen. Als we in gemeenschap zijn met Jezus Christus zullen we vreugde en verdriet voelen. Maria als eerste, want zij als Koningin van de Kerk de eerste gelovige. Niemand is meer betrokken op Christus dan zij. En door Christus zijn wij verbonden met de hele mensheid.

Zoals Maria zowel de vreugde als het verdriet van Jezus deelt, zo mogen wij ons bewust zijn van de vreugde en het verdriet van anderen. Bij alles wat ze doen. We delen hun vreugde als een nieuw begin zich voor hen opent, we delen hun verdriet als grote ambities voor de toekomst stuklopen.

Jezus Christus wil ons bevrijden van extreme angst of overdreven verwachtingen voor de toekomst. Er is geen anoniem allesvermorzelend lot waar mensen aan onderworpen zijn, en er ligt ook geen Utopie om de hoek als we maar op de juiste politicus of de juiste optie in een referendum stemmen.

Één ding zal er echter altijd zijn, elke dag opnieuw liggen er nieuwe wegen naar de toekomst voor ons klaar. Elke dag opnieuw mogen we zinvolle keuzes maken - ongeacht hoe ze uitwerken. Elke dag opnieuw mogen we kiezen hoe we in het leven willen staan. Elke dag opnieuw kunnen we ons verenigen met de Heer die ons wil brengen naar zijn toekomst, zijn Koninkrijk.

Amen