Sinds december verschijnen verhalen in de media dat priesters bij gelegenheid (levende) zwangere vrouwen opensneden om de vrucht te dopen. Trouw, EO en de Groene Amsterdammer hebben deze aantijgingen zonder enige vorm van kritische toetsing overgenomen.
Ik heb eerder iets geschreven over de aantijgingen die Trouw overnam, en waarom deze niet op werkelijkheid kunnen berusten.
Inmiddels blijven de aantijgingen maar worden herhaald, nu weer door de Groene Amsterdammer, waardoor een verdere repliek nodig is. Gezien de complexiteit zal dit enige tijd vergen en uitgespreid worden over meerdere blogs. Het is makkelijk om iets te zeggen, maar inhoudelijk spreken is een stuk uitdagender, zeker als je dat met enige integriteit wil doen.
De aantijgingen zijn ontleend aan het boek 'Ei, Foetus, Baby' van voormalig hoogleraar Trudy Dehue. Ondanks dat het boek stelt dat het aan 'wetenschapsgeschiedenis' doet, maakt het deze claim in werkelijkheid niet waar.
Omdat ik me eerder zijdelings heb beziggehouden met het - vrij zeldzame - fenomeen van de postume keizersnede door priesters zal ik over dát specifieke onderwerpen e.e.a schrijven. Priesters verrichtten geen operaties op levende vrouwen. Het was priesters in het toenmalige kerkrecht zelfs ten strengste verboden om chirurgische handelingen uit te voeren. Uitzonderingen zijn op één hand te tellen. De poging om een ongeboren kind te redden, en zo mogelijk te dopen als de zwangere vrouw was overleden, was echter een ándere kwestie omdat het hier niet meer om een ingreep om een levend persoon ging.
(de theologische vooronderstellingen die hier onder liggen zijn relatief complex en staan ver van ons af, daarom zal dat onderwerp zijn voor een vervolgstuk)
Ik heb in de afgelopen maanden archiefstukken en aantekeningen verzameld voor een inhoudelijkere studie naar het fenomeen van de postume keizersnede. Onder andere was ik benieuwd naar de mogelijkheid om vast te stellen hoe vaak dit in Nederland voor kwam. Het is mijn vermoeden dat het vrij zeldzaam was, ik heb een dozijn gevallen in Nederland geïdentificeerd, tussen 1815 en 1871.
Dat wil niet zeggen dat er ook precies een dozijn gevallen wáren. Van meerdere aantijgingen tegen priesters weten we dat ze vals waren (zoals we later zullen zien in de "zaak Schinveld" waar mevrouw Dehue ettelijke bladzijden aan besteed.) aan de andere kant ging het per definitie om een discrete zaken die wel vaak documentair werden vastgelegd (bijvoorbeeld in correspondentie met kerkelijke overheden of pastoriejournaals) maar die niet even makkelijk te vinden of te doorzoeken zijn. Wie niet wéét waar hij of zij naar op zoek is en geen Latijn kan lezen verdwaalt onherroepelijk in de papierstapels. Verder zouden archiefbronnen als de (geneeskundige) Provinciale Commissies van Toezicht, ihb de rapporten van de vroedmeesters inzicht kunnen bieden. Ook de archieven het voormalige Departement voor RK Eredienst omvatten enig materiaal. Ik denk echter niet dat we aan honderden gevallen gaan komen. Waarom niet, zal ik later op terugkomen. Ik vind het oordeel dat het om een zeldzame praktijk ging voorlopig goed te rechtvaardigen, ik zal later uitleggen waarom.
Mede door een recente groei aan verantwoordelijkheden zie ik echter weinig ruimte om de komende tijd nog veel archiefonderzoek te doen. Mocht het er nog van komen zal dat niet in de komende jaren zijn. Dat is jammer want ik heb in een aantal archiefbronnen een goudader aan materiaal gevonden. de komende blogs zijn gebaseerd op dát specifieke materiaal.
De aantekeningen die ik heb zijn in ieder geval voldoende om eenduidig aan te tonen dat de aantijgingen van Dehue, zeker waar het een aantal voor haar prominente voorbeelden betreft, berusten op een fundamenteel onbegrip van de bronnen, een ernstige misrepresentatie van de theologische literatuur, en een haast volledig ontbreken van archiefonderzoek. De aantijgingen in Ei, wijzen op een extreme vooringenomenheid die geen kritische benadering toelaat.
De problemen met het werk van Dehue zijn niet incidenteel, maar fundamenteel. De intellectuele vooronderstellingen van deze studie maken al dat zij haar narratief immuniseert tegen elke vorm van kritische feedback.
Het probleem begint al op de eerste pagina's van haar boek. Feiten, zo beweert zij, zijn maaksels (Dehue 2023, 9-11). Zij maakt hier gebruik van een vorm van constructivisme die diepzinnig lijkt, maar het niet is.
Er is natuurlijk een zekere zin waarin we kunnen zeggen dat feiten - samengebalde propositionele uitspraken over de werkelijkheid - maaksels zijn. Er is geen feit zonder een taal waarin we deze uitdrukken. Er is geen historisch feit zonder een geschiedkundige praxis. Een dergelijke praxis, of de conclusies daaruit kunnen en moeten worden bevraagd. Alleen al daarom kunnen we nooit zeggen dat de geschiedwetenschap ooit "klaar" is. De geschiedwetenschap, net als andere humaniora, maken deel uit van de eindeloze dialoog die mensen met elkaar voeren.
Er kunnen nieuwe bronnen naar boven komen, de manier waarop we naar bronnen kijken kan veranderen. We hebben meer technische of statistische technieken om informatie te kunnen duiden en zo enigszins tastend iets zinnigs te zeggen over het verleden.
Het omgekeerde kan ook gebeuren: tijdvakken raken in vergetelheid. Kennis van het Latijn verdwijnt. Paleografische en archiefvaardigheden verdwijnen ten gunste van hap-slik-wegschrijverij en waar ooit kritische distantie mogelijk was, heerst nu onbegrip. De beschaving marcheert niet altijd voorwaarts.
Zonder kennis van het kerkelijke leven in de 19e eeuw, een idee wat moraaltheologische teksten zijn en doen, of kennis van kerk-staat verhoudingen, of religieuze vrees in Nederland, is het vrijwel onmogelijk om iets zinnigs te zeggen over dit marginale - maar interessante - fenomeen als de postume keizersnede.
Een antirealistische epistemologie is ook zo`n dergelijke - negatieve - factor. Het is gevaarlijk om de empirische onderlaag, de bronnen voor de geschiedschrijving te gaan verdisconteren. Toch is dit makkelijk om te doen.
Bronnen zijn immers altijd gefragmenteerd, episodisch, opgesteld door mensen met bepaalde doeleinden. Archiefonderzoek is frustrerend. Je vindt zelden wat je hoopt. Doorgaans vind je iets anders. Soms stuit je op een prachtige, onvermoede bron en gaan stemmen klinken die eeuwen niet gesproken hebben. Vaker dan niet trap je tegen een stomme steen. Veel stemmen uit het verleden zijn overgeslagen, en veel geschiedenis zal nooit worden achterhaald. Het is dan makkelijk om te zeggen dat je wat minder boodschap hebt aan de empirie, en in tegenstelling daarvan het narratief - vanuit een werkelijk of vermeend standpunt.
In plaats van de frustrerende en onbevredigende zoektocht naar wat er werkelijk gebeurd zou kunnen zijn, probeer je een sluitend verhaal te construeren - het liefst een met slachtoffers en daders die een duidelijke rol hebben. Omdat de mens zichzelf in narratieve termen begrijpt (Zie o.a. Macintyre, After Virtue ) gaat er een grote verleiding van het verhalende uit. Zonder duidelijke binding aan de werkelijkheid, en de mogelijkheid om deze te blijven toetsen wordt een narratief al gauw een dwingend, totaliserend en - uiteindelijk - totalitair verhaal. Zoals de taal ons denken beheksen kan, zo geldt dit nog meer voor krachtige, besmettelijke verhalen.
Mw. Dehue sluit een dergelijke kritische toetsing van haar eigen narratief uit. Als feiten slechts maaksels zijn, slechts uitingen van machtsrelaties hebben ze geen eigenstandige kritische macht. We zien in haar boek dan ook het lange spoor van de vulgarisering van bv het denken van Foucault. Helaas is mw. Dehue zèlf geen Foucault. Dan had zij misschien ook begrepen dat zij misschien op dit moment de macht is die momenteel het discours bepaalt en - letterlijk - feiten maakt waar ze niet te vinden zijn.
Op pagina 11 zien we al een zin waarin we de bordkartonnen fundamenten van Ei ... zien worden opgetrokken.
Wetenschap, schrijft zij, zet de realiteit vooral naar menselijke hand (...) het woord 'feit' stamt ook af van het Latijnse 'facere' dat 'maken' en 'handelen', wat het idee op zich al samenvat. (Ei, 11)
In de wijsbegeerte noemen we dit een etymologische drogreden: de gedachte dat de oorsprong van een gegeven woord ons iets vertelt over de huidige betekenis. Dat is geenszins het geval. Het Latijnse woord factum vat namelijk helemaal geen idee samen dat mw. Dehue wel of niet zou hebben. Ons begrip van 'feitelijkheid' is door en door modern en het huidige woord 'feit' werd pas via een lange omweg in de tweede helft van de negentiende eeuw voor het eerst gebruikt in de betekenis die het nu heeft. (Het EWN houdt het op 1866)
Dit is het begin van een patroon dat we door het hele boek heen zullen zien. Bij ontstentenis van kritisch vermogen gaat de auteur vrij associëren, irrelevantia er bij halen en zelfs dingen verzinnen, alles om het aantrekkelijke, spectaculaire, verhaal maar sluitend te krijgen.
Zoals gezegd, er is een volwassen, wijsgerige manier om het over de constructie van kennis te hebben. Daar is hier geen sprake van. Vulgair-constructivisme kan echter ook een manier zijn om jezelf een geestelijke vrijbrief te geven om te pseudologiseren, en zo de werkelijkheid uit te wissen. Dat laatste vinden we terug in het werk van Dehue.
Ik zal in komende stukken één specifieke casus die zij aanhaalt ontwarren, op grond van archiefonderzoek dat zij zelf heeft nagelaten te doen. De archiefbronnen suggereren dat er een geheel ander verhaal is, dat éérder op zekere bodem staat. Ironisch genoeg is dat juist een verhaal over machtige mensen die de werkelijkheid zélf naar eigen hand willen zetten. Die poging mislukt.
Het zal in de komende blogs duidelijk worden hoe feit en fabel structureel in haar teksten structureel in elkaar over lopen, en ze daardoor het werkelijkere - en spannender verhaal dat onder de bronnen ligt - niet herkent.
Wordt vervolgd.