Thursday, 5 March 2026

De Grenzen van elke Theologisch Systeem (Dehue, III)

 

Dit is het derde deel van een inhoudelijkere repliek op het boek van Trudy Dehue Ei Foetus Baby 

Deel één is hier te vinden. 

Deel twee hier. 

Wanneer we het hebben over bijzondere, en zeldzame fenomenen als de post-mortem keizersnede met het oog op het dopen van het ongeboren kind, is dat fenomeen niet los te zien van twee intellectuele fenomenen uit de Moderniteit: de opkomst van het rationalisme en het humanisme. Hoewel we vaak denken dat de Moderniteit ons het rijk van de vrijheid en het verstand bracht, tegen de duisternis van de Middeleeuwen in, is dit een naïeve kijk op de zaak.

Waar de bonte stoet van middeleeuwse denkers weinig problemen had met eclectisch denken, en de ongekende felheid van de heilsleer van Augustinus – die de verkiezende soevereiniteit van God áls de centraliteit van het doopsacrament – zó uitvergrootte dat er voor ongedoopte kinderen geen sprank hoop was te modereren – verdween werd de theologie als geheel een stuk strenger door twee fenomenen:

1: De humanistische tendens tot ressourcement, dat wil zeggen een terugkeer tot de theologische bronnen, voor de westerse kerk leidde dit tot een nieuwe receptie van de Augustijnse heilsleer. Voor de westerse kerk was de heilsleer immers de centrale theologische vraag waar de kerk mee staat of valt, zoals dat voor de oosterse kerk bijvoorbeeld de rol van de geloofsbelijdenis in de kerk – of de beeldenverering dat was. Het ene is niet per se beter of slechter. De Orthodoxe kerken lijken ontspannener om te gaan met de heilsvraag – maar zij stellen andere zaken even centraal. Je kiest niet voor iets beters, je kiest voor andere blokkades.

2: de rationalistische neiging om tot systeembouw over te gaan. Als we rationeel over God kunnen spreken moeten theologische uitspraken in een helder systeeem samen te vatten zijn – dat is de centrale gedachte voor de mens uit de Moderniteit (16e tm 19e eeuw, ruwweg)

Voor ons is dit echter een paradoxaal gegeven. Wij vinden het vanzelfsprekend dat we over alles rationeel kunnen spreken maar verwerpen “dwingende” systemen. Het systeem dat wij dwingend vinden is ook het systeem dat voortkomt vanuit de overtuiging dat we rationeel over God kunnen spreken. Veel theologische aspecten die wij achterlijk denken zijn in feite modern: het idee dat de Bijbel als feitenrelaas gelezen moet worden, waar je uit zou kunnen afleiden dat de Aarde 6000 jaar oud is bijvoorbeeld. Of dat je een definitieve “harmonie” kan opstellen waarmee je alle “tegenspraken” uit de Bijbel oplost. Uiteindelijk zijn dit doodlopende wegen, en er zijn geen serieuze theologen meer die dit doen – maar dergelijke pogingen om het geloof begrijpelijk te maken horen wel thuis in de intellectuele context van de Moderniteit.

Zo werd ook de heilsleer aan vele pogingen onderworpen om maar een sluitend geheel te krijgen. Elk sluitend systeem krijgt echter ook zijn aporie: een problematische uitkomst waar geen oplossing voor bestaat, een (neven)conclusie die in tegenspraak is met één of meerdere premissen.

Systeem en Aporie 

Als je een sluitend systeem probeert te ontwerpen dat de volgende premissen allemaal moet redden, namelijk:

A: God wil het heil van alle mensen

B God is rechtvaardig

C: Wat God doet is conceptueel begrijpelijk / redelijk benaderbaar

D: Gods heil is een geschenk, en geen loon naar werken.

E: God is souverein, hij is ons niets verschuldigd. (Augustijnse heilsleer)

F: God bemiddelt het heil uitsluitend door middel van de sacramenten

Loopt je theologische machine onherroepelijk vast, zoals elke theoloog tot nu toe zijn tanden hierop stukbeet.

Het lot van ongedoopte kinderen werd zo`n aporie. Welke “oplossing” je ook kiest, je offert hoe dan ook een theologisch fundamentele premisse op.

Waar het Calvinisme A opoffert, en Jansenisten als Pierre Nicole C loslaten (de goedheid van God volgens hen onbegrijpelijk, God is ons volkomen vreemd), kiest de Kerk er sinds de twintigste eeuw voor om minstens F ernstig te relativeren. Dat zijn keuzes.

Alle bovenstaande premissen zijn individueel gezien waar. Maar giet ze in een “sluitend systeem” en je komt altijd uit op aporieën. Wat dat betreft is het niet zo vreemd dat de wat lugubere fenomenen die Dehue beschrijft vooral thuishoren in het tijdvak tussen de zeventiende en negentiende eeuw: het hoogtepunt van de zucht naar theologische systeembouw, harmonisatie en sluitendheid.

We kunnen het bovenstaande echter ook niet omdraaien en zeggen: we halen een premisse weg, we geven wat prijs: en dan ontlopen we per definitie een moreel probleem. Je krijgt er namelijk altijd een ander probleem en soms ander lijden voor terug. En het is nog maar de vraag of het lijden dat je daarmee aanvaardbaar maakt een wezenlijke verbetering oplevert. De ene aporie wordt afgelost door de ander. Ook de keuze om F te relativeren zorgt voor wezenlijke theologische problemen.

Die zijn echter van later zorg en vallen buiten deze overweging.

Het belangrijkste: je kan theologisch niet van twee walletjes eten. Wie het ene prijsgeeft, betaalt de prijs van het andere.

Een voorbeeld: de katholieke doopleer stelt o.a. de zekerheid van het heil van gedoopte, jonge kinderen centraal. Gedoopte jonge kinderen gaan zeker naar de hemel. Hiermee werd – jammerlijk – uitgesloten dat ongedoopte kinderen tot de zaligheid konden komen, niettegenstaande een aantal theologische geitenpaadjes die tot de twintigste eeuw niet verder kwamen dan individuele theologische opinies zonder veel kerkelijk gezag1. Zekerheid voor het een was in dat systeem ook zekerheid van het ander. Een verdrietige opvatting. 

Dan is het verleidelijk om te denken dat je die theologische structuur zo maar kan wegnemen: als we zoals de protestanten de heilzekerheid losmaken van het sacrament van het doopsel, dan vermijden we misschien enig kwaad – zoals mw. Dehue dat beschreven heeft. Zij beschrijft de opvattingen van de calvinisten in positieve zin, maar mist natuurlijk het feit dat hun bezwaren in de eerste plaats theologisch zijn. Dat heeft consequenties. 

Als overtuiging X leidt tot leedwezen Y, dan is het wegnemen van X de oplossing voor, specifiek, Y. Dat wil echter niet zeggen dat je er niet weer andere problemen voor terug krijgt. Dat ziet Dehue niet. De prijs die je betaalt voor het loslaten van bv. de sacramentele heilszekerheid voor kinderen is dat je daarmee de heilsonzekerheid aanvaardt. Dit is wat de Calvinisten doen. De pijn van ouders die hun ongeboren – en ongedoopte – kind verliezen wordt niet weggenomen door de boodschap dat het doopsel hoe dan ook geen zekerheid zou hebben gebracht.

De katholieke kerk heeft met de leer van sacramentele heilszekerheid van jonge kinderen ook een vrijheid die de contemporaine Calvinisten niet hadden. Katholieke ouders wisten zeker dat hun gedoopte kind in de hemel was, waar orthodox gereformeerden maar moesten hopen dat Gods onnavolgbare raadsbesluit niet aan hun deur voorbij was gegaan.

Nu geloof ik er niet in dat je twee leedwezens zomaar met elkaar kan vergelijken, ik ben geen utilist. Desondanks kun je niet denken dat je het eventuele leed, veroorzaakt door de centraliteit van de zekerheid in de katholieke doopleer (nadruk op premissen C en F) wegneemt met de calvinistische nadruk op premissen D en E. Lijden x kun je wegnemen, maar je zal er mee moeten leven dat je er y voor terugkrijgt.

Omdat Dehue niet in staat is om theologische argumenten serieus te nemen ziet ze dus ook niet dat ze met haar lezing – en verwerping van de katholieke theologie van het doopsel – in een valse dichotomie stapt. Het is niet goed genoeg om te zeggen: "de theologische opvatting “A” heeft een nefaste uitwerking op deze specifieke kwestie en “niet-A” is daarmee als vanzelf verkieslijker".

 De onuitgesproken aanname dat elk kwaad verdwijnt als je één aanname schrapt gaat namelijk voorbij aan de onderliggende veelheid van aannames, die allemaal weer vertakt zijn met de wijdere structuur van de christelijke theologie. Wie een steen uit de muur haalt kan zomaar onverwachts een dakpan op zijn hoofd krijgen. 

Wie bijvoorbeeld C schrapt, kan niet meer in redelijkheid over God spreken, of zelfs maar de theologie bekritiseren. Wie A of B schrapt, legt een bom onder Gods goedheid. Als we D en diens verscherping E verwerpen dan God is overbodig, of erger nog: een soort Sinterklaas die iets doet omdat jij wat op je lijstje hebt gezet. F bevraagt wezenlijk de ecclesiologie, de waarheid dat God zich tot jou richt als lid van zijn volk, en niet als een soort gnostisch, individueel wezen dat is losgemaakt van alle natuurlijke en menselijke banden.

Context en pastoraat 

Zolang men in deze intellectuele knoop zat is het echter niet ondenkbaar dat men alles op alles zette om ongeboren kinderen van overleden moeders alsnog te dopen. Dat deze praktijk het meest uitvoerig werd beschreven – en aangeprezen – in de tweede helft van de achttiende eeuw is ook niet uitzonderlijk te noemen. Zoals ik eerder geschreven heb was het niet de bedoeling dat de priester zelf het mes ter hand nam. Dit was enkel denkbaar als er niemand bij de hand was. Gevallen hiervan zijn zeldzaam omdat ze alleen konden voorkomen onder hele specifieke situaties, zoals we zullen zien wanneer we komen te spreken over het enige duidelijke cluster van postmortem keizersneden die door een priester zijn uitgevoerd in Nederland. Een zaak die Dehue – ondanks dat zij pretendeert onderzoek te hebben gedaan – totaal onbekend, terwijl de archiefstukken open en bloot beschikbaar waren bij het NA en al eerder onderwerp van onderzoek zijn geweest. In totaal hebben we het tussen 1815-1871 over 10 à 12 gedocumenteerde gevallen in Nederland. Overwegend in Zeeuws-Vlaanderen. Hier zijn historische gronden voor waar ik later op terugkom.

Hoe dan ook spreken we over een historisch fenomeen. Ik ken geen voorbeelden van een priesterlijke keizersnede in Nederland van na 1871. Dat is niet zo vreemd omdat de specifieke situaties die dergelijk handelen 'nodig' dan wel wenselijk maakten (van zowel juridische, medische als politieke aard) na de jaren '50 en '60 verdwenen. De praktijk dat de priester in het uiterste geval de ingreep uitvoert is kerkelijk verboden in 1901. Vanaf dit moment was het enkel en alleen aan medisch opgeleid personeel. Om één of andere reden is het Mw. Dehue niet gelukt om het document (waar zij wel naar refereert) correct te vertalen. Ook de Franse vertaling van dit document heeft zij jammerlijk gemist. 

Zo zie je maar weer dat een gedegen vorming in oude en moderne talen niet onbelangrijk is.

Resumerend: was de postmortem keizersnede een goede zaak? Die vraag vooronderstelt meerdere onduidelijke aannames. Zo maakt het niet duidelijk welke norm we aannemen. Onze eigen morele oordelen bestaan immers ook niet in een vacuüm. Ik ben blij dat er voortschrijdend inzicht is, en we de geestelijke vrijheid hebben om te zeggen: God wil het heil van alle mensen en we gaan het heil niet nog proberen met een dwingende fysieke ingreep alsnog plaats te laten vinden. Was het in de tijd en de historische context gerechtvaardigd ? (een ander begrip!). Ik vermoed van wel. Ook omdat er goede aanwijzingen zijn dat de priester die in uitzonderlijke gevallen zo optrad hierin ook pastoraal werkte. We moeten niet zomaar aannemen dat het geweten van pastoranten per definitie geweld is aangedaan. Je kan je eigen morele standpunt niet terugprojecteren op de geestelijke behoeften en verlangens van landelijke parochianen uit de jaren dertig of vijftig van de negentiende eeuw. 

De dogmatische ontwikkeling.

Ten slotte een theologische conclusie: Nu we terugkijken kunnen we zeggen dat de Augustijnse leer over de massa damnata ook tot abjecte conclusies heeft geleid. Daarom heeft de kerk uiteindelijk ook andere stappen gezet. En om eerlijk te zijn: deze stappen zijn theologisch radicaler geweest dan je op het seminarie zou leren. Hoewel recensenten nog een beetje tegenstribbelden jegens Kolakowski's conclusie (in God Owes Us Nothing ) dat de Katholiek Kerk vanaf de achttiende eeuw feitelijk breekt met meerdere fundamentele aspecten van de traditionele Augustijnse heilsleer zit hier wel een stevige kern van waarheid in. Misschien moeten we ook anders denken over het semper eadem dat de kerk uitspreekt. De continuïteit is er één van geloof, niet per sé altijd één van theologie.

De dogmatische ontwikkeling van de kerk is geen rustige, vriendelijke, groei zoals een boom zich langzaam verheft uit een eikeltje. Misschien is eerder een vergelijking eerder te maken met het evolutionaire concept van het “gepunctueerd equilibrium”: lange perioden van stilstand worden gevolgd door snelle, radicale veranderingen. Zowel de achttiende als de twintigste eeuw kent hier voorbeelden van een dergelijke “Copernicaanse omwenteling”. De zon komt 's ochtends nog steeds op, maar onze kijk op de relatie tussen zon en aarde is omgedraaid.

Dan kun je je beklagen dat verandering te lang duurt. Dat is niet moeilijk om te doen. Lange perioden van stasis horen echter tot de aard der dingen. Het is natuurlijk makkelijk om in 2026 te zeggen dat men het in 1726 allemaal verkeerd zag. Dat is alleen geen goede historische kijk op de zaak. Liever moeten we proberen te achterhalen hoe gedachten, overtuigingen, ideeën en praktijken in 1726 werden beleefd en toegepast, in plaats van ons over te geven aan gemakzuchtige en zelfingenomen demonologie, waarin wij zélf de engelen van licht zijn, en onze voorgangers baarlijke duivels.

Over tweehonderd jaar kan er namelijk wel eens heel anders over ons gedacht worden.





1Bijvoorbeeld bij Cajetanus, die een variant maakte op het argument van het “doopsel van begeerte”, waarin de hoop werd uitgesproken dat de begeerte van de moeder voor het heil van het kind mogelijk werkzaam zou kunnen zijn.