Saturday, 10 December 2016

Homilie voor de Derde Zondag van de Advent: Zondag Gaudete



Broeders en zusters in Christus

De afgelopen weken is u vast opgevallen dat de lezingen van de eerste twee zondagen van de advent nogal pittig zijn. Het zijn oordeelsteksten: bedoeld om de luisteraar er van te overtuigen dat hij zijn leven moet beteren.
Er is een goede reden waarom die lezingen gekozen werden. Vroeger waren er twee vastenperioden, niet één. De vastentijd voor Pasen was het langst, en het bekendst en is ook nu nog steeds dé vastentijd. Maar er werd ook gevast in de Advent, de tijd voor Kerst. De oosterse christenen doen dit nog steeds. 

Dat de Advent een vastentijd is, is ook te zien in de kleur van de gewaden: die is normaal paars, maar twee keer per jaar kun je ook roze dragen – een kleur van vreugde. En dat is zowel zo in de vastentijd, als in de Advent: één zondag in de Vasten en één zondag in de Advent. Dat zijn de zondagen waarop de vasten verlicht werd, en er meer uitzicht kwam op het paasfeest, of op het Kerstfeest.

Zo ziet u maar, hoe de dingen er uit zien, dat maakt uit. Dat zegt ons iets over wat datgene ten diepste betekent. Het zijn niet zomaar uiterlijkheden, maar het drukt een waarheid uit over wat we geloven. Het is er niet zomaar. Het doet er toe.

Dat lijkt heel abstract, maar als we bijvoorbeeld denken aan de kleding van, bijvoorbeeld, een rechter in de rechtbank. Een rechter die rechtspreekt over een verdachte, of uitspraak moet doen in een geschil. Die kleedt zich op een heel eigen manier. In een zwart gewaad, zo neutraal mogelijk. Die kleding drukt uit wat een rechter moet zijn: onbevooroordeeld jegens de verdachte, onpartijdig tegenover de mensen die tegen elkaar procederen. Als het goed is, is dat niet alleen maar uiterlijke schijn! Wat een rechter draagt is een belofte die hij moet waarmaken. 

Een verpleegster draagt een uniform, en dat betekent ook wat: dat betekent dat je haar kan vertrouwen, dat ze wil dat je de juiste zorg krijgt, en je lijden zoveel mogelijk verlicht wordt. Een goede verpleegster draagt dat uniform niet voor niets, het uniform dat zij draagt is een belofte die zij mag waarmaken. 

Ook in het Evangelie vandaag gaat het over uiterlijkheden, en welke er wel toe doen, en welke niet:  

'Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen?” Vraagt de Heer aan de menigte om hem heen. “Waar zijt gij dan wel naar gaan zien?” “Naar iemand in verfijnde kleding? Die verfijnde kleding dragen zijn te vinden in de paleizen der koningen.”

De Heer spreekt hier over Johannes de Doper. En u weet natuurlijk: die droeg geen verfijnde kleding. Integendeel. Hij droeg de eenvoudigste kleding die er was. Een gewaad van kamelenhaar. Voor de luisteraars van die tijd was daarmee precies duidelijk wat hij bedoelde. Want in het Oude Testament, als het over de profeet Elia gaat, dan staat daar geschreven dat Elia ook zo`n soort gewaad droeg. En Elia was de grootste van de profeten. Dat Johannes zich als Elia  kleedde en zich als Elia gedroeg betekent dan ook: hij plaatst zich in die traditie, hij mag die waar gaan maken.
Ook voor Johannes geldt dat hoe hij zich kleedt en wat hij eet een teken is van wie hij is, en wat hij doet.

En juist profeten proberen iets anders dan zichzelf zichtbaar te maken. Een profeet verkondigt – als het goed is – nooit zichzelf. Hoe hij er uit ziet, wat hij doet, en de woorden die hij spreekt wijzen naar iemand anders. Die wijzen naar God. Die wijzen naar Jezus Christus.

Ook wij mogen op onze manier proberen iets van God zichtbaar te maken. Ook wij zijn geroepen om op de manier waarop wij ons gedragen iets zichtbaar maken van wie wij ten diepste zien. Wij hebben in de christelijke kerk geen apart uniform dat we moeten dragen, we kennen geen kledingsvoorschriften – en als u gewoon in de Kerk zit hoeft u ook geen bijzondere kleding aan. Voor priesters, u ziet het, gelden andere regels, maar u bent daar als gelovige vrij van.
Maar hoe we ons presenteren en hoe we ons gedragen maakt wel uit. Het moet aansluiten op de diepste zin die we in dit leven gevonden hebben. Op de diepste waarheid die ten grondslag ligt aan dit leven, dat de onmetelijke, onpeilbare liefde van God alles in het universum verlicht.

Soms kunnen we dat licht niet duidelijk zien. Soms is het donker om ons heen. Maar het wordt nooit helemaal donker want mensen om ons heen kunnen wat van dat licht laten doorschijnen. Zij zijn dat licht niet, maar lichten de duisternis wel op, omdat ze iets van liefde en goedheid willen doorgeven aan een ander.

Ik las kort geleden een gedicht van de Vlaamse dichter Herman de Coninck. En dat deed me hier aan denken : Het gedicht heet Winter.

Winter

winter. je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.

En toch is ook de nacht niet
Uitzichtloos, zo lang er sneeuw ligt
Is het nooit volledig duister, nee,
Er is de klaarte van een soort geloof
Dat het nooit helemaal donker wordt.
Zo lang er sneeuw is, is er hoop.

U kunt het beeld misschien wel voor u zien. Een bos in de winter, in het duister van de nacht. En toch is het ook niet duister, is de sneeuw niet donker. Niet omdat het uit zichzelf licht geeft – want dat doet het niet – maar omdat het haast ongemerkt het licht doorgeeft wat het van elders ontvangt.

Er zijn veel mensen om ons heen voor wie het vandaag donker is. Mensen die eenzaam zijn, of in de problemen zitten, die geen antwoorden hebben op hun vragen. Vaak kunnen we die problemen waar ze mee zitten niet zomaar voor hen oplossen. Maar we kunnen wel iets van het licht doorgeven wat we van God ontvangen hebben. We kunnen in een donkere nacht met z`n allen een dik pak sneeuw zijn, dat licht weerkaatst, dat hoop brengt in de duisternis.

Ik weet niet of we een witte kerst gaan krijgen dit jaar. Dat hebben we niet in de hand. Maar we kunnen wel iets van die goedheid en liefde van God kunnen doorgeven, en daar hoeven we zelfs niet tot Kerst op te wachten. En als we ons zo gedragen, dan maken we een belofte waar. Dan zijn we als Johannes in een kamelenharen jas, of als een rechtvaardige rechter in een zwarte toga of een zorgzame verpleegster in het ziekenhuis. Dan maken we onze beloften waar, en geven wij aan anderen iets van het goede dat wij zelf om niet hebben ontvangen.

Amen.  

Saturday, 3 December 2016

Homilie Tweede Zondag van de Advent



Preek Tweede zondag van de Advent , jaar A

Broeders en zusters in Christus.

In het pastoraat ben je altijd met veel verschillende mensen in gesprek. En dan vallen je ook dingen op aan die mensen. Soms ook kleine dingen. En de laatste tijd valt me steeds meer op dat ik regelmatig mensen zie en spreek die een zegelring aan hun vinger hebben. Een zegelring met een familiewapen erop. In Heemstede zie je dat toch nèt íets vaker dan elders.  

Dat is natuurlijk iets moois, als je een wapen mag voeren, als je uit een familie komt die zoveel traditie heeft, zoveel geschiedenis. En dat je daar na zoveel eeuwen bij mag aansluiten. Daar mag je terecht waardering voor voelen, en ook wel een beetje trots op zijn. We krijgen allemaal een voorgeschiedenis mee in ons leven, en zo`n lange voorgeschiedenis gekenmerkt door ondernemingszin of publieke dienst door de generaties heen is een goede zaak. Dan levert de familiegeschiedenis ons goede voorbeelden die wij mogen navolgen.

Het kan ook anders gaan. Een vriend van mij komt uit een familie die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de verkeerde kant gestaan heeft. Zijn familieleden hadden prominente posities bij de NSB en meldden zich aan bij de SS om naar het Oostfront te gaan. Hij is van ver na de oorlog. Zelfs zijn ouders zijn van na de oorlog. Maar hij heeft mij verteld over hoe het verleden hem tot een last was.

Hoe hij zich besmet voelde door zijn familiegeschiedenis. Dat is het woord dat hij gebruikte: “besmet”. Als of de geschiedenis voor hem een onontkoombare chronische ziekte was, waar hij elke dag weer mee werd geconfronteerd.

We krijgen allemaal een voorgeschiedenis mee in ons leven, en een voorgeschiedenis die gekenmerkt is door een periode van duisternis, een tijd waarin mensen zich niet van hun beste kant lieten zien kan heel zwaar doorwegen, kan zelfs na twee generaties nog ondragelijk voelen. En dat is géén goede zaak.

Want onze voorgeschiedenis ligt achter ons. Het is onze achtergrond. Het kan de moeite waard zijn, of iets wat we het liefst vergeten. Het is er. Ontegenzeggelijk. Maar wij zijn niet onze geschiedenis.

Johannes de Doper brengt hier dus een boodschap van hoop. Hij spreekt die boodschap op een wat strenge manier, zoals de profeten uit het Oude Testament dat ook deden, maar daar moet u zich niet door laten afleiden. Wat Johannes de Doper beweegt is ten diepste liefde. Het is wel een beetje wat de Amerikanen noemen tough love. Harde liefde. Maar het is wel degelijk liefde.

Hij richt zich op de mensen die dachten dat zij geen werkelijke bekering nodig hadden. Mensen die zo trots waren op hun afkomst, dat ze kinderen van Abraham waren dat ze sowieso wel een goede relatie hadden met God. Dat hen niks kon gebeuren. Dan heb je dus al een denkfout gemaakt.

U kunt nakomeling van Abraham zijn, broeders en zusters , een zegelring dragen met … de Eik van Mamre er op misschien. Dat zou een mooi wapenschild zijn. Een eik met drie engelen er om heen! Ja. Dat kan. Maar daarmee ben je nog geen Abraham!

En als iemand van wie je houdt dingen gelooft die absoluut niet waar zijn, en die overtuiging schade brengt aan hun welzijn, of aan hun gezondheid, dan doe je je best om hen van dat waanbeeld af te helpen. Anders kunnen ze niet verder. Dan kunnen ze geen leven leiden dat recht doet aan hun roeping.

Dat is wat Johannes hier doet. Hij zegt eigenlijk niet meer dan: “Lieve mensen. Jullie zijn geen Abraham. Je moet je eigen keuze maken voor God, je kan niet bij God komen op grond van je achternaam. Als je dat wel denkt, dan loopt het slecht met je af. Want alles wat je doet, heeft ook consequenties. En als je blind bent voor de consequenties van het kwaad dat je gedaan hebt, dan ziet het er niet goed uit.

Het mooiste is: dat geldt omgekeerd ook. Ook als het verleden niet iets is om trots op te zijn. Ook als je zélf dingen hebt gedaan die niet door de beugel kunnen dan is dat voor God nog steeds niet het einde van het verhaal. Er is altijd een opening naar het licht toe. Geen enkel duister is zwart genoeg om dat licht buiten te houden: maar we moeten zèlf de luiken open doen. God gelooft zo diep in onze menselijke vrijheid, onze menselijke waardigheid, dat Hij ons die vrijheid geeft.

Niemand kan onze vrijheid, onze verantwoordelijkheid van ons afnemen. Niemand kan die luiken voor ons op slot doen. Dat is onze menselijke waardigheid, de diepste kern van onze menselijkheid. Dat elk mens de mogelijkheid heeft, en het recht om voor God te komen staan en op zijn of haar manier bij God thuis mag komen, een levende relatie mag hebben met Hem wiens naam Liefde is.

En als we onszelf dan laten planten aan dat water, ons wortel laten schieten in dat land, waar de Heer woont, dan gaan wij ook vruchten dragen. Onze eigen vruchten. Vruchten die glimmen in het warme ochtendlicht. Waar we van kunnen eten, en zeggen “proef en zie, dat de Heer goed is.”

Amen.





Friday, 25 November 2016

Homilie Eerste zondag van de Advent, jaar A

Broeders en zusters in Christus

We zijn begonnen aan de Advent. Aan een nieuw kerkelijk jaar. We staan op de startbaan om te vertrekken. Om de reis naar het nieuwe jaar aan te gaan.
Op reis zijn betekent: nieuwe kansen krijgen op nieuwe ontmoetingen. Nieuwe mogelijkheden om God te leren kennen in onszelf en onze naasten. Wij blijven nooit stilstaan. Wij zijn nooit af. We mogen altijd nog een stap verder gaan en nieuwsgierig zijn naar wat er deze keer weer achter de horizon van het nieuwe jaar ligt. 

Maar onze reis gaat wel ergens heen. Zo was het ook in de tijd van de Bijbel. De joden waren vaak op reis. Waar ter wereld ze ook woonden – en in de hele toen bekende wereld waren joodse gemeenschappen te vinden – iedere jood maakte graag de reis naar Jeruzalem om op bedevaart te gaan naar de Tempel van God. 

Daar kunnen we over lezen in de bedevaartspsalmen , zoals psalm 122:

“Hoe blij was ik toen men mij riep:
Wij trekken naar Gods huis!
En nu mag mijn voet, Jeruzalem
uw poorten binnentreden.
Naar u trekken de stammen op,
de stammen van God volk.”
 
De Tempel in Jeruzalem was het centrum van de wereld. De plaats waar God aanwezig was. De God van heel de wereld had dáár zijn thuis. Daar en nergens anders. En God is niet alleen maar de God van het Joodse volk. Hij is De Enige. Hij is de God van alles wat op Aarde leeft en bestaat. Alle dingen, alle dieren, alle landen, alle mensen horen bij Hem. 
 
Dan zie je ook bij Jesaja dat hij profeteert over de toekomst en zegt: alle volkeren gaan net als wij op reis naar die Tempel, naar de Berg Sion. Om de God te ontmoeten die ook hún vader is. En zo is het ook gegaan. Of: méér dan zo gegaan. Want God geeft zichzelf. 

De Tempel, hoe heilig ook, is uiteindelijk alleen maar stenen. God is veel groter dan de Tempel. Jezus Christus, waarin God zichzelf laat zien, is veel meer dan de Tempel. 

Jezus Christus spreekt over zichzelf als over de Tempel, in het evangelie van Johannes. “Breek deze Tempel af, en ik zal hem in drie dagen herbouwen”. Dat zei hij over zichzelf, over de Tempel van zijn lichaam. Als we op weg gaan naar Kerst, gaan we op weg, op bedevaart, naar díe Tempel, gaan we op bedevaart samen met alle mensen die ons voorgegaan zijn. 

Maar zoals dat gaat als je op reis gaat, je moet er wel altijd voor zorgen dat je reisgids bij de tijd is. Soms veranderen er adressen, of belangrijke tips. Of de wetgeving in het land waar u naartoe gaat veranderd, en dat moet u dan wel weten! 

Ook in onze reisgids van deze zondag, in uw boekje, is een belangrijke verandering opgetreden. U heeft er vast al van gehoord, van het nieuwe Onze Vader. 

U mag van het nieuwe Onze Vader vinden wat u wilt, als u het straks maar meebidt in de liturgie! Ik wil u dan ook vragen om straks na het Eucharistisch Gebed zorgvuldig mee te lezen in uw boekje. Dan gaan we met zijn allen gelijk op. 

De reis van vandaag, de reis van de Eucharistie, is namelijk een groepsreis. En zoals dat gaat met groepsreizen is het altijd jammer als een deel van de groep verdwaalt, en de anderen op hen moeten wachten. En de buschauffeur maar mopperen! Dus: samen uit, samen thuis, ook als we het Onze Vader bidden!  
En dan moeten we ook aandachtig zijn, even goed opletten, dan weten we welke wegen we moeten gaan

Ook het Evangelie van deze zondag roept ons op om aandachtig en alert te zijn. De komt van het nieuwe Onze Vader is aangekondigd, we hebben er over kunnen lezen en er is zelfs iets over op radio en televisie geweest. De definitieve terugkomst van de Heer, daar van weten we niet wanneer dat zal zijn.

De houding die we moeten aannemen wordt met verschillende woorden omschreven: wakker blijven, waken, waakzaam zijn. Maar misschien is het toch beter te spreken over aandachtig zijn. Want altijd wakker zijn, dat kunnen we niet. Maar aandachtig zijn wanneer we wakker zijn, dat ligt wel degelijk binnen onze mogelijkheden! Aandachtig zijn is een houding die iedereen gegeven is, die iedereen kan leren, waar je altijd wat beter in kan worden.

Als je aandachtig bent, dan ben je betrokken bij wat er om je heen gebeurt. Dan draait je leven niet op de automatische piloot. Dan is elke dag zwanger van mogelijkheden om nieuwe dingen te doen en te ontdekken. Dat betekent niet dat we elke dag andere dingen zullen doen, maar de houding waarmee we die dingen doen maakt ze fris en nieuw.  

Je dagelijkse werkzaamheden lijken dan nog steeds niet anders te zijn dan degene met wie je op het veld bent, of degene met wie je aan de molensteen staat, maar als het er op aankomt heb jíj iets gehoord en gezien waar de ander blind voor is. Iets waar je “weg van bent”.

Maar let op: aandachtig zijn is kost ook moeite. Al is het met alles zo dat het makkelijker wordt naar mate je het vaker doet slijt het in, en wordt het makkelijker.

Simone Weil, een Franse filosofe die veel heeft nagedacht over het christendom zei eens: “aandachtig zijn is de hoogste vorm van gulheid” , dat zegt ze omdat attent zijn, aandacht hebben voor iets of iemand wat buiten je ligt, een gave van jezelf is. Als er iemand voor mijn deur staat met een collectebus, dan pak ik natuurlijk mijn portemonnee, en ik geef wat kleingeld voor dat goede doel, voor het Rode Kruis of de Hartstichting, of het Wilhelminafonds, maar dat kleingeld – dat komt niet uit jezelf – dat is hooguit van jou – maar je geeft niks van je eigen ziel, van jezelf, weg.

Maar je aandacht, die komt uit jezelf voort, en die mag je met iedereen delen. Met de hele wereld, en met God. En zoals dat gaat: alles wat je weggeeft en deelt, krijg je veelvoudig terug.

Uiteindelijk mogen we ook uitkijken naar de tijd waarin we alle liefde en aandacht die we in dit leven hebben mogen geven terug zullen zien en we zullen die aandacht dan leren kennen voor wat het was, als de weerspiegeling van God’s onuitputtelijke liefde en aandacht die hij over ons heeft doen neerdalen.

Amen.