Saturday, 17 October 2026

Gildeviering Kloveniersgilde Etten 2026

Beste vrienden,

Een kort woordje bij deze gelegenheid waar u hier bent als Kloveniersgilde, een broederschap die zo nauw met ons dorp en met de kerk verbonden is. Al vele jaren, ver terug in de geschiedenis, maar ook sinds uw moderne ontwaken bent u verweven met de geloofsgemeenschap en met de samenleving als geheel.

Het is zeldzaam als een gemeenschap zulke diepe wortels heeft, die zich uitstrekken in beide domeinen. De schutterijen werden door de landsheer – of de landsvrouwe – ingesteld om de gemeenschap te beschermen tegen ongeregelde individuen en groepen die kwaad in de zin hadden in een tijd dat dorpen zich nauwelijks konden beschermen tegen onheil. Deze taak ligt nu natuurlijk ergens, maar de cultuur, symboliek, ceremonieel en de bereidheid om u in te zetten voor de ander is gebleven.

En zoals ik nooit moe wordt te zeggen: 'symbolisch' betekent in het geheel niet, 'niet echt'. Het betekent: 'datgene wat de waarheid aanwijst'. Je kan diep verbonden zijn met de samenleving en met de gemeenschap van de kerk, zonder dat u nu nog politietaken waar moet nemen. Deze is nu actief in de geest van schietsport, broederschap en gezelligheid waar u bekend om staat.

Wie veel heeft, wie kan putten uit die diepe bronnen van vriendschap met elkaar mag ook veel geven. In het Evangelie horen we discussie. Mag er wel belasting betaald worden? Het is een strikvraag, als Jezus zegt laat eens zien zo'n munt – dan hebben ze die gewoon op zak. Het probleem bestaat alleen in hun eigen hoofd.

Zo gaat dat met mensen. Veel problemen die ze voorleggen bestaan alleen tussen de oren, en een duidelijk zicht op de zaak maakt duidelijk wat bij wie hoort. Op de munt staat de beeltenis van de keizer, het is van de keizer. Hebben we zaken die van God zijn? Geloof, hoop, liefde? Die schatten mogen we bewaren in ons hart, altijd blijven voeden met het Woord van God, de Sacramenten van de Kerk en de blijvende genegenheid tot de gemeenschappen waartoe wij behoren.

Broeders van het Kloveniersgilde. Moge u ook in dit nieuwe jaar veel vreugde beleven, moge uw vriendschap blijven groeien en uw trouw aan kerkelijke en wereld altijd verdiepen. Amen.







Credoviering

 


In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Ik zeg u:
ieder die Mij bij de mensen belijdt,
hem zal de Mensenzoon als de zijne erkennen bij Gods engelen.
Maar wie Mij tegenover de mensen verloochend heeft,
zal verloochend worden tegenover Gods engelen.
Aan ieder, die zich zal kanten tegen de Mensenzoon,
zal het vergeven worden;
maar hem die de heilige Geest heeft gelasterd,
zal het niet vergeven worden.
Wanneer men u brengt voor synagogen,
overheden en machthebbers,
maakt u dan niet bezorgd
over het hoe of wat van uw antwoord ter verdediging:
op dat ogenblik zal de heilige Geest u leren wat gij moet zeggen.”


Beste vrienden,


We vieren vandaag de feestdag van de Heilige Ignatius van Antiochië, één van de oudste heiligen van de kerk. Hij is van de generatie net na de apostelen, en volgens een vrome traditie was hij een leerling van Johannes de Evangelist.

In zijn geschriften lezen we al over de drievoudige ambten in de kerk: van diaken, van priester en van bisschop. Die zijn allemaal niet in de middeleeuwen verzonnen, ze horen bij het DNA van de kerk.

Zonder de gewijde ambten, geen eucharistie. De eucharistie die wij samen willen vieren en waar wij over willen leren in de catecheses.


Ignatius was bovenal martelaar, bloedgetuige. Hij werd omgebracht door de Romeinse autoriteiten. Als je in God gelooft kun je immers niet offeren aan mensen die zich voor God uitgeven. Niet alleen omdat dat afgoderij is. Eer en aandacht zijn geen onuitputtelijke grootheden. Als we aan een mens geven wat God toebehoort, raken we meer kwijt dan we willen. Toch moeten we meer doen dan alleen het kwaad vermijden. Enkel het kwaad vermijden is te klein.


Wij zijn geroepen tot een groter offer. Niet een offer van mensen die een groter mens de Hemel in proberen te prijzen. Maar het offer van Christus zelf, de Zoon van God die zowel priester, offerlam als altaar is.

Ignatius zegt: ik verlang naar het brood dat het vlees van Christus is, [en naar] zijn Bloed dat de onbederfelijke liefde is. (Romeinen 7.3)


Door te offeren toon je je liefde. Wat je offert en tot wie je offert leggen ons je liefde uit. “Uit liefde geeft de Vader zijn Zoon, en uit liefde geeft de Zoon zichzelf, volledig, voor ons.” Dat stelt elke wereldse overheid die ons opofferen wil in de schaduw. En de mensen die wij martelaar noemen, kunnen dat offer ook niet uit eigen wilskracht brengen. Ze worden, zoals we lezen in het Evangelie, gesterkt door de Geest, die hen woorden geeft als ze worden uitgedaagd, en die hen kracht geeft als ze worden weggevoerd door machthebbers en overheden.


Die hen de vervulling van hun liefde geeft als het einde dreigt.


Dat verlangen en die liefde, die moeten we leren. Dat kunnen we niet uit onszelf.


We mogen leren uit de Schrift, en leren van de heiligen, leren van Ignatius. De levens van de Heiligen zijn catechesen in zichzelf. Het is niet genoeg om de Bijbel te lezen, je moet het ook geleefd zien worden. Hier en nu, om ons heen, in de gemeenschap, maar ook terugkijkend naar het verleden. In de levens van de heiligen. Zij houden ons een beter, hoger leven voor. De levens van de heiligen zijn één wijze waarop het woord vlees blijft worden. Toegepast op ons leven.


En we mogen ook blijven leren van de sacramenten zelf. Natuurlijk moeten we ze kennen, weten wat de gebeden en rituelen betekenen, maar meer dan dat moeten we ze beleven. Door de gave van brood en wijn, en de werking van de Geest kunnen wij tenslotte, zoals Ignatius het voordeed, zelf weer levend brood zijn voor anderen, anderen op weg helpen op hun geloofsreis.


Geven we zo het brood door, als levend voedsel voor onderweg.

Amen.






Saturday, 10 October 2026

29e zondag A

 

29e zondag door het jaar A

 

In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen
hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen.
Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af met de vraag:
“Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en de weg van God in oprechtheid leert;
Gij stoort U aan niemand,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
Zeg ons daarom:
Wat dunkt U, is het geoorloofd
belasting te betalen aan de keizer of niet?”
Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei:
“Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?
Laat Mij de belastingmunt eens zien.”
Zij hielden Hem een geldstuk voor.
Hij vroeg hun:
“Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?”
Zij antwoordden:
“Van de keizer.”
Daarop sprak Hij tot hen:
“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt,
en aan God wat God toekomt.”

 

Beste mensen,

 

Vandaag een korte lezing met een heel sterk beeld. De Farizeeën proberen Jezus te vangen met zijn eigen woorden in de hoop hem in problemen te brengen met de autoriteiten van dat moment: de Romeinse bezetter. Die wil belastinggeld zien, onder andere, want de schatkist wordt gevuld. De Joods bevolking voelt dit gezag als vreemd aan, illegitiem. Tegelijkertijd moet iedereen – hoog of laag – zich naar dit onrecht schikken. Je hebt geen andere keus als je wilt bestaan. Er is misschien een kleine groep die openlijk collaboreert – zoals de Tollenaars – maar de grootste groep accomodeert: ze schikken zich in.

Je moeten schikken naar onrecht is altijd pijnlijk. Je doet jezelf geweld aan. Je ja kan geen ja meer zijn, en je nee geen nee. Je moet voorzichtig zijn: iedereen wordt kwetsbaar. En hoe prominenter je plaats in de samenleving – des te kwetsbaarder je wordt en des te slimmer moet je het spel spelen om je positie te behouden. Je moet steeds gewiekstere zetten maken om te overleven tussen alle vijandige partijen: de Romeinse bezetter, de lokale adel en prominenten, het religieuze establishment, maar ook de radicale bewegingen die gewelddadige oplossingen niet schuwen moet je kunnen bespelen. En al die groepen drijven op de onzekere golven van het woelende en kolkende volk. Onberekenbaar, maar op hun manier – machtig. Machtig als een stormachtige zee.

Dát is de context van het Evangelie van vandaag. Wíl je iets veranderen, dan moet je het spel meespelen. Dan moet je partij kiezen, of juist je kaarten dicht bij de borst houden en afwachten naar welke kant de meeste knikkers rollen. Dat klinkt logisch! Toch?

Maar het spel dat je speelt, is mensenspel. Het dient menselijke belangen. En het is een oneindig spel: dat wil zeggen: je wint een ronde maar het spel zelf gaat altijd door. Je kan verkiezingen winnen, maar na verloop van tijd komt er een nieuwe ronde. Je kan in de gunst komen van een keizer, maar keizers kunnen worden afgezet. Je kan een revolutie steunen, maar de revolutie vreet haar eigen kinderen op. En na vijf jaar, tien jaar, zijn alle kaarten weer opnieuw geschud en beginnen er weer nieuwe rondes met nieuwe spelers. In het mensenspel zijn veel verliezers, en de winnaars kunnen zich maar kort verheugen in hun wisseltrofee.

God speelt een ander spel. En Jezus laat dat zien.

De Farizeeën – samen met de aanhangers van Herodes – proberen Jezus te pakken te krijgen. Ze stellen hem een vraag waar geen “goed” antwoord op is. Zegt hij “ja, je mag belasting betalen”, dan is hij openlijk voor de Romeinen en verliest hij de steun van het volk. Zegt hij “nee, dat mag niet”, dan kunnen ze hem aangeven bij de autoriteiten. Met andere woorden: “Kop ik win, Munt jij verliest”

Maar Jezus draait het spel om wanneer hij vraagt om zo`n belastingmunt. En dan blijkt, die hebben ze gewoon bij zich. Het is voor hen geen écht probleem. Ze zijn echt niet in gewetensnood, ze zijn niet op zoek naar de Waarheid. Maar het is bij Jezus zo: je kan niet krijgen wat je niet zoekt.

Als je Jezus wilt gebruiken als onderdeel van jouw spel, als schaakstuk op je bord, dat gaat niet werken.

Als je het Woord van God, het Evangelie reduceert tot logo of marketingtactiek of als spandoek voor dit of tegen dat: dat is erg riskant.

Als je de kerk gebruikt als machtsmiddel, als bolwerk voor dit doel of dat belang. Dat gaat nooit werken.

Of gevaarlijker nog, als de kerk zélf dat spel gaat spelen en denkt: als we deze groep ondersteunen, of die partij: dan winnen we daar wat mee. Dan ben je als kerk ook in gevaar. Want vandaag of morgen delft die groep het onderspit of verliest “jouw” partij de verkiezingen. En daar sta je dan, met je lege speelbord en al je stukken terug in de doos.

En we dachten nog wel zo slim te zijn.

God speelt een ander spel. Niet omdat God zegt dat de zaken van deze wereld onbelangrijk zijn. Dat zijn ze niet! We zijn medeverantwoordelijk voor ons land en voor onze gedeelde wereld. Dat kost werk en inzet en enig inzicht in “het spel”. Maar wij zitten niet aan dat spel vast. Ons fundament ligt ergens anders. Ons fundament is de Hoeksteen zelf, waar de spelers geen raad mee wisten.  

Het spel is niet ons doel. Wij moeten in de eerste plaats aan God geven wat van God is. Wat wij doen ontstijgt het hier en nu: het is niet gericht op de volgende verkiezingen maar op de komende eeuwen en zelfs de komende eeuwigheid.

Wij hoeven ons niet vast te klampen aan bezittingen of voordelen, want ons vaderland ligt in de Hemel. Bezittingen en rechten zijn middelen tot een doel – geen doel op zich. Het is goed om ze te hebben maar als het moet doen we het ook zonder.  Ons belang als kerk is niet meer en niet minder als dat van de mensheid zelf zoals zij is in de ogen van God.  

Verder mogen wij aan de keizer geven wat van de keizer is. Aan Nederland geven wat van Nederland is, of dat nu ons belastingformulier of ons stembiljet is, en is dat eenmaal gegeven kunnen we ons weer richten op wat werkelijk van belang is: aan God geven wat God toekomt. Door heel ons leven.

Amen.

Friday, 9 October 2026

28e zondag A : Familieviering

 

Beste kinderen, ouders, opa's en oma's en beste vrienden

De Koning geeft een feest! Wat leuk! En hij nodigt allerlei mensen er voor uit. Vooral de belangrijkste, zo gaat dat vaak bij koningen. Als je in een paleis komt dan zit daar niet alleen de koning zelf, en de prinsen en prinsessen maar ook allemaal belangrijke mensen daarom heen.

En waarom zijn die mensen allemaal zo belangrijk die daar komen, die daar rondlopen in het paleis? Natuurlijk, ze zullen wel veel geld hebben. Maar dat zijn er meer. Misschien hebben ze wel belangrijke beroepen. Maar ieders beroep is eigenlijk wel belangrijk. De één staat hoger dan de ander, voor het éne moet je veel langer studeren als het andere. Maar stel je eens voor, een wereld waarin er geen onderhoud werd gedaan, of er niemand aan de balie stond. Nee, dat is het niet.

Hoe weten we dan dat ze belangrijk zijn? Ik denk dat ik het weet. Als je dicht bij de koning staat, bij de koning wordt uitgenodigd, dan word je ook een beetje koninklijk , dan hoor je er bij. Zelfs als je niet zo belangrijk was en je wordt uitgenodigd door de Koning, dan word je vanzelf een beetje belangrijk, belangrijker dan je was. En hoe vaker je daar mag zijn des te belangrijker je wordt.

Als je iemand tegenkomt die zegt “ik kom net terug van het paleis!” dan ga je als vanzelf een beetje tegen haar opzien. Zeker als ze terugkomt met een glimmende medaille. Lid kun je zijn, van de Orde van Oranje-Nassau, Ridder. Dan mag je op een paard zitten. En Officier. Dan mag je anderen vertellen wat ze moeten doen.

Maar soms wordt al die belangrijkheid een beetje teveel voor mensen. Ze gaan denken dat ze zichzelf al die medailles hebben gegeven en zijn de Koning vergeten. En als de Koning ze er weer bij wil hebben dan denken ze.. Mèh! En halen de schouders zo`n beetje op van …. “Ja, dan moet ik weer in de houding.” En ik ben al Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Als dat gebeurt dan draaien zij het om! Die denken, ik ben zo belangrijk dat de koning maar blij moet zijn als ik af en toe eens kom, en hij stuurt de dienaren van de koning weg. En nog erger. Want dat gebeurt er als je je zelf zó belangrijk vindt dat je naar niemand meer omkijkt. Dan gebeuren er hele erge dingen.

Maar als je belangrijk bent, maar je komt niet wanneer je bent uitgenodigd door de Koning, dan wordt je vanzelf minder belangrijk. En nog minder belangrijk totdat je een raar poppetje bent met een stoffige medaille. Dat soort mensen herken je eraan dat ze altijd “Zeg! Zeg! Weet jij wel wie ik ben??” zeggen. Dat moeten ze wel vragen, omdat ze zó onbelangrijk zijn geworden dat niemand het nog weet. Ookal loop je nog rond, je bent er niet meer bij in het leven.

Maar weet je wat de Koning doet? Die gaat daar niet in zijn eentje zitten. Dat is saai. Je viert geen feest met maar twee of drie mensen. Hij laat zijn dienaren iedereen naar binnen trekken. Of je nog een baksteen in je hand hebt, of je huiswerk dat misschien niet zo goed gemaakt is omdat je wat was afgeleid, of je kleren van de supermarkt. Iedereen krijgt nieuwe kleren en de één wordt Lid, en de ander Ridder (die op een paard mag zitten) en een derde Officier (die mag de maat aangeven op het feest)

Maar als nou een zijn kleren weer uit doet en rondloopt met zijn oude jasje, en niet mee wil doen met het feest? Dat maakt het feest minder leuk. Niet alleen voor hemzelf, maar voor iedereen. Je kan niet opgaan in een feest als niet iedereen meedoet (Kijk maar bij carnaval, als er mensen niet verkleed zijn gaat er wat mis!)

En dat kan dus niet, dan zegt een Officier (een echte, niet iemand die alleen anderen wil vertellen wat te doen): In Naam van de Koning: jij moet maar wat anders gaan doen. En die laat hem dan buiten. Niet om gemeen te zijn, maar omdat het feest door moet kunnen gaan voor iedereen.

Jezus wil ons iets belangrijks vertellen in dit verhaal.

1: Het gaat niet altijd over hoe mensen er uit zien. De een ziet er belangrijk uit, maar als het er op aan komt zijn ze het niet – omdat ze niet meer bij Koning, dat is bij God willen komen. Als alles om je zelf gaat draaien word je langzaamaan niemand.

2: God wil iedereen belangrijk maken, iedereen mag op het feest komen. En als je naar het feest komt word je superbelangrijk voor God. Wie je ook bent.

Maar, 3: je moet wel meedoen. Je moet anderen niet tegenwerken. Je moet het feest niet van binnen het paleis willen tegenhouden. De eerste belangrijke mensen dachten “ik houd het feest tegen van buiten, want als ik niet kom – dan is er geen feest!, en iemand van binnen kan denken, als ik tegen het feest inga, dan is er geen feest.

Waarom hij dat doet weet ik niet, je hebt van die mensen. Maar je kan het niet laten bestaan. Daarvoor is het feest te belangrijk. Op Carnaval verkleed je je om je anders voor te doen dan je bent, op het feest leer je door je feestkleed, wie je echt bent.

Ik weet het niet van jullie, ik ben er wel benieuwd naar, hoe dat kleed er uit gaat zien. We mogen al een beetje oefenen, elke zondag doen we dat, wanneer we de eucharistie vieren. En soms nog meer, als we gaan dopen. Dan zien we al iets van dat feestkleed dat de Koning ons gegeven heeft.

Mag ik dan de ouders en peetouders van Thomas uitnodigen om naar voren te komen voor het Heilig Doopsel.





Saturday, 3 October 2026

27e zondag A

 

In die tijd
zei Jezus tot de hogepriesters en oudsten van het volk:

“Luistert naar een andere gelijkenis:
Er was een mens, een landheer, die een wijngaard aanplantte,
er een omheining omheen zette,
er een wijnkuip in uitgroef,
een toren bouwde, hem aan wijnbouwers verpachtte
en naar het buitenland vertrok.
Toen de tijd gekomen was om de vruchten te oogsten,
zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers
om zijn vruchten in ontvangst te nemen.
Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren,
de een mishandelden zij, de ander doodden zij,
nog een ander stenigden zij.
Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten;
maar zij deden met hen evenzo.
Uiteindelijk zond hij zijn zoon naar hen toe, zeggend:
‘Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.’
Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden ze onder elkaar:
‘Dit is de erfgenaam;
komt, laten we hem doden, en ons zijn erfenis toe-eigenen.’
En zij grepen hem,
wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
Wanneer nu de heer van de wijngaard komt,
wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?”
Ze zeiden Hem:
“Ellendelingen zal hij op ellendige wijze te gronde richten
en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers,
die hem de vruchten op hun tijd zullen afdragen.”
Toen zei Jezus hun:
“Hebt gij nooit in de Schriften gelezen:
‘De steen die de bouwers hebben afgekeurd,
die is tot hoeksteen geworden;
door de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen’?
Daarom zeg Ik u
dat het Koninkrijk Gods u ontnomen zal worden
en gegeven aan een volk dat de vruchten daarvan opbrengt.”










Beste vrienden


De laatste tijd ben ik meer aan het lezen over de soms moeilijke verhouding tussen christendom en jodendom en dan vooral de soms kwalijke rol die onze eigen Kerk daarin gespeeld heeft. Omdat er zoveel veranderd is in de kerk denken we daar niet meer dagelijks aan terug. Maar we zien nog wel de sporen ervan, ook in ons eigen kerkgebouw, ook in de lezingen die we deze zondag meekrijgen.


Sommigen onder u weten misschien nog hoe de kerk eruitzag voor de vernieuwing van de liturgie. Hier boven het priesterkoor hing een zogenaamde triomfbalk. De oudere generatie heeft daar misschien nog beeld bij. De beelden die bij die triomfbalk hoorden staan nu op het priesterkoor, u heeft ze misschien wel eens gezien, al staan ze niet meer zo in het zicht.


Wilt u zich even omdraaien en kijken naar de koorzolder. Achter u, bovenin.


onderbreking


De twee buitenste beelden. Geheel rechts, geheel links. Daar gaat het om. Dat zijn geen heiligen maar symbolische beelden. Rechts ziet u de Kerk, met een kruis en een kelk en een kroon. Links ziet u een andere figuur. Kromgebogen, geblinddoekt, steunend op een gebroken stok. Dat is de Synagoge. Beeld voor het Jodendom.


De triomfbalk, die overigens pas rond 1920, na de Eerste Wereldoorlog hier een plek gekregen heeft maakt duidelijk wie er volgens het katholieke denken van voor het Tweede Vaticaans Concilie triomfeert: namelijk, de Kerk. En ook waarover wordt getriomfeerd. Het Jodendom. Niet dat er toen Joden woonden op de Leur, althans niet dat mij bekend is. In Etten woonde de familie Levie, van de marktkoopman Samuël Levie, zijn kinderen gingen rond die tijd hier op de Leur naar de openbare school. Maar de balk ging niet over de familie Levie, maar over een theologisch idee: namelijk dat de Kerk in de plaats van het Jodendom was gekomen. En dat is gelijk het probleem met zulk soort ideeën. Het gaat nooit eens over de familie Levie. Nooit over concrete mensen, die je ontmoeten kan, waar je mee spreken kan.


Het gezin Levie heeft het weghalen van de triomfbalk hier niet meer meegemaakt. Samuël zelf, zijn kinderen en hun gezinnen zijn namelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter omgebracht.


onderbreking


Het idee dat de Kerk in de plaats van het Jodendom komt is vele, vele eeuwen dominant geweest. En de afdrukken van deze overtuiging waren terug te vinden in de liturgie, de gebeden van de kerk, al vanaf de eerste eeuwen. In de Bijbelcommentaren, in de preekhandleidingen, in hoe er daadwerkelijk gepreekt werd. In het bijzonder over hoe deze tekst die wij vandaag hebben gehoord verkondigd werd. De wijngaard, die weggenomen wordt van haar leiders – en aan een nieuw volk zal worden gegeven. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog werd dat gelezen als een bewijstekst dat het Joodse volk vervloekt was, afgewezen, bestraft om de Godsmoord op de Heer.


En die verkondiging, die uitleg, dat was niet zomaar een interpretatie van een paar boekenwurmen die het zicht op de alledaagse realiteit waren kwijtgeraakt. Verdwaald als ze waren in het Grieks, het Latijn en de Patristiek. Die uitleg werd als volstrekt vanzelfsprekend gezien, dat dat zo was. En zoals wij katholieken naar de Bijbel kijken is dat voor ons een zwaar besef. De tekst bestaat niet buiten de lezer, dat wil zeggen de lezende gemeenschap van de Kerk om. Als katholieken zijn wij erfgenaam van een eeuwenoude leeswijze die niet onschuldig is, en die veel kwaad heeft aangericht en desondanks volledig tot onze traditie behoort. We kunnen niet zomaar zeggen “we doen het nu anders, slaan de bladzij om, en hebben het er niet meer over”. Dat is in onze kerk geen optie.


Toch doen we het nu anders en dat is echt zo, het Concilie is geen cosmetische operatie, waarin je een facelift aangemeten krijgt en je er nu fit en nieuw uitziet – terwijl alles eigenlijk hetzelfde is gebleven. Dus wat kunnen we halen uit deze moeilijke tekst, die zo verdrietig, zo gewelddadig begrepen is?


We lezen over de wijngaard, over de leiders van het volk. Ze doen niet wat goed is, en willen de oogst voor zichzelf houden. Je kan zelfs zeggen ze zijn bevangen door waanzin. Ze zijn pachters, de grond is niet van hen. Die is van de Heer. De wijngaard staat voor het volk, voor het koninkrijk van God. Per definitie is die niet van jou. Je mag er in werken, je mag er van leven, je kan er goed leven, je hoeft niks tekort te komen. Maar je moet wel weten in wiens dienst je staat. De Heer stuurt zijn dienaren, de profeten, om je daarop te wijzen. Keer op keer worden de profeten vervolgd door de macht. En daar zit iets in hen, een vanzelfsprekendheid. Ze kunnen alleen denken in termen van macht en onderwerping. Je ligt bovenop óf je wordt vertrapt. Dat wereldbeeld is verbazend actueel.


Of liever: het is nooit ver weg. Het is namelijk moeilijk om je iets anders voor te stellen: dat als je wordt uitgedaagd, je terug moet slaan. Je met geweld de macht moet handhaven voordat iemand anders van je afneemt wat je hebt. We hoeven het nieuws maar aan te zetten om te zien wat er gebeurt als je niet meer op je hoede bent.


Dat kan zelfs je Godsbeeld raken. Als Jezus de leiders het verhaal van de wijngaard vertelt, spreken ze uit dát wereldbeeld. Het uitstel, de steeds nieuwe dienaren, uiteindelijk het zenden van de zoon zelf worden niet verstaan als een opening naar een nieuw begin maar als onverdiend uitstel, een onverdiende genade die de uiteindelijke bestraffing alleen maar zwaarder zal maken. Een ellendige dood. Zo voorspellen ze, geheel volgens hun wereldbeeld van dominantie en onderwerping.


En dan is het makkelijk om te zeggen: ze veroordelen zichzelf, die boze leiders, ze verdienen de dood. Ze vervloeken zichzelf. Een nieuw volk zal het overnemen! Maar is dat niet te snel? Jezus neemt het niet zomaar over, die woorden. Er houdt wel iets op. Maar er begint ook iets nieuws. Die oude leiders, die gaan niet meer mee.


De leiders denken enkel aan zichzelf, en daarmee verwerpen ze de toekomst. En de prijs voor het verwerpen van de toekomst is dat je er geen deel van kan uitmaken. Jezus zegt: het zal u leiders, worden ontnomen. De wijngaard, het koninkrijk, komt een nieuw volk toe. Er wordt iets vernieuwd. Met Jezus als hoeksteen. De wijngaard die voor een volk is. Voor alle mensen die zich daar thuis willen voelen. Die willen samenwerken. Elkaar willen ontmoeten. Mensen die weten dat niet alles om henzelf draait. Mensen die de visie van harmonie en verzoening voor zich zien. Mensen die wegstappen van fantasieën over hoe zij triomferen over de ander. Hoe zij kunnen domineren om de ander te onderwerpen. Die hoe moeilijk de tijden ook zijn, het niet opgeven om de ander te willen ontmoeten, van elkaar te leren, en naar elkaar te luisteren. De wijngaard is dan ook een frustrerende plek, want naar elkaar luisteren is moeilijk. Het is makkelijker om de boodschapper in de sloot te duwen, maar dat gaat van kwaad tot erger, dat hebben we van de leiders in de tijd van Jezus geleerd. Hoewel de kerk in het Midden-Oosten klein is kan zij bijdragen, zo hoop ik, aan die ontmoeting, en aan uiteindelijke verzoening, hoe ver voorbij de horizon die verwachting ook ligt. Hoe onrealistisch het ook voelt. De visie van dominantie en onderwerping moet elke keer opnieuw worden uitgedaagd.


Misschien moeten we na tweeduizend jaar christendom nog steeds, of liever: steeds weer, leren wat het is om samen Wijngaard te zijn. Hoe dat moet kunnen we alleen leren in de praktijk, maar we kunnen ons laten leiden door het voorbeeld van de Heer. Hij klampte zich niet vast aan zijn gelijkheid met God, hij zocht geen dominantie om de ander te onderwerpen. Hij hoeft de leiders niet met een machtswoord omver te werpen, want in de Bijbel zetten de machthebbers uiteindelijk zichzelf klem. Het goede nieuws is dat ze niet het laatste woord hebben. Hoe verschrikkelijk mensen ook kunnen lijden onder wandaden van de mensen die boven hen gesteld zijn, de leiders hebben niet het laatste woord. God geeft zijn volk nooit op. God geeft het Joodse volk nooit op.


We hoeven ons als kerk dus ook niet beter te voelen dan anderen. Voor zover wij iets zijn, zijn wij geënt op de olijfboom van het joodse volk. Dat zou ons eerder nederigheid moeten leren dan iets anders. En elke keer als we in het evangelie lezen dat de apostelen zichzelf verhieven of probeerden de grootste te zijn, weet je zeker dat er iemand heel binnenkort over een bananenschil uitglijdt.


In de Wijngaard is geen plaats voor antisemitisme, onder welke religieuze of politieke vermomming dan ook. Wij moeten daar streng op zijn. De wijngaard verdraagt geen triomfbalken. De kerk is er niet om te heersen, maar om te dienen. En de God die we dienen is de God van Israël, de God van Abraham, Isaäk en Jakob. De kerk staat dus niet ten dienste van geweld en onderwerping, maar is er voor alle mensen, opdat zij in vrede en waardigheid mogen leven. In de woorden van de Bijbel ieder mens vredig onder zijn of haar wijnstok en vijgeboom zitten mag. Mogen we dan op de plek waar we zijn, God ontmoeten voor wie Hij is.

Amen.

Saturday, 19 September 2026

25e zondag door het jaar a

 In die tijd

vertelde Jezus aan zijn leerlingen deze gelijkenis:

“Het Koninkrijk der hemelen gelijkt op een mens, een landheer,
die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij kwam met de arbeiders een denarie per dag overeen
en stuurde ze naar zijn wijngaard.
Rond het derde uur ging hij weer uit
en zag anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard en ik zal u geven wat rechtvaardig is.’
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij weer uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij uit,
vond er anderen staan en zei tot hen:
‘Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?’
Ze zeiden hem:
‘Niemand heeft ons gehuurd.’
Hij zei tot hen:
‘Gaat ook gij naar de wijngaard.’
Toen het avond werd,
sprak de heer van de wijngaard tot zijn beheerder:
‘Roep de arbeiders en betaal hun het loon,
te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’
Toen die van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie.
Toen de eersten kwamen,
meenden ze dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen elk een denarie.
Ze namen hem aan, maar morden tegen de landheer
en zeiden:
‘Die laatsten hier hebben één uur gewerkt en gij stelt hen gelijk met ons
die de last van de dag en de hitte hebben gedragen.’
Maar hij antwoordde een van hen:
‘Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neem het uwe en ga heen:
ik wil aan die laatste hetzelfde geven als aan u.
Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?
Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten eersten

en de eersten laatsten zijn.”


Beste vrienden,

We stellen ons graag voor als hardwerkende mensen. We staan de hele dag in de wijngaard, voor het overeengekomen loon van het dagelijks brood. Een denarie. Een denarie is het gebruikelijke bedrag daar voor. Wij zouden zeggen: een modaal dagloon. Er zijn zeker mensen die het beter hebben, maar daar vergelijken wij ons niet mee. En er zijn mensen die het minder hebben.

Die komen we misschien nog wel eens tegen. De mensen die het minder goed gedaan hebben dan wij. Die hadden die dag geen werk. Misschien dat we zelfs van onze denarie wat sestertieën, wat centjes, aan die mensen geven. Dan voelen we ons twee keer goed. Eens omdat we een denarie verdiend hebben met ons eigen werk, en de tweede keer omdat we ook nog omzien naar wie minderbedeeld is. “Goed zo, harde werker,” zeg je tegen jezelf terwijl je aan jezelf een schouderklopje uitdeelt.

God is in zijn hemel, en op aarde heeft ieder heeft zijn toegekende plek. En zo lang iedereen zijn plek blijft kennen – dan is het leven goed.

Totdat God besluit niet in de Hemel te blijven maar op aarde te komen wonen. Dan komt opeens van alles van zijn plek. Op zijn beurt maakt dat van alles in de mensen los. En het is niet allemaal even best, wat er loskomt. Wat we te zien krijgen. Leerzaam is het wel, ook voor ons. We gaan eens kijken wat er gebeurt.

De werkers in de wijngaard. Die hebben een afspraak met de Heer. Wij werken, jij betaalt. Een denarie. Het dagloon. Kennelijk is er zoveel werk in de wijngaard dat de Heer de hele dag door achter de werkelozen aanjaagt om ze maar er bij te krijgen. De ene voor een halve dag, de ander voor een kwartdag en dan als hoogtepunt van absurditeit: voor een los uur. De hele dag door komen daar half-werkers, kwart-werkers en minimumwerkers voorbij.

En dan wordt er uitbetaald. Het hoogtepunt van de dag: daar doe je het voor. En dan zie je een mooie omkering. De spanning wordt mooi opgebouwd. Eerst worden de minimumwerkers uitbetaald, die er op het laatst er bij kwamen. En die krijgen een denarie. De dagloners wrijven al in hun handen.

Maar dan de anticlimax.. Ze krijgen evenveel als een ander. En ze zijn het er niet mee eens. Ze morren. Ze zeggen “Gij stelt hen gelijk met ons”. Maar de Heer zegt terecht: je bent toch niks tekort gekomen? “Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?” zegt Hij. “Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?”. En dan is het verhaal uit. Er is geen oplossing. We blijven in die spanning zitten. De dagloners taaien af. Zijn ze overtuigd? Ik denk het niet. De spanning waar het in dit verhaal om gaat zal escaleren. Het gaat in de hoofdstukken die hierna komen van kwaad tot erger.

Maar dat komt dan wel. Één crisis tegelijk.

“Zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?” – dat is een retorische vraag. Die vraag ligt niet open. Het antwoord is duidelik. Ze zijn kwaad. Ze zijn kwaad omdat de Heer goed is. Je bent ziek. God is leven en jij bent ziek.

Maar nu hebben we een probleem. De Heer stelt een diagnose vast. Mensen: je draagt een kwaad in je. Maar welk kwaad? Waar hebben we het over?

Als je bij de dokter komt, beste mensen, en de dokter zegt: “je bent ziek”, en verder niks.... Dan heb je daar niet zoveel aan. Je moet een diagnose krijgen: de aard van de ziekte kennen. Weet je niet wat de ziekte is, dan kun je de ziekte niet behandelen. Dan kan er geen medicijn worden voorgeschreven. De apotheker kan daar niks mee. Dan pak je misschien zelfs het verkeerde flesje. Je zou uit onwetendheid een antiwormenmiddel gebruiken om een besmettelijke longinfectie te behandelen. Dat kan niet. Dan word je dubbel zo ziek als je al was.

Maar wat is de diagnose? Welke ziekte woedt er onder de harde werkers? Vertel het ons, dokter Jezus. En Jezus vertelt het ons ook. Maar je ziet het niet terug in de vertaling. De aard van de ziekte is wegvertaald. We lezen “zijt ge kwaad, omdat ik goed ben”. In de woorden van mijn leermeester in de Bijbel, pastoor Gouw, “dat staat er niet”. Of althans, niet helemaal.

Wat letterlijker staat er: “heb jij soms het boze oog?”. Dat is de diagnose, die dokter Jezus stelt. Het boze oog. We lijden aan een oogziekte. Als we horen van 'het boze oog' denken we misschien aan bijgeloof. Dat de blik van bepaalde mensen anderen ziekmaken kan, of kan vervloeken. Maar ook onder bijgeloof kan een kern van waarheid liggen. Net zoals sprookjes, sagen, volksverhalen, grote literatuur altijd een waarheid spreken over de mens. Ze zijn misschien niet feitelijk, maar wel waar. Zo ook het beeld van het boze oog. Een ernstige kwaal waar iedereen aan lijden kan.

Wat is het boze oog. Wat is die ziekte? Het is de ziekte van de menselijke blik: de afgunst. Als iemand iets moois krijgt en je ziet het niet, dan zou je er niks bij kunnen voelen. Dat is onmogelijk. Je gaat naar huis met je denarie. Je gaat lekker eten met je gezin. 'S avonds kijk je naar de nieuwste serie op Netflix – net als iedereen – en er is niks aan de hand. En je helpt zelfs je werkeloze buurman die nergens goed in is, met een (kansloze) sollicitatiebrief. Je haalt er misschien wel drie taalfouten uit. Het zal niks uitmaken maar je kan je wel goed voelen over jezelf, dat je iets goeds gedaan hebt. God is in de hemel, op aarde heeft iedereen zijn plek – en zolang ieder zijn plek blijft kennen gaat het goed.

Maar God loopt rond op aarde. Hij is de Heer. En als jij een lange dag voor de Heer gewerkt hebt, en je buurman was er ook een uurtje, en die krijgt evenveel.... Dan ga jij als je gegrepen bent door de zonde van afgunst anders naar huis. Je hebt het gezien, en de blik maakt je ziek. En die ziekte vreet zich een weg door je lijf. Van je ogen, naar je hersens, je kan aan niks anders meer denken. Naar je hart, je voelt dat valse, hatelijke vuur, naar je ingewanden. Het rommelt, je hebt er buikpijn van. Het boze-oog-syndroom trekt je lijf door.

En welk instrument brengt die ziekte aan het licht?

De goedheid, de vrijgevigheid, van God. God is niet onrechtvaardig, dat hij je recht afpakt. Hij is veel meer dan rechtvaardig: hij scheldt onmogelijke schulden vrij, en geeft mensen meer waar ze op konden hopen. Maar als we alleen maar denken aan recht, gaat dat misschien minder over de liefde tot gerechtigheid en meer over de vrees dat een ander wel eens onverdiend wat krijgen kan.

Daarom moeten we ook nooit de dingen van God reduceren tot recht doen. Niet omdat het verkeerd is om recht te doen. Maar het recht is te klein om God te vatten. Als we zeggen: God is rechtvaardig dan spreken we geen onwaarheid. Maar toch moeten we zeggen met mijn leermeester pastoor Gouw. “Dat staat er niet”. Als we alleen praten over recht maken we God te klein. Je doet God tekort. Je doet God geen recht. God is goed, en dat wil zeggen vrijgevig. Overdadig. Meer-dan-rechtvaardig. Met andere woorden: genadig.

We denken dat we een rechtvaardige God willen, want dan denken we dat we indruk op Hem kunnen maken met ons harde werken. En het is goed om hard te werken, begrijp me niet verkeerd. Maar als we zo denken doen we God tekort.

We willen een rechtvaardige God – denken we - maar die we krijgen een genadige God.

Dat is veel moeilijker. Veel riskanter. Veel gevaarlijker voor ons leventje.

Een “rechtvaardige God” voelt beheersbaar. Je kan in- en uitklokken, werken naar de Wet, tienden geven van wat je hebt. Goed zijn. Gewoon goed. De morele lat ligt zo laag vandaag de dag dat het je nauwelijks moeite hoeft te kosten om een hele nette reputatie te krijgen. Een betere reputatie dan anderen. En wat is dat comfortabel. Niet gelijkgesteld te zijn aan anderen.

Of althans je denkt dat je goed bent omdat je geen moment

geloofde dat je wat tekort kwam. Tot het moment dat je onverdiende genade zag gebeuren in een ander. Iemand die God krijgt, werkelijk God krijgt, een echt, een levend, en levensveranderend geloof. En dan zonder jouw inzet. Iemand misschien wel beter begrijpt waar het bij God om gaat dan jij, of ik.

Die veilige rustige Regelgod, die blijkt een levensgevaarlijke genadige God te zijn, een onbeheersbare God. Een onbezweerbare God. Levensgevaarlijk: omdat jouw leventje niet kan blijven zoals het is.

Uiteindelijk wordt het nog ingewikkelder. Misschien sla je niet aan op de genade van de ander, maar wordt het spel echt: en ontmoet je zelf de onverdiende genade, en daar moet je dan antwoord op geven. Dan is er geen veilig regelboek meer. Leven volgens de regels, en dan kan alles een beetje hetzelfde blijven. Maar dat kan niet na het ontmoeten van Genade. Dan wordt alles anders. Dan moet je zelf veranderen. Met nieuwe ogen leren kijken. Een nieuw hart krijgen. Andere dingen belangrijk gaan vinden.

Als we zien wat de Heer heeft gedaan kunnen we zeggen het is wonderlijk in onze ogen (Psalm 118:23), en die verwondering is het begin van een nieuw leven. Kijken in blijde verwondering is het tegendeel van de blik met het boze oog. Beide ogen, het zieke en gezonde kijken naar Gods goedheid. Het ene oog wordt boos, afgunstig. Het andere oog verwondert zich in blijdschap om wat God doet. God verandert niet. Het is dezelfde God, waar we met andere ogen naar leren kijken.

Het doel van dat geestelijk leven is is niet alleen maar niet-ziek-zijn. Het is nieuw leven, en dat leven begint met het besef dat we het niet voor onszelf gaan regelen. Een religieuze ziekte als het boze oog houdt ons daarvan weg. Weten dat we ziek kunnen worden, op onze eigen manieren allemaal ziek zijn. Geen inzet van onze kant geneest ons, brengt ons nieuw leven. Dat moet van God komen, en hij is vrijgeviger dan wij ons kunnen of zelfs willen voorstellen.

Maar stel het je voor: vrij zijn in de wereld, gedragen door liefde. Onze inzet hoeft niks meer te fiksen. Het mag een antwoord zijn op die liefde. Vrij om te rouwen met wie verdriet heeft, blij te zijn met wie vreugde voelt. Langzaamaan meer groeien in die levende band met de Heer, de band die ons meer mens maakt. Levend maakt. Een band waar je misschien wel veel voor op moet geven, maar niks om zal verliezen.

Moge dat zo zijn.

Kom Heer Jezus.

Amen.

Sunday, 13 September 2026

Parochiefeest

 

Beste vrienden,

Vanwege alle feestelijkheden is het deze keer maar een kort woordje. Volgende week zal ik weer met alle plezier die ik daarin heb de Bijbelteksten weer voor u uitvouwen.

We vieren ons parochiefeest, en onze parochie is naar Maria genoemd. De moeder van God. En ik zat daar wat over na te denken, wat dat betekent. Moeder van God zijn. Voor Maria, en voor God zelf.

De Duitse denkster Hannah Arendt zag in het moederschap iets heel bijzonders, voor alle mensen. Alle mensen worden namelijk geboren. Ze worden niet ontworpen door een ingenieur, of uitgerekend door een ai, maar geboren uit een moeder. En hoe verbonden ze ook zijn met die moeder, door heel hun leven heen, ze zijn nooit kopieën van hun moeder, of van hun vader.

Bij elk mens begint iets nieuws. Iets radicaal nieuws. Iets wat je niet voorspellen kan.

Dat is wel eens frustrerend nieuws voor ouders. Maar voor de mensheid is het goed nieuws. Wat de situatie ook is, in elk kind begint een nieuwe wereld. En de oude wereld heeft daar maar beperkt macht over. Niemand kan een nieuwe generatie tegenhouden om het anders te gaan doen.

In Maria zien we dat God zelf ook een nieuw begin wil zijn. Hij stort zich niet zomaar uit, of gaat op een wolk zitten om weer een set nieuwe regels te geven. Hij wordt zelf deel van iets nieuws. Een nieuw verhaal, een nieuwe wereld. En wat een hoopvolle boodschap is dat wel niet?

Altijd wanneer je denkt “dit verhaal van ons is voorbij” dan gebeurt er toch weer iets anders, iets wat je niet ziet aankomen. Zo gaat het altijd in de kerk. Niet alles wat we kennen gaat mee de toekomst in, en dat doet pijn. Maar er begint altijd wel weer iets anders.

Net als Maria mogen wij meewerken aan dat nieuwe. Allemaal op onze eigen manier. We vieren vandaag ons parochiefeest en dat motiveert ons. We zetten mensen in het zonnetje en daar verwarmen ook wij ons aan. We bidden, werken en hopen voor de goede nieuwe dingen die God wil doen in onze kerk. Niet alleen maar voor ons zelf, maar om te laten zien dat God bij uitstek die bron van alle leven is waar wij alles van verwachten.

Zo rond ik nu even af. We kijken terug, maar niet in machteloos verlangen. Wij zijn mensen van verwachting. Mensen van de toekomst. Die toekomst is niet van ons. Wij kunnen en moeten daar geen eindeloze greep op willen houden. Maar we verwelkomen de toekomst en zien uit naar de volgende generatie die zich geraakt, gegrepen en vastgehouden weet door die zelfde God die wij hebben willen volgen door de dagen van ons leven.

Amen.