Saturday, 8 April 2023

Paasnacht 2023

 Na de sabbat
bij het aanbreken van de eerste dag der week
kwamen Maria Magdalena en de andere Maria
naar het graf kijken.
Plotseling ontstond er een hevige aardbeving
en een engel van de Heer daalde uit de hemel,
kwam naderbij, rolde de steen weg
en zette zich daarop neer.
Hij straalde als een bliksemschicht
en zijn kleed was wit als sneeuw.
De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven
en het leven scheen uit hen geweken.
De engel sprak de vrouwen aan en zei:
“Gij behoeft niet bevreesd te zijn;
ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde.
Hij is niet hier,
Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft;
komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft.
Gaat nu terstond aan zijn leerlingen zeggen:
Hij is verrezen van de doden,
en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien.
Dat had ik u te zeggen.”
Terstond gingen zij weg van het graf,
met vrees en grote vreugde, en zij haastten zich
het nieuws aan zijn leerlingen over te brengen.
En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zei: “Weest gegroet.”
Zij traden op Hem toe,
omklemden zijn voeten en aanbaden Hem.
Toen sprak Jezus tot hen: “Weest niet bevreesd.
Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen,
dat zij naar Galilea moeten gaan
en daar zullen zij Mij zien.”



Beste vrienden

Deze nacht is anders dan alle andere nachten. Deze nacht, méér dan de kerstnacht, méér dan welk ander feest van de Kerk dan ook is de as waar onze Kerk om draait. We vieren de overwinning van de Heer, de overwinning van het Leven dwars door de dood heen. 

In de lezingen zijn we begonnen met Genesis. Genesis 1 was ooit geschreven als lied, een lofzang op de schepping van de Aarde. Dag na dag komt er iets nieuws op, het is een groot avontuur, wat verschijnt er nu weer. Bomen! Goede bomen! En vissen, die zijn ook goed! En de vogels in de lucht! En alle soorten dieren! Ook allemaal goed! 

En dan de mens, die wordt geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. En God vindt de mens niet zomaar goed, maar heel goed. Dat is bijbeltaal voor: de mensen zijn Gods lievelingetjes. 

God houdt nog meer van mensen dan van al het andere dat Hij gemaakt heeft. De mensen krijgen een plaats, waar ze met elkaar en met God kunnen leven. 

De mens loopt echter zèlf weg van God, hij verbreekt de band van liefde die tussen hen bestaat. Ze moeten hun woonplaats, de Tuin van Eden, verlaten en gaan de wereld in. En die wereld, daar lezen we over in Exodus, wát die onverzoende wereld is. Dat is een wereld waarin mensen niet leven uit liefde tot elkaar. In de wereld hebben ándere machten overhand.

De mens maakt niet uit zichzelf de goede keuzen en de effecten daarvan zien we in alle samenlevingen terug. Omdat wij gevallen zijn en niet meer uit onszelf goed doen, hebben we staten nodig, overheden die enige publieke orde moeten handhaven, maar deze – op zich goede instelling – kan ook vervallen in kwaad. En geloven dat er niets meer buiten haar bestaat, gaat geloven dat zijzelf, of de Farao, of het Volk, of de Leider, eigenlijk God zijn. 

Dan worden de mensen tot slaaf gemaakt, dat is gebeurd met het Joodse volk. Je bent dan geen mens meer maar een ding, een object, dat is een absolute omkering van wat God met mensen doet. Slavernij is een afgrijselijke zonde. 

Maar ze worden bevrijd – door God – en door de Rode Zee – trekken ze naar het beloofde land. En daar moeten we even stilstaan bij de Rode Zee. De Rode Zee werd door de traditie van de Kerk gelezen als symbool van de dood. We moeten door de dood – door de Rode Zee – naar het leven toe en uiteindelijk verzwelgt de dood zichzelf, want ook Farao is een symbool van de dood, een type van de Boze, die de mensen tot slaaf wil maken.

Het gaat dus veel verder dan alleen maar zeggen: na je dood komt er iets beters. Gods plan voor Pasen draait om werkelijke bevrijding, geen zoethoudertje voor later. Of opium voor het volk, maar bevrijding van alles wat de menselijke waardigheid bedreigt. 


Maar we mogen mee, met het Joodse volk, de Rode Zee door, naar het land van Israel. Het volk krijgt weer een plaats. Een plek om te leven vanuit de belofte dat God alles nieuw gaat maken, en wij ruimte krijgen om het goede te doen. Dát is waar het land Israel voor is. Het is geen land als andere landen. Het is Godsland, het is een land waarin je mag oefenen wat het is om met God op te trekken, om rechtvaardig te zijn. Dáár was de Wet voor. Dat was geen opeensomming van ditjes en datjes en regeltjes en verplichtingen, maar een wegwijzer, een handleiding om in dat land , met God, te kunnen wonen. 

Maar uiteindelijk nemen toch andere invloeden het weer over. Het Godsland breekt in stukken uiteen, de mensen kijken niet meer naar elkaar om, hele stammen verdwijnen in de Ballingschap, de plaats gaat weer verloren. En met die plaats lijkt ook het hele Joodse volk op het punt te staan om te verdwijnen, en wat komt er dan terecht van Gods belofte van bevrijding – daar hebben wij over gelezen in Ezechiel. Waarin God zegt: ik laat jullie niet los, wat jullie ook gedaan hebben. Ik ga jullie weer tot leven wekken, als volk. Ik ga jullie rein maken. 

Ik zal jullie een nieuw hart geven, een nieuwe geest. Jullie gaan verrijzen als volk. Beetje bij beetje ontsluiert God hoe hij de mens, weer terug gaat brengen, terug naar het land, terug naar een plaats, naar Hemzelf. Men krijgt weer ruimte, om te leven.

Tenslotte laat Hij in Jezus Christus zien wie hij echt is, dan komt de laatste verwerping, de laatste ontrouw van zijn Volk, en de laatste keer dat de heersende wereldmacht, eerst Farao, dan Babylon en nu Rome probeert Gods plan tegen te houden, maar Gods plan laat zich niet meer tegenhouden.

Geen kruis, geen dood, geen steen, geen wachters bij het graf houden Hem tegen. De vrouwen zien hem het eerst, want de Leerlingen zijn in geen velden of wegen meer te bekennen. Het is de wereld op zijn kop. Het is onmogelijk, even onmogelijk als dat slaven zich kunnen bevrijden uit de greep van Farao, het joodse volk weer tot bloei kan komen nadat het door Babylon was weggevoerd, net zo onmogelijk is het dat Jezus de banden van de dood verbreekt en zijn leerlingen voorgaat naar Galilea. 

Galilea. Daar gaat Hij heen, de Verrezene blijft niet in Jeruzalem, niet in het centrum van de macht, waar de leiders hun al verloren eindspel spelen. Maar naar Galilea. En dat wordt voor de Christenen hun eerste plaats, een soort beloofde land. 

Daar komt hij vandaan, dáár is hij thuis.  En dat zegt heel veel, u weet ongetwijfeld dat door het Evangelie heen, de Farizeeën en gezaghebbers kijken neer op Galileeërs, dat is maar onbeschaafd volk. Die weten niet hoe het hoort. Maar dat is maar de helft van het verhaal. 

Ze keken vooral neer op Galilea omdat dat een plaats was waar iedereen door elkaar woonde: Joden, Samaritanen, Griekse heidenen. Er was geen ontkomen aan de Ander in Galileia. Zelfs als je niet naast elkaar woonde kwam je elkaar steeds tegen op de wegen van Galilea, het was grensland, alles kwam er doorheen. 

Een onverdragelijke gedachte voor mensen die zich willen opsluiten in zichzelf en geloven dat je een zuivere, homogene gemeenschap kan vormen, met hoge muren er om heen zodat je iedereen buiten kan houden. Vanaf de hoge muren van Jeruzalem kun je alleen maar neerkijken op dat gewriemel in Galilea, waar alles maar in- en uitgaat.

Galilea, ja, het hoorde wel bij het land van Israel, maar eigenlijk toch ook weer niet. Het was periferie, dat er niet toe deed. Juist dát land wordt door Jezus voor zijn leerlingen uitgezocht.

Wat aan de marge ligt is voor Jezus altijd het belangrijkst, de marge is  de plaats bij uitstek voor de verkondiging, de Bergrede kun je nergens anders doen dan precies in dát land, aan het meer van Galilea waar je de hele wereld kan ontmoeten.

Juist dáár houdt hij de Bergrede, trekt rond, doet wonderen, wonderen zijn woorden in een taal die iedereen herkent. De heidenen zijn niet zomaar onder de indruk van verhalen uit de Bijbel, maar een wonder? Dát slaat in als een bom. 

En na zijn Verrijzenis gaat Hij daar terug naar toe. Naar Galilea. En wij gaan met Hem mee. 

Jezus gaat ons allen voor naar Galilea. Hij gaat ons niet voor naar een veilige plek met muren er om heen. Een plek met een dichte deur, waar je jezelf kan zijn. Hij gaat de wijde wereld in: een plaats waar je je vuil moet maken, altijd anderen tegen zal komen. En in dit rommelige tussenland, waar we leven van ontmoeting mogen we met Jezus meegaan, hij heeft de dood en het kruis overwonnen. Er is een nieuw begin voor héél de wereld. 

Galilea is dan geen gevaarlijk aanhangsel van het Joodse land, maar is een springplank geworden waar het vuur van Pasen mag gaan wakkeren dat de hele wereld gaan ontsteken.

Ook wij mogen in beweging komen. De Heer verschijnt niet in ons leven zodat we in onze stoel mogen blijven zitten, of ons ingraven, afschermen van anderen, wég van moeilijke ontmoetingen. Dat is wat dit Paasevangelie tussen de regels zegt: 

Ga naar buiten, leef vanuit het geloof dat God alles nieuw maakt, de dood heeft verslonden en vernietigd.

Ga naar buiten en laat blijken dat de menselijke waardigheid onaantastbaar is, dat alle mensen geroepen zijn om in die vrijheid te leven. 

Ga naar buiten en kondig de mensen de bevrijding aan, een vrijheid van alles wat ons wil verscheuren, wil verdrukken of onderdrukken. 

Zo mogen wij als de Verrezen Christus verschijnen in het leven van 

anderen. In openheid elkaar ontmoeten en de vreugde waaruit we zelf leven mogen we delen met anderen.

Amen.

 

 

Thursday, 6 April 2023

Witte Donderdag

 Beste vrienden

 

Weinig dingen zijn belangrijker in het leven dan dat je op bepaalde momenten samen eet. Dat je elkaar ontmoet en met elkaar datgene deelt wat leven geeft. Voedsel is niet zomaar brandstof, geen uitgewogen verzameling calorieën en voedingsstoffen. Voedsel, en het delen van voedsel bij maaltijden geeft ook betekenis aan ons leven. Geen maaltijd in ons leven is betekenisloos, en sommigen blijven ons ons hele leven bij.

Voedsel voedt niet alleen ons lichaam maar ook onze ziel. Dat maakt het Laatste Avondmaal dan ook zo belangrijk. Het is de meest betekenisvolle maaltijd die er was want we vieren op deze avond de instelling van de eucharistie (en daarmee van het priesterschap, want het één bestaat niet zonder het ander)

Over de volle betekenis van de eucharistie kun je boeken vol schrijven, ik wil er kort, hier en nu aan het begin van het Triduum van Pasen een aantal punten uitlichten. Want net zo min als Witte Donderdag op zichzelf staat, staat de eucharistie op zichzelf. Álles wat betekenis heeft wijst naar iets dat verder gaat dan de uiterlijkheid en de oppervlakte. De betekenis van dingen gaat voorbij wat we met eigen ogen zien, met eigen oren horen.

Er zijn voor de eucharistie veel woorden en namen. De catechismus noemt negen verschillende namen. Ik wil er een paar uitlichten die voor vanavond en voor de rest van het Triduum : Goede Vrijdag en Paasnacht van bijzonder belang zijn.

Allereerst zoals gezegd de eucharistie is maaltijd des Heren. Niet zomaar één maaltijd onder anderen maar één van de definiërende momenten in het leven van Jezus en Zijn leerlingen. Als maaltijd, samenkomst rond de tafel verbindt het ons met het leven van het Volk van God van het vroegste verleden tot de verste toekomst. De eucharistie wijst terug naar de Joodse Paasmaaltijd waarmee de bevrijding uit Egypte gevierd werd, de bevrijding die wij ook benoemen in de Paasnacht (in de Paasjubelzang en de lezing uit Exodus 14). De eucharistie wijst ook vooruit, naar de kerk in de Hemel, naar het bruilofstmaal van het Lam. De eucharistie bindt ons samen in de tijd.

Met de woorden gedachtenis en Heilig Offer drukken we uit dat de Eucharistie niet zomaar symbolisch verwijst naar Gods heilsplan maar dat het daadwerkelijk gegrond is in de gebeurtenissen van Goede Vrijdag en Pasen. De eucharistie herhaalt het offer van Jezus aan het kruis niet, maar stelt het werkelijk tegenwoordig. Waar de eucharistie gevierd wordt, vinden we het lijden en de verrijzenis van de Heer. Niet als numerieke herhaling, dat kan niet. Maar zoals in het Jodendom wordt gezegd – het Jodendom dat ook deze dagen zijn Paasfeest viert – wanneer je je iets plechtig herinnert wordt het tegenwoordig gesteld voor je – dan ben je er werkelijk bij aanwezig. Het is niet meer ver weg, maar je verbindt het met je leven.

Daarom is Witte Donderdag ook niet los verkrijgbaar: we sluiten de viering niet af met een zegen en een slotlied maar gaan straks in stilte uiteen, de nacht van Goede Vrijdag zal na deze viering direct beginnen. Het altaar wordt ontbloot, er blijft slechts een kale offersteen over. Het tabernakel wordt  leeggehaald. Het eucharistische brood gaat naar het rustaltaar zoals Jezus naar de Tuin van Olijven.

Er is geen eucharistie zonder gedachtenis, er is geen eucharistie die geen offer is.

Als dit alles is geschied en we van de vrouwen horen dat Jezus is verrezen dan wordt de werkelijkheid van de eucharistie ons duidelijk. Dan pas! Niet eerder. De leerlingen in Emmaus ontmoeten Jezus bij het Breken van het Brood. Als we horen breken en delen dan is dát de werkelijke betekenis. Jezus als gastheer zegent het brood, breekt het brood en deelt het brood, zodat wij Hem kunnen herkennen als de Verrezene.

Als we dit weten kunnen we zeggen dit is de eucharistie , want dat woord betekent niet meer dan dankzegging. We zeggen God dank voor alles wat Hij voor ons doet, al Zijn werken. De schepping, onze verlossing, en onze heiliging. Die drie dingen is wat God voor ons bewerkt, voor die drie dingen zeggen wij dank.

Tenslotte is de eucharistie de Mis. Als we eucharistie gevierd hebben worden we op missie gestuurd, dat is hetzelfde woord. We worden uitgezonden in de wereld om alles wat God voor ons doet en voor ons wil waar te maken in ons leven en in de wereld.

Mogen wij ons deze dagen gereed maken voor deze missie: verbonden met het Bijbelse verleden en alle mensen om ons heen, de Heer ontmoeten en Hem verkondigen, al onze dagen.

Amen.

 

 

Saturday, 25 March 2023

Vijfde Zondag Vastentijd

 

In die tijd
was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw, die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.
De zuster van Lazarus stuurde Jezus de boodschap:
“Heer, die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”

Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”
(De leerlingen zeiden:
“Rabbi , nog pas probeerden de Joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
Maar gaat iemand ‘s nachts, dan stoot hij zich,
omdat het licht niet in hem is.”

Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga er heen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden, dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij, dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”)

Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
(Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.)
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
Maar zelfs nu weet ik,
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag.”
Jezus zei haar:
“Ik ben de verrijzenis en het Leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
(Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de Joden, die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op haar plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de Joden, die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering) en diep ontroerd
sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, Heer.”
Jezus begon te wenen,
zodat de Joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij, die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen, overviel Jezus opnieuw een huivering.
Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neem de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.”
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet, dat als gij gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
Toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij,
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maakt hem los en laat hem gaan.”
Vele Joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Hij gedaan had,
geloofden in Hem.

De Heer zoekt de mensen op die er niet toe doen. De afgelopen weken hebben we bijvoorbeeld gelezen over de Samaritaanse vrouw. Een buitenstaander het Joodse volk. De blindgeborene, een uitgestoten gehandicapte met een te grote mond, en nu Lazarus die overleden is. 

Al deze mensen worden gekenmerkt door machteloosheid, door geen greep te hebben op het leven. Elke zondag wordt de machteloosheid waaruit Jezus redt dieper, onverbiddelijker.

De Samaritaanse vrouw is relatief machteloos. Zij is een vrouw, behoort tot een gehate minderheid en is zelfs binnen die groep uitgestoten. Onder de mensen is zij één van de vele gezichtslozen die op haarzelf teruggeworpen zich een weg door het leven moet banen. Zij moet elke dag opnieuw weer incasseren zonder uitzicht op bevrijding. Tot Jezus komt.

De blindgeborene is er misschien nog slechter aan toe. Hij is gehandicapt, hij kan niet werken. Hij moet bedelen. En tijdens die vernederende activiteit moet hij dan ook nog toehoren over hoe het eigenlijk zijn eigen schuld is dat hij er slecht aan toe is. Want voor de farizeeën is het duidelijk, alle ongeluk in de wereld is een straf van God, dat is een straf voor een of andere zonde. Dat zit zo diep dat als Jezus en zijn leerlingen langs hem lopen de leerlingen niet mét hem praten, maar over hem. “Goh Jezus, vertel ons eens wat voor zonde deze man gedaan heeft”. Alsof hij er niet is. Alsof hij onzichtbaar is. Zijn mens-zijn wordt niet erkend, niet gekend, maar ontkend. 

En dan Lazarus. Lazarus is er nóg slechter aan toe. Want hij is er niet meer. Niemand is zo marginaal als wie overleden is. Je kan niets meer vasthouden in deze wereld, je moet alles loslaten. Hoeveel je nog zou willen doen of betekenen, het kan niet meer. Of je nou ziek was of gezond. Zolang je ín de wereld bent kun je nog een rol spelen in het leven van mensen, al is het maar door mee te leven met wat ze doen. Wie doodgaat moet alles achterlaten. 

Er kan nog aan je gedacht worden, je kan nog herinnerd worden – maar daar ben je zelf niet meer bij. Het is niet eens meer dat de wereld je niet meer ziet, je bent er gewoon niet meer. De dood betekent, absolute machteloosheid.  In de grondleggende tradities van onze cultuur is dit zo begrepen. De joden begrepen het dodenrijk als een domein van stof en as, waar niets van waarde kon worden verricht. 

In de Odyssee, dat grote Griekse epos waarin de held Odysseus door wereld en onderwereld trekt ontmoet hij in het dodenrijk de held Achilles en het is duidelijk dat hij geen dode onder de doden is, hij is geen schim zoals de gewone doden, maar een Heer van de Onderwereld. En toch zegt hij, de trotse Achilles: Ik zou liever de slaaf van een andere man zijn, een landarbeider die zich aftobt op het veld / dan hier te heersen over alle doden”  

Dood zijn is de ultieme machteloosheid. 

Het Joodse volk heeft veel ervaringen van machteloosheid gekend. Als de joden worden weggevoerd naar Babylon lijkt alles voorbij. Ballingschap was het begin van het einde van een volk, je raakte je taal kwijt en je eigenheid, en binnen een paar generaties was je Babyloniër geworden. Zouden alle beloften van God dan teniet worden gedaan? Is alles dan voorbij? 

Dat is de situatie waarover de profeet Ezechiël spreekt. De doden waar het over gaat, dat is in de eerste plaats het joodse volk. Het geloof in het eeuwig leven heeft zich later ontwikkeld. Bij Ezechiël is er al wel de zekerheid dat dít niet het einde is, dat God trouw is aan zijn beloften, dat hij zijn volk niet ten onder laat gaan. Als de joden in Babylon om zich heen kijken zien zij niets meer behalve dode beenderen, de brokstukken van hun volk. Maar God zegt: dit is het einde niet. Het volk zal weer opnieuw tot leven komen en terugkeren naar zijn huis, in het land dat ik hun beloofd heb.

De Wet van Mozes spreekt enkel over het voortbestaan na de dood als lichamelijk voortbestaan, voortbestaan als volk. Voor een mens betekent dat concreet: voortbestaan in je kinderen, in je kleinkinderen.  

Geen kinderen hebben was dan ook een grote beproeving, of zelfs een vloek, dat was een oordeel van God over je leven. Jij zou geen deel meer hebben aan de toekomst van het volk. Als je sterft heb je de uiterste marges van het bestaan bereikt. 

En ik bedacht me dat toen ik het Evangelie nog een keer las, dat er geen kinderen zijn, geen zoons geen dochters. Enkel twee zussen. Het staat er niet  letterlijk in de Bijbel maar er is geen aanwijzing dat hij kinderen had. Dat maakt de situatie nog pregnanter. Niet alleen is Lazarus nu dood, hij laat ook “niets achter”. Er is niemand meer die hem opvolgt. Wat de Wet van Mozes betreft is het verhaal van Lazarus is over en uit. Híj heeft geen toekomst meer.

Maar na de terugkeer uit de ballingschap is ook langzamerhand het geloof in de opstanding van de doden gekomen. Het geloof dat Gods beloften zich niet alleen uitstrekt naar het joodse volk als geheel, maar ook tot iedereen die deel uitmaakt van zijn verbond. Dat ieder mens die zijn hoop stelt op de Heer uit mag kijken naar het eeuwig leven bij God. 

Martha spreekt dat geloof al uit, nog onzeker en zoekend. Maar zij weet dat God meer van plan is. Zij weet dat er een verrijzenis van de doden zal zijn, ergens in de verten van een onbekende toekomst. En zij reikt tastend naar Jezus. Zou Hij het zijn die hier een rol in speelt? Jezus, die al zoveel wonderen gedaan heeft die onmogelijke dingen heeft gedaan. Een blinde zelfs het zicht heeft teruggegeven? 

En Hij doet dat onmogelijke. Hij alleen doet dat.

En als Jezus hem tot leven wekt dan doet hij dat door hem bij zijn naam te noemen. Zijn naam wordt genoemd door zijn vriend Jezus. Hij spreekt niet over hem , hij spreekt niet langs hem heen, hij zegt niet dode, sta op. Maar: Lazarus.. 

 Lazarus.

 Lazarus, sta op. 

 Lazarus, kom naar buiten. 

 Ik ben het. 

 Jezus.

 Jezus wekt Lazarus op, niet door magie of met een techniek maar met zijn roepstem, hij roept Lazarus, zijn goede vriend Lazarus, terug. Door hem te roepen, te noemen met zijn naam. Lazarus wordt niet vergeten, Lazarus wordt niet ontkend. Lazarus wordt erkend, wordt gekend. En zo weer tot leven gebracht. 

Al midden in het leven kunnen we al in de dood zijn. Als we mensen naar de rand duwen, of er zelfs overheen, maken we ze al dood. Als we niet meer mét mensen willen praten, maar alleen over ze, dan nemen we ze al iets van het leven af. Als we gewild blind zijn voor een ander, dan nemen we ze iets van het leven af. Het was geen toeval dat het eerste wat van je afgenomen werd in de concentratiekampen was je naam. Je werd, letterlijk een nummer. Dat nummer werd op je arm getatoeëerd. Als teken van ontkenning, als teken van de dood.

Maar omgekeerd: als we anderen noemen bij hun naam, ze komen opzoeken, naar ze vragen – dan komen ze weer wat tot leven. Dan sijpelt er weer iets van God, de bron van al het leven, door de opgeworpen muren van de dood heen. 

Zo leven we al toe naar de verrijzenis, naar het eeuwig leven dat van God komt. Ons dagelijks leven en het eeuwig leven zijn nauw met elkaar verbonden. Je kan het eeuwig leven niet beërven als je niet instaat voor het leven van de ander, als je anderen niet wil zien, anderen niet wil noemen, anderen niet wil ontmoeten. Omgekeerd geldt ook, wie wil omzien naar zijn naaste, wordt ook gezien door God, en mag uiteindelijk God zelf zien in al zijn majesteit. 

De openingen naar het eeuwig leven zitten in de barsten en gaten van deze wereld, de barsten en gaten waar mensen doorheengevallen zijn. De barsten en gaten zijn voor ons een weg naar dat onzichtbare en ongenoemde leven van anderen - en voeren ons naar het eeuwig leven in het licht van God. 

Amen.