Saturday, 7 October 2023

27e zondag door het jaar A

 

In die tijd sprak Jezus
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: “Luistert naar deze gelijkenis:
Er was eens een landeigenaar, die een wijngaard aanlegde;
hij zette er een heining omheen,
hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren.
Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers
en vertrok naar den vreemde.
Toen de tijd van de oogst gekomen was,
zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers
om de opbrengst in ontvangst te nemen.
Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast.
Zij mishandelden de een, doodden de ander
en stenigden een derde.
Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten;
maar zij behandelden hen op dezelfde manier.
Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe,
in de veronderstelling dat zij zijn zoon wel zouden ontzien.
Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden ze onder elkaar:
Dat is de erfgenaam;
vooruit, laten we hem vermoorden
en ons zijn erfenis toeëigenen.
Ze grepen hem vast,
wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem.
Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt,
wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?”
Ze antwoordden Hem:
“Hij zal die misdadigers een ellendige dood doen sterven
en zijn wijngaard
zal hij aan andere wijnbouwers verpachten,
die hem de opbrengst
op de vastgestelde tijd zullen afdragen.”
Toen sprak Jezus tot hen:
“Hebt gij nooit in de Schrift gelezen:
De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd,
is juist de hoeksteen geworden.
Op last van de Heer is dat gebeurd
en het is wonderbaar in onze ogen.
Daarom zeg Ik u:
Het Rijk Gods zal u ontnomen worden
en gegeven aan een volk
dat wel de vruchten daarvan opbrengt.”

 

Beste vrienden

Wat een moeilijke lezing om vandaag te horen. Nadat we gisteren bedolven zijn onder akelige berichten en zelfs afzichtelijke beelden van de aanslagen in het grensgebied van Israël en de Gazastrook. Dan ga je naar de kerk voor een woord van vrede en, tja. Dan krijgen we deze lezing.

“Evangelie” betekent “goed nieuws”, maar waar zit het goede hem in?

“De wijngaard des Heren is het huis van Israël”, zo lazen we uit Jesaja 5. Dat bidden we dan na de eerste lezing ook nog eens als keervers van de psalm. 

En dán horen we het verhaal van de boze wijnbouwers. Een verhaal waarbij het bloed van de bladzijde afdruipt. En wordt in Jesaja 5 de wijngaard een woestenij, zo sterven de boze wijnbouwers eenzelfde ellendige dood als die ze uitgestort hebben over de dienaren en de zoon van de Eigenaar.

Waar vinden we goed nieuws? Op de televisie? Nee! Op het internet? Nee. 

Het is kommer en kwel en schrik alom. Een orgie van geweld wordt over twee volken uitgestort. Daar is geen goed nieuws. Zelfs een tijdelijke overwinning en een tijdelijke nederlaag zullen geen vrede brengen; hooguit een adempauze tot de volgende ronde.

Waar vinden we goed nieuws, en vrede? Op deze bladzijdes? In dit bloeddoorweekte verhaal?

Ja. Ik zeg u, ja. Daar is goed nieuws te vinden. Áls we het evangelie niet horen als een nieuwsbericht dat ademloos voorgelezen wordt. “EIGENAAR NEEMT GRUWELIJK WRAAK OP WIJNBOUWBENDE, TIENTALLEN DODEN, PAGINA 4 INTERNATIONAAL”

Zó niet. Dan is er geen vrede, enkel opwinding.

Waar dan wel? Waar in dit evangelie vinden we dát waar we naar verlangen?

We slaan het verhaal weer op. We horen een gelijkenis van Jezus, hij gebruikt hele herkenbare beelden. De wijngaard, die kan staan voor het Heilig Land of voor het Joodse volk. En die wijngaard is niet van jou. Daar mag je van leven, daar mag je het goed hebben, daar mag je genoeg hebben… Maar je kan nooit zeggen hij is van mij, ik kan er mee doen en laten wat ik wil.

Wat je van God krijgt, wordt nooit helemaal van jou. Je moet er mee aan de slag, je moet tijd en energie aan God afdragen. Maar je kan nooit zeggen niemand heeft hier iets mee te maken, het is geheel en al van mij. Niemand anders heeft er ook maar enig recht op. Ik ben niemand wat verschuldigd.

Dat kunnen we zeggen over kleine dingen, over grote dingen. We kunnen het zeggen over het kleine domein van ons lichaam, we kunnen het zeggen over onze aangeboren talenten. We kunnen het zeggen, zoals de hogepriesters en de oudsten dat doen, wanneer zij hun ambt en hun bevoegdheden gaan zien als hun eigendom. Zoals de wijnbouwers, de pachters, naar hun wijngaard kijken.

Maar als de realiteit terugduwt, en je gewezen wordt op je verantwoordelijkheid - zoals de wijnbouwers bezoek krijgen van de dienaren van de eigenaar – dan gaat het van kwaad tot erger. De illusie van macht en het waanbeeld dat je het recht aan je kant hebt drijft je voort. En je gaat daadwerkelijk geloven: nog één grote klap, één grote slag en dan is de ander uitgeschakeld. Dan win ik het. Dan is alles van mij!

En ze slaan die slag, ze lijken te winnen. Wie houdt hen tegen? Zelfs de zoon van de eigenaar ontzien ze niet. Is hun macht nu niet absoluut?

Maar dan lezen we het vers:

De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd,
is juist de hoeksteen geworden.

De zaak van God wordt nooit verwerkelijkt door de gladste politicus, of door de spreker die het beste kan liegen. God staat niet zomaar aan de kant van het grootste leger, en zeker niet aan die van de wreedste terrorist. Waar men naar de wapens grijpt in de hoop zich meester te maken van wat van een ander is, daar zullen we God niet vinden. Hoeveel vrome woorden er verder misschien gesproken worden door allerlei staats-geestelijkheid.  

Daar blijft God vandaan.

En als God ergens vandaan blijft, dan verandert wat je dacht te hebben in een ellendige woestenij. De grond die genoeg opleverde, waar je tevreden mee kon zijn, dat wordt tot een vloek, een distelveld, een molensteen om je nek. Je buit wordt je dood.

Maar God gaat iets nieuws bouwen, met wat door anderen verworpen is.

God gaat verder met datgene wat legers en terroristen verwerpen. Dat wat vertrapt wordt, daar is je hoeksteen, daar moet je kijken. Daar ligt je hoop, daar je vrede. Wat zij niet willen, is wat jij moet zoeken.

God laat dit zien in Jezus. Jezus wordt gewelddadig verworpen. Hij kwam in het Zijne en het Zijne erkende Hem niet. En hij wordt verpletterd en onteerd door de machten. Iedereen die iemand is, is er als de kippen bij om bij te dragen aan zijn ondergang. Er blijft niets van hem over. Een lijk in een graf. Over en uit. “Weer een uitdager overleefd” moet iemand als Kajafas gedacht hebben. Kajafas is uiteindelijk achttien jaar hogepriester geweest. Een meester van het spel. Niemand kon zo goed problemen oplossen en moeilijkheden overleven als hij. Maar hij kan het tij niet ophouden. Ze hebben nog vijfendertig jaar. Dan stort alles in. Het is onvermijdelijk, het kan niet meer worden gered. Geen machtsmiddel houdt de muren van de stad nog overeind.

Hun tijd gaat voorbij. God bouwt een nieuwe toekomst vanuit het lege graf van Jezus. Een toekomst van vrede. Wij mogen die vrede zoeken, die vrede vinden, die vrede uitdragen. Ons niet laten meesleuren door elke golf van opwinding maar leven naar het voorbeeld van de heer.

Doen wij dat, zo lezen we in het epistel van vandaag dan blijft God niet van ons vandaan, dan blijft ons leven vruchtbaar zaad. En dus afsluitend met de woorden van Paulus die we vandaag lazen:
 
Laat al uw wensen bij God bekend worden
in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging.
En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.

 

Amen.

Thursday, 28 September 2023

26e zondag door het jaar A

In die tijd zei Jezus
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
“Wat denkt ge van het volgende?
Een man had twee zonen.
Hij ging naar de eerste toe en zei:
Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed vader, antwoordde deze, maar hij deed het niet.
Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde.
Deze antwoordde: Neen, ik wil niet,
maar later kreeg hij spijt en ging toch.
Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?”
Zij antwoordden: “De laatste.”
Toen zei Jezus hun:
“Voorwaar, Ik zeg u:
de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen.
Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid;
toch hebt gij hem geen geloof geschonken,
terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen
hem wel geloof schonken.
Maar zelfs, nadat ge dit had gezien,
zijt ge toch niet tot inkeer gekomen
en hebt ge hem geen geloof geschonken.”


Beste vrienden


Niet alles is wat het lijkt te zijn. De buitenkant rijmt niet altijd op de binnenkant. Het domein van het hart en de openbare wereld waarin we onze rollen spelen zijn twee dimensies. Als het goed is zijn die in harmonie met elkaar, vormen die één geheel. 


Maar het kan ook dat ze wijd uit elkaar lopen. Dat is waar Jezus vandaag over spreekt. 

We vallen, zoals wel vaker pats-boem een redevoering binnen. Een strijdgesprek zelf. Jezus aan de éne kant, en de Hogepriesters en Schriftgeleerden aan de andere kant. Maar we moeten ook weten wáar zich dit alles afspeelt, en wat er aan voorafging. 


Een korte inleiding dus: 

Dit strijdgesprek vindt plaats in de Tempel in Jeruzalem, en de dag ervoor is Jezus Jeruzalem binnengehaald. Hij wordt door het volk en door de kinderen toegezongen als de nieuwe koning die álles anders gaat maken. Daarna vindt in dit evangelie de Tempelreiniging plaats: die heilige plaats van gebed is een rovershol geworden en moet met kracht worden hersteld. Vervolgens wordt Jezus uitgedaagd door de Hogepriesters en Schriftgeleerden, maar wordt duidelijk dat aan alles wat zij zeggen en denken politieke afwegingen ten grondslag liggen. 

Dát is de achtergrond van dit strijdgesprek. 


Jezus toont zich. Dat gebeurt door heel het Evangelie heen. Het wordt langzaam ingeleid. Na drie jaar rondtrekken met zijn leerlingen wordt langzaam maar zeker steeds duidelijker wie Jezus is, het geheim wordt stukje aan beetje geopenbaard. En het laatste hoofdstuk van die openbaring, die ontsluiering van wie Jezus werkelijk is, en wat Hij werkelijk komt doen vangt aan in de stad Jeruzalem. Daar komen alle lijnen tussen Hemel en aarde bijeen. Daar bevindt zich het brandpunt waar alle stralen samenkomen: de Tempel. 


De Tempel is het dramatische middelpunt van het joodse leven in deze tijd. Als Jezus zich openbaart in zijn rol dan moet uiteindelijk dáár. Voor de eigen leerlingen, in klein comité? Ja, dat kan op een berg in het buitengebied. Maar uiteindelijk moet Hij hier zijn: de plaats waar de grens tussen hemel en aarde het dunst is, waar maar een enkele stoffen voorhang het Aardse en het Absolute van elkaar scheidt. 


Maar de Tempel, die heilige plaats waar God aanwezig is onder de mensen is ook de plaats waar God buiten zicht gehouden wordt. De plaats die Hem tegenwoordig stelt, is tegelijkertijd de plaats die Hem verbergt. Die zijn afstand benadrukt. 


En als Jezus komt, en God openbaart voor wie Hij is, dan moeten er dus dingen gebeuren. Dat kan niet anders. De tijd van de openbaring is altijd ook de tijd van de waarheid. Alles wordt zichtbaar gemaakt.


En wát wordt zichtbaar gemaakt? In de eerste plaats de mensen die verantwoordelijk zijn voor die Tempel: de mensen die verantwoordelijk zijn voor het juiste geloof, de juiste offers, het juiste gedrag. En wát in hen zichtbaar wordt is dat dat ook de mensen zijn die deze rol niet waar maken. 


We horen een verhaal over twee zoons: de één lijkt goed, líjkt zich in te zetten, maar doet het niet. De ander líjkt op afstand te staan maar is uiteindelijk toch degene die doet wat er van hem gevraagd wordt. Deze zoons staan voor twee groepen: de insiders en de buitenstaanders. 

De insiders: de hogepriesters en schriftgeleerden worden door Jezus beschuldigd dat hun relatie met God alleen maar buitenkant is. Net als de tempel schitteren ze in de maatschappelijke zon. Maar van binnen is er slechts een lege holte.


Ze zijn niet integer - en het woord integer wil zeggen: dat je uit één stuk bent, dat wie je bent en wat je zegt op elkaar passen. 

Dat hebben ze zelf al laten zien, dat blijkt uit wat ze zeggen. We weten het impliciet al. We zien het, we voelen het. Er klopt iets niet. Maar nu wordt het hardop gezegd. Door Jezus zelf. Ze worden niet alleen gewogen , maar ze worden zelfs te licht bevonden. 


En aan de andere kant, zien we met wie ze vergeleken worden. Met absolute buitenstaanders, deviante types waar niemand naast wil zitten. Onreine mannen en vrouwen. Tollenaars, die heulen met de Romeinen, en vrouwen die de mannen wel willen gebruiken maar niet willen zien. Het is in die wereld schaamtevol om ze zelfs maar te noemen. Het is vernederend om zelfs maar met hen vergeleken te worden. En we kunnen maar proberen voor te stellen hoe vernietigend het is om vervolgens negatief met hen vergeleken te worden. 


Hoe worden ze vergeleken? Er wordt niet gezegd dat de tollenaars en de ontuchtige vrouwen zoveel beters gedaan hebben. Er wordt door Jezus gezegd dat ze, net als de tweede zoon, spijt hebben en zich voornemen om het anders te doen. Er staat niks over perfect berouw of dat ze opeens zich als heiligen gaan gedragen, maar wel dat ze stappen zetten om het oude achter zich te laten. 


Terwijl de priesters en schriftgeleerden verhard zijn in de rol die ze spelen - en geloven dat ze geen bekering nodig hebben. Een oude Griekse wijze zei eens: we kunnen eigenlijk niets écht weten, maar ik wéét tenminste dat ik niets weet en daarom lig ik al voor op de anderen.

Zo is het ook een beetje met de rechtvaardigheid voor God. We schieten allemaal te kort als we ons met God vergelijken. Niemand raakt daaraan. Maar wie weet dat hij of zij tekortschiet en elke dag stappen zet om het beter, anders te doen - en hoopt op Gods liefdevolle ontferming en openbaring, is veel verder dan mensen die verstrikt blijven in fatsoenlijk zelfbedrog.

Misschien dat wij ons niet herkennen in één van de twee zoons. We zijn noch machthebbers, noch verlaten en verworpen buitenstaanders. De meeste van ons zitten een beetje in het gemiddelde.


Dan is het gevaar misschien om te denken: ik herken mij in geen van beiden, dus vandaag gaat het even niet over mij. 

We kunnen het ook omdraaien en zeggen: ik hoor niet volledig toe tot één van beide groepen, maar ik heb beide kanten in me. Een buitenkant waarvan ik wil dat die er goed uitziet, dat mensen mij positief waarderen, als een goed mens - en waarschijnlijk ook wel een binnenkant waarin wij zien dat we nooit zo goed zijn als we ons voordoen. Dat is geen ramp trouwens, dat we dat zo voelen. Als we het maar duidelijk hebben. Niet geloven dat de rol die wij spelen ons  werkelijke leven is en de volheid van onze relatie met God omvat. 


God is groter dan wij ons kunnen voorstellen. Wijzelf kunnen zoveel meer zijn dan onze rol, of dan wat wij ons voorstellen. Maar we kunnen het pas beginnen te vatten als wij ons niet laten voorstaan op de rollen die wij spelen, maar uiteindelijk kunnen zeggen dat we slechts “onnutte knechten” zijn (Lucas 17:10). Dat maakt ons vrij om te groeien, om meer te worden, om meer te zijn. 


Amen. 










Saturday, 23 September 2023

25e zondag door het jaar A

 

Dat is niet eerlijk!!

 In die tijd vertelde Jezus aan zijn leerlingen de volgende gelijkenis:
“Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar,
die vroeg in de morgen uitging
om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag
en stuurde ze naar de wijngaard.
Rond het derde uur ging hij er weer op uit
en zag nog anderen werkeloos op de markt staan.
En hij zei tot hen:
Gaat ook naar mijn wijngaard
en ik zal u geven wat billijk is.
En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij nog eens uit en deed hetzelfde.
Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit
en vond er weer anderen  staan.
Hij zei tot hen:
Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?
Zij antwoordden hem:
niemand heeft ons gehuurd.
Daarop zei hij tot hen:
Gaat ook gij naar mijn wijngaard.
Bij het vallen van de avond
sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester:
Roep de arbeiders en betaal hen uit,
te beginnen bij de laatsten en zo tot de eersten.
Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie;
toen nu ook de eersten  kwamen,
meenden dezen dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie.
Ze namen hem wel aan,
maar begonnen tegen de landeigenaar te morren
en zeiden:
Dezen hier, die het laatst gekomen zijn,
hebben maar één uur gewerkt
en gij stelt ze gelijk met ons,
die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen.
Maar hij antwoordde één van hen:
Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
Neemt wat u toekomt en ga heen.
Ik wil aan degene die het laatst gekomen is,
evenveel geven als aan u.
Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies
of zijt gij kwaad, omdat ik goed ben?
Zo zullen de laatsten de eersten
en de eersten de laatsten zijn.”

Broeders en zusters, als u kinderen heeft bent u vast bekend met de uitroep:

“Ja maar, dat is níet eerlijk!!”

En dat u dan misschien wel gezegd heeft: “jammer dan, het leven ís ook helemaal niet eerlijk.”

En zo is het. Het leven is niet eerlijk. En dat steekt ons. Ook als we volwassen zijn. Nu roepen we misschien wel niet “dat is niet eerlijk!!” als we niet krijgen wat we verdienen. Maar we denken het wel. En we zeggen het soms op twitter of op Facebook. Maar we hebben geleerd dat ónze woorden het verschil niet gaan maken. Het leven is immers niet eerlijk – en we hebben geleerd er niet altijd teveel van te verwachten.

We kunnen ook gevoelens van oneerlijkheid voelen als we zien dat een ander voor ons gevoel wordt voorgetrokken, wij krijgen misschien wel loon naar werken, maar de ander krijgt hetzelfde loon voor een stuk minder inzet. Ook dan speelt ons rechtvaardigheidsgevoel op. We voelen ons tekortgedaan, ook al komen we zelf misschien niks tekort.

Daar gaat het verhaal van deze zondag over. Over de oneerlijkheid van God. God is namelijk best vaak  oneerlijk. Maar God is op een andere manier oneerlijk dan de wereld oneerlijk is! (En dat is maar goed ook!)

We hebben de afgelopen zondagen verhalen gelezen over schulden, soms enorme bedragen, die al dan niet werden kwijtgescholden of soms tot de laatste cent moesten worden terugbetaald.

Al die verhalen zetten ons rechtvaardigheidsgevoel onder druk. Want het is ergens wel eerlijk als je je schuld die je zelf bent aangegaan terugbetaalt. Voor mensen die altijd netjes elke maand hun hypotheek en studieschuld aflossen is het niet per se fijn als de ander van een schuld van meerdere tonnen wordt afgeholpen door een genadige schuldeiser.

U hoort de hardwerkende burger, die altijd betaald heeft, al mopperen “en ik maar sappelen, en zij maar de bloemetjes buitenzetten!”

Héél oneerlijk. En God doet dat dus continu, schulden waarin mensen vastgelopen zijn kwijtschelden. Of mensen het volle dagloon geven voor …. Toch niet echt dezelfde inzet. De werkers van het elfde uur krijgen hetzelfde loon als de degenen die de volle dag gewerkt hebben. Hoe oneerlijk is dat wel niet? De één die zijn hele leven zich aan alle regels van de wet gehouden heeft, of misschien als religieus  of vrijwilliger zich altijd inzet voor anderen kan hetzelfde loon krijgen als iemand die misschien pas op het laatste moment een miljoenenschuld mag laten kwijtschelden door God.

Want laten we eerlijk zijn: het is makkelijk mensen te wijzen op hun schulden, vooral als we weten dat ze nooit kunnen worden afgelost. Dan kun je mensen altijd gevangen houden in hun eigen schuld. En wij kunnen dan gekleed in het cipiersuniform van onze rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid blijven zitten waar ze zitten. Zo zijn “wij” dan altijd beter dan “zij” en dat voelt natuurlijk heel fijn. Eerlijkheid is misschien wel eerlijk, maar niet altijd goed.

Het is maar goed dat God dan een beetje oneerlijk is, ten behoeve van de mensen die wij misschien hebben neergeslagen met onze moraalknuppel.

En als we er ons over zouden beklagen zegt God hetzelfde tegen ons als tegen de dagloners: maar wat, beste vriend, kom jij dan tekort als ik vanuit mijn rijkdom genade en vrede geef aan alle mensen, ook degenen die het volgens jou niet verdienen? Kom jij dan iets te kort? Ik dacht het niet.

En dat is een belangrijke les. Als we alleen maar letten op wat wij verdienen – en wat anderen ons schuldig zijn - dan kunnen we nooit een stap zetten naar de ander toe. Want er zullen altijd mensen zijn die zichzelf in een hoek geverfd hebben, die hun zaken niet op orde kregen, die rood staan naar anderen toe, die verkeerd hebben gedaan. En dan kun je twee wegen gaan: de weg dat je zegt “je komt er niet uit totdat je de laatste cent terugbetaald hebt van wat je hebt uitstaan”, of dat je zegt: “de schuld is niet het laatste woord, we gaan samen naar een toekomst toe waarin we er allebei mogen zijn, en we onderhandelen wat er goedgemaakt moet worden, en wat we tegenover elkaar kwijtschelden”

Elke stap naar vrede is ook een stap van kwijtschelding. Als er een conflict is geweest tussen twee of meer partijen of landen dan is er een situatie waarin iedereen bij elkaar in het krijt staat.

Als landen dan toch weer een vredesverdrag sluiten, elkaar gaan erkennen – tegen elkaar zeggen dat ze mogen bestaan – en ambassadeurs gaan uitwisselen (dat wil zeggen: beter en directer met elkaar gaan praten) dan is dat een grote stap.

De schulden uit het verleden zijn daarmee nog niet weg - maar het is al een stap als je zegt: “de schulden zijn niet meer allesbepalend en niet alles moet nu worden afgelost en opgelost voordat we ook maar de eerste stap zetten.”

In het klein, in ons dagelijks leven en in het groot mogen we dan omzien naar kansen om elkaar niet in schulden gevangen te houden om pijn uit het verleden niet allesbepalend te laten zijn en de weg open te houden naar een toekomst waarin er sprake mag zijn van vergeving en vrede.

Vrede in ons huis, vrede in de wereld.

Amen.