Sunday, 2 November 2025

Allerzielen 2025

 Het was nu omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe,

doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhang­sel van de tempel scheurde middendoor. Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest. Nu was er een zekere Jozef, lid van de Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man. 
Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Na het van het kruis genomen te hebben, wikkelde hij het in een lijkwade. Vervolgens legde hij Hem in een graf, dat in een steen was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand was neergelegd. 
Op de eerste dag van de week echter gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden de steen weggerold van het graf, gingen binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. 
Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: ‘Wat zoekt ge de levende bij de doden? 
Hij is niet hier, Hij is verrezen.’

Beste vrienden, 

Deze zondag is een andere dan anders. We zijn we bij elkaar voor de Gedachtenis van Allerzielen, de dag in het jaar dat we bijzonder denken aan alle mensen die ons dierbaar waren en ons zijn voorgegaan in de dood. 
En dan vooral aan de mensen die we goed kenden, familie of vrienden.

Soms als iemand erg oud is en zijn of haar leven geleefd heeft, kunnen we zeggen: het is goed geweest. Maar soms overlijden mensen onverwacht. Dan voelen we geen vrede, maar ontzetting. En diepe pijn. 

Een pijn die zo diep gaat, dat het jaren kan duren voordat het litteken zich gevormd heeft. Want het leven slaat littekens. De wond kan dan wel uiteindelijk genezen zijn, maar we kunnen nog steeds zien waar de wond zat. En ook na jaren kan het allemaal nog rauw voelen. Rouw 'verwerk' je niet, als was het een restproduct. 

Rouw is een gevoel dat ons niet alleen treft als we mensen moeten missen, maar ook als er een einde komt aan plaatsen, zaken of relaties die betekenis gaven aan ons leven. Als we afscheid moeten nemen van een huis, of een baan. Of een plaats die ons nauw aan het hart lag. 

Natuurlijk, het is van een andere orde. Maar ook dat gevoel van gemis is écht. Want rouw of verdriet is de andere kant van het gevoel van liefde en genegenheid. Daar horen gevoelens van verdriet en rouw bij. Dat is niet vreemd of raar. En het kan ons veel vertellen over wat er écht toe doet in het leven.
Maar onze gevoelens van rouw of verlies zijn ook niet het einde van het verhaal.  

Ik was een aantal jaren geleden in de sacristie van de Jozefkerk in Alkmaar. Die kerk was dichtgegaan. De gewaden en het vaatwerk werden weggegeven aan andere kerken. U kunt zich voorstellen dat dat wel even een moeilijk was voor de vrijwilligers van de Jozefkerk die er bij waren. Dat was een verdrietig moment.
Mijn oog viel op een oud vierstel – een koorkap, kazuifel en twee dalmatieken, nog van voor het Concilie - dat opgevouwen werd en zou worden meegenomen.

Ik moest toen denken aan de woorden van Jesaja: “Mijn leven” schrijft hij “is afgebroken, opgerold als een herderstent. Als een wever heb ik mijn leven gesponnen, bij de schering snijdt Hij (God) het af.”

Daar ligt het leven dan,als we aan het eind gekomen zijn.  Als een vierstel opgevouwen. Afgedaan. Klaar om opgehaald te worden. Wat zou er mee gebeuren? Het is oud en op. Zelfs wat er mooi aan is, is uit de tijd. Je kan het niet meer gebruiken. Het is geen 1952 meer. 

Toen het vierstel werd opgehaald vertelden die mensen me, dat het een nieuw begin zou krijgen. Het zou naar de missie gaan. De kostbare stof werd gebruikt  om nieuwe gewaden te maken voor de kerk in Ethiopië. Wat je dierbaar was krijgt nieuw leven op een onverwachtse plaats. Als je dat hoort, voel je je toch al weer iets minder verdrietig.

Toen moest ik denken aan de woorden uit de prefatie voor de overledenen: “Gij neemt het leven God niet van ons af. Gij maakt het nieuw.”

In het Evangelie lezen we over de dood en de verrijzenis van Jezus.  Hoe hij van het kruis wordt afgenomen, begraven. We kunnen ons voorstellen hoe er toen over Hem gepraat is door de mensen uit Jeruzalem. Hoe hij is afgedankt, afgesneden, zijn groep opgerold – en nu was het voorbij.

Het verhaal van Jezus zou het verhaal van alle mensen zijn. Als je leven voorbij is wordt je opgehaald en meegenomen en dat is het dan. En als je naam niet meer genoemd wordt, als je sporen zijn uitgewist dan is alles voorbij. Dan rest alleen nog een betekenisloze leegte.  

Maar Jezus laat zien dat het anders gaat. Hij doorbreekt de vanzelfsprekendheid van de dood en geeft het leven een nieuwe inhoud en betekenis.

Zo wordt het verhaal van Jezus het verhaal voor alle mensen. 
Want alle mensen zijn geroepen om te mogen leven bij God. Jezus is de “eerstgeborene van vele broeders”. Dat mag ons helpen als wij verdriet voelen. 

Er is een plaats voor ons gereedgemaakt in Gods Huis om daar te mogen wonen. De tent van ons leven wordt opgerold, maar alles wat goed was in ons leven krijgt een nieuwe plek in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. 

Als ons leven afgelopen is, gaan we dus niet als oude lappen op de hoop.

Wij worden nieuw gemaakt, gereinigd, zorgvuldig hersteld. Zo hersteld dat we meer zullen zijn dan we waren. Prachtig, nieuw, bij God, in zijn hemels Jeruzalem. 

Amen.

Saturday, 1 November 2025

Allerheiligen 2025

 Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op,

en nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem.
Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:
“Zalig de armen van geest,
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want hun behoort het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt,
vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil:
Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel.”

Beste vrienden,

Vandaag vieren we het Hoogfeest van Allerheiligen. In de katholieke kerk hebben veel heiligen een eigen plek op de kalender maar op Allerheiligen  vieren we alle heiligen – alle mensen die bij God in de hemel zijn – alle beroemde en minder beroemde mensen. Vooral de niet zo beroemde omdat we weten dat veruit de meeste heiligen in het verborgene leefden. 

Ze waren niet wereldberoemd, kwamen niet in de krant, hun verzamelde werken worden niet in leren banden met goud op snee uitgegeven. Nee. Het waren doodgewone mensen die het het gewone op een buitengewone manier gedaan hebben.  

De heiligen in de Hemel, leven in de nabijheid van God. Wie kan het zich voorstellen? Dat lukt ons niet met onze mensenverstand. Als we hier, midden op Aarde zijn, met al onze sores en problemen kan de blik naar boven een uitdaging zijn. Met de ogen van het geloof hebben we soms een beetje een gissende blik, en die mag ons vooruit helpen. 

Er is zelfs wel eens gezegd: die blik naar boven dat leidt maar af, dat is Opium voor het Volk – en het wordt nog steeds gezegd, al dan niet in andere bewoordingen. Het geloof, dat houdt de mensen maar braaf terwijl anderen het echte werk, het werk van barmhartigheid en rechtvaardigheid moeten oppakken. 

Wat hebben we dan toch een mooie lezing vandaag, op dat feest van Allerheiligen. Mattheüs 5. De zaligsprekingen. Die drukken uit dat er geen grens is, geen hoge muur, tussen hoe wij in het leven staan op de Aarde, en hoe het leven zal zijn in de Hemel bij God. 

In de katholieke traditie brengen we die grens ook niet aan. Er is maar één kerk die alle christenen op aarde en alle mensen in de hemel omvat. De traditie noemt dat de strijdende kerk op Aarde, strijdend tegen alles wat van God afbrengt, strijdend tegen kwaad en onrecht en voor de menselijke waardigheid. En dan is er ook de overwinnende kerk in de Hemel. Dan is de strijd gestreden en mogen mensen in vreugde putten uit het heil. 

Dán is de strijd gestreden, als we daar zijn. Niet eerder. Als de marxisten – of andere activisten– zeggen: “dat geloof leidt maar af”, dan is dat er hooguit een teken van dat de kerk op aarde haar roeping niet goed heeft gevolgd. 

We mogen niet berusten als we op ons pad naar heiligheid zijn. Dat is duidelijk – maar wat is de weg dan wel? De zaligsprekingen geven ons een antwoord. Het is een achtvoudig pad dat ons naar de zaligheid – het geluk dat van God komt – leidt. 

Je moet nederig van hart zijn  - het draait allemaal niet om ons, niet om ik en jij. Het ego speelt hier niet de eerste viool. 

Zalig ook de treurenden – alleen de treurenden begrijpen waar de gaten in de wereld zitten. Je kunt pas weten waar God moet zijn, waar je God moet brengen, als je het van de treurenden gehoord hebt.

Zalig de zachtmoedigen. Zachtmoedigheid, dat is geen zachtheid, maar het hebben van een goede wil die het heil van alle mensen zoekt. We zijn geen partijgangers: vóór dit of tegen dat, maar we willen ons voorbij het hier en nu laten leiden door wat allen nodig hebben. 

Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Let op er staat niet: wie gerechtigheid bewerkt, of voor elkaar krijgt. Dat is niet in onze handen. Dat kunnen maar een paar mensen, vaak mensen met macht. En deze boodschap is voor iedereen. Gerechtigheid bewerken is ons niet allen gegeven – maar er naar verlangen, haast niet kunnen wachten tot je die dag ziet waarop recht wordt gedaan. Ja, daar wordt je zalig van. 

Zalig de barmhartigen, want die kunnen in iedereen iets goeds zien, net als God dat kan.

Zalig de zuiveren van hart, want alleen die kunnen zich echt concentreren op wat er werkelijk toe doet, en worden niet steeds heen en weer geslingerd door de dagelijks wisselende verlangens van het hart.

Zalig die vrede brengen, dat kunnen we. We kúnnen vrede brengen. Niet in conflictcirkels stappen is al een goed begin. Altijd zoeken naar een weg waardoor mensen die elkaar gevangen houden in nijd zich daarvan kunnen bevrijden. Ook dat is een pad naar zaligheid. 

En zalig die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid. Daar hebben we die gerechtigheid weer, voor de tweede keer. En het punt van de eerste maal – dat het niet aan ons om fundamenteel gerechtigheid te verwerkelijken – wordt nog aangescherpt. Je honger en dorst moet zo groot zijn dat je zelfs de bereidheid mag hebben hiervoor pijn te lijden. Honger en dorst is al een vorm van lijden, maar daar komt nog wat bij. 

Hier zijn we bij het diepste geheim van de heiligen in de hemel aanbeland. De toekomst van God kan niet worden afgedwongen door mensen. De rechtvaardigheid van God is te groot voor een menselijk partijprogram. Daar hebben we de afgelopen weken veel van gehoord, van plannen en partijprogramma’s. Maar het christendom is geen program van macht, het is een program van kwetsbaarheid.

De Franse filosofe en mystica Simone Weil bekritiseerde pogingen om die kwetsbaarheid weg te doen, om het religieuze leven te baseren op bijvoorbeeld een Sterke God die alle kwaad zo uit de wereld wegblaast, of een religieus leven dat alleen maar gebaseerd is op actie. Of een leer die zegt dat je de macht moet pakken in de samenleving om zo jouw visie te verwerkelijken. 

Zo’n opvatting, zegt Simone Weil, zo`n godsdienst, is niet verheven genoeg om kwetsbaar te kunnen zijn. 

Dat is de les van het kruis. Jezus is dat pad gegaan. Hij heeft niet met een machtswoord allen uitgeschakeld die Hem niet wilden volgen – maar deed het omgekeerde, wetende dat je het kwaad alleen kan vernietigen door het te dragen en te ondervinden. Wanneer het kwaad zichzelf vernietigt, blijft er niets anders over dan God. 

Het is geen toeval dat de verrezen Christus nog de wonden draagt in zijn handen, voeten en zijde. Zo wordt een nederlaag tot overwinning, zo wordt openbaar wat van alle tijden verborgen is gebleven. 

En zo staan wij nu hier op het Hoogfeest van Allerheiligen, we verbinden ons in gebed met de Kerk in de Hemel en alle christenen op Aarde. Vanuit honger en dorst naar gerechtigheid voor alle slachtoffers van oorlog en geweld. En we werken voor hun en onze vrede.  We kennen de uitkomst van ons handelen niet. Dat maakt alles wat we doen kwetsbaar – en als het anders loopt zullen er genoeg mensen zijn die zeggen: het was geheel en al zinloos. 

Maar wij weten beter. De uitkomst is ons niet om het even – maar het ligt niet in onze macht om het hart van anderen in beweging te brengen. Dat kan er maar één en hij is de Eeuwige. Hem roepen we vandaag aan, en morgen en als het moet overmorgen, zo lang als moet. Met Hem blijven wij verbonden omdat wij weten dat Hij trouw blijft aan Zijn belofte voor alle mensen. Amen.



Saturday, 25 October 2025

Gildeviering 2025

Preek voor de viering van het Hubertusgilde 

25 oktober 


Beste vrienden, 


Wat een mooi moment om hier samen te zijn in deze kerk waar jullie mee verbonden zijn. Rond de feestdag van de Heilige Hubertus, patroon van het schutsgilde van Leur, mogen jullie weer deze feestdag vieren. 

Elke dag geeft God ons een nieuwe les, een nieuw woord van bemoediging uit de Bijbel. 

We horen in het evangelie over twee mannen. Een farizeeër, die heeft allemaal prachtige prestaties verricht - vindt hij zelf. En daar beroept hij zich op tegenover God. In de tempel. 

God mag wel blij zijn met zo iemand! Dat is toch een beetje de boodschap die hij de hemel in stuurt. Hij vast en geeft tienden. In de Bijbel komen getuigen altijd in tweeën. De goede werken die hij - volgens hemzelf - doet, die moeten dus voor hem getuigen bij God. 


Dan is er een andere man, een tollenaar. Die werkten in de tijd van Jezus mee met de Romeinen. Niet iets om trots op te zijn. Als je tollenaar werd, dan viel je buiten de samenleving. Niemand wilde met je gezien worden. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Het is een beetje alsof je land bezet is, en je gaat gewoon op de koffie met iemand die openlijk samenwerkt met de bezetter, en daar goed aan verdient. Nee. Dat koekje bij de koffie, dat smaakt je dan toch een stuk minder. 


Toch heeft de tollenaar iets voor op de farizeeër. Hij weet waar je het voor doet. De tollenaar weet het verkeerde wat hij gedaan heeft, zijn relatie met God en de naaste ondermijnt! Hij wil die relatie goedmaken, en hoe doe je dat? Door te vragen om vergeving. 


De farizeeër staat er heel anders in. Andere mensen bestaan eigenlijk niet voor hen. Hij kijkt alleen maar neer op anderen. En hij heeft ook geen echte relatie met God. Want voor hem 

Bestaat God alleen als een soort sportcommentator die zijn (prachtige) doelpunten toejuicht! Helaas voor de Farizeeër: die God bestaat niet. 


Waar laat dat ons. We hebben zoveel waar we blij om kunnen zijn. Een lange geschiedenis, grote prestaties. Gewonnen zilver! Is dat alles nu om niet? 


Nee, het is goed om te vieren wie je bent en wat je mag doen. Op één voorwaarde: dat je nooit uit het oog verliest waar je het om te doen is. Vanuit bestonden de schutsgildes om de burgerij en de gemeenschap te beschermen. En boven alle gezelligheid en sportprestaties uit is dát fundamenteel: de houding van dienstbaarheid aan de naaste, en door de naaste tot God. Dienstbaarheid aan de gemeenschap om ons heen, juist in tijden dat zoveel mensen zich terugtrekken achter hun eigen voordeur, zich verschansen in hun eigen gelijk, is dat belangrijk. Er moeten sterke gemeenschappen zijn, waar mensen elkaar ontmoeten en zich verbroederen. Een dragende pijler te zijn in het dorp en de gemeente. 


Je kan dus fier zijn op wie je bent en waar je vandaan komt, zolang je niet uit het oog verliest dat je niet zelf de bron van het goede bent. Zou dat toch gebeuren, zou je uit het oog verliezen dat je uiteindelijk slechts alle goede dingen ontvangt, dan raak je uit balans. Dan krijgt een eerder gepaste trots iets hautains. Dan komt de mot in je kleding, en vergaat het zilver tot stof. 


Nu hebben schuttersgildes dit altijd geweten. Waar de farizeeer trots rechtop blijft staan, houdt de tollenaar zijn hoofd gebogen. Er zijn momenten dat we weten te buigen voor wat groter is dan onszelf. Zolang we dat nog kunnen, is er hoop! 

Het is een oude en mooie traditie dat bij het eucharistisch gebed het vaandel van een gilde daalt bij de consecratie, om God in ons midden te begroeten. 


Zolang dat een levend gebaar blijft, hebben ook uw tradities blijvend een toekomst. Nog voor vele jaren. Er worden vandaag nieuwe leden geïnstalleerd. Zij zullen op hun eigen manier weer toekomst geven aan wat zo lang geleden begon. 

Mogen wij daarvoor dankzeggen, voor het verleden, om dit heden en op de belofte van de toekomst. 


Amen.


30e zondag door het jaar C

 In die tijd zei Jezus tot hen die

– overtuigd van eigen gerechtigheid –

de anderen minachtten,

de volgende gelijkenis:

“Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden;

de een was Farizeeër en de andere een tollenaar.

De Farizeeër stond met opgeheven hoofd

en bad bij zichzelf als volgt:

God, ik dank u dat ik niet ben als de rest van de mensen,

rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers,

of ook als die tollenaar daar.

Ik vast tweemaal per week

en geef tienden van al mijn inkomsten.

Maar de tollenaar bleef op een afstand

en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel;

maar hij klopte zich op de borst en zei:

God, wees mij zondaar genadig.

Ik zeg u:

deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere;

want al wie zich verheft zal vernederd,

maar wie zich vernedert zal verheven worden.”


Beste vrienden, 


Iedereen heeft een idee hoe het er met hem of haar voorstaat. Iedereen heeft een zelfbeeld. Omdat wij veel tijd met onszelf moeten doorbrengen, veel meer dan met andere mensen, ongeacht hoe dicht ze bij ons staan. Maar hoe dicht wij ook bij onszelf staan, dat zegt vreemd genoeg nog steeds niet dat we onszelf ook goed kunnen inschatten. Ons zelfbeeld hoeft helemaal niet te kloppen. 

Zelf vind ik dat altijd één van de wonderlijkste gedachten. Hoe goed ken je jezelf? Kun je jezelf eigenlijk wel kennen buiten de blik van andere mensen? En wat betekent dat? Als je niet helemaal van je eigen blik op jezelf aan kan? 


Het is met een zelfbeeld zoiets als met alle oordelen. Je kan overdrijven, dan schiet je er overheen. Je kan tekortschieten. Of je hebt gelijk. Je zit in het juiste midden. Dan heb je een goede inschatting gemaakt. Hoe kom je op een goede inschatting? Wanneer heb je gelijk? 



Jezus vertelt er een verhaal over. In de tempel te Jeruzalem zien we twee mannen. Ze lijken op een afstandje best op elkaar, ze staan immers allebei te bidden. Maar er gaapt een wijde kloof tussen hen in. De één staat rechtop, heel fier. Zelfbewust. Hij heeft een gezond zelfbeeld, zouden veel mensen zeggen. Hij blaakt van zelfvertrouwen! 


God ik dank u dat ik niet lijk op, en dan komen er vier categorieën boosdoeners. Hij heeft zelfs de tollenaar opgemerkt die ergens achter hem staat. Vier is altijd een getal dat gaat over de volheid van de wereld. De wereld is dan wel vol boosheid, maar hij, de farizeër…. Hij hoort daar niet bij! 


En dan noemt hij nog twee dingen die hij goed gedaan heeft, twee goede werken. Vasten en tienden geven. Nu kwamen getuigen in de Bijbel altijd in tweeën. Zijn goede werken moeten voor hem pleiten! Een klinkend getuigenis. Aan de ene kant staat mijn vasten, aan mijn andere kant mijn tienden! Wat gaat hij er prat op! 


Dan is er de tollenaar. Daarvan zouden we tegenwoordig zeggen dat hij geen goed zelfbeeld heeft. Om te beginnen staat hij niet rechtop. Sterker nog: hij durft niet eens rechtop te staan, niet eens zijn ogen omhoog te heffen. Hij heeft geen uitvluchten, geen verdediging. Hij vertelt niet aan God waarom hij deed wat hij allemaal wel deed (“iedereen doet het”) en waarom het allemaal wel meevalt (“De Romeinen verdienen meer dan ik”) Of dat mensen hem zo’n naarling vinden dat hij eigenlijk het échte slachtoffer is. (“Tol. Tol? Weet u wel wat ik allemaal moet meemaken?”) 


Hij denkt niet eens aan de Farizeeër die daar zo vroom en gerecht staat te bidden. Alles wat in hem leeft, gaat tussen God en hemzelf. God - wees mij zondaar genadig. 

Hij heeft geen slecht zelfbeeld. Hij heeft een juist zelfbeeld. Hij begrijpt zichzelf vanuit zijn relaties. Zijn relaties met de andere mensen staan op de achtergrond. Die heeft hij beschadigd door wat hij gedaan heeft. Daarnaast begrijpt hij zich in relatie tot God, dat wil zeggen: als zondaar. 


Hij staat niet rechtop als iemand die fier kan zijn op zichzelf, maar als iemand die als zondaar zich wendt tot de enige bron van genade: God zelf. 


De Farizeeër daarentegen, lijkt helemaal niet in een relatie tot anderen te staan. Als hij zich bewust is van anderen, dan is het om hen te vergelijken en de ander te veroordelen. Hij veroordeelt hen niet zoals een rechter dat doet. Een rechter spreekt immers geen recht namens zichzelf. Hij veroordeelt daders in naam van de Koning, uit naam van het recht. Een rechter oordeelt niet om zichzelf beter te kunnen voelen. Een rechter is onpartijdig. Hij betrekt zijn ego - als het goed is - niet in het oordeel. 


We kunnen het eerste deel van zijn woorden aan God dan ook samenvatten als “Ik, ik, ik, ik”, en wat daarna komt als “mij, mij”. Of hij de waarheid spreekt of niet (dat weten we niet!) of hij die goede dingen doet of niet. Het doet er niet toe. Zou het trouwens niet mogelijk zijn, vrienden, dat de Farizeëer een beetje overdrijft? Als je zo vol bent van jezelf, kun je dan werkelijk onbevangen in de spiegel kijken? 


Nee. Of hij nu enig goeds gedaan heeft of niet. Wat hij doet gaat enkel over hemzelf. 

Hij kan zichzelf niet zien in de ogen van anderen. Hij begrijpt zichzelf niet vanuit Gods oog. 

En dus kent hij zichzelf niet. 


Hij lijkt een goed, optimistisch zelfbeeld te hebben (“Ik mag er zijn!”) maar eigenlijk zit hij er helemaal naast! Wat hij doet, had hij even goed gelaten. Het is allemaal voor niets. 

Als je de goede dingen doet, om de verkeerde reden is dat niet iets waar God met veel plezier naar kijkt. Wat doorweegt, is het hart. De intentie waarmee we de dingen doen. Daarom gaat geloof - de richting van ons hart - voor op de werken die we doen. 


De tollenaar geeft ons allen dus hoop. Hij beroept zich niet op goede dingen. Om te beginnen omdat hij niet zoveel indrukwekkende palmares, maar dat maakt hem tegelijkertijd vrij, om te  beginnen met een schone lei. 


Pas als je jezelf kan zien in de ogen van een ander, weet hebt van je verantwoordelijkheid, ben je werkelijk vrij om te doen wat er gebeuren moet. Niet om indruk te maken op iemand, maar om met een open hart een nieuwe relatie aan te gaan, vanuit die relatie met God te leven. 


En ja, dan gaan je ook andere dingen doen. En misschien ga je op termijn wel vasten in de Veertigdagentijd, wie weet. Maar als je dat doet, doe het uit liefde tot God en de naaste en niet om in een goed blaadje te komen bij iemand. 


Mochten we dus in de spiegel kijken en iets anders denken dan: “God mag wel blij zijn met zo’n supergelovige als ikzelf” of denken dat God er vooral is om als een opgewonden sportpresentator jouw doelpunten toe te juichen, wees dan blij.

Voel je licht en vrij. Voel vreugde eerder om wat God doet.

Keer je af van het oude, van hetgeen je bedrukt heeft, en zet met vol onvermogen een stap naar de toekomst. 


Je doet het niet alleen. 


Amen. 


Saturday, 18 October 2025

29e zondag door het jaar C

In die tijd leerde Jezus in een gelijkenis aan zijn leerlingen,

dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen.

Hij zei:

“Er was eens in een zekere stad een rechter,

die zich om God noch gebod bekommerde.

Er was ook een weduwe in de stad,

die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek:

Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander.

Een tijdlang wilde die rechter niet,

maar daarna zei hij bij zichzelf:

Al bekommer ik mij om God noch gebod,

toch zal ik die weduwe recht verschaffen

om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken.”

En de Heer sprak:

“Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt!

Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen,

die dag en nacht tot Hem roepen,

of zal Hij ten opzichte van hen onbewogen blijven?

Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen.

Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst

het geloof op aarde vinden?”


Beste vrienden, 


Om de zoveel tijd kom je iemand tegen die geen hulp vraagt, of aan wil nemen. Hij of zij kan er om een of andere reden niet om vragen, of als het hem ongevraagd wordt aangeboden dan is het zogenaamd niet nodig. En ondertussen is het natuurlijk overduidelijk wel nodig. Dat ziet iedereen. Het onkruid staat manshoog en de gang ligt vol met niet opengemaakte post. Dat soort dingen. 


Daar kun je je aan ergeren - het is ook ergerlijk - maar je kan ook zeggen: zoals die persoon is eigenlijk iedereen wel een beetje. Er zijn natuurlijk ook luie mensen die steeds bedelen om onterecht medelijden, en dan achterover gaan zitten en wachten tot een ander zijn problemen oplost, maar de meeste mensen hebben het omgekeerde. Ze willen koste wat kost de dingen zelf doen. Dat zit in ons allemaal. De gemiddelde mens vindt het op één of andere manier moeilijk om te accepteren dat hij of zij niet alles zelf kan. En als we tegenover God staan, wordt dat gevoel alleen maar scherper: want als we toegeven dat we niet alles zelf kunnen, hulp van anderen nodig hebben, hulp van God, dan moeten we toegeven dat de wereld niet om ons eigenste ikje draait. 


Zelfs de leerlingen van Jezus vinden dat moeilijk. Daarom krijgen ze - net als wij deze zondag - dit verhaal te horen. 


We horen dat Jezus zegt dat ze niet moeten versagen , in het geloof. Een mooi woord, waaruit blijkt dat ook onze vertaling alweer heel wat jaren meegaat. Gebruikt u dat woord nog weleens, versagen? 


Nee, ik ook niet. Het is wel een heel mooi woord. Onversaagd zijn, dat zeggen we van stoere ridders. Ben je onversaagd dan laat je de moed niet zakken. Dat is trouwens ook echt wat er staat, in het Grieks. Maar als de vertaling voor ons moeilijke woorden gebruikt, dan kun je het verkeerd begrijpen. Dan klinkt het een beetje alsof het bij je houden aan het gebed, regelmatig blijven bidden, vooral gaat om een regeltje van God. Iets waar je je aan moet houden. 


“Weet je wat jij moet doen, mannetje? Vijf keer per dag bidden, of zeven keer. Precies op deze en deze tijd. En als je zomaar een psalm overslaat? Dan zwaait er wat!” 


En daar gaat het nou juist niet om. Als je met die gedachte in je achterhoofd gaat bidden is de kans aanwezig dat je eindigt als de farizeeërs, met lange mantels en lange gebeden op de hoek van de straat. En als je dan er ook nog op gaat letten dat anderen net zo lang bidden als jij dan krijg je een ziekelijke situatie. Een kerk, een gemeenschap, of zelfs een hele samenleving kan op die manier in de ban raken van een valse spiritualiteit.   


Jezus doelt ergens anders op, hij staat niet met een stopwatch of een psalmenteller in de deur van de seminariekapel, en een pen om een vinkje te zetten bij de naam van die niet lang genoeg dankzeggen aan het einde van de Mis. 


Hij vertelt integendeel een beeldend verhaal. Een verhaal uit de joodse traditie. In de joodse traditie worden altijd bepaalde voorbeelden gebruikt om iets over God te zeggen. Eén van die categorieën is van het mindere naar het meerdere, of van het slechte naar het goede. Als je kan zeggen dat iemand die slecht is, goed doet, hoeveel te meer kan een goed persoon dan iets goeds doen? En hoeveel te meer God dan wel niet? 


Dat soort voorbeelden kom je veel tegen in de Bijbel. Jezus gebruikt ze regelmatig. De onrechtvaardige rechter, de onrechtvaardige rentmeester, of de mensen zelf (als Jezus zegt: “en jullie geven goede dingen aan jullie kinderen, ook al zijn jullie slecht” - eenzelfde soort voorbeeld) 


En dan vandaag: de onrechtvaardige rechter. Die wil zijn werk niet goed doen. Misschien is hij lui of corrupt. Dat weten we niet. Het doet er ook niet toe. Wat belangrijk is:hij weigert een weduwe - weduwen zijn in de wereld van de Bijbel altijd kwetsbare mensen - haar recht te geven. De grote Bijbelse driehoek van mensen waar je extra op moet letten: de weduwe, de wees en de buitenlander. 

Gelukkig is de weduwe een hele assertieve tante. Ze is misschien machteloos, maar niet tandeloos. Ze laat hem geen moment met rust. In de rechtzaal, op de golfbaan, voor deur van de herenclub en op zondag op de stoep van de kathedraal. Het wordt een beetje gênant. 


Als de rechter haar recht verschaft betekent dat niet dat hij opeens een bekering heeft doorgemaakt, of zelfs maar dat hij haar recht ook inziet en er naar handelt. Hij wil er gewoon niet meer op worden aangesproken. In het Grieks staat er “straks houd ik er nog een blauw oog aan over”, maar dat was misschien wat te heftig voor de vertalers. Het betekent in het Grieks trouwens hetzelfde als in het Nederlands, of je bent bang dat er klappen vallen - geslagen worden door een vrouw is natuurlijk nog eens extra vernederend - of het is je image dat een deuk oploopt. En waarvoor eigenlijk. Er zijn nog kansen genoeg om lekker stout te zijn! Teken maar af en klaar.    


Nu is die onrechtvaardige rechter natuurlijk helemaal geen buitenissig voorbeeld. Slechte mensen kunnen er best toe worden gebracht om goede dingen te doen. Omdat het hen toevallig uitkomt, of gewoon uit stom toeval. Een boosaardige leider zou zelfs vrede kunnen sluiten in het Midden-Oosten, en daar heel wat meer bereiken dan mensen die zichzelf uiterst idealistisch vinden en vervolgens hun eigen én andermans ruiten ingooien.

 

En wat vertellen zulke voorbeelden ons over God? Als een slecht mens goede dingen kan doen, hoeveel te meer doet de goede God dan goede dingen aan hen die erom vragen? 


Als je in de gunst staat van een machtig man, dan kun je er nooit honderd procent op rekenen dat die situatie zo zal blijven. Vandaag zeggen ze dit, maar morgen dat. Heb je wat van ze nodig? Succes ermee. Je emails worden misschien nooit opengemaakt, je klacht wordt enkel in behandeling genomen omdat het iemand net goed uitkomt, en met hetzelfde gemak waar ze je mee ontslaan, word je een half jaar later door dezelfden gemaild met de vraag of je nog iemand weet voor de nu ontstane (oninvulbare) vacature. Nee, voor de omgang met machtige mensen - of zelfs maar mensen die toevallig even een beetje macht hebben - heb je een sterke maag nodig. Een sterke maag, én een gezonde dosis assertiviteit! Je staat immers niet in een relatie met hen. Je bent gewoon een stuk op een bord. Iets wat ze even nodig hebben (of niet) en als je niet steeds laat merken dat je er bent en wat van ze moet, verdwijn je makkelijk uit beeld. 


Goede mensen, goede vrienden, daar kun je van op aan. Je kent ze. Je staat in een relatie met ze. Je weet wat ze waard zijn. Ze doen wat ze zeggen, en als ze het niet doen, dan is er een goede reden. Daar moet je zuinig op zijn. Die mensen zijn kostbaar. 


En daar nog ver bovenuit: God. God, die niets liever wil dan relatie zijn. Zich met ons wil verbinden en de mensen bij elkaar wil brengen. God houdt van ons voordat wij op het idee komen om een stap in Zijn richting te doen. Het enige wat wij moeten doen van onze kant is zich voor hem open-stellen. Dat is wat geloof is, je open-stellen voor wat God wil doen. En hoe doe je dat? Niet door het denken aan heilige gedachten, ook niet door koortsig bezig zijn met van alles en nog wat - hoe nuttig dat vast ook is - maar door Gods nabijheid te zoeken in het gebed. 


Dat hoeft niet met een omhaal van woorden. Misschien zelfs beter van niet, eigenlijk. Jezus waarschuwt er zelden tegen het niet lang genoeg bidden. Integendeel, daar waarschuwt hij juist tegen. 


Sterker nog, misschien is dat wel de reden dat hij dit, nu, tegen de leerlingen zegt. Stel dat je denkt dat het gaat om hoeveel je doet en dat gelovige mensen om je heen zeggen dat meer ook beter is. Dan kun je makkelijk ontmoedigd raken, een spirituele burnout, zogezegd als het in het leven tegenzit.  


Nee. Belangrijker dan lengte is de regelmaat, de vaste momenten. Net zoals je onder het eten praat met je familie en vrienden (en de telefoon dan weglegt), zo kun je vaste momenten in de dag vinden om relatie met God te onderhouden. De eerste christenen baden altijd op vaste momenten van de dag. Elke goede gewoonte bouw je op, door het op een vast moment te doen. Elke keer als je met jezelf moet onderhandelen wanneer je ergens tijd voor gaat maken, heb je het pleit al verloren. 


Zonder gebed een relatie met God onderhouden? Lukas denkt niet dat dat kan, en ik ben het met hem eens. Net zoals je geen relatie kan hebben als niemand zich nog voor de ander openstelt. En net als in het onderhouden van een relatie maakt het niet uit als het contact in het begin wat korter is. Het gaat om het gebaar, om de openheid, om de gewoonte die je opbouwt. Meer , als je daar behoefte aan hebt, is een probleem van later zorg. 


Mogen we zo moed vatten om ons open te stellen, met God te delen wat er in ons hart leeft, ons open te stellen voor wat Hij ons te zeggen heeft en zo de moed te ontvangen om het leven met open vizier tegemoet te treden


Amen.